Idee 979.                                                


Wat de tydgenoot van m'n geschriften zegt, is my in zekeren zin onverschillig. [1] Het aandringen op den weerklank die me onthouden wordt, vloeit geenszins voort uit den wensch om te weten of m'n artseny den zieke al dan niet gesmaakt heeft. Ik wachtte daarop slechts nu-en-dan, om te kunnen beoordeelen wat ik morgen zal hebben voorteschryven. Stomme zieken zyn moeielyk te behandelen. 

't Bekende ‘mooivinden’ maakt me den indruk dat ik by vergissing suiker voor chinine gaf.

De gepastheid van de hier gebruikte vergelyking met 'n geneesheer, houd ik vol. Nageslacht, gy zult me begrypen: de Natie is waanzinnig met haar thorbeckery! Kan ik 't helpen dat ik leef in 'n periode van politieke tulpendolheid? [2]

Daar ligt een nieuwsblad voor my, waarin vyf artikelen onder elkander voorkomen, alle handelende over de byzondere verdiensten van Thorbecke! In géén daarvan wordt aangetoond wat die man gedaan heeft. Maar wel vernemen wy dat men in de provincie Groningen ‘zóó verlangend is zyne gezindheid door daden te toonen - namelyk gelden te samelen voor 'n monument - dat men overleg en overeenkomst schier niet kan afwachten.’ (N.R.C. 13 Juni 1872.)

Is dit krankzinnigheid, lezer, of is dit géén krankzinnigheid? [3]

't Is me onmogelyk àl de stukken te ontleden zooals ik gedeeltelyk dat van Jorissen deed. Maar... difficile est, enz!

Professor Vissering sprak, Professor Buys sprak, Professor Opzoomer sprak... over den ‘grooten staatsman’ Thorbecke. Doch al die heeren gingen, als Jorissen en de rest, heel voorzichtig voorby: wat die man byzonders heeft uitgericht! We vinden allerlei meer of min afgezaagde oratorische fanfares, maar... feiten, daden, vinden we niet! [4]

Prof. De Bruyn Kops verhaalt... ik citeer uit het verslag dat we vinden in de N. Rott. Courant van 12 Juni:

Steeds had hy de spreuk voor oogen:in het heden ligt 't verleden, in het nu wat worden zal.

Die spreuk is voortreffelyk. Er zyn er meer van gelyke waarde. Deze, byv. dat het niet voldoende is 'n spreuk voor oogen te hebben, om te worden uitgemaakt voor 'n wonderdoener. 't Blyft ook nog de vraag, of Thorbecke de waarheid in 't oog hield van de kenspreuk die hier wordt opgegeven als z'n byzondere leidraad. Aan z'n doen - en laten! - zou men 't waarachtig niet zeggen!

Doch zulke aanmerkingen bewyzen niet, dat Prof. Kops niet elders wat degelyks zeide. Om het tegendeel te bewyzen, zou ik z'n geheel ledige speech moeten overschryven. Een klein blyk echter? Ziehier. De verslaggever zegt:

Tal van bijzonderheden werden verder aangehaald uit het leven van den grooten staatsburger...

Lezer, ik roep hier zeer ernstig uw aandacht in! Ge weet hoe dikwyls ik klaagde dat men niet lezen kan, en hoe zeker soort van voorlichters misbruik maken van deze onbekwaamheid, die wèl beschouwd slechts neerkomt op 'n kwade gewoonte. Ziehier daarvan een overtuigend staal. Ik spreek nu niet van den heer De Bruyn Kops, maar van den redakteur die 't verslag gaf van diens rede. Ik verzoek u de in de vorige alinea letterlyk geciteerde zinsnede nog-eens intezien. Heeft de heer Kops volgens den verslaggever al dan niet 'n ‘tal van byzonderheden’ uit Thorbecke's leven meegedeeld? Ge meent ja, niet waar? En, wanneer nu al die byzonderheden niet worden opgegeven in de courant die daaruit munt slaat... wèl, men is toch niet verplicht juist àlles te relateeren wat 'n spreker gezegd heeft! Zeer waar. Een verslag is geen proces-verbaal. Ge legt de courant ter zyde, in de meening dat Prof. Kops ‘een tal’ van vereerende byzonderheden uit Th.'s leven meedeelde, die de courant uit gebrek aan ruimte niet volledig publiceeren kan. Jammer blyft dit, maar... men berust, en denkt er 't beste van.

Inderdaad?

Nu, dan zyt ge behoorlyk bebiologeerd - waar 't om te doen was! - want... de heer Kops heeft juist dat ‘tal van byzonderheden’ niet opgegeven! Sta me toe, hier de krantenfraze in haar geheel te herhalen, en let op 't bedrog:

Tal van bijzonderheden werden verder aangehaald uit het leven van den grooten Staatsburger, wier vermelding den Spreker echter te ver zou voeren. Slechts deze bijzonderheid, zeide hij, vinde hier eene plaats...

Daarop volgt de eene byzonderheid die wèl genoemd werd!

Van zulk allooi zyn alle stukken over Thorbecke, die my onder de oogen kwamen. Heb ik recht of niet, te waarschuwen tegen zoo'n valsche-muntery?

En... ge vraagt, hoop ik, naar de ééne byzonderheid, die de uitstekendste schynt geweest te zyn, daar ze met voorbygang van al de anderen, werd uitgeknipt?

