Idee 971.                                                


Ik durf niet beweren àlles gelezen te hebben, wat er gedurende de laatste maanden over Thorbecke geschreven is. Het rekbaarst geduld heeft z'n grenzen. [1] Maar ik las genoeg om de klacht te rechtvaardigen, dat er geen antwoord gegeven is op de vraag: wat er toch door dien man is verricht, dat hem aanspraak geven zou op de byna algemeene bewondering? Staat dit antwoord dan juist in de stukken die ik niet gelezen heb? Jammer! 

Me dunkt dat de dweepende voorstanders van dien man, aan de eer van hun oordeel verschuldigd waren zich eenigszins te verantwoorden over hun afgodery, en dit doen ze niet! Hiervan 'n paar voorbeelden, als 't nog noodig wezen mocht, na 't zwygen op m'n nummer 452. Ik lees in den N. Rotterdammer van 14 Juni 1872:

‘Het orgaan onder de leiding van den heer Heemskerk Azn, zegt heden in zyn hoofdartikel, van Thorbecke:

Sedert het stelsel van volharding onder Koning Willem I moest worden losgelaten (1838) had hij één doel en werkte daaraan onder voor- en tegenspoed zonder ophouden: zich zelven te maken tot eminent hoofd van den Staat, en op die hoogte te blijven door aan den burgerstand de plaats in 't bestuur te geven, die vroeger de aanzienlijken hadden.

In 'n ingezonden stuk in het Dagblad wordt gezegd:

Het groote, goede, nuttige en weldadige, hetwelk er sedert een reeks van jaren in ons land is tot stand gebracht, is niet het werk van den heer Thorbecke: hij heeft daaraan geen deel gehad, terwijl de aanleg van het spoorwegnet over ons land, door hem naar kracht en vermogen zoolang mogelijk is tegengehouden.

In 'n tweede ingezonden stuk, door het Dagblad geplaatst, wordt beweerd dat Th. wellicht uit gemis aan gelegenheid, weinig nut voor z'n land heeft uitgewerkt, maar ‘den naam wist te verdienen van groote hoedanigheden te bezitten.’ [2]

De courant alzoo, waarin deze aanmerkingen op Thorbecke voorkomen, is het ‘orgaan van den heer Heemskerk Azn.’ Dit beduidt in den mond van den N. Rotterdammer - die toch ook wel 't ‘orgaan’ van dezen of genen wezen zal? - dat het Dagblad ongelyk heeft. Het Rotterdammer ‘orgaan’ zal dus nu eens aantoonen hoever dat andere ding den plank misslaat. Ziehier 'n schoone gelegenheid voor 'n onkundige - voor my, byv. - om wat kennis optedoen. De Hagenaar zegt dat Thorbecke geen deel heeft aan ‘het groote, goede, nuttige en weldadige dat er in ons land is tot-stand gebracht’ en zelfs dat hy sommige verbeteringen heeft tegengehouden. Zoo ooit, dan was 't hier de plaats om dat ‘orgaan van den heer Heemskerk’ eens flink onder 't oog te brengen, wat Thorbecke wèl gedaan en niet tegengehouden heeft.

Ydele hoop! Zoo'n pertinente beantwoording schynt beneden de waardigheid van dat andere ‘orgaan.’ Zie hier 't prachtig antwoord van den N. Rotterdammer:

Denkt men, door het neerhalen van dezen grooten naam, andere politieke mannen te verheffen? Heden wordt de 52e verjaardag van Z.K.H. Prins Hendrik...

Ik vergis me. Die verjaardag hoort er niet by. 't Was 'n alinea. Ik, arme, die weten wilde: wat dan toch die Thorbecke had uitgericht, las dóór, en zocht... en zocht... en vertrouwde m'n oogen niet... vond niets dan dien verjaardag, en bleef even wys als te-voren.

Zeker, zeker, Mr. Heemskerk tracht Mr. Thorbecke naar beneden te halen. Ik ook. Maar juist daarom ware het te-pas gekomen iets over dien Mr. Thorbecke te zeggen, dat dit neerhalen onmogelyk, of althans moeielyk maakte. De N. Rotterdammer, die zoo gaarne met het Dagblad tournooit - goedkoope kopie waarachtig, en even vervelend als goedkoop! - zal toch niet durven voorgeven dat zy in die poging tot ‘neerhalen’ berust uit dédain?

