Idee 983.                                                


Toen dat stuk in 't licht verschenen was, meende zeker blaadje m'n aanklacht te ontzenuwen door de opmerking dat ik daarin verzuimd had aantetoonen wat er moest gedaan worden om 't gebruik van dierlyk voedsel meer algemeen te maken. [1] Volgens 't Kamper Courantje namelyk - 'n uitwas van den N. Rotterdammer - is dit: ‘in Multatuli die de omissien van anderen aanwijst, eene onvergeeflijke omissie.[2] Heel gelukkig echter, dat dit blaadje m'n verzuim herstelt, en de door my overgeslagen middelen zoo duidelyk en bondig uiteenzet, dat nu reeds, na slechts 'n paar weken tyds, het rundvleesch in Holland te-geef is. 

Maar eilieve, toen ik in m'n brief aan den Koning beweerde dat de Ministers verzuimd hadden Z.M. iets te doen zeggen van de byzondere duurte, had de Kamper nog niet gesproken, en 't vleesch was op dàt oogenblik inderdaad byzonder hoog in prys, jazelfs voor 'n zeer groot gedeelte onzer landgenooten onverkrygbaar. Even waar was 't, dat de Ministers ouder-gewoonte verzuimd hadden, in de troonrede melding te maken van deze al te ònbyzonder geworden byzonderheid. Op dit zwygend liegen slechts wilde ik den Koning opmerkzaam maken. Hoe kon ik er méér van zeggen, daar de vleeschverschaffende arkanen van den Kamper op dat oogenblik nog niet bekend waren? Is 't myn schuld dat die schepper van nieuwe denkbeelden zoo talmde met z'n openbaring, en dat alzoo het jarenlange vasten van den nederlandschen werkman en burger, eigenlyk niet den minsten grond had? Hoe dit zy, wanneer de Ministers, in 'n volgende troonrede de door den Kamper uitgevonden welvaart overslaan, zal ik opnieuw genoodzaakt wezen, Z.M. te waarschuwen tegen de plichtverzaking zyner hem door onze zoogenaamde Volksvertegenwoordiging opgedrongen raadslieden.

Maar dit is nu de vraag niet. Lezers die 't 'n onvergeeflyke omissie vinden, dat ik de beschuldiging van ‘leugen’ niet deed vergezeld gaan van 'n opgave der middelen om 't vleesch goedkoop te maken, zullen misschien op gelyke wyze m'n aanval tegen de thorbeckery afweren door de klacht dat ik daarby geen nieuw reglement leverde op den garnizoensdienst.

Aan deze mogelykheid - 523! - heeft dat Kamper krantje de eer der aanhaling in m'n Ideen te danken. Ik had 'n voorbeeld noodig van verkeerd redeneeren, en mocht de gulheid niet voor 't hoofd stooten, waarmee dat blaadje zoo'n voorbeeld leverde. Ook de N. Rotterdammer meene in 's hemelsnaam niet, dat ik hem andere waarde toeken dan zekere ziektestoffen kunnen hebben in de oogen van den geneesheer. Ik was wel genoodzaakt dat blad telkens aantehalen, om de lezers die na ons komen, te overtuigen, dat ik gegronde redenen had om 't nederlandsche tydgeestjen aanteklagen van krankzinnigheid. Er bestaan zelfs symptomen die op iets ergers wyzen! [3]

Van eigenlyk gezegde polemiek met zulke voorlichtingsorganen kan geen spraak zyn, daar ik geen kans zie, my de onbekwaamheid eigen te maken, die daartoe heden-ten-dage naar den eisch van 't meerendeel der lezers noodig wezen zou. [4] En wie na ons komt, zou 't my euvel duiden dat ik me te veel had ingelaten met tegenstanders van zoo onklassisch gehalte. Amende honorabele dus voor 't herhaald noemen van die hedendaagsche annonce-industrien met byhang van politiek, wysbegeerte, kunstkritiek en wetenschap. Holloway en fatsoenlyke juffrouwen (P.G.) leveren 't drukloon voor den lof dien men Fransen van de Putte toezwaait als vry-arbeider, staatsman en redenaar. Er ontbreekt maar aan dat men hem vergoodt als oorlogsverklaarder! Neen waarlyk, met zulke tegenstanders mag ik niet wedyveren.

Maar als ziekteverschynsel? Is 't my euvel te duiden dat ik me wapen tegen de beschuldiging van zwartgalligheid? [5] Of liever dat ik me hiertegen verdedig, want ingebracht is ze reeds, en wel, verrassend genoeg, naar aanleiding van... m'n ‘Naschrift op de Bruid daarboven.’ In de Vaderlandsche Letteroefeningen wordt die kleine bydrage over dramatische kunst gelaakt om den ‘scherpen, sarkastischen - byna zou referent zeggen: menschenhatenden - toon.’