Thorbecke versprak zich nooit, waar hij zich ook bevond, noch in een vertrouwelijk gesprek, noch in 's Lands raadzaal... [5]

't Begint den schyn te krygen, dat m'n beste Louise in Vorstenschool haar oordeel over 'n onbeduidend ministertje, van die lofrede gekopieerd heeft. Ik kan gelukkig bewyzen dat de regels:

 ‘hy spreekt... vry wel, maar zonder hart altyd,
 En mist den moed zich somtyds te verspreken.’

voor jaar en dag geschreven zyn. Als kommentaar noteer ik dat me nu blykt ook in die regels alweer 'n fout gemaakt te hebben. Ik verspreek me dikwyls, goddank! Na ‘hart’ moet 'n dubbelpunt staan, en 't eerste woord van den volgenden regel is: hy. Zóó gekonditioneerd werp ik Louise's woorden den lofredenaar van Thorbecke in 't gezicht!

Het is te betwyfelen of deze korrektie begrepen wordt door lezers die door overmatig gebruik van krantartikels 't lezen verleerd hebben. Dat is hùn zaak!

Zich nooit verspreken? Niet in 'n ‘vertrouwelyk gesprek?’

Zoo'n kwaadaardige opinie heb zelfs ik niet over Mr. Thorbecke! Maar 't schynt dat z'n vrienden in die aanklacht berusten.

Zyne woorden waren steeds de geregelde uiting van eene geregelde gedachtenloop.

Wie ooit in Indie terechtzittingen bywoonde, waarby veel inlandsche getuigen werden gehoord, zal erkennen dat de heer Kops hier 'n zeer duidelyke verklaring geeft van 't bekende wèlspreken der geringe Javanen. Ook de flux de bouche van die lieden, niet voortgestuwd door genialen aandrang, gelykt meer op 't straaltjes uit 'n kraan, dan op 't hortend en stootend gedonderd van 'n Niagara waar wat achter zit.

Maar... ook in vertrouwelyke gesprekken? Hier zou de vergoelykende zinspeling op 't onnoozele kraantje vervallen! 

Dàt kan ik van Thorbecke niet gelooven, want 'n eminente booswicht was-i gewis niet!


[1] Wat de tydgenoot van m'n geschriften zegt, is my in zekeren zin onverschillig.

Multatuli had alle reden voor deze mening, omdat het overgrote deel van wat hij daarvan gewaar werd evidente onzin was, die terugging op een combinatie van gebrek aan begripsvermogen en/of  andere maatschappelijke belangen of prioriteiten.

Ikzelf - vrijwel ongelezen tot, in ieder geval, mijn 55ste, terwijl ik toch aardige stukjes kan schrijven en een grote site onderhoud - denk er niet anders over dan M.

Waarvoor of waarom schrijf je dan? - kan men vragen. Het antwoord is: Voor de verheldering van mijn eigen geest, en eventueel nog een enkeling hier of daar die gewillig en in staat is tot rationeel redeneren, wat maar een heel kleine minderheid is, en altijd was, en altijd zal blijven zolang er niet aan de menselijke genetische code gesleuteld is.


[2] Nageslacht, gy zult me begrypen: de Natie is waanzinnig met haar thorbeckery! Kan ik 't helpen dat ik leef in 'n periode van politieke tulpendolheid?

O nee, ook het nageslacht begreep en begrijpt hier niets van in heel grote meerderheid, leidt evident aan dezelfde soort politieke tulpendolheid als hun voorvaderen. ('Tulpendolheid' slaat op een golf van speculatie in tulpenbollen in de 17e eeuw in Nederland, die verkeerd afliep voor duizenden speculanten.)

De algemene reden is weer de grote gebrekkigheid van de doorsnee menselijke vermogens en de grote predispositie voor totalitair redeneren en wensdenken in zaken die met politiek of religie van doen hebben.  Zie o.a. onder 971.


[3] Is dit krankzinnigheid, lezer, of is dit géén krankzinnigheid?

Nee, want het is vooral ongeloofwaardig. Maar zie mijn vorige noot.


[4] We vinden allerlei meer of min afgezaagde oratorische fanfares, maar... feiten, daden, vinden we niet!

Ik heb de lezer al meegedeeld dat ikzelf rond 2002 en in 2005 geprobeerd heb door lezing van krantenartikelen over Thorbecke - "Onze Grote Liberale Voorman" - te begrijpen wat de man zo bijzonder maakte, maar dat ik ook niet veel verder kwam dan dat hij een "Groot Liberaal", "Groot Staatsman", "Groot Politicus", "Groot Nederlander" en zo meer was. Waarom dat zo zou zijn werd er nooit bij verteld.

Of althans... diverse schrijvers merkten iets op als dat hij 'het Wetboek van 1848' geschreven zou hebben. Maar zelfs als dit zo is, dan nog zie ik niet wat dáár dan weer zo bijzonder, zo moeilijk, of zo grotemannerig aan is: Het is al heel wat keren eerder gedaan; het werd en was op dat moment in heel Europa gedaan vanwege de opstanden en revoltes van het revolutie-jaar 1848; en het is ook niet zó moeilijk een stel wetsartikelen te bedenken of over te schrijven of te redigeren.

Maar zie verder onder 971.


[5] Thorbecke versprak zich nooit, waar hij zich ook bevond, noch in een vertrouwelijk gesprek, noch in 's Lands raadzaal...

M. gaat hieruit opmaken dat het Thorbecke dan aan hart ontbrak. Dat kan zo zijn, maar ikzelf konkludeer liever dat de toenmalige toehoorders weer eens bedrogen werden met weer een staaltje gefantaseerde trivia. Wie immers kan in de positie zijn geweest het beweerde op te merken? Niemand toch dan God zelf?

Idee 979.