Idee 963.                                                


Quid nobis
die ‘Schager?’ Zoo vragen m'n vlaamsche lezers, niet waar? Beste Vlamingen, ge zyt er niet minder om, dat ge ‘geen nauwkeurige kennis’ van dat krantje hebt. Ook ik kende het ding niet, en zou waarschynlyk tot m'n dood toe volhard hebben in deze treurige onkunde, wanneer men me niet het nummer had gezonden van 't Algemeen Dagblad voor Nederland, waarin de Schager beoordeeling van Dr. Feringa's werk was overgenomen. Dit laatste blad - ook 'n allerinteressantst wytje natuurlyk! - kende ik alweer ‘niet nauwkeurig’ en, ronduit gezegd - o gruwel - in 't geheel niet! 

Ge vraagt, wat gaan ons die prullen aan, en verwondert u dat ik achtsla op zulke litteratuur? Wel zeker! Niet omdat het my om zoo'n aanmerking zelf te doen is, maar - en ziehier 't nut waarvan ik zoo-even de aantooning beloofde - ik gebruik die dingen als monsterstalen van den toestand, als bydrage tot de ‘nauwkeurige kennis’ van m'n Publiek. Ik wil dat men na m'n dood inzie hoe gegrond m'n verachting was. [1] We hebben hier noch met het Schager krantje, noch met welk Volks- of ander blad te doen. De vraag is of ik niet recht had op ŕnderen weerklank, dan de by de haren voor den dag gesleepte verzekering: dat ik zoo ‘weinig nauwkeurige kennis van zaken’ heb? Want, voor den honderdsten keer, 't is niet tegen deze beoordeeling zelf, dat ik me verzet. Het is hiertegen: dat zoo'n jongensachtige plompheid nagenoeg alles is, wat ik van gansch Nederland voor 't geleverde terugkreeg! (659) [2] En men meene niet dat zich ergens 'n stem doet hooren om te protesteeren... niet tegen de aanmerking zelf - dit verlang ik niet - maar tegen 't uitsluitend vooropstellen van zoo'n aanmerking. Na al wat ik voortbracht, weet zeker soort van publicisten niets van my te zeggen dan dat ik zoo uitmunt in onwetendheid.

Is dit idioot of niet?

Het antwoord op deze vraag is minder eenvoudig, dan men denken zou. Het blyft namelyk twyfelachtig of 't visschig zwygen, afgebroken door zoo'n zonderling tusschenwerpsel, 'n gevolg is van geheel onvermengde botheid? Ik zeg neen! Dwaas is slecht, en slecht is dwaas: er is zoowel luiheid en valsheid, als domheid in 't karakter van m'n Publiek. [3]

Ik wil m'n cyfers nog wat laten wachten, en even trachten de oorzaken te ontleden, niet zoozeer waarom dat Schagertje sprak - lieve god, zoo'n krant moet vol! - maar waarom anderen na zulk spreken 't zwygen bewaren.

Ik tastte de Natie aan, in wat haar 't dierbaarst is. In haar goddienery: 'n broodwinning. In haar zeden: 'n broodwinning. In haar vooroordeelen: 'n broodwinning. In haar zoogenaamde Staatkunde: 'n broodwinning. In haar wanbestuur der Koloniën: 'n broodwinning. In haar principes: 'n broodwinning. In haar huichelary... nu ja, dit sluit al de vorige broodwinningen in zich. [4]

Wil men nu in plaats van Natie, hier lezen: de weinigen die in elk dezer nederlandsche vakken de Natie vertegenwoordigen, my wel! Doch ook dan blyft my altyd het beroep op 't woord van den ketterjager over: de geuzen hebben de kerken geplunderd, de katholieken hebben 't niet belet: zy allen zyn even schuldig. [5]

Niemand bestreed my. Waarom niet?

Niemand durfde. [6]

Zeer in den beginne trok zekere dominee Franken tegen my party voor de zendelingen. Men leze m'n loyaal antwoord in de Verspreide Stukken. Ik laat nu daar of die man even goed was als z'n brief, en zoo'n antwoord waard? Van z'n christelyk partytrekken tegen onrecht, heb ik zoomin iets bespeurd als van andere christelyke deugden. Na z'n protest had ik iets ten-gunste van de personen der zendelingen gezegd, dat met wat inschikkelykheid kon worden opgevat en uitgevent als testimonium voor de zendelingery - z'n broodwinning! - en hy was tevreden. De rest ging hem niet aan, naar 't schynt... neen: naar gebleken is.