Van menschenhaat is me niets bewust. Ik meende integendeel bewys te hebben gegeven van niet zoo heel alledaagsche menschenliefde, daar ik al wat ik bezat ten-offer bracht aan 't beoogd welzyn van m'n naaste. [6] Doch al ware dit anders, 't blyft my 'n raadsel hoe men beweren kan sporen van dien vermeenden menschenhaat te hebben gevonden in dat onschuldig opstelletjen over zekere onderdeelen van dramatische kunst. Waarschynlyk was de schryver van de recensie onder den indruk van andere stukken, waarin smart me drong tot sarkasme. (324) Vindt men 't zoo vreemd?

Toch was z'n opvatting zeer welwillend, in-vergelyking van wat ik elders waarneem. Zekere heer Kappelman - hy schynt verwant aan Schmoel uit de kruissprook - levert in 'n tydschrift bydragen tot de kenmerken van z'n domme kwaadaardigheid [7], door - nota bene naar aanleiding van m'n ‘Brief aan den Koning’ - te verzekeren: dat de schryver daarvan ‘tengevolge van liederlyk gedrag z'n vaderland heeft moeten verlaten.’ Was de man bevreesd dat men het slot van 632 niet voldoend gemotiveerd vinden zou? ‘Liederlyk’ bèn ik. Dit kan men uit al m'n werken zien.

Ook hier alweer moet ik verschooning vragen voor 't aanroeren van zoo triviale zaken by m'n ernstigen arbeid. Het was noodig ter voorbereiding tot de vragen:

Nederlanders, hoe leest ge dan toch? [8]

En:

Zal ook nu weer de poging om u te verlossen uit de handen der afgodery met den leugengeest van den dag - de moderne benaming is: principes van Thorbecke - schipbreuk lyden op misverstand?


[1] Toen dat stuk in 't licht verschenen was, meende zeker blaadje m'n aanklacht te ontzenuwen door de opmerking dat ik daarin verzuimd had aantetoonen wat er moest gedaan worden om 't gebruik van dierlyk voedsel meer algemeen te maken.

Dit is een drogreden die M. vaker voor de kiezen kreeg, net als trouwens andere maatschappij-critici: "U kritiek deugt niet, want u zegt niet hoe u de door u genoemde misstanden zou verbeteren".

Het is grote onzin, omdat een misstand een misstand is, of men nu ideeën heeft hoe deze te verbeteren niet. Trouwens ...veel plannen tot verbetering van de wereld gaan tenonder aan de lamlendigheid, domheid of desinteresse van degenen aan wie ze gericht zijn. 


[2] Volgens 't Kamper Courantje namelyk - 'n uitwas van den N. Rotterdammer - is dit: ‘in Multatuli die de omissien van anderen aanwijst, eene onvergeeflijke omissie.

Kortom: Hij heeft nagelaten te vertellen hoe de nalatigheden van anderen gecorrigeerd kunnen worden - weg met hem!

Dit is een variant van een nog altijd in Nederland graag gebruikte drogreden: Je "mag" kritiek hebben - de gebruikers van truuk geven je altijd genadig permissie - maar... alléén als het "konstruktieve kritiek" is, dus eigenlijk: Géén kritiek.


[3] Ik was wel genoodzaakt dat blad telkens aantehalen, om de lezers die na ons komen, te overtuigen, dat ik gegronde redenen had om 't nederlandsche tydgeestjen aanteklagen van krankzinnigheid. Er bestaan zelfs symptomen die op iets ergers wyzen!

Namelijk? Moedwillig bedrog en hypocrisie? Ik geloof het graag, want ik geloof niet zozeer aan vrijwel algemene krankzinnigheid, maar wèl aan het vrijwel algemeen huichelachtig dienen van vermeend eigenbelang middels conformisme. Het is waar dat domheid daarbij ook een grote rol speelt. 


[4] Van eigenlyk gezegde polemiek met zulke voorlichtingsorganen kan geen spraak zyn, daar ik geen kans zie, my de onbekwaamheid eigen te maken, die daartoe heden-ten-dage naar den eisch van 't meerendeel der lezers noodig wezen zou.

Ik ben zo vrij op te merken dat voor mij hetzelfde geldt: Ik schrijf veel te goed en veel te eerlijk om meer dan heel weinig gelezen te worden. En ik heb nooit enige moeite gedaan publiek op te vallen (eerder het tegendeel) of een publiek-behagend literair boek te schrijven.

Inderdaad is het een interessante vraag wat tegenwoordig bekend zou zijn geweest van Multatuli als hij niet de Max Havelaar had geschreven en daarmee erg snel in Nederland heel bekend was geworden, en naam had verworven. (Zie ook 971 lezer, voor dat naam maken.)

