Idee 945.                                                



Na zeer korte voorbereiding dan, zou ik kunnen optreden als onderwyzer in 'n groot deel der vakken die aan hoogere en lagere scholen gedoceerd worden. Ik bedoel hiermee geenszins, nu in die vakken bekwaam te zyn. [1] Van de meeste studie-onderwerpen echter weet ik genoeg om 't niet-weten der leerlingen te begrypen, 'n begrip dat zeer dikwyls den leeraar van beroep ontbreekt. De zoodanige heeft evenmin besef van z'n betrekkelyke tegenwoordige onbekwaamheid, als herinnering van z'n volslagen onkunde toen hyzelf op de leerbank zat. Deze herinnering en dat besef zyn in my zeer levendig. En juist hierom - in-verband natuurlyk met andere hoedanigheden, waaronder geduld en primitiviteit van opvatting, iets als: ‘ongeschooldheid’ 'n groote rol spelen - geloof ik als hoog- of laagleeraar in Geschiedenis, Wiskunde, Staats-ekonomie en Letteren, beter te kunnen voldoen dan... sommigen. Ik schaam my eenigszins over de nederigheid van deze betuiging. [2] Die ‘sommigen’ werden met hun taak belast door dezelfde Nederlandsche Natie, die Duymaer van Twist gebruiken kon als landvoogd van Insulinde, en als lid van haar vertegenwoordiging. Met het oog op de rezultaten van z'n bestuur daarginder, en lettende op 't gemiddeld gehalte der vruchten die 't akademisch onderwys afwerpt, zou ik misschien aan billyken hoogmoed verschuldigd zyn, m'n verzekering vierkant omtekeeren, en my onbekwaam te verklaren voor nederlandsch professor.

Zóó misschien dachten hierover de tot beslissing geroepen beoordelaars, toen ik - op uitnoodiging van eenige jongelieden der Delftsche school - m'n diensten aanbood als leeraar in 't Mahomedaansch Recht, Indische Land- en Volkenkunde, en nog 'n paar vakken. Er werd 'n ander benoemd.

Zeer uitdrukkelyk echter was zoodanig de meening van zekeren tot Minister bevorderden Sekretaris-Generaal van Kolonien. Op aanraden en verzoek van den aftredenden minister, vroeg ik den nieuwbenoemde of-i my als Sekretaris-Generaal, als z'n opvolger alzoo, gebruiken kon? Er bestond 'n reden van huishoudelyk-departementalen aard, om hieraan geen gevolg te geven, 'n reden die me zoo billyk voorkwam dat ik my oogenblikkelyk terugtrok. Een verdienstelyk ambtenaar namelyk by het Departement zelf, had aanspraak op bevordering, na sedert lange jaren telkens in z'n loopbaan te zyn belemmerd door ‘ingeschoven’ kandidaten uit Indie. Daar ik van anderen weet hoe hard dit valt - ik bekommerde my in dezen zin nooit om carrière, daar ik gewoon was m'n rang zelf te maken, en dien niet liet afhangen van benoemingen [3] - verheugde ik my in deze zaak iets te bemerken dat naar recht geleek. De nieuwbenoemde minister, misschien in de meening dat ik troost noodig had - nu ja, m'n gezin leed gebrek, maar dit kon die zoo lang gepasseerde ambtenaar niet helpen - maakte met welwillende bedoeling de opmerking dat ik my deze teleurstelling niet te zeer moest aantrekken. ‘Geloof me, zeide hy, de funktien van Sekretaris-Generaal zouden u niet passen...

Je ne dis pas non! Maar... m'n vrouw en kinderen hongerden! De aftredende minister had my aangeraden en verzocht me by zyn opvolger aantemelden. Hy zag hierin 'n kans voor de Regeering, om zonder al te moeielyken stryd tegen valsche schaamte, my zekere genoeg-doening te verschaffen. Het is uw plicht, zeide hy, haar deze gelegenheid niet aftesnyden.’ Ik dééd dus m'n plicht. Maar:

...de betrekking van Sekretaris-Generaal zou u niet passen - zoo sprak de aftredende titularis die minister werd! - want de werkkring, hoe bedryvig ook en inspanning vorderend, bestaat uit 'n aaneenschakeling van nietigheden.[4]

Hyzelf nu had die betrekking eenige jaren - en ik geloof met lof - vervuld. Hy werd uit die betrekking door de Natie geroepen tot de waardigheid van minister. Hy oordeelde dat de door hem pas verlaten werkkring te nietig voor me was...