In dat antwoord daagde ik allen uit, die zich door een of andere passage in m'n werk gekrenkt voelden, het voorbeeld van dien dominee te volgen.

Niemand antwoordde.

Waarom niet?

Niemand durfde.

Ten-gevolge van m'n later werken vergrootte zich de kring  myner vyanden. Maar niemand vertoonde zich.

Men durfde niet. [7]

Het spreekt vanzelf dat ik 'n byzonder oneervolle uitzondering maak voor dezulken die, als de moderne verhandelaar en de mislukte litterator uit m'n brief aan De Geyter, my in 't geheim aanvielen, of althans niet op het terrein waar de stryd behoort gevoerd te worden.

En Nederland was hiermee volkomen tevreden. Het duldt - ten tweeden maal nu! - den millionair Van de Putte als minister. Het duldt Van Twist in de Eerste-Kamer. Het duldt de modernen op preekstoel en katheder. Het duldt al de wyën in z'n kranten. Het duldde en duldt alles... ten-behoeve van de respektieve broodwinningen. [8]

Dit wat de valsheid aangaat.

Maar nog iets anders speelt 'n voorname rol: de luiheid. Wie 't oog vestigt op de litteratuur van den dag, zou blind moeten zyn om niet te bemerken hoe alles zich toelegt op 't vermyden van inspanning. Men schrikt terug van onderzoek. [9] Als blyk hiervan, wys ik alweer op de ellendige furie van citaten! In courant-artikelen, kamerspeeches, bellettrie, boekbeoordeelingen, pleidooien... overal heerscht de gemakzuchtige hebbelykheid om den last van eigen nasporing op de schouders van dezen of genen vreemden arbeider te werpen. Men kan verzekerd zyn dat m'n werken tot vervelens toe zouden genoemd worden, indien er mogelykheid ware ze aftedoen met 'n aanhaling uit de werken van zekeren aller-beroemdsten heer... Chose. Maar dit is nu eenmaal zoo niet.

Als voorbeeld van die luiheid, kan ons alweer dat Schager krantje dienen. Ik geef verlof m'n spottende klacht over 't laat waarschuwen tegen m'n onwetendheid, ernstig optenemen. Is 't niet inderdaad onheusch, 'n schryver zoo te laten voorthollen in z'n onkunde? Vooral indien zoo'n schryver opgang maakt, en dus velen op 'n dwaalspoor brengt? We weten toch hoe vaak 'n dagblad verlegen is om stof, en hoe dan allerlei ongelukken, zelfs de byna gebeurde, dienen moeten om den letterbak vol te zetten. Hoe welkom de verplaatsing is, van 'n hulponderwyzer of veldwachter: twee regels kopie! We kennen de dankbaarheid van 'n redaktie aan den korrespondent die 't verhaal levert van de feestelykheden in Yhuizen, by de herdenking van den dag waarop m'nheer Ymeier twintig jaar geleden z'n funktien aanvaardde: zes regels kopie. We zyn overtuigd van de graagte waarmee 'n gansche kolom wordt gevuld met de mededeeling van zeker gesprek, dat zekere heer met zekeren prins hield, opgeluisterd met de toelichting der meeningen van andere heeren en prinsen - nňg 'n kolom! - aangevuld met de verzekering dat bedoeld gesprek nooit plaats had: drie regels kopie, niet zonder hoop op tien nieuwe regels in 'n volgend nummer, waarin men zal kunnen betoogen dat er wel hier-of-daar iets gesproken is, maar...

Genoeg! We weten wat 'n krant is! [10]

Is 't nu niet nogal vreemd, lezer, of zou 't, zonder de luiheid die ik aanhaalde als mede-oorzaak van 't zwygen, niet vreemd zyn, dat men by zooveel honger naar voedsel, 'n gunstige gelegenheid versmaadde z'n kolommen vol te zetten? Ik kan den Schager - en anderen! - verzekeren dat ze goede zaken maken zouden, door 't aanhouden van 'n dagelyksche rubriek: lyst der blyken van Multatuli's ‘onnauwkeurige kennis van zaken.’