Ook in 'n ander nummer van den N. Rotterdammer (13 Juni 1872) komt 'n dergelyke magere repliek voor. Daaruit blykt alweer dat het Dagblad zich andermaal verstout had den heer Thorbecke hevig aantevallen. Het had - volgens de N.R.C. - in z'n stryd tegen de Thorbeckianen de volgende woorden gebruikt:

stortvloed van onwaarheden.
stelsel van verdachtmaking en belastering van de tegenpartij.
laagheid.
voorliegen.
onwaarheden, zóó grof dat ieder hart waarin nog één vonk waarheidsliefde woont, er tegen in opstand komen moet.
logengeest.
onbeschaamdheid der lastertaktiek.
verregaande lastering.
lastertaal.[3]

Dit alles is voor 'n rechtgeaard christen allerysselykst, en zelfs 'n moderne moet er van gruwen. Ik zou zulke dingen niet aan 'n Hottentot of kazuaris voor z'n ontbyt durven geven. De N. Rotterdammer heeft dus volkomen gelyk, zich driftig te maken. Die courant behandelt dan ook 't artikel waarin al deze liefelykheden voorkomen...

Lezer, welken zin hecht ge aan 't hier door my onderhaalde woord: behandelen? Verwacht ge niet dat er na zulke grove uitdaging iets volgen zal als verdediging? Niets daarvan! Na 't relaas van wat er in dat Dagblad al zoo gezegd wordt, wekken de gebezigde forsche onsmakelyke termen het andere orgaan slechts op tot de konklusie dat de schryvers van zulke artikelen boos op Thorbecke zyn. Dit was nog al te raden, vind ik. Mais le moindre grain de mil van 'n beetje aantooning der ongegrondheid van die aanvallen, ferait bien mieux l'affaire van 't onttroond godje. In-plaats hiervan bepaalt zich de N. Rotterdamsche hoofdaanbidder, na wat onvolledig relaas, tot den uitroep:

Zóó vertoonde het artikel van het begin tot het einde de doorgaande strekking om aan den roem van Thorbecke te knagen, om te verkleinen en te verguizen, om nog op zijn lijk smaad te laden, en die strekking vindt men geheel terug in een later artikel tegen het denkbeeld, bij een dankbaar volk opgerezen, om voor Thorbecke een standbeeld te stichten. En dan zou het onwaarheid of laster moeten heeten, als gesproken wordt van den politieken haat, die den tegenstander nog in zijn graf tracht te treffen!

Uit! Ik laat nu de afgezaagde smakeloosheid daar, van 't kwasi-sentimenteele muntslaan uit dat lyk en dat graf. Ook op 'n andere plaats wordt de verregaande verachtelykheid van 't Haagsche blad betoogd met de opmerking dat Thorbecke's lyk ‘nauwelijks koud was.’ We hebben met de betrekkelyke warmtegraden van dat lyk niets te maken. De mortuis nil nisi verum, en ook van de levenden niets dan 't ware. Doch dit is de vraag hier niet. De vraag is: of er op zoo'n aanval niet eenige verdediging moest plaats hebben, en of 't niet in 't oog vallend is, dat men zich daarvan afmaakt door de kwestie op de kou van 'n lyk te werpen? Hoe koud moet 'n lyk dan wel wezen, voor men z'n meening zeggen mag, zonder uitgemaakt te worden voor 'n jakhals? Is Thorbecke na z'n dood zoo byzonder lang warm gebleven? Als nu de N. Rotterdamsche eens kwam te overlyden - de genadige goden bewaren ons voor zoo'n kalamiteit - hoe lang moet ik dan wachten voor ik onderzoeken mag of ook dàt blad misschien 'n orgaan was? En omgekeerd, indien eens 't Dagblad bezweek, zou dan z'n Rotterdamsche tegenstander - lees: confrère! - 'n jaar en zes weken moeten stikken in z'n gal?

Confrère? Juist! Maar gal? Lieve lezer, geloof er niets van. Die heele galligheid vice versa is kostwinning van de heeren voorlichters. Ze boksen uit liefhebbery, en de naïveteit van 't Publiek betaalt de kosten. Even als generaals die 't niet ontmoeten van den vyand, tot artikel één van krygskunde maken, weten ze altyd de kardinale punten van verschil te vermyden. We vernemen uit hun polemiekjes juist genoeg om ‘dien infamen tegenstander uit den grond van ons hart te verachten.’ Maar... 't punt van debat wordt altyd achter de hand gehouden. Dit schynt bestemd voor kopie van de volgende week, als eerst maar die ‘infame tegenstander... enz.