En hy bedroog zich. Wel is 't de waarheid dat ik in ons land geen minister zou kunnen zyn, omdat het nederlandsch belang niet in overeenstemming kan gebracht worden met eergevoel. Ook acht ik my te goed om te kibbelen met den eersten den slechtsten die door 'n kiesdistrikt wordt aangesteld tot ‘geacht lid.’ Maar als Sekretaris-Generaal, zonder andere verantwoordelykheid dan stipt arbeiden, zou ik zeer goed voldoen. Wat de soort van arbeid aangaat... niets is beneden my. In dezen zin alzoo had de moderne spreekbeurtman van zoo-even, die verzekerde dat ik ‘beneden alles’ stond, volkomen gelyk, al bedoelde de man 't heel moderniter eenigszins anders. Ik geloof niet te hoog te staan voor wàt ook, en zou m'n roem zoeken in reine straten, zoodra de omstandigheden me noopten den bezem ter-hand te nemen. [5] Waarschynlyk echter zou ik in dat geval ‘op onaangename wyze’ den straatdienst moeten verlaten, omdat er zooveel moderne en liberale voddenrapers zyn, die by reine straten slechte rekening maken.

Hoe dit zy, na de aangevoerde betuiging van 'n minister, die blyk gaf my te hoog te stellen om hem optevolgen in 't pas door hemzelf verlaten ambt, zoeke men geen misplaatsten hoogmoed in 't beoordeelen van myzelf. Vooral niet, nu ik de verzekering herhaal dat die minister zich vergiste. Ter-goeder-trouw meende hy te doen te hebben, niet zoozeer met 'n onbruikbaar genie misschien, maar toch met iets als geniale onbruikbaarheid. [6] Zyns ondanks - want hy was en is 'n goed mensch - voelde hy zich aangestoken door den nederlandschen laster, die onuitputtelyk is in 't verzinnen en aanwenden van middelen, om iemand die 't kwade in den weg staat, aftematten en doodtehongeren. [7] 

Onuitputtelyk? We zullen zien! Ook myn geestkracht is onuitputtelyk. [8] En de vyand is me te-hulp gekomen. Hy heeft met behulp van ‘vrienden’- van myn vrienden natuurlyk! - my 'n slag geslagen, die me ongevoelig maakt voor wat er verder gebeuren kan. Dit geeft kracht! En ik zal ze weten te gebruiken.

Wat overigens dat vertellinkjen omtrent m'n geniale onbruikbaarheid betreft, reeds in Indie had ik daarvan de voorsmaak geproefd, kort na 't neerleggen van m'n betrekking te Lebak. Het lag in de rede dat ik pogingen aanwendde om, in afwachting van 't herstel myner verbroken carrière, in 't leven te blyven. Terstond alzoo meldde ik my overal om werk aan, zonder iets te gering te achten. Ik konkurreerde met jonge-lieden, met kinderen, met ‘baren’ maar werd overal afgewezen. ‘Men kan toch 'n op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident niet aan klerkswerk zetten!’ Bovendien, ik was ‘te knap.’ Men ziet dat het indisch publiek dien minister slechts wat vooruitliep. Ik geloof dat weinigen zoo bittere vruchten oogstten van hun onbekwaamheid, als my m'n ‘knapte’ heeft opgebracht. [9] In één opzicht moest het indische publiek voor 't nederlandsche de vlag stryken. Men vergenoegde zich daarginds met de beschuldiging van ‘knapheid’ en ik had misschien ten-laatste dit zonderling vooroordeel kunnen ontzenuwen, door nu-en-dan - er was kans op! - iets te doen blyken van m'n onkunde. Maar in Indie kwam niemand op de gedachte, my uittemaken voor 'n slecht mensch, wat dan ook dáár niet gelukt zou zyn. Ik was er zeer geacht. [10] De brieven die ik, ook na m'n vertrek uit Lebak, van Slymering ontving, leggen hiervan getuigenis af. En de laaghartige Van Twist zelf was genoodzaakt te erkennen dat ik by 't Gouvernement gunstig genoteerd stond. Men leze overigens met aandacht de beantwoording der vraagpunten die ik den kontroleur van Lebak voorlegde. [*] Neen, in Indie zou de toeleg om my zwart te maken, niet gelukt zyn! Deze is van zeer speciaal-nederlandschenoorsprong! Waar zou 't heen met de voddenrapery, als men my niet hinderde in 't reinvegen van de straten? En zonder nu te spreken van de vele min of meer rechtstreeks-geldelyke belangen die ik aantastte, men denke eens aan den stupiden wrok van al de lettermannen, die zoo deerniswaard sukkelen aan geen opgang! Lieve hemel, niet alleen draag ik de gevolgen van m'n byzondere knapte, ik word nog bovendien gestraft voor de verregaande onknapheid van die anderen. 't Is te veel!