Maar... hiertoe zou arbeid noodig zyn, onderzoek, studie. Men zou zich moeten getroosten te werken, als ik. Dat is: met inspanning, onvermoeid, in 't zweet zyns aanschyns. Dit willen de heeren niet. De luiheid blykt alzoo nog grooter dan de lust om my te grieven.

Maar wel komt die lust voor den dag, als 't geschieden kan zňnder moeite, en hiervan geeft ons die Schager 'n aardig voorbeeld. Het juiste fabriekmerk van dat krantje ken ik niet. Ik gis dat het iets als liberaal, zeer liberaal, of zelfs radikaal moet beduiden. Anders toch ware 't niet overeentebrengen met den bekenden eisch van 't métier, iemand als Feringa te pryzen, die - om slechts één ding te noemen - even als ik, allen godsdienst beschouwt als nadeelig voor vooruitgang. Maar... om z'n werk behoorlyk te pryzen - dat is, om met de notarissen te spreken: onder opgaaf der redenen van wetenschap - zou men 't moeten lezen, analyzeeren, beoordeelen. Dit is lastiger dan 't relateeren der feestviering van zoo'n jubilaris, dan 't uitweiden over 'n byna gebeurd ongeluk. Bovendien zou er eenige kunde noodig zyn, en men weet nu eenmaal...

Om nu čn luiheid, čn onkunde te bedekken, citeert referent 'n kort gezegde waarin de schryver verklaart van my in gevoelen te verschillen - adhuc sub judice lis wie gelyk heeft - om te verkondigen hoe slecht het gesteld is met myn ‘nauwkeurige kennis van zaken.’

Had ik gezegd dat Frankryk 'n eiland was? Dat er wynbouw of eergevoel werd gevonden in Nederland? Dat onze letterkundigen integer zyn? En had Feringa my met bewyzen aangetoond dat ik me vergiste? Was er 'n feit behandeld, waarop de term ‘nauwkeurige zaakkennis’ kan worden toegepast?

Niets van dit alles.

De kwestie was van wysgeerigen aard, en betrof m'n Idee 16! [11]

Feringa bestrydt dat Idee - we zullen later zien hoe? - en zal misschien nu reeds daarover berouw voelen, wyl men uit z'n bestryding 't recht put, hem - in tegenstelling met my, waar 't om te doen was! - te verheffen tot verzoener van Geloof en radikalismus. Arme Feringa!

Op die wys worden ten-onzent wysgeerige vraagstukken afgedaan? Is 't niet te betreuren, dat Van Vloten 't woord ‘ploertig’ zoo diskrediteerde? [12]


[1] ik gebruik die dingen als monsterstalen van den toestand, als bydrage tot de ‘nauwkeurige kennis’ van m'n Publiek. Ik wil dat men na m'n dood inzie hoe gegrond m'n verachting was.

Maar 'men' deed dat niet. Toch is het een tamelijk interessant feit dat 'Nederlands Grootste Schrijver' volgens tegenwoordige 'men' in feite zijn eigen Nederlands publiek verachtte, en over het nu levend publiek niet beter gedacht zou hebben dan over z'n toen levend publiek, was het alleen omdat er in de ondertussen meer dan honderd jaren die verstreken zijn sinds M.'s dood veel veranderd is in Nederland, maar weinig in het Nederlands karakter en de vele Nederlandse zwaktes, domheden en leugens waar Multatuli zo over viel.


[2] De vraag is of ik niet recht had op ŕnderen weerklank, dan de by de haren voor den dag gesleepte verzekering: dat ik zoo ‘weinig nauwkeurige kennis van zaken’ heb? Want, voor den honderdsten keer, 't is niet tegen deze beoordeeling zelf, dat ik me verzet. Het is hiertegen: dat zoo'n jongensachtige plompheid nagenoeg alles is, wat ik van gansch Nederland voor 't geleverde terugkreeg! (659)

In 659 klaagde M. over gebrek aan weerklank. Ik heb in mijn commentaar bij dat idee al gezegd wat ik er van vind, maar het is én waar dat ikzelf zéker geen schrijver ben én waar dat Multatuli schreef om opgang te maken - en dus reden had verbitterd te zijn over de combinatie van lof voor z'n mooischrijverij en doodzwijgen van zijn ideeën, kritiek en aanspraken op rechtvaardigheid.