Een derde staal van de byzondere moeielykheid om helder te maken: wat er dan toch byzonders door dien Thorbecke is verricht, vinden wy in den N. Rotterdammer van 11 Juni. Daar wordt alweer verzekerd:

dat het blad onder de leiding van den heer Heemskerk, geen zweem van billijke waardeering heeft, geen schijn van hulde - heeft? - aan de grootheid van den polilieken tegenstander.

't Is me onbekend of ook de heer Heemskerk met ‘politieke grootheid’ behebt is. By de hedendaagsche goedkoopte van die hoedanigheid, is 't niet gewaagd dit aantenemen. Ook zal ik me niet verdiepen in 't vraagstuk of de ‘liberalen’ in dit geval wel den behoorlyken ‘schyn van hulde hebben aan’ die grootheid? Hun mogelyk gebrek aan diligentie zou in allen geval 't Dagblad niet verontschuldigen. 't Blyft altyd leelyk geen ‘schyn van hulde te hebben aan’ deze of gene grootheid. Maar, eilieve, dit was voor den heilbegeerigen lezer de vraag niet. Hy mocht verwachten die grootheid aangetoond te zien. Het verwyten van gebrek aan schyn van hulde kon dan gevoegelyk wachten op volgende nummers, waarin dan tevens 'n boetvaardig confiteor kon geplaatst worden over dat malle opdringen van hulde aan den schyn.

Voortgaande met het opsommen der afschuwelyke eigenschappen van het Dagblad, vernemen wy dat Mr. Heemskerk's orgaan:

Zelfs geen ontzag heeft voor 'n... gesloten leven.

Dit is voorzeker 'n zonderling gebrek. Maar ik leer hieruit alweer niet, om welke verdiensten Mr. Th. zoo in de hoogte wordt gestoken? Moet ik er uit opmaken, dat hy zich zoo byzonder toelegde op ontzag voor gesloten levens? Is 't 'n deugd misschien, afkeer van open levens te hebben? Ik tast in 't duister. Nieuwe Rotterdammer, om-godswil, help me aan wat licht!

In-plaats hiervan ontvang ik nieuwe bydragen tot het zondenregister van dat Dagblad. Ik lees:

Onder den eersten indruk der tijding van Thorbecke's dood, wist het nog den haat der partijschap niet tot zwijgen te brengen, en vlocht het al de grieven die het tegen den overledene had kunnen vinden, in de lijkrede in.

Als 't Dagblad 'n partyblad is - wat ik wel gelooven wil - dan veracht ik 't Dagblad, evenzeer als andere partybladen. Maar ik zie niet in: dat dit de verdiensten van Thorbecke bewyst.

Als 't Dagblad z'n grieven ‘byeen vlecht’ in 'n lykrede, uit partyhaat - het is wel mogelyk! - dan is 't Dagblad even verachtelyk als andere bladen die, al of niet in lykredenen, hun grieven ‘uit partyhaat byeen vlechten.’ Er zyn er zoo! Maar... deze byzonderheid verspreidt alweer geen schyn van licht: over de verdienste van Thorbecke.

Als 't Dagblad, na Thorbecke's dood, hem beoordeelt zooals 't gedurende z'n leven gedaan heeft, dan schynt hieruit te blyken dat z'n sterven geen invloed heeft uitgeoefend op de opinie van dat blad, en dit komt me niet heel vreemd voor. Maar deze onveranderlykheid van meening - waarachtig dan, of partyhaterig, om 't even - bewyst alweer niets: voor de verdiensten van Mr. Thorbecke.

Nog over 't graf heen, trachten de logen en de laster den Staatsman te bereiken, van wien getuigd wordt...

Die getuigenis volgt straks. Ik ben nu nog slechts aan die logen en dien laster. Men ziet dat ook de N.R.C. weet omtegaan met de termen die hy op 'n ander oogenblik zoo vreeselyk vindt in den mond van 'n tegenstander. De verschrikkelykheid van dien ‘logen en laster’ schynt nu heel speciaal hierin te liggen, dat die twee gezellen den fetisch trachten te bereiken ‘over 't graf heen.’ Dat graf speelt 'n vreeselyke rol, en ditmaal: er over heen nogal! Maar... dit is alweer de vraag niet. De vraag is: welke verdienste van Thorbecke hier wordt in het licht gesteld?

Lezer, maak u nu gereed voor iets akeligs. Na alzoo verzekerd en betoogd te hebben, dat het ‘orgaan’ van Mr. Heemskerk niet precies op Thorbecke's verdiensten verliefd is - 'n stelling die zich zeer goed schikken kan in de verwaarloozing van alle debattisten - verkondigt de N. Rotterdammer... hu!

dat de politieke haat zich met de bloeddorst van den hyena op dit dierbaar lyk werpt.[4]

Alweer onheusch van dien hyena, en heel onpleizierig voor dat lyk. 't Is te hopen dat het beest er maar ‘over-heen’ springt. Maar... deze zoölogische byzonderheid bewyst alweer niet: voor de verdienste van Mr. I.R. Thorbecke.

Me dunkt dat dit aanhoudend uitwyken voor de hoofdzaak, vol beteekenis is. 't Komt me voor, dat het ongelukkige lyk meer reden heeft tot ontevredenheid over 't hardnekkig zwygen van z'n vriendelyken beschermer, dan over de bloeddorst van den vyandelyken hyena. Als ik dood ben, zal 't me aangenamer wezen door 't Dagblad verscheurd, - dan door den N. Rotterdammer verdedigd te worden.


[1] Ik durf niet beweren àlles gelezen te hebben, wat er gedurende de laatste maanden over Thorbecke geschreven is. Het rekbaarst geduld heeft z'n grenzen.

Het laatste is weer een aardig aforisme. Er volgt nog behoorlijk wat over Thorbecke in dit deel Ideen, en het is in ieder geval interessant om enige hypothesen aan te verbinden over politiek en politiek proza. Zie ook 965 en 966, en hieronder, over het partijen-systeem.


[2] In 'n tweede ingezonden stuk, door het Dagblad geplaatst, wordt beweerd dat Th. wellicht uit gemis aan gelegenheid, weinig nut voor z'n land heeft uitgewerkt, maar ‘den naam wist te verdienen van groote hoedanigheden te bezitten.’

Eerste hypothese: Voor een eenmaal bekend politicus is vrijwel het enige wat telt dat hij de naam heeft een bekend politicus te zijn. Politieke leiders worden niet objectief beoordeeld maar op basis van hun leider-zijn, dat iemand onmiddellijk zeer uitvergroot, en tot iets vermeend buitengewoons maakt. De meningen over politieke leiders zijn vrijwel altijd overwegend uit mythes, illusies en leugens opgetrokken. Dit geldt zowel vóór als tegenstanders.


[3]Het had - volgens de N.R.C. - in z'n stryd tegen de Thorbeckianen de volgende woorden gebruikt:
stortvloed van onwaarheden.
stelsel van verdachtmaking en belastering van de tegenpartij.
laagheid.
voorliegen.
onwaarheden, zóó grof dat ieder hart waarin nog één vonk waarheidsliefde woont, er tegen in opstand komen moet.
logengeest.
onbeschaamdheid der lastertaktiek.
verregaande lastering.
lastertaal.

Hier hebben we een bloemlezing karakteristieken van politiek krantenproza anno 1872, uit een toen al heel vooraanstaande vermeend beschaafde krant.

Tweede hypothese. Politieke debatten, in en buiten kranten, zijn opgetrokken uit onwaarheden, verdachtmakingen, belasteringen, en leugens. Dat is namelijk het kenmerk van politieke propaganda - en politieke ideeën bestaan overwegend uit propaganda.

De achtergrond hiervan komt aan de orde in de volgende noot.


[4] Lezer, maak u nu gereed voor iets akeligs. Na alzoo verzekerd en betoogd te hebben, dat het ‘orgaan’ van Mr. Heemskerk niet precies op Thorbecke's verdiensten verliefd is - 'n stelling die zich zeer goed schikken kan in de verwaarloozing van alle debattisten - verkondigt de N. Rotterdammer... hu!

dat de politieke haat zich met de bloeddorst van den hyena op dit dierbaar lyk werpt.

Derde hypothese. Veel politiek denken, voelen en spreken heeft veel gemeenschappelijk met de aandriften die sociaal levende dieren tot horde-dieren maken, met vrijwel totale identificatie met de eigen groep en eigen leiders, en vanzelfsprekende haat voor alle dieren van dezelfde soort uit andere groepen. De groepen van sociaal levende dieren plegen zich te definiëren met hulp van een Wij/Zij-redenering: Groepslid goed; Niet-groepslid slecht; Wij goed, Zij slecht.

En hier, in verband met de hypotheses die ik hierboven formuleerde, kan ik de lezer verwijzen naar mijn Nawoord bij Vorstenschool.