En vooral blykt de onbillykheid van dezen letterhaat, als men nagaat dat ik me niet opdrong als auteur. Herhaaldelyk protesteerde ik tegen de benoemingen tot mooischryver, die me na den Havelaar van alle zyden overstelpten. [11] Ten-bewyze beroep ik my op 't stuk in den Tydspiegel, later onder nummer 527 in de Ideen opgenomen, en op de parabel over Chresos in de Minnebrieven, of liever nog op den Havelaar zelf. Dat boek was niet geschreven om ‘mooi’ te worden gevonden. Het was 'n protest, 'n oproeping om my in m'n pogingen te steunen. Die mooivindery was 'n helsche valsheid van 't christelyk Publiek. [12] Het is nu twaalf jaar geleden dat ik m'n protest tegen schurkery by de Natie indiende, en wat is er gedaan ter verbetering? Niets, niets, niets! Integendeel! [13] Zoo-even vernam ik - Juli '72 - dat men goedgevonden heeft ten-tweeden-male een man tot minister van Kolonien te benoemen, die nooit andere blyken van bekwaamheid of kompetentie gaf, dan dat-i nog sneller dan anderen eenige millioenen uit den Javaan wist te persen.

[*] Noot van 1876. Deze getuigenis van den gouverneur-generaal komt in den Havelaar voor, en de hier bedoelde vraagpunten aan den kontroleur deelde ik in de Minnebrieven mede. Als men nog maar de goedheid had te verklaren dat die stukken valsch zyn! Ik noodig Van Twist hiertoe uit.


[1] Na zeer korte voorbereiding dan, zou ik kunnen optreden als onderwyzer in 'n groot deel der vakken die aan hoogere en lagere scholen gedoceerd worden. Ik bedoel hiermee geenszins, nu in die vakken bekwaam te zyn.

M. had dit thema geopend in 943, waaronder ik er al iets over opgemerkt heb. Kortweg: Hij was er intelligent genoeg voor, maar had er niet het karakter voor.


[2] En juist hierom - in-verband natuurlyk met andere hoedanigheden, waaronder geduld en primitiviteit van opvatting, iets als: ‘ongeschooldheid’ 'n groote rol spelen - geloof ik als hoog- of laagleeraar in Geschiedenis, Wiskunde, Staats-ekonomie en Letteren, beter te kunnen voldoen dan... sommigen. Ik schaam my eenigszins over de nederigheid van deze betuiging.

Natuurlijk is er geen sprake van nederigheid, en ik denk dat hij gelijk had - al denk ik ook dat zijn kracht zeker niet in z'n kennis stak. Maar hij kon goed uitleggen en spreken, was snel van begrip, en hield van onderwijzen, dus het is eenvoudig jammer dat niemand in Nederland met enige macht bij zijn leven de moed en grootheid van geest had een dergelijke positie voor hem te trachten te verzorgen.