Ik vermoed dat het zinnigste antwoord op deze vraag is: Ongeveer even bekend als zijn vriend Roorda van Eysinga, die een soortgelijke carrière beëindigd door een conflict had gemaakt in Nederlands Indië, en een intelligent, moedig en goed schrijvend man was. Roorda van Eysinga is volkomen vergeten en wordt niet en werd bij mijn weten nooit herdrukt, afgezien van brieven van hem aan Multatuli, die door M.'s weduwe werden uitgegeven.


[5] Maar als ziekteverschynsel? Is 't my euvel te duiden dat ik me wapen tegen de beschuldiging van zwartgalligheid?

Het is trouwens vreemd dat dit als een beschuldiging geldt, zeker onder een volk van protestantse Christenen, volgens wie de mens slecht, zondig, zwak en geneigd tot alle kwaads en in staat tot weinig goeds is.

Ikzelf ben geneigd de mens als zwak, dom en eerder en makkelijk geneigd tot kwaad dan goed tegen iedereen die niet tot de eigen groep behoort te zien - maar is dat niet veel eerder eerlijk en waarachtig dan zwartgallig? Of had de historicus Gibbon ongelijk met z'n

"History is little else but the register of the crimes, follies and misfortunes of mankind"

dunkt u? En op basis van welke uitgebreide historische kennis bent u, verondersteld optimistische lezer, dan zo bijzonder optimistisch over de modale medemens of z'n leiders?


[6] Van menschenhaat is me niets bewust. Ik meende integendeel bewys te hebben gegeven van niet zoo heel alledaagsche menschenliefde, daar ik al wat ik bezat ten-offer bracht aan 't beoogd welzyn van m'n naaste.

Het één sluit het ander niet uit, en het is zeker waar dat alle mensen van een paar mensen houden of gehouden hebben, een paar haten, en de meeste mensen onverschillig zijn als ze al van hun bestaan weten.

Maar omdat ikzelf me in mijn commentaren op de Ideen van Multatuli vaak niet overmatig vrolijk heb uitgelaten over mijn medemensen wil ik wel voor mijzelf antwoorden op een verwijt dat ik misanthropisch zou zijn, dat me inderdaad wel eens gemaakt is.

Ik ben niet misanthropisch wat betreft een kleine minderheid van de mensen. Er is namelijk altijd en overal een kleine groep mensen geweest die werkelijk heeft geprobeerd rationeel na te denken en zich redelijk te gedragen. Maar het is waar dat dit altijd en overal een kleine minderheid was.

Of ik dan misanthropisch ben wat betreft de grote meerderheid? Alweer niet, want ze kunnen er in grote meerderheid niets aan doen dat ze de vermogens niet hebben die ze niet hebben: 'Vader vergeef ze, want ze kunnen niet beter, willen niet beter en weten niet beter', zoals Jezus had moeten zeggen.

Tenslotte: Of ik dan misanthropisch ben wat betreft de minderheid van de politieke en religieuze leiders? Ja. Immers, Gibbon's zeer waarachtige boven geciteerde diagnose "History is little else but the register of the crimes, follies and misfortunes of mankind" is toch vooral te wijten aan de politieke en religieuze leiders die de mensheid gehad heeft: Zij maakten de keuzes, preekten de waarden, en verbreiden de waandenkbeelden, alles in hun eigen belang, ten koste van de belangen en rechten en bestaansmogelijkheden en het levensgeluk van wie ze bedrogen en belogen.


[7] Zekere heer Kappelman - hy schynt verwant aan Schmoel uit de kruissprook - levert in 'n tydschrift bydragen tot de kenmerken van z'n domme kwaadaardigheid

Kappelman is M.'s term voor burgerlijke huichelaar, en inderdaad - zie [6] - is domme kwaadaardigheid hèt kenmerk van de gebruikelijke reacties van de leden van één groep tegen de leden van een andere: Wij Goed, Zij Slecht, dus Ons is alles geoorloofd tegen hen:

"Actions are held to be good or bad, not on their own merits but according to who does them, and there is almost no outrage - torture, the use of hostages, forced labour, mass deportations, imprisonments without trial, forgery, assassination, the bombing of civilians, which does not change its moral colour when it is committed by 'our' side." (The Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell, vol 3, p. 419)

Dit is de normale menselijke houding tegen z'n medemensen, mits lid van andere groepen, in het bijzonder wanneer deze tot de tegenstanders van Onze Groep worden gerekend. Zie ook 971.


[8] Nederlanders, hoe leest ge dan toch?

Wel, het antwoord op deze vraag moet zijn:

Nederlanders lezen met een gewoonlijk belabberd verstand, een geringe kennis, en door een bril van vooroordelen en wensdenkerij. Maar ze ménen het meestal wel goed, althans met de leden van de eigen groep en Ons Soort Mensen - dat wel.

Idee 983.