Maar laten we het eens door de ogen van een ander bekijken, die geen Nederlander was, maar wel het een en ander begreep van wat hij het partij-systeem noemde. Hier is de in 1936 gestorven Engelse journalist en schrijver G.K. Chesterton over The Party System in z'n autobiografie:

"When the public theory of a thing is different from the practical reality of that thing, there is always a convention of silence that cannot be broken; there are things that must not be said in public. The fact concealed in this case exactly illustrated the thesis of the book called The Party System; that there were not two real parties ruling alternately, but one real group, "the Front Benches," ruling all the time." (p. 210)

En hier is een wat scherpere beschrijving, overigens ook van een boek van Chesterton's broer en Chesterton's vriend Belloc - en misschien is het de moeite waard op te merken dat G.K. Chesterton en Hilaire Belloc allebei doorgingen voor conservatief, en katholiek waren - het waren dus géén radikale hervormers zoals Multatuli wèl was:

"They collaborated in a work called The Party System, of which the general thesis was that there were really no Parties, though there certainly was a system. The system, according to this view, was essentially one of rotation; but rotation revolving on a central group, which really consisted of the leading politicians on both sides; or as they were called for convenience in the book, "The Front Benches." An unreal conflict was kept up for the benefit of the public, and to a certain extent with the innocent assistance of the rank and file; but the Leader of the House was more truly in partnership than either of them with their own followers, let alone their own constituents." (p. 199-200)

Hier valt veel voor te zeggen, behalve dat het te optimistisch is. D.w.z.: Er is een leidende élite, van partij-leiders e.d., en ze komen uit verschillende partijen, en het is waar dat ze elkaar afwisselen, elkaar goed kennen, en allemaal deel uitmaken van hetzelfde systeem bij het behouden waarvan ze veel meer belang hebben dan bij het uitvoeren van hun eigen partij-programma of verkiezings-beloften. Maar het is allemaal overwegend geen kwade opzet, want daar zijn ze vrijwel allemaal - niet: allemaal - veel te dom of ideologisch verblind of corrupt voor.

De belangrijkste oorzaken die achter dit partij-systeem zitten zijn de menselijke totalitaire aard - My Group, Right or Wrong; het ideologische aap zijn van vrijwel alle mensen; en het eigenbelang, de oneerlijkheid, het geschipper, en de feitelijke sociale gearriveerdheid van de leiders.

Wat wèl waar is dat het feitelijke resultaat van al die prachtige Democratische Verkiezingen gewoonlijk een permutatie van één enkele politieke bestuursélite is, in naam en pretentie afkomstig uit verschillende partijen, maar feitelijk verenigd door hun voorganger zijn en hun tot de machtsélite behoren.

Er wordt gelogen en toneel gespeeld door de leden van deze élite, alles vooral met het oog op persoonlijke vooruitgang door benoeming op een goedbetalende bestuursfunctie, en overigens, voorzover eerlijk, geposeerd uit : My country, group, party - right or wrong is het leidend beginsel en gevoelen.

En hier zit een belangrijk inzicht verborgen: De mens is niet alleen ideologische aap, maar een totalitair hordendier, kennelijk met een instinct om zich the identificeren met de groep en de leider - en "de groep" is altijd ofwel een face-group, ofwel een face-group die deel is van een grotere groep, à la partij-afdeling en partij. (De werkelijke functie en het echte doel van het publiek spreken door partij-leiders is weer het creëren en onderhouden van een illusie door een tijdelijke face-group te vormen met leden van allerlei afdelingen.)

Dit menselijke groepsvorminginstinct kan je het beste het sociale instinct of het groeps-instinct noemen, en kennelijk wordt iedereen ermee geboren behalve wellicht autisten. En natuurlijk wordt ieder mens in een groep en groepen opgevoed en getraind, en bestaat een deel van het mechanisme kennelijk uit een gedeeltelijke identificatie van de leden met de groep en de leiders: Ons Soort Mensen, Onze Groep, Onze Leiders, Wij.

En een deel van de onderliggende logica is het vermogen zich imaginair te verplaatsen in een ander, of althans de notie dat de ander een eigen gezichtspunt en eigen belevingswereld heeft: Het is zowel het erkennen dat verschillende mensen verschillende gezichtspunten en meningen hebben als het totalitair proberen gelijk te schakelen van die meningen en gezichtspunten "in de interesse van de groep", die gewoonlijk feitelijk samenvalt met de persoonlijke interesses van de leiders van de groep.

Idee 971.