Idee 942.                                                


[0] We vernemen dus dat ook het Darwinismus heel goed door de modernen kan gebruikt worden. Die heeren hebben 'n stelsel à deux mains alzoo! Een mes dat aan beide kanten snydt! Zoo handig was de oude Tartuffe niet. Wat al ontberingen, liet zich de sukkel welgevallen om ten-slotte niets te bereiken! Wat al gezichtsverdrajingen, om ten-laatste het huis te worden uitgegooid! Wat al vermaken ontzegd, om neertevallen op de pynbank der ontmaskering! Heilige dulder, ave! Wees gegroet, gebenedyd! De kroon der martelaarschap, enz. Amen! 

Ziet ge, De Geyter, de moderne heeren slaan dat martelaarschap over. Ze zyn vroolyk met de vroolyken, deftig met de deftigen, boersch met de boeren, geleerd met de geleerden, ministerieel met de mannen en place, gemeenzaam met leeken en professers, met studenten en filisters, met m'nheer en mevrouw, met zoons en grootvaders, voire, als 't te-pas komt met de keukenmeid. Ze hebben 't Geloof omgesmeed in 'n passe-partout, en de goddienery à la portée de tout le monde gebracht.

Dit doen de Jezuïten ook, meent ge? Waarachtig niet! Zóó niet! Zoo handig niet! Ik verneem en lees - zelf gezien zag ik van Jezuïten nooit iets - dat ook zy zich weten te voegen naar den eisch der zaken. Dat ze vaak terugtreden om wisser sprong te doen, dat ze: huichelen. 

Welnu, dit vind ik juist zoo pryzenswaardig in de Jezuïten. [1] Eéns toch moet de sprong gedaan worden, en 't:

Je sais qu'un tel discours de moi parait étrange,

dringt zich gedurende al hun voorbereidende maatregelen in de keel. Men moet 'n molière'sche Orgon van domheid zyn, om dit niet te bemerken. Ze waarschuwen, precies als van ratelslangen... verteld wordt. Hebt gy geen medelyden met ratelslangen? Met de ongelukkige dieren wier eerste voorvader terstond na de geboorte overleed, omdat-i door de schuld van z'n verklappenden staart, geen konyntje vangen kon? M'n hart is goed. Den eersten Jezuïet dien ik eindelyk eens in funktie mag te zien krygen, zal 'n konyntje van me hebben... 't arme dier! Ik bedoelde nu hiermee 't konyntje niet.

Misschien herinnert ge u nog iets uit den Juif errant van Sue? [2] - Wat ligt dat sensatie-boek al ver achter ons, niet waar? - Moet ge niet erkennen dat die Rodin 't beetje nooddruft waarop-i de wereld te staan kwam, wel verdiende? De sterkste zakdrager zou bezweken zyn onder den last dien dat mannetje droeg, en al voelen we geen sympathie met z'n doel, toch zyn we verplicht hulde te brengen aan de onvermoeide vlyt waarmee hy de middelen aanwendde die daartoe leiden moesten, om nu niet te spreken van den eerbied dien we verschuldigd zyn aan z'n zedige radysjes. Het doel van de modernen - heerschen! - is 'tzelfde. [3] Ik hoop dus van-harte dat gy van de aan Rodin's doel besteedde verachting, genoeg hebt overgehouden voor modern gebruik. En 't schaadt volstrekt niet, als uw bewondering voor z'n bekwaamheid, yver en radyzen eenigszins uitgeput is. 

Ik weet dat gy 't katholicismus 'n ingevleesden haat toedraagt... met verzen, uw eenig gebrek, beste kerel! Och, mocht ik u, en meer brave Vlamingen, kunnen genezen van die ziekten, al zy 't dan dat hun verzen in den regel beter zyn dan de Hollandsche. Ja, ze zyn frisscher!

Van verzen gesproken, erkent ge niet dat er in de poëtery van de protestanten iets... eigenaardigs is? Iets duf-zoeterigs? Iets fleemerigs? Of... 'n gemaakte fermeteit? [4] Zekere geur die aan de chloor doet denken, waarmee men, onder voorwendsel van den stank te verdryven, dien kompliceert met 'n ander luchtje? Dit laatste is modern, m'n waarde De Geyter. De gewezen orthodoxie stinkt door de nieuwe chloor heen, of liever, men wordt misselyk van beide.

Wat nu m'n wensch aangaat, uw afkeer van 't katholicismus eenigszins te verstompen, deze gaat niet zóó ver, dat ik u uitnoodig bytedragen in 't ‘oortje van Pieter’ gelyk ik onlangs door 'n duitsche dame die fransch sprak, 't woord St. Peterspfenning hoorde vertalen. ‘Le liard de Pierre’ zei ze. Ik wilde maar doen in 't oog vallen, dat het katholicismus de minst gevaarlyke van alle godsdiensten is, omdat ze 't meest... ratelt. [5] Het ouwerwetsche protestantismus waarschuwt ook nog eenigszins, ja soms zeer luid, en reeds menig konyntjen is daarby wèl gevaren. Maar de modernen dragen watten om den staart. 

Ik wil trachten u dit duidelyk te maken.

Stel eens, ik kwam te Antwerpen, en sprak over u. Een priester, kapelaan, of al ware 't maar 'n gewone leek van 't ware geloof, zou me zeggen: ‘begut, dien hier de Gater ies 'n greuten beuswiecht!’ Dan merk ik terstond wien ik voor me heb. In deze weinige woorden ligt 'n gansche belydenis des Geloofs, en ik mag toegeven in de vreugd dat ik uw booswichtery ten-volle met u deel.

Byna denzelfden indruk zou 't op U maken, wanneer 'n oude styve konservatief met ap- en dependentie van dordsche synodaliteit, u verzekerde dat die Multatuli een der grootste onverlaten is, die ooit geleefd heeft. Ik verwacht dat ge u niet ongaarne schikken zoudt in 't overnemen van de helft myner renommee.

Maar nu 'n moderne! Ge maakt kennis, en vindt hem 'n joviale, fideele kerel! Om u pleizier te doen, zegt-i ‘met permissie’ by 't noemen van uw klerikaal ministerie. Dat katholizeeren van 't kapitaal door Langrand... bah, 'n ware schande! ‘De liberalen, m'nheer, de liberalen!’

Ge voelt u thuis. Natuurlyk! De man heeft geen zwarten rok aan, en niet eens 'n cylinder op. Wie zóó gemakkelyk deftighedens versmaadt, moet deftigheid in voorraad hebben. En fideel... kyk? Ge spreekt van den Schouwburg? Hy schrikt niet. Van de societeit? Hy schrikt niet. Van 'n bierhuis? Hy schrikt niet.

Wilt ge de proef verder voortzetten? Wilt ge u 'n oogenblik aanstellen alsof dit alles u nog niet wereldsch genoeg, niet ‘fideel’ genoeg was? Kunt ge van uzelf verkrygen, dingen aanteroeren die u vreemd zyn, of niet heel gewoon althans, om te onderzoeken hoever de ‘fideeliteit’ van uw liberalen vriend gaat? Komaan, speel eens de Elmire, en zie of 't u gelukt Tartuffe te betrappen? Ik zeg: neen, neen, neen! Ge spreekt over achterbuurt-zaken - gooi er 'n vloekje tusschen - de man schrikt niet. Stuit het u, beneden uw eigen peil te dalen ter-liefde der fysiologie van de moderniteit? Wacht dan 'n oogenblik. Hyzelf zal beginnen. De aandrang tot niet-huichelend huichelen zal zich baan breken, en vóór ge 'n wereldsch ‘sakkerloot’ losliet, heeft hy u uit de volheid van z'n moderniteit gebombardeerd met veel matroziger Kraftausdrücke. Voor 't minst dat ge hem wat vooruit helpt of begaan laat, zal-i u straks op 'n glas punch inviteeren in 'n... theehuis. Zoo heeten die etablissementen in Japan. 

Als dàt nu geen ‘fideele’ kerel is...

O, zeker!

‘Geloof, m'nheer? Wawelary!’

‘De Behouders, m'nheer? 'n Ouwe-pruikenboel.’

‘Holland? 't China van Europa, m'nheer! 'n Styve troep, m'nheer! Geloof me, 't is hier voor 'n verlicht mensch niet uittehouden.’

‘Godsdienst? Nu ja, zedelykheid moet er zyn, maar met die dompers houd ik me niet op.’

Vraag eens by deze gelegenheid, of hy niet, leek, z'n kinderen naar de kathechisatie zendt? Of hy niet, zelf dominee misschien, van dien godsdienst leeft en er over preekt?

Neen, vraag dit niet! Elmire, maak vooral Tartuffe niet wakker. Laat hem al z'n moderniteit uitkramen, van 't ontkennen der wonderen af tot die theehuizen toe. Vraag dan eindelyk naar my, en let eens op of de man die zoo pronkte met z'n gloeiend liberalismus, niet terstond met den staart begint te klapperen?

De minst slechten zullen u tegen my waarschuwen: omdat ik alles weggooi... leugen! De heele goddienery, ja! Maar dit doe ik juist om alles te kunnen aanhangen, wat ik voor goed houd (253) en hierin ben ik konscientieuzer dan ooit 'n geloover, die volgens zyn stelsel altyd 'n achterdeurtjen openhoudt om 't met z'n God op 'n akkoordje te gooien, en dus geen konscientie noodig heeft. Tartuffe's woord omtrent de accommodements met den ciel - weer 'n fout in Moliere! - is niet de taal van 'n huichelaar, maar wel degelyk 'n artikel des geloofs, juist van de niet-huichelende vromen. Doch dit in 't voorbygaan.

De meeste modernen evenwel vergenoegen zich niet met zoo'n kerkelyken ban, met zoo'n theologische herabsetsung. Ze maken my voor 'n slecht mensch uit... 'n tweede leugen! Ik ben 'n zeer goed mensch, en reeds hierom beter dan menig ander, omdat ik, alleredelmoedigst afstand doende van alle hemelsche belooningen, naar m'n beste weten m'n plicht doe alsof ik daarvoor wèl belooning wachtte. [6]

Toch neem ik dezen àl te gewonen laster niet zoozeer kwalyk om de zaak zelf, als omdat die heeren u niet - gelyk de katholiek die my waarschuwde tegen U - te-gelykertyd meedeelden of bemerken lieten... dat onze m'sieur Josse van stiel eigenlyk... goudsmid is. En vraagt ge dáárnaar, dan ontkennen zy 't:

Orfèvre? Ik? Volstrekt niet. Je hebt immers opgemerkt hoe ik bittertjes dronk, en vloekte? Ik ben liberaal, zeer liberaal.‘

Al te liberaal vind ik. Ze veroorlooven zich het brood te eten van 'n God die ze onttroonden, en zich te kleeden in den mantel van profeten welker waardigheid ze ontkennen.

Deze hansworsten nu, oefenen in Holland grooten invloed uit. Zeer veel leeken beginnen zich te schamen over de oude vertellinkjes, en zoeken uitwegen om de wankelende of omgeworpen overtuiging in 'n fatsoenlyk haventje te bergen. Fatsoenlyk... dàt's het woord! Deze kromme moderniteit is bien portée. Men kan er mee uitgaan zonder aangespuwd te worden. 't Is immers 'n godsdienst? Wat wil men meer? [7]

De opmerking ligt voor-de-hand dat in de gelederen van zùlke vrydenkers, de rekruten worden aangeworven voor 't cismoerdyksch liberalismus, 'n onkruid waarvan gy, Vlaamsche liberalen, u geen denkbeeld maken kunt. Waarachtig, men zou katholiek en konservatief worden, uit walging van die vryzinnigheid! Wat dan ook dikwyls gebeurt.

Pour la bonne bouche zyn zulke modernen en liberalen gewoonlyk leden van 'n Javaannut-Maatschappy, 'n vereeniging die aan den weg timmert met meetings en speeches, en die ik eenigszins kan doen kennen door u afschrift te geven van m'n antwoord op zekeren brief, waarin ik - Havelaar! - werd uitgenoodigd bytedragen in de pogingen om den Javaan... lezen en schryven te leeren. [8] Ziehier: 

Aan de Haagsche Afdeeling der Maatschappy:

Tot nut van den Javaan.

Wel-Edele Heeren!

Ik ontving zoo-even uw uitnoodiging om bytedragen aan 'n ‘fonds voor het onderwys onder de Javanen’ en ben zoo vry U daarover m'n verwondering te betuigen.

Het kon u toch, naar ik meen te mogen veronderstellen, bekend zyn, dat ik aan 't welzyn der inlandsche bevolking van Nederlandsch-Indie heb ten-offer gebracht wat 'n mensch offeren kan, en derhalve iets meer dan de velen die met het oog op pensioens-reglement of arrondisseering van fortuin, de misbruiken op Java rustig aanzagen - zoo niet erger! - tot op den dag dat het bestryden daarvan zou kunnen plaats hebben zonder gevaar, of zelfs met voordeel.

Ik meen 't dus zonderling te mogen vinden, aangesproken te worden om hulp, namens de door U vertegenwoordigde Maatschappy, die naar m'n innige overtuiging, door de oogen des volks afteleiden van de ware oorzaken der kwaal, het hare bydraagt om die kwaal te bestendigen en ongeneeslyk te maken.

Wie inderdaad prys stelt op beschaving, tracht haar niet bespottelyk te maken door het uitreiken van geillustreerde schoolboeken, printjes en hand-atlassen aan de slachtoffers van stelsel-matige knevelary, mishandeling en moord.

Met nog eenige andere elementen - valsch liberalisme, vry-arbeids-schwindel, kleinstädterei, geloof, geldzucht, europesche baarsheid, e.d. - is de Maatschappy tot Nut van enz., onbewust een der werktuigen in de hand van het booze, en als zoodanig 'n domme wreede satyre op de Havelaarszaak, waarin de kanker die Indiën opvreet, met den vinger is aangewezen.

Onbewust? Ik wil 't gelooven! 

Maar niet geloof ik dat deze onkunde als verschooning gelden mag, sedert ik ieder die lezen kan in de gelegenheid stelde minder onnoozel te wezen.

Zeer gaarne wil ik naar m'n zeer beperkt vermogen iets bydragen, zoodra er gelden worden verzameld voor 'n fonds om lezen te leeren aan't Nederlandsche Volk.

Het doet my intusschen zeer leed, te moe en ontwaren dat achtenswaardige personen, als waarvoor ik de onderteekenaars der my geworden circulaire meen te moeten houden, zich hebben laten verlokken ten-behoeve van Droogstoppels bezwaard gemoed de rol van Tetzel te spelen.

Met de meeste onderscheiding heb ik de eer te zyn, enz.

's Hage, 5 October 1869.

Op dit schryven ontving ik gedurende zeer langen tyd volstrekt geen antwoord, en ten-laatste... 'n zonderling antwoord. Maanden na m'n brief namelyk, werd op-eenmaal een der onderteekenaars van de aan my gezonden circulaire - in z'n hoedanigheid van stenograaf was de man na-familie van politiekery - bevorderd tot liberaal voorlichter in indische zaken te Batavia. Hy was hiertoe zeer geschikt, niet omdat-i van deze zaken iets wist - dit is volkomen onnoodig - maar omdat hy zinsneden maken kan, 'n hebbelykheid die, gelyk we dagelyks zien, alle andere hoedanigheden overbodig maakt. De uitgever die hem in dienst nam, schynt berekend te hebben dat er op de lektuurmarkt wat liberalismus te plaatsen was, en de courant zou dus liberaal zyn. Onze stenograaf had in den Haag gehoord dat er liberalismus lag in 't vry arbeiden der Javanen. Dit vind ik ook. Maar de Liberalen vatten de zaak eenigszins anders op. Hun vryzinnigheid schryft voor, den onnoozelen inlander overteleveren aan 't schuim van aventuriers uit alle werelddeelen. En zie, ook hiermee zou ik, liberaal, des-noodsgenoegen nemen. De Javanen moeten dan maar slimmer worden. Maar... die maatregel sluit in zich: de omvèrwerping van 't Gezag, dat thans - nu-en-dan ten-minste - eens by-uitzondering recht zou kunnen doen. Hoe dit zy, ik ben tegen het stelsel der Liberalen, dat zy 't stelsel van Vryen-Arbeid noemen. Hierover schreef ik reeds in 1862, en onlangs weer, 'n brochure. [9]

Let wel dat m'n in die beide brochures geopenbaarde meening over den Vryen Arbeid, geheel in-stryd is, met m'n belang zoowel, als met m'n overigens anti-gouvernementeele stemming. [10] De Regeering van Nederland, dozynen malen veranderd van zoogenaamd-politieke kleur, is zich altyd gelyk gebleven in 't miskennen en tegenwerken van m'n pogingen om iets goeds te doen. Ik sla nu de oorzaak hiervan over. In-den-beginne boden my de Liberalen hun ondersteuning aan, die ik weigeren moest omdat de voorwaarden tegen m'n gemoed streden. In-plaats daarvan schaarde ik my, in de hoofdkwestie die de partyen verdeelt - partyen waarmee ik overigens niets wil te maken hebben - aan den kant van dezelfde Regeering die ik overigens, nu zoowel als toen, blyf aanklagen van infamie. Neen, nu méér dan toen! Elke dag die er na 't verschynen van den Havelaar verloopt, maakt de misdaad grooter. [11] Men laat in buitenlandsche bladen vertellen dat er nà den Havelaar zooveel verbeterd is. Leugen! De zaken zyn hoe langer hoe erger geworden, 'tgeen met 'n weinig menskunde is afteleiden uit de wyze waarop men my, die dan toch tot deze beweerde verbeteringen zou hebben aanleiding gegeven, behandeld heeft. Er kan in Indie niets verbeterd worden zonder my. Meen niet dat er in deze betuiging eigenwaan ligt - of erger nog! - jacht op voordeel, en dus eigenbelang. [12] Ik wil u dit ophelderen.

Wat eerzucht of eigenbelang aangaat, verklaar ik by dezen dat ik - even als in 1859 [*] - de Nederlandsche Regeering, elk aanbod om my, wat m'n persoonlyke grieven aangaat, tevreden te stellen, in 't gezicht zal werpen. Dit is de taal niet van iemand die zoo'n aanbod uitlokt, niet waar?

En... eigenwaan, hoogmoed? Stel me zoo laag als ge wilt - of als modernen en liberalen willen - noem me dom, onbekwaam, slecht, onbruikbaar, onfatsoenlyk in één hollandsch woord, dan nog zou elke verbetering van de indische toestanden moeten worden voorafgegaan door 'n blyk dat men my gelyk gaf in de door daden gestaafde meening: dat ‘diefstal, roof en moord geen Regeerings-systeem wezen mogen.’ Geen ambtenaar in Indie durft na myn ervaring, z'n plicht doen. Helden en martelaars zyn te zeldzaam om op uitzonderingen te kunnen rekenen. De Nederlandsche Regeering is 'n Regeering van schelmen, zoolang ze niet door daden toont met het verledene gebroken te hebben. [13]

Ge ziet het, ik vlei die Regeering niet. Toch wist de zoo-even onsterfelyk gemaakte liberale voorlichter-stenograaf, uit m'n bestryding van den Vryen-Arbeid te ontdekken: ‘dat ik my verkocht had aan 't Behoud.’

M'n gissing dat deze ontdekking 'n uitvloeisel is van wrevel over den brief dien ik u meedeelde, vindt eenigen steun in de opmerking hoe àndere penvoerders van die soort àndere stukken afdoen. Ik sprak zoo-even van m'n nummer 454. Zoudt ge niet meenen, dat er onder de leden van de moderne sekte iemand moest gevonden worden, die my antwoordde, wederlegde, bestreed? Niets van dit alles. Ze schelden my uit, voilà tout! [14]

Nu erken ik, ook van myn zy de liberalen en modernen niet zeer vriendelyk te behandelen. Maar... ik zeg er by: waarom? De lezer moge beoordeelen of de forsche woorden waarmee ik die lieden aanspreek, te wyten zyn aan myn wansmaak, onbeschaafdheid en oneerlykheid, of aan hùn eigenschappen van dergelyke soort, die geen andere dan zeer onaangename kwalifikatien toelaten? [15]

Een lid dan van deze zeer liberaal-moderne sekte tastte my in zoo'n Javaannut-vergadering aan. Dit moest wel om de vraag te voorkomen: ‘als ge dan iets doen wilt voor den Javaan, waarom trekt ge geen party voor Havelaar, die voorgesteld heeft hem niet te laten vermoorden?’ Dit nu willen ze niet, omdat het 'n schuldbekentenis wezen zou. Zelfbehoud dwingt alzoo tot zwartmaken. Wat ze dan ook doen. Precies als liberalen en lettermannen.

Onze moderne verhandelaar verkondigde aan ‘de schare’ - 'n dominees woord - ‘dat die Havelaar beneden alles was.’ Goed. Of liever, niet goed, maar ik ga 't voorby, omdat ik niet gaarne hoog zou staan in de schatting van zulke mannen, en tevens omdat niet juist hierin het punt ligt, waarop ik nu wilde neerkomen. Ik herinnerde u zoo-even in welke omstandigheden en waarom ik m'n ontslag nam, en wilde u verhalen hoe zoo'n moderne dominee die handeling kwalificeert. Ter inleiding der verzekering dan aangaande m'n byzonder laag standpunt, zeide hy: ‘na op een onaaangename wyze uit den dienst te zyn geraakt.

Denk nu niet dat ik heel boos op dien man ben. [**] Integendeel. Met het oog op 't gebrek aan talent dat schelmen kenmerkt, moet ik erkennen dat z'n parafraze heel aardig gevonden is. Ik die geen schelm ben en dus wèl talent heb, zou me waarachtig eenigszins moeten inspannen om geestiger te zyn.Voyons:

Nadat Curtius op 'n onaangename wyze in 'n gat was gevallen kwam er 'n moderne Javaannutter die hem bespoog, enz.

Ge begrypt dat m'n boosheid te kostbaar is om ze wegtewerpen aan zoo'n man. Maar, wat te zeggen van de ‘schare’ die na den nooit weersproken Havelaar zoo ‘mooi’ te hebben gevonden, zoo'n wezen geduldig aanhoort en hem niet ter-deure uitwerpt? Is 't niet om vies te worden van scharen? [16]

Dit ben ik dan ook. Ge hebt het kunnen bemerken in m'n stuk over ‘Publieke Voordrachten’ als 't u niet reeds vroeger mocht gebleken zyn uit de Inleiding van de Minnebrieven. Het is me immers bekend, dat ik, in 't publiek sprekende, gevaar loop iemand onder m'n gehoor te hebben die zoo'n modernen schandvlekker zwygend, en misschien wel met fatsoenlyk ‘genoegen’ heeft aangehoord? Hartelyk dank!

Zóó is m'n Publiek, De Geyter!

Maar wat behoef ik dit U te verhalen, U die in den Haag moeite hadt onder de leden van 't letterkundig kongres iemand te vinden, die erkennen durfde dat-i wist waar ik woonde! [17] Herinnert ge u, hoe 'n ‘litterator’ - kan ik 't helpen, dat de man geen opgang maakt? Laat hem trachten wat ziel te krygen, dan zal 't misschien lukken - herinnert ge u hoe die verschipbreukte geen-effektmaker, op de vraag naar m'n adres, u antwoordde: dat weet ik niet - hy loog! - ge moet dit vragen aan...

En daarop de naam van 'n dame?

Van 'n dame die - dit is waar, helaas! - die ook schreef of schryft, en wel met wat ziel, maar toch niet opgangerig of ‘mooi’ genoeg, om de boosaardigheid waard te zyn van zoo'n laster. Want lasterlyk was de insinuatie! En dit blyft ze, al zy 't dan dat noch die dame noch ik ons heel zwaar gewond voelden door de venynige bedoeling. Dit immers kon die brave letterkundige niet weten. Hy, in z'n burgelyk opvattinkje, moest meenen al 'n zeer vergiftigden pyl te hebben afgeschoten, en ik ben zoo vry den wil voor de daad te nemen. Slechts zeer weinig vrouwen zyn voor zulke aanvallen ongevoelig, en wat my betreft... och, 't getal meisjes die me verleid hebben is te groot dan dat ik zoo nauw zou letten op ééne meer of minder. Maar dit kon onze moderne liberaal alweer niet weten, hy die - dàt kondt gy hem toch aanzien, denk ik! - gewoon was zich te behelpen met het liederlyk regime van den ryksdaalder! (IIa, blz. 9.) Door 'n allervreemdsten samenloop van omstandigheden echter, was juist de door hem genoemde dame, een van de zeer weinige Nederlandsche maagden, die ik niet vergunde misbruik te maken van m'n onschuld. Mocht te-eeniger-tyd, de vrouw, de zuster, de nicht, de dochter van dien ‘letterkundige’ me komen smeeken om de eer van wat oneer... dan zal ik ze, om-den-wille van myn eer, verwyzen naar m'n schoenpoetser, die dan zelf beslissen mag of-i lust heeft zich te kompromitteeren.

Ik vraag u, De Geyter, of zùlke kwajongensstreken, anders moeten beantwoord worden, dan met zùlk sarkasme?

En dit alweer niet om den stumpert die, ten einde raad van wrevel over gebrek aan talent, dit meende te kunnen aanvullen met wat laster. Neen, om hèm niet, maar: zoo is m'n Publiek, De Geyter! De vraag of ik morgen brood hebben zal, hangt af van de mooivindery van zùlk gepeupel! [18]

Gelyk ik in m'n brief aan de Javaannutters zeide, offerde ik alles wat 'n mensch offeren kàn, loopbaan, eer, geld, huiselyk geluk... ik had niet meer! 't Was myn schuld niet, dat ik te Lebak in 't leven bleef. M'n voorganger was vermoord. Ik wist dit, toen ik my en de mynen blootstelde aan 'n gelyk lot. Kon ik 't helpen dat ik niet bezweek onder de gevolgen van deze zoo moeielyke plichtsvervulling, en dat alzoo myn leven nog niet kan genoemd worden onder de gebrachte offers? Is 't billyk, dit alles zóó te beantwoorden, als ik van 't Nederlandsche Volk ondervind? [19]

Na m'n vertrek uit Lebak zwierf ik, wachtende op Recht, jaren lang als 'n misdadiger rond, dervend, hongerend, zonder dak soms, maar altyd onzeker of ik den volgenden dag 'n dak hebben zou. Gedurende dien tyd - ikzelf ben verbaasd over de mogelykheid - arbeidde ik. Dit mogen m'n werken getuigen. Ik bracht wel niet zooveel voort, als waarschynlyk in andere omstandigheden 't geval zou geweest zyn, maar toch: ik werkte! Ik trachtte nuttig te zyn waar ik kon, zooveel ik kon. [20]

Let nu eens op de wyze waarop m'n arbeid wordt opgenomen. ‘Ik weet er niets van’ zegt ge! Juist! Het modern liberalismus draagt wel zorg dat ge hiervan niets te weten komt. Om eens één ding te noemen. Ge hebt m'n IIIn bundel Ideen gelezen. In geen enkel Hollandsch tydschrift, in geen enkele Hollandsche Courant, is dat boek besproken. Acht gy uw Jezuïten in-staat tot zoo'n... Jezuïtisme? [21]

Wilt ge eens vernemen welken weerslag ik te hooren kreeg op m'n - nog-al pikant! - werkjen over Specialiteiten? Het werd als paccotille inéén greep vermeld met andere pas verschenen werkjes, onder de opmerking: dat de leden der Kamer daaruit wel iets konden leeren - ei, waarlyk? - en: dat daarin 'n ‘koddige’ historie voorkwam over zekeren Jonker Frits!

M'n Millioenen-Studien zag ik tot m'n groote verbazing aangekondigd in de N. Rotterd. Courant. Ze waren ‘geestig, onderhoudend’ en: ‘de schryver kan dol doorslaan.’ Waaraan had ik de neerbuigende goedheid te danken, dat men wel wilde erkennen iets van my gelezen te hebben? Aan de noodzakelykheid om den Volke meetedeelen: ‘dat de lezer 'n paar noten, waarin ik het nut van legers en den aanleg van spoorwegen op Java behandel, gerust kon overslaan.’ [22] Ik geloof van een-en-ander iets meer te weten, dan 't onbekend schryvertje dat zulke recensien aan den N. Rotterdammer levert, en zal me wel wachten met hem in polemiek te treden, vooral daar ik over 't ‘nut van legers’ niet eens gesproken heb. Dit toch is 'n heel andere zaak dan m'n klacht over de lafhartigheid van den militairen stand, het uitvloeisel van opmerkingen die, geheel-en-al myn eigendom, nog nooit werden te-berde gebracht, en niets te maken hebben met het versleten gewawel van Vredebonden over de ‘afschaffing van staande legers.’ De man moet dus, als gewoonlyk, beginnen met lezen te leeren, en ik acht me niet geroepen hem daarin les te geven. Maar dit alles is de vraag niet. Voor my niet! Ik haalde dit prachtstuk van krantenwysheid slechts aan, om te doen in 't oog vallen op welke voorwaarde alleen, men afwykt van 't beoogd modern en liberaal doodzwygen. Ge zult toch erkennen dat m'n werken 'n serieuze behandeling verdienden, niet waar? [23]

Welnu, ze durven niet! [24]

Maar... elke indruk zoekt 'n uiting. [25] De liberaal dien ik aantastte in zijn afgod Thorbecke - nooit is 'n fétiche klakkeloozer op 'n voetstuk geraakt! - wacht zich wel my te wederleggen, maar... trekt u by den jas als ge in den Haag komt, om u te verzekeren dat ik 'n onverlaat ben. Dit nu is wel waar, doch 't bewyst niet dat z'n Thorbecke hooger rang heeft dan prins der ordinairheid. Niemand komt voor de modernen op, doch... in de Arnhemsche Courant - liberaal, m'nheer, heel liberaal! - wordt verzekerd dat ik m'n tyd doorbreng met ‘bittertjes drinken.’ Ook dit is wel weer de waarheid - helaas, hoe kan ik 't ontkennen tegenover u, die me zoo vaak beschonken zaagt! - maar... m'n aanhoudende staat van dronkenschap heldert het verband niet op, tusschen niet gebeurde wonderen, en 't uitbuiten van die gekheden, alsof ze wèl geschied waren. [26] Er is wel niemand die m'n bewyzen tegen 't bestaan van 'n God tracht te ontzenuwen, maar... ze wreken hun God - zegge: de broodwinning! - door my 't leven in Holland onmogelyk te maken! Niemand waagt het, iets te weerspreken van wat ik in den Havelaar of in later, daarmee in verband staande, werken aanvoer, maar... [27]

Kom, laat ons eindigen met de juweelige beschuldiging van den modernen Javaannutverhandelaar:

Die Havelaar is op onaangename wyze uit den dienst geraakt.

De waarheid is het!

Beste De Geyter, zyn uw Jezuïten van dàt kaliber? Komaan, laat u roeren door hun onschuld, en omhels er een!

Loon eisch ik niet. Althans niet om mynentwil. Hoogstens zou ik daarop aandringen, als blyk van verbetering der algemeene moraliteit. Ik ben - en deze verklaring werp ik orthodoxen en behouders zoowel, als modernen en liberalen in 't gezicht - een der zeer weinigen, die bewezen 't goede lief te hebben, ook waar 't gestraft wordt. Dat ze 't my nadoen! [28]

Neen, ik klaag niet over de miskenning van m'n diensten, dan voor-zoo-ver deze miskenning ten-nadeele strekt van henzelf wien ik die diensten bewees. Het doet me leed dat de wereld zoo slecht is, maar om-mynentwil klaag ik niet! 

Ik klaag áán! [29]

Dit blyft myn plicht, omdat het smoren van m'n grieven te veel schurkery zou schynen te wettigen voor de toekomst.

Toch sla ik veel over, en 't voornaamste!

De korte zin van deze lange rede, myn ronde eerlyke De Geyter, is u te vragen of 't wel zoo erg te verwonderen is als ik bitter ben? [30]

Wees met uw lieve vrouw - nu is zy in Holland gekompromitteerd! - hartelyk gegroet. Zeg namens my een vriendelyk woordjen aan al wat ‘straks’ uitspreekt als: seffens... aan de Vlaamsche vrienden! Deel hun mede dat het my, in den gewonen zin des woords, zeer goed gaat. Ik ben... schrik niet, ik ben schryver tegenwoordig [31] - hu, precies als 't liederlyk ventje dat m'n adres niet durfde weten! - maar ik schik me, met weerzin zeker in de kameraadschap, doch overigens redelyk wèl in 't schryven zelf. Ik heb tegenwoordig, wat ik niet had sedert m'n vertrek van Lebak, 'n kamer waar ik arbeid, met de hoop er te kunnen blyven: 'n koning te ryk! 't Zal me benieuwen of de Hollanders weer middel vinden om me uit dezen schuilhoek te verjagen. [32] Van de wonden die me geslagen zyn - van de ondeelbare, bedoel ik nu - spreek ik niet. Dit zou aan te velen 'n schandelyk genoegen doen. Bovendien, zulke zaken zyn voor Publiek niet grof genoeg. Ik zal u daarvan een-en-ander meedeelen, zoodra ik te Antwerpen kom. Dàn zult ge kunnen beoordeelen, wat het liberaal, modern en orthodox goddienend Nederland me gedaan heeft, en ik hoop u te bewegen tot de erkentenis dat m'n bitterheid zeer gematigd is. Vaarwel!

[*] Noot van 1876. Ten-onrechte staat hier in de vorige uitgaaf: 1856. Dit is 'n drukfout. In 't najaar van 1859 bood my de Regeering 'n ‘eervolle, lukratieve en winstgevende betrekking in de West’ aan. Zoo waren letterlyk de termen van de my namens den minister gebrachte boodschap. [33] Dit geschiedde ten-huize en in tegenwoordigheid van den heer J. van Lennep, die alzoo tevens getuige was van m'n weigering. Hoewel die heer overleden is, durf ik me nog altyd in zekeren zin d.i. middelyk, op zyn getuigenis beroepen. M'n afwyzend antwoord namelyk, ging vergezeld van eenige karakteristieke byzonderheden, en ik houd me overtuigd dat de scène - 'n scène wàs het, daar ik zeer driftig werd - door den heer V.L. aan vrienden en betrekkingen is meegedeeld. Ze was te hevig om er niet over te spreken. Ik beroep my op ieder die omstreeks dien tyd op eenigszins vertrouwelyken voet met den heer Van Lennep omging. [34]

[**] Noot van 1876. De lezer gelieve zich te herinneren hoe ik reeds op blz. 126 meedeelde dat ik my omtrent het domineeschap van dezen waarheidsvriend vergist heb. Maar 'n zeer yverig voorvechter van 't modernismus was-i wèl, en dáárop komt hier eigenlyk de zaak neer.


[0] Ik heb eerder opgemerkt dat veel van de 4e bundel van Multatuli's Ideen uit geklaag bestaat over zijn toestand en behandeling. Dit is zo'n idee, en omdat ikzelf ook nogal het een en ander te klagen heb over mijn toestand en behandeling zal ik er redelijk uitgebreid op in gaan, met verwijzing naar hem en naar mij, zodat de lezer een paar parallelen kan zien, en ook een paar verschillen.


[1] Dit doen de Jezuïten ook, meent ge? Waarachtig niet! Zóó niet! Zoo handig niet! Ik verneem en lees - zelf gezien zag ik van Jezuïten nooit iets - dat ook zy zich weten te voegen naar den eisch der zaken. Dat ze vaak terugtreden om wisser sprong te doen, dat ze: huichelen. 

Welnu, dit vind ik juist zoo pryzenswaardig in de Jezuïten.

Ik niet. Ook meen ik dat ze het handiger aanpakten dan de moderne dominees: Ze mystificeerden gewoon brutaal door, in plaats van, zoals inderdaad onmogelijk is, moderne wetenschap en christelijk geloof, zoals te lezen uit de Bijbel en eeuwen uitgedragen door de kerken, met elkaar consistent te maken.


 [2] Misschien herinnert ge u nog iets uit den Juif errant van Sue?

M. was als jonge man, lezend in Nederlands Indië, kennelijk behoorlijk onder de indruk geraakt van de toen populaire romans van Eugène Sue, en drong o.a. in zijn verlovingsbrieven aan Tine op aan dat ook zij Sue zou lezen.

Eén van de dingen die mij opvalt over de belezenheid van Multatuli, die overigens niet bijzonder was (zie 482), is dat hij geen of vrijwel geen van zijn bekende tijdgenoten en voorgangers kende, m.u.v. Byron, Scott en Heine. Maar: Géén Dickens, géén Hazlitt, géén Dr. Johnson, géén Flaubert en nog zoveel meer niet, en wèl nu volstrekt onbekende en ongelezen auteurs als August Lafontaine (een Duitser, niet de bekende fransman met dezelfde achternaam) en Eugène Sue.

't Zal wel geen toeval zijn: Wat werkelijk goed is wordt pas in de loop van de tijd ingezien, en wie dus populaire, beminde, veelgedrukte en welbetaalde auteurs van zijn eigen tijd leest - zoals Lafontaine en Sue in Multatuli's geval - loopt grote kans de weinigen die later voor groot zullen doorgaan te missen, en de velen van vroeger tijd die terecht voor groot doorgaan niet te lezen vanwege de moderne rotzoo die-ie wel leest.

Wie dus werkelijk zijn verstand wil gebruiken en werkelijk eersteklas literatuur wil lezen doet er verstandig aan zich te beperken tot het verleden. (Zie ook Hazlitt (1778-1830): 'On reading old books'.)


[3] Het doel van de modernen - heerschen! - is 'tzelfde.

Ja en nee. Ja, voorzover dit het onderliggend doel is van de priester-kaste - zie 938 met fraaie Hazlitt-citaten. Nee, omdat het voor een deel ook een min of meer eerlijke poging was om het onmogelijke te doen, namelijk Protestantse theologie verzoenen met moderne wetenschap.


[4] Van verzen gesproken, erkent ge niet dat er in de poëtery van de protestanten iets... eigenaardigs is? Iets duf-zoeterigs? Iets fleemerigs? Of... 'n gemaakte fermeteit?

Inderdaad, en hetzelfde geldt moderne Nederlandse poëzie, die altijd de indruk maakt van aanstellerij. Er schijnt overigens wel behoorlijk mee verdiend te kunnen worden, tegenwoordig, in het subsidie- en aanstellingen-circuit: Wie oppassend saai en politiek correct genoeg is loopt flinke kans op prijzen, universitaire aanstellingen, en prettig betalende baantjes als recensent.


[5]  Ik wilde maar doen in 't oog vallen, dat het katholicismus de minst gevaarlyke van alle godsdiensten is, omdat ze 't meest... ratelt.

M. bedoelt: Als een ratelslang, die z'n eigen gevaar aankondigt. Toch heeft deze "minst gevaarlyke van alle godsdiensten" anno 2005 meer dan 1 miljard aanhangers. En dat komt ongetwijfeld voor een deel door de brutaliteit waarmee de mysteries van dat geloof uitgedragen worden door de priesters ervan, en door de uitgebreide en doordachte religieuze poppenkasterij ervan en eromheen.


[6] Ze maken my voor 'n slecht mensch uit... 'n tweede leugen! Ik ben 'n zeer goed mensch, en reeds hierom beter dan menig ander, omdat ik, alleredelmoedigst afstand doende van alle hemelsche belooningen, naar m'n beste weten m'n plicht doe alsof ik daarvoor wèl belooning wachtte. 

M. beleed regelmatig dat hij een goed mens was, wat andere Nederlanders hem regelmatig hebben kwalijk genomen, kennelijk omdat hun eigendunk aanstoot nam aan de zijne.

Waar M. zeker gelijk in had is dat het - nog steeds! - behoorlijk ongebruikelijk is voor mensen om in dit leven goed te doen en willen doen zonder daarvoor een beloning te verwachten, zowel in deze wereld als in het hiernamaals, en daar dan bovendien oneindig lang, zalig en heerlijk.

Enigszins in dit verband, om de lezer wat duidelijk te maken over de Christelijke psychologie en het idem driftleven, zijn hier twee citaten van resp. een katholieke en een protestantse theoloog, allebei van grote faam en van grote intelligentie:

"That the saints may enjoy their beatitude and the grace of God more abundantly they are permitted to see the punishment of the damned in hell."
   (St. Thomas Aquino, Summa Theologica)

"The sight of hell's torments will exalt the happiness of the saints forever."
   (Jonathan Edwards)

't Is maar een weet, lezer.


[7] Deze hansworsten nu, oefenen in Holland grooten invloed uit. Zeer veel leeken beginnen zich te schamen over de oude vertellinkjes, en zoeken uitwegen om de wankelende of omgeworpen overtuiging in 'n fatsoenlyk haventje te bergen. Fatsoenlyk... dàt's het woord! Deze kromme moderniteit is bien portée. Men kan er mee uitgaan zonder aangespuwd te worden. 't Is immers 'n godsdienst? Wat wil men meer?

Ja, het is waar dat de bewering dat zus-of-zo moet of mag "vanwege de godsdienst" veel gruwelijks, veel wreeds en veel stompzinnigs heeft verëxcuseerd: Wat evident geheel niet deugt zonder godsdienst wordt bijna heilig en voorbeeldig in godsdienstige verpakking, van sado-masochisme (inquisitie, martelaren) tot oplichterij (Lourdes e.d.).


[8] Pour la bonne bouche zyn zulke modernen en liberalen gewoonlyk leden van 'n Javaannut-Maatschappy, 'n vereeniging die aan den weg timmert met meetings en speeches, en die ik eenigszins kan doen kennen door u afschrift te geven van m'n antwoord op zekeren brief, waarin ik - Havelaar! - werd uitgenoodigd bytedragen in de pogingen om den Javaan... lezen en schryven te leeren.

Wat mij hier interesseert is vooral die Javaannut-Maatschappy, zo evident de Greenpeace of Hartstichting van de 19e eeuw.

Wel, lezer: Goede Doelen zijn HET arbeidsveld van oplichters, en de eerste wet van de hulpverlener is: De hulpverlener verleent hulp ... aan zichzelf.

Van alle geld opgehaald voor Goede Doelen lijkt zo'n 50% direkt besteed te worden aan de Nobele Hulpverleners die de actie opzetten, en een deel van de rest aan investeringen in volgende hulp-acties, advertenties e.d., en - vooral - aan salarissen van directeuren en medewerkers. Wat resteert wordt dan overgemaakt naar de hulpverleners in verre landen, die van hetzelfde ras van Professionele Hulpverleners zijn.


[9] Hoe dit zy, ik ben tegen het stelsel der Liberalen, dat zy 't stelsel van Vryen-Arbeid noemen. Hierover schreef ik reeds in 1862, en onlangs weer, 'n brochure.

En een bijzonder fraaie brochure, vooral die van 1862.


[10] Let wel dat m'n in die beide brochures geopenbaarde meening over den Vryen Arbeid, geheel in-stryd is, met m'n belang zoowel, als met m'n overigens anti-gouvernementeele stemming.

Dat mag betwijfelt worden wat de tweede brochure betreft, want M. had toen hoop dat de regering hem zou helpen indien hij de regering hielp. Het liep allemaal op niets uit, maar het is wel zo.


[11] In-plaats daarvan schaarde ik my, in de hoofdkwestie die de partyen verdeelt - partyen waarmee ik overigens niets wil te maken hebben - aan den kant van dezelfde Regeering die ik overigens, nu zoowel als toen, blyf aanklagen van infamie. Neen, nu méér dan toen! Elke dag die er na 't verschynen van den Havelaar verloopt, maakt de misdaad grooter.

Zie de vorige noot.


[12] Er kan in Indie niets verbeterd worden zonder my. Meen niet dat er in deze betuiging eigenwaan ligt - of erger nog! - jacht op voordeel, en dus eigenbelang.

Over de eigenwaan e.d. komen we in de volgende noot te lezen. Hier alleen dit: Multatuli vergiste zich in ieder geval over de verbeteringen in Indië, omdat er tot zijn dood inderdaad weinig veranderde, maar niet lang na zijn dood, kennelijk vooral door de invloed van de 'Max Havelaar' tamelijk wat hervormd werd in het bestuur van Nederlands-Indië. Dit gