Idee 980.                                                


Het toeval is sarkastisch. [1] Onder de uitgeknipte courantartikelen die ik kolligeerde, was 'n ‘Oproeping aan de ingezetenen van Amsterdam.’ Ook in dat stuk had ik te-vergeefs gezocht naar 't bekende desideratum: wat dan toch die Thorbecke byzonders gedaan heeft? Ik herinnerde my, o.a. ook daarin - in zeer algemeene termen, natuurlyk! - iets over Thorbecke's verdiensten omtrent het Onderwys gelezen te hebben, en wel: ‘omtrent het op godsdienst gegronde onderwys.’ De rol die door 't godsdienstig element in 't kretinizeeren van de jeugd gespeeld wordt; meen ik in m'n IIIn Bundel eenigszins te hebben toegelicht. Ik wilde den lezer daarnaar verwyzen, doch eerst my door herhaalde inzage van die oproeping overtuigen dat ik me niet vergist had. 

Inderdaad, het staat er! Dit weet ik nu, en ik beschuldig dus in 't voorbygaan die Amsterdamsche Subkommissie van medeplichtigheid aan den algemeenen verstandsmoord [2] - tu quoque, Hubrecht? - maar zie, ik kon 't ding niet vinden. Een kwartier lang zocht ik te-vergeefs. Ik wist toch zeker dat ik 't uitgeknipt, en daaraan 'n behoorlyk plaatsje gegeven had by de andere ziekteverschynselen. Waar kon 't wezen? Wie of wat had me beroofd van de godsdienstig-onderwyzende oproeping om Thorbecke ‘in metaal’ te zetten, en ‘zyne woning in zyn naam te bewaren.’ Zóó stond er, meende ik, en die meening was juist, hoe zonderling dan ook dat ‘bewaren in naam van 'n doode’ klinken moge, maar... 't gezochte stuk vond ik niet!

Verdrietig bladerde ik in m'n archiefjen, en zie, daar valt m'n oog op geheel iets anders, op 'n stuk van goede strekking, waarin juist betoogd wordt dat 'n voornaam deel van ons Onderwys - na 'n kwart eeuw thorbeckery! - in allerellendigsten toestand verkeert.

Lezer, ter afwisseling van al 't schoone dat wy te danken hebben aan den grooten Staatsman, ben ik zoo vry dat stuk hier overtenemen:

Zou 't wat helpen?
 
De beweging, die zich ten-doel stelt de aandacht der regeering te vestigen op de bezoldiging der lagere onderwijzers [3], ten einde een voorstel uit te lokken tot herziening van 't noodlottig wetsartikel, 'twelk het minimum bepaalt, wint veld. Een gelukkig verschijnsel, niet waar? Men behoeft niet langer schilderingen op te hangen van het lot der minst bedeelde schoolmeesters om het publieke medelijden gaande te maken: een algemeen geroep om herstel van een onrecht weerklinkt luid en luider, 't is niet meer de stem des mededoogens, 't is die der verontwaardiging, die zich hooren doet. De publieke opinie, die machtige heerscheres, onder wier scepter wetten verrijzen en misbruiken ineenstorten, legt haar ontzagwekkend gewicht in de schaal, en verklaart dat de tegenwoordige toestand onhoudbaar is.
Dat is een Koninklijk woord van Hare Majesteit de Openbare Meening. Zal onze regeering er doof voor zijn?
Zoolang 't nog alleen de lagere onderwijzers waren, die verzuchtingen aanhieven over de cijfers 400 en 250, het minimum-bedrag der (tractementen van) hoofd- en hulponderwijzers, was hun stem gelijk aan die des roependen in de woestijn, of, zoo er al acht op werd geslagen, dan was spoedig het antwoord gereed: 't is waar, mijn goeie man. Veel is het niet, maar à qui la faute? Gij hebt het geweten, waarom dingt ge naar zulke slecht bezoldigde betrekkingen, niemand heeft u geroepen, nog minder gedwongen; we leven in een vrij land, ge had thuis kunnen blijven. Dat ge honger lijden zoudt... iemand die zelfs met de logarithmen bekend moet wezen, kon zulks gemakkelijk genoeg berekenen; derhalve... [4]
Doch Publiek kwam spoedig tot de ontdekking, dat er nog wat anders achter zat. Het begon te begrijpen, dat een schoolmeester, die niet langer kans ziet om zijn eigen kinderen te eten te geven, weinig geestkracht meer zal overhouden, om die van anderen op te voeden; dat een man, wien de armoe uit de kaal gesleten naden van zijn jasje berst, moeielijk die waardigheid, die ernstige blijmoedigheid, die gelijkmatigheid van inborst kan bewaren, die onmisbare vereischten zijn in een leidsman der jeugd. Dat was de bedenkelijke zijde van het vraagstuk. Dat de onderwijzer persoonlijk gebrek leed, men betreurde het, maar daar bleef het bij... of laat ik, om niet onbillijk te zijn, er bijvoegen: in zeer dringende gevallen werd de hand tot hulp uitgestoken. Dochde gedachte, dat die karige bezoldiging van heilloozen invloed zijn moet op het onderwijs zelf... die gedachte doet, gelukkig, in 't eind alle handen uit...