Het is trouwens ook waar dat er rond de tijd dat M. dit idee schreef wel degelijk iets gedaan werd om zijn lot enigszins te verbeteren door zijn armoede te verzachten. Een aantal vooraanstaande Nederlanders had zich daartoe verzameld in een Multatuli-commissie - die echter snel vond dat M. zich niet liet betuttelen, en daarom opgeheven werd.


[3] er is zoowel luiheid en valsheid, als domheid in 't karakter van m'n Publiek.

Ik geloof het, met veel kennis over de huidige Nederlanders, die zeker niet beter zijn dan hun voorouders waren. Toch is het probleem vooral domheid. Maar ook die is tennaastebij hetzelfde als vroeger - of erger.


[4] Ik tastte de Natie aan, in wat haar 't dierbaarst is. In haar goddienery: 'n broodwinning. In haar zeden: 'n broodwinning. In haar vooroordeelen: 'n broodwinning. In haar zoogenaamde Staatkunde: 'n broodwinning. In haar wanbestuur der Koloniën: 'n broodwinning. In haar principes: 'n broodwinning. In haar huichelary... nu ja, dit sluit al de vorige broodwinningen in zich.

Dit is volledig waar, en het geeft ook aan waarom M. zo weinig antwoord kreeg en zo weinig weerklank vond: Volgens vrijwel iedereen kritiseerde hij teveel, wilde teveel veranderingen, en was hij te radicaal.

Waar ik het mee eens ben is dat het een illusie van Multatuli was om te geloven dat hij in staat was de Nederlandse maatschappij radikaal te hervormen - en dan niet omdat dit in beginsel ondoenlijk zou zijn geweest of moreel onwenselijk (men leze het budget van Klaas Ris, en overdenke het inkomen van een onderwijzer uit die tijd), maar eenvoudig omdat de heersende belangen en wantoestanden in stand werden - en worden! - gehouden door de gemiddelde domheid.


[5] Doch ook dan blyft my altyd het beroep op 't woord van den ketterjager over: de geuzen hebben de kerken geplunderd, de katholieken hebben 't niet belet: zy allen zyn even schuldig.

Laat ik, om M. eens te plezieren, een citaat geven. Van Stuart Mill:

"A person may cause evil to others not only by his actions but by his inaction, and in either case he is justly accountable to them for the injury." (John Stuart Mill, On Liberty)


[6] Niemand bestreed my. Waarom niet?
     Niemand durfde.

Dit is ongetwijfeld waar, zoals het ook waar is dat het de handigste taktiek was, en waar is dat wat je niet kunt weerleggen je het beste kunt proberen dood te zwijgen. En zo gebeurde.


[7] Niemand antwoordde.
     Waarom niet?
     Niemand durfde.
     Ten-gevolge van m'n later werken vergrootte zich de kring  myner vyanden.
     Maar niemand  vertoonde zich.
     Men durfde niet.

Het lijkt niet onaannemelijk dat ongeveer op dit punt aangeland met lezen, de toenmalige letterenprofessor en voormalige vriend van Multatuli Johannes van Vloten dacht: 'Ik durf wčl!'. Iets meer over hem in [12].


[8] En Nederland was hiermee volkomen tevreden. Het duldt - ten tweeden maal nu! - den millionair Van de Putte als minister. Het duldt Van Twist in de Eerste-Kamer. Het duldt de modernen op preekstoel en katheder. Het duldt al de wyën in z'n kranten. Het duldde en duldt alles... ten-behoeve van de respektieve broodwinningen.

En zo gaat het nog steeds: Van Thijn in de Eerste Kamer, Balkenende als premier, Knevel als publiek voorganger - noem een idioterie of misstand uit de 19e eeuw en er is wel een corresponderende aan te wijzen in de 20e of 21e eeuw, zolang de Nederlanders Neerlanders blijven, en er geen radikale verbetering van de gemiddelde intelligentie - lees: domheid  - plaatsvindt, die ikzelf niet en nooit zie gebeuren anders dan bij goddelijk wonder of via eugenetica.

Wie het een troost mocht zijn dat de laatste binnenkort mogelijk wordt mag meewegen dat deze methode de mens te verbeteren toegepast zal worden door onverbeterlijk gebleken mensen. En misschien is het kwaad ook niet in de eerste plaats te herleiden tot de menselijke domheid, maar gewoon tot de menselijke slechtheid:

"Vice is man's nature: virtue is a habit - or a mask." (Hazlitt, Characteristics)

Ik veronderstel dat het nog steeds op optimisme bij mij wijst dat ik meen dat de domheid de voornaamste bron van menselijk kwaad is. Zo herleid ik het meeste nationalisme, de meeste godsdienerij, en het meeste politieke activisme allemaal veel vanzelfsprekender tot domheid dan tot slechtheid - en hoeveel miljoenen mensen zijn er niet gruwelijk omgebracht door nationale oorlogen, godsdienst-oorlogen en -vervolgelingen, en politiek geweld! En dat had allemaal vaak weinig van doen met weloverwogen slechtheid en veel met dom conformisme of misleid idealisme.


[9] Maar nog iets anders speelt 'n voorname rol: de luiheid. Wie 't oog vestigt op de litteratuur van den dag, zou blind moeten zyn om niet te bemerken hoe alles zich toelegt op 't vermyden van inspanning. Men schrikt terug van onderzoek.

Nee, dat geloof ik niet echt. Ongetwijfeld zijn velen lui, maar er zijn ook velen vlijtig die toch dom zijn.


[10] Genoeg! We weten wat 'n krant is!

O nee, de doorsnee consument van de media - krant, radio, TV - heeft geen idee, en trouwens ook geen ideeën, en is meer dan dom genoeg voor de troep die hij met zoveel vreugde consumeert. 


[11] De kwestie was van wysgeerigen aard, en betrof m'n Idee 16!

Waar ik de lezer desgewenst naar verwijs.


[12] Op die wys worden ten-onzent wysgeerige vraagstukken afgedaan? Is 't niet te betreuren, dat Van Vloten 't woord ‘ploertig’ zoo diskrediteerde?

Van Vloten was bevriend geweest met Multatuli, maar de vriendschap was verlopen. Hij hielp wel M.'s eerste vrouw, die de jaren tussen 1860 en 1874, toen zij stierf, voor een flink deel met haar en M.s kinderen arm doorbracht in Italië, met weinig of geen hulp van haar man, maar met financiële steun gecoördineerd door de Nederlandse schrijvers Potgieter en Van Vloten, die allebei weinig met M. ophadden, maar kennelijk medelijden hadden met M.'s kinderen en met z'n vrouw, die om steun te verkrijgen regelmatig vernederende bedelbrieven moest schrijven.

En zo kon het gebeuren dat Van Vloten besloot Multatuli aan te vallen, en vooral z'n Ideen, en daarover stukken ging publiceren in literaire tijdschriften, die later weer gebundeld werden in een boek, 'Onkruid onder de tarwe' geheten, dat een verwijzing was naar M.'s motto voor de Ideen 'Een zaaier ging uit om te zaaien'.

Het is moeilijk Van Vloten's motieven achteraf adekwaat in te schatten. Er zal een deel jaloezie in gezeten hebben, want Van Vloten was óók een maatschappij-criticus, die door M. overschaduwd  werd; en een deel irritatie, want hij meende dat M. zijn talent misbruikte en te ijdel was; terwijl het ook niet onaannemelijk is - ook gezien 's mans uitlatingen en overige publikaties - dat er een dosis overwegend onbegrepen sadisme - dus: leedvermaak, Schadenfreude - stak in Van Vloten's tamelijk serieuze pogingen M. aan te tasten.

Het probleem voor M. was dat hij meende te weten dat Van Vloten brieven van M.'s vrouw had waarvan de publicatie M. zeer kon schaden, zodat hij zich moest inhouden - of althans, zo schreef hij.

Het algemene resultaat was dat M. feitelijk ophield met voor publiek te schrijven, al ging hij wel door met het schrijven van vele fraaie brieven aan vrienden en kennissen, die voor een deel terecht zijn gekomen in de VW.

Hoeveel van Multatuli's ophouden met voor publiek schrijven aan Van Vloten te wijten is laat zich  moeilijk uitmaken. (Maar zie 945) Volgens M. zelf maakte het niet veel uit, en daar is iets voor te zeggen, omdat M. evident de moed had opgegeven z'n publiek te proberen te overtuigen van z'n ideeën, of althans het geloof daarin te kunnen slagen.

Idee 963.