Idee 977.                                                


Ik zoek, en zoek, en zoek... wat Thorbecke verricht zou hebben, dat hem aanspraak geeft op de afgodische vereering die men hem bewyst. Maar ik vind niets. [1]

Uit de kollektie apotheozen - waarmee men 't nederlandsche Volk overstroomd heeft, kies ik ditmaal 't verslag van een door den heer Jorissen te Groningen gehouden rede. Hoe moet ik aantoonen dat ik ook dáárin te-vergeefs naar iets degelyks gezocht heb? 't Ding is, gelyk àlle hedendaagsche thorbeckery, vol winderige frazen, maar wat Th. byzonders verricht heeft, staat er alweer niet in. Het heele verslag dat met aanhalingsteekens gedrukt is, en dus den juisten tekst van de toespraak schynt weertegeven, mag ik niet afdrukken. Thorbecke was:

een rots in zee, nadat de hartstochten, als woedende stormen losgelaten, de hooge golven van hoon en wrevel over zijn naam en beeld opjoegen. Hij was vast te midden van de baren, toen de opgestoken storm bedaarde, de lucht weer helder en de hemel weer zichtbaar werd.’ 

In 't voorbygaan raad ik de jongeluî, die misschien modellen van rethoriek zoeken in de oraties van 'n gewezen predikant, 'n andere manier van spreken aan. Ik zie, byv. niet, dat er veel ‘intellektueele vooruitgang’ blykt uit het terugkeeren tot die baren en rotsen, 'n dichtveld dat door onzen goeden Helmers vry-wel afgejaagd is. Maar dit is nu de vraag niet. Ik vraag wat we van Thorbecke moeten denken, wanneer 'n begaafd man, als waarvoor we den heer Jorissen houden mogen, genoodzaakt is z'n toevlucht te nemen tot zulke dichtlievende-genootschapspraatjes, om de verdiensten van z'n held in 't licht te stellen?

Een pozitief bewys dat ook deze lofredenaar wel gedwongen is, alle antwoord op de vraag: wat heeft Th. uitstekends verricht? te ontwyken, zou niet anders kunnen worden gegeven, dan door meedeeling van 't geheele stuk. Als blyk echter van de pynlyke wendingen waartoe men in zulke gevallen genoodzaakt is, wil ik 'n klein staaltje geven. Na den gewonen - altyd ongestaafden! - lof over Th. volgt er:

Maar er is nog iets anders, iets van intiemer aard, van meer ingrijpende en vastklemmende kracht, dat den naam en persoon van Th. post heeft doen vatten in hoofd en hart van zijne landgenooten.

Zoo ooit, niet waar, dan zou hierop iets degelyks moeten volgen? Kàn men loyaler handelen, dan door den Staat van dienst waarom 't hier te doen is, te zoeken na die zinsnede? En wat vind ik?

In de eerste plaats, 'n verzekering dat we ons dertig, veertig jaren geleden, op den rand van twee afgronden bevonden - stoffelyk en zedelyk - dat men moed en kracht vond by Thorbecke...

Goed! Nu zal er iets komen, niet waar? We vragen: waarom, waardoor, hoe?

Welnu, daarop volgt onmiddelyk de beschryving van z'n voorhoofd, van de lynen van z'n gelaat, en van z'n lippen. Dat voorhoofd bevatte een ‘diepdenkend brein.’ Die lynen teekenden wilskracht. Die gesloten lippen toonden...

Nu zal 't komen! Er wordt iets getoond...

Ze toonen dat hy het stilzwygen bewaart, slechts zoolang als hy goedvindt.

Dit staat er, lezer! En dit staat er in 't verband dat ik opgaf! Ziedaar alzoo, volgens den heer Jorissen, de oorzaken die Th's ‘naam en persoon met ingrypende en vastklemmende kracht deden post vatten in het hoofd en hart van zyn landgenooten.’

Schudt ge 't hoofd, lezer? Meent ge dat zooveel onzin 'n onmogelykheid is? Welnu, zie het na in 't met: ‘ ’ aangehaald verslag dat de N. Rotterdamsche Courant van die redevoering geeft in haar nummer van 13 Juni 1872.

Wie hiertoe niet in de gelegenheid is, zou nog twee uitwegen kunnen vinden, om m'n konklusie - eerste grafschriftje! - te ontgaan. Ik wil die afsnyden.

Men zal meenen dat er op de meedeeling dier verbazende eigenaardigheid van Thorbecke's lippen, volgt dat ze zich openden tot het zeggen van iets byzonders dat kon doorgaan voor 'n daad?

Och neen, de redeneering is uit! De ‘ingrypende en vastklemmende kracht’ wordt voor bewezen gehouden, of althans voor voldoende aangetoond. Op 't roemen van die fakultative zwygkunst volgen de gewone gemeenplaatsen. ‘Men was zoo bevreesd voor hem.’ Waarom? Dat staat er niet. ‘Hy werd het hoofd, het hart, de hand, van 't zich schamende Nederland.’ Hoe? Waardoor? Waarom? Dat staat er, na die bydrage tot de natuurlyke historie van z'n lippen, alweer niet!

‘Maar, vragen anderen, wordt misschien het gezochte gevonden in 't vervolg van Jorissen's oratie?’

Neen, neen, neen! Wat Thorbecke byzonders verricht heeft, staat nergens! De heele lofrede is 'n rede vol lof zonder reden. Eén geschal en gebral - Helmers! - over niemendal. [2] Difficile, zooals de lezer zal gelieven te bemerken, epigramma non scribere! 't Begint me te verwonderen dat m'n engelsche leveranciers 't gros niet hebben volgemaakt... zaag tegen zaag! Wie voor ernstige redeneering niet vatbaar is, wordt misschien genezen door 'n diep gedacht en puntig uitgedrukt: ‘steentje, fenomeentje.’ [3]


[1] Ik zoek, en zoek, en zoek... wat Thorbecke verricht zou hebben, dat hem aanspraak geeft op de afgodische vereering die men hem bewyst. Maar ik vind niets.

Ook ik heb niets gevonden - en legde de redenen daarvoor uit onder 971.


[2] Eén geschal en gebral (..) over niemendal.

Het rijmt, lezer, en het is vaak toepasbaar.


[3] Wie voor ernstige redeneering niet vatbaar is, wordt misschien genezen door 'n diep gedacht en puntig uitgedrukt: ‘steentje, fenomeentje.’

Zie 972. Het onderliggend probleem is dat maar een kleine minderheid van de mensheid vatbaar is voor 'voor ernstige redeneering'.

Idee 977.