Ik wilde doorlezen, sloeg 't blaadjen om...

Ik had de keerzy gelezen van 't gezochte stuk! Die keerzy had het toeval geleverd. Men ziet, ook zulke ‘Oproepingen’ voor monumenten habent sua fata!

Lezer, schaf u 't Nieuws van den dag van 19 September 1872 [5] aan, en bewaar het daarin voorkomend stuk van de Amsterdamsche Thorbecke-Commissie, als 'n kurioziteit.

Men kan daaruit leeren hoe nuttig het is, de zaken van meer dan één kant te bekyken. [*]

[*] Noot van 1876. Zie overigens 't Naschrift op dezen bundel.


[1] Het toeval is sarkastisch.

Het toeval is van alles en vooral onvoorspelbaar, maar dit is toch fraai genoeg om er uit gelicht te worden.


[2] ik beschuldig dus in 't voorbygaan die Amsterdamsche Subkommissie van medeplichtigheid aan den algemeenen verstandsmoord

Zoals de lezer ondertussen duidelijk is geworden, als hij tenminste een flink deel van mijn commentaren op de Ideen met verstand gelezen heeft, is één belangrijk verschilpunt tussen Multatuli en mij dat ik meen dat de grote meerderheid eenvoudig niet voldoende verstand heeft om te vermoorden, en ook niet véél slechter doet dan ze kan.

Men kan dit pessimistisch, cynisch, misanthropisch of wat al niet vinden - zie M.E. in Amsterdam - maar het heeft het grote voordeel tot aanzienlijke gemoedsrust te leiden. Ik kan er ook niets aan doen dat ik 1.94 ben, dus wat hoger kan grijpen dan de meesten. En de meesten kunnen er niets aan doen dat ze niet kunnen volgen wat voor mij vanzelf spreekt. Het is niet anders. 'Most men are as fit to think as they are fit to fly.' (Jonathan Swift)


[3] De beweging, die zich ten-doel stelt de aandacht der regeering te vestigen op de bezoldiging der lagere onderwijzers

Dat dit dringend nodig was kan de lezer nagaan bij 829.


[4] dan was spoedig het antwoord gereed: 't is waar, mijn goeie man. Veel is het niet, maar à qui la faute? Gij hebt het geweten, waarom dingt ge naar zulke slecht bezoldigde betrekkingen, niemand heeft u geroepen, nog minder gedwongen; we leven in een vrij land, ge had thuis kunnen blijven. Dat ge honger lijden zoudt... iemand die zelfs met de logarithmen bekend moet wezen, kon zulks gemakkelijk genoeg berekenen; derhalve...

Ik citeer deze parodie omdat ze zo waarachtig is: Zo redeneerden de weinige welgestelden uit die tijd ongetwijfeld. En zo redeneren zij die beter af zijn dan anderen bijna altijd - God helpt hen die zichzelf helpen, dus als je arm bent deug je niet.

Wel, ik deel de lezer mede dat ikzelf, in het jaar 2005 A.D., tot op 4 cijfers achter de komma nauwkeurig, 0,0119e deel waard ben van wat de directeur van de electriciteits-voorziening die mij bedient waard is, in Onze Nederlandse Rechtsstaat, waar "alle mensen grondwettelijk gelijkwaardig zijn". Is het een wonder dat dit Nederland waarin ik gedwongen ben te overleven voor mij niet hoeft voort te bestaan? (Zie Nedernieuws d.d. 24 maart 2005 en ME in Amsterdam voor de redenen van mijn armoede.)


[5] Lezer, schaf u 't Nieuws van den dag van 19 September 1872

M. zelf kreeg deze krant van z'n uitgever Funke, die 'm opgericht had, en er een groot deel van z'n inkomen aan dankte.

Idee 980.