[3] - ik bekommerde my in dezen zin nooit om carrière, daar ik gewoon was m'n rang zelf te maken, en dien niet liet afhangen van benoemingen

Nee, dit is geromantiseerd. In Nederlands-Indië maakte M. gewoon carrière, tot hij ontslag nam omdat hij zich niet kon voegen in de behandeling die hij kreeg van de Gouverneur-Generaal en de Raad van Indië inzake Lebak.


[4] ...de betrekking van Sekretaris-Generaal zou u niet passen - zoo sprak de aftredende titularis die minister werd! - want de werkkring, hoe bedryvig ook en inspanning vorderend, bestaat uit 'n aaneenschakeling van nietigheden.

M. valt hierover in dit idee, en met recht, maar begrijpt het toch niet helemaal goed. Mijzelf zijn dit soort dingen te vaak door bestuurders en ambtenaren toegevoegd om daar - als psycholoog, bovendien - enige illusie over te kùnnen koesteren: Gezagsdragers zeggen dit soort dingen graag om te vernederen, uit overwegend welbegrepen eigen sadisme, dat ze overigens met woede en omhaal van woorden zullen ontkennen indien ze er op gewezen worden.

Toch is één van de voornaamste redenen waarom mensen ambtenaar of politicus worden dat ze genoegen scheppen in macht uitoefenen, en dat genoegen is maar al te vaak een variant van het vermogen anderen te kunnen pijnigen, vernederen, kapotmaken of om gunsten te laten bedelen.

Het is niet voor niets dat er zoveel uitgesproken schoften te vinden zijn onder bestuurders en politici! Het ambt en de macht roepen immers om al wat slecht, laf, of dom is, en doen dit even luid en duidelijk als een kerkklok de gelovigen ter kerke roept: Het is echt niet minder duidelijk omdat het niet duidelijk onder eerlijke woorden pleegt te worden gebracht.


[5] Ik geloof niet te hoog te staan voor wàt ook, en zou m'n roem zoeken in reine straten, zoodra de omstandigheden me noopten den bezem ter-hand te nemen.

Ook dit is geromantiseerd, en diverse Multatuli-commissies zouden snel uitvinden dat M. een hoge mate van eigendunk, trots en hoogmoed had.


[6] Ter-goeder-trouw meende hy te doen te hebben, niet zoozeer met 'n onbruikbaar genie misschien, maar toch met iets als geniale onbruikbaarheid.

Ik mag aannemen zelf aan iets verwants te lijden - men beschouwe ME in Amsterdam en bedenke dat ik nu, anno 2005, voor het 27ste jaar zonder enige hulp leef als invalide in het Amsterdam waar iedere drugshandelaar beschermd wordt door de politie en B&W en iedere junk jaar in jaar uit vertroeteld wordt met gratis heroïne, gratis medicijnen, gratis valse tanden, gratis woningen - als ze maar zo vriendelijk zijn om wat minder te stelen. Ik steel niet, en B&W van Amsterdam ziet mij het liefst zo snel mogelijk kreperen, en doet daar al jaren alle moeite voor die niet direct tot een rechtszaak kan leiden, namelijk door mij systematisch en opzettelijk alles te weigeren inclusief antwoord op mijn klachten.

Er wordt immers jaarlijks minstens 10 miljard aan illegale drugs omgezet in Amsterdam met hulp van B&W, en ik heb de moed gehad dit te zeggen en het ongeluk invalide te zijn!


[7]  Zyns ondanks - want hy was en is 'n goed mensch - voelde hy zich aangestoken door den nederlandschen laster, die onuitputtelyk is in 't verzinnen en aanwenden van middelen, om iemand die 't kwade in den weg staat, aftematten en doodtehongeren.

Nee, ik vrees dat M. hier weer eens te optimistisch en naïef was, en dat hij gewoon brutaal gebruikt en belogen werd, en dat niet door had.


[8] Onuitputtelyk? We zullen zien! Ook myn geestkracht is onuitputtelyk.

Ook dit was niet zo: Binnen een paar jaar nadat hij dit schreef hield M. op met schrijven voor publiek, al schreef hij nog wel vele fraaie brieven aan vrienden en bekenden, die tegenwoordig in de latere delen van de VW staan.

Voor dit ophouden waren kennelijk minstens vier redenen:

1. Multatuli werd oud, ook zichtbaar op zijn fotoos uit 1875, en leed meer en meer aan asthma, of wat daar erg op leek: Kortademigheid, in ieder geval.
2. Hij had zijn geloof verloren in zijn Nederlands publiek, en meende dat men niet kon lezen met begrip.
3. Hij meende een aanval van Van Vloten op hem - gedrukt als 'Onkruid onder de tarwe' - niet te kunnen beantwoorden, omdat Van Vloten beschikking zou hebben over brieven van Multatuli's eerste vrouw, en was in ieder geval zwaar gegriefd door Van Vloten's kritiek.
4. Hij was depressief, gedeprimeerd, teneergeslagen, en gedesillusioneerd, en vaak onbekwaam tot het doen van vrijwel wat dan ook, en kon in dergelijke stemmingen eenvoudig niet schrijven.


[9] Ik geloof dat weinigen zoo bittere vruchten oogstten van hun onbekwaamheid, als my m'n ‘knapte’ heeft opgebracht.

Ik meen iets dergelijks te kunnen zeggen: Zie ME in Amsterdam en [6].


[10] Maar in Indie kwam niemand op de gedachte, my uittemaken voor 'n slecht mensch, wat dan ook dáár niet gelukt zou zyn. Ik was er zeer geacht.

Dit is hooguit half waar, voorzover ik weet: Bij sommigen was hij inderdaad zeer geacht, maar anderen zagen hem aan voor tamelijk gek en behoorlijk moeilijk in de omgang. Wat M. ook niet vermeldt is dat hij vrijwel al zijn tijd in Nederlands-Indië doorbracht als ambtenaar, en dat in steeds hoger functies, en dat dit een automatische achting van doorsnee 'men' met zich brengt: Hij had een ambtelijke rang, in later jaren behoorlijk hoog; hij had een uitstekend inkomen; hij had uitzicht op nog hoger functies en nog hoger inkomen; en hij was in de gewone omgang beleefd vormelijk of ongewoon vriendelijk en welbespraakt.

Hoe men over hem gedacht en gesproken zou hebben achter zijn rug als hij er zonder inkomen of functie had moeten leven laat zich alleen raden, maar Nederlanders plegen over dergelijke mensen met weinig sympathie of mededogen te spreken.


[11] En vooral blykt de onbillykheid van dezen letterhaat, als men nagaat dat ik me niet opdrong als auteur. Herhaaldelyk protesteerde ik tegen de benoemingen tot mooischryver, die me na den Havelaar van alle zyden overstelpten.

Ook dit is hooguit half waar, en dat is optimistisch ingeschat. Immers, M. verhaalde zelf in brieven aan zijn vrouw toen hij de Max Havelaar schreef en geschreven had dat hij probeerde en meende mooi te schrijven en een roman van e.e.a. maakte omdat een droog vertoog geen kans had opgang te maken.


[12] Dat boek was niet geschreven om ‘mooi’ te worden gevonden. Het was 'n protest, 'n oproeping om my in m'n pogingen te steunen. Die mooivindery was 'n helsche valsheid van 't christelyk Publiek.

Zie de vorige noot: Hij had het daar toch zelf naar gemaakt. En wat wáár lijkt te zijn is veel meer dit: M. had het boek geschreven om mooi gevonden te worden en opgang mee te maken omdat hij wilde protesteren en hervormingen tot stand brengen in Nederlands-Indië. En wat gebeurde is dat 'men' het boek 'mooi' zei te vinden, als literatuur en romantische fictie; dat Multatuli's protesten aan de laars werden gelapt; dat er geen hervormingen plaatsvonden tot jaren na M.'s dood, en dat zijn klachten en verzoeken om eerherstel niet gehonoreerd en niet beantwoord werden.


[13] Het is nu twaalf jaar geleden dat ik m'n protest tegen schurkery by de Natie indiende, en wat is er gedaan ter verbetering? Niets, niets, niets! Integendeel!

Het is nu 15 jaar geleden dat ik mijn eerste protest tegen schurkerij bij de gemeente Amsterdam indiende, en wat is er gedaan ter verbetering? Niets, niets, niets. Integendeel!

Idee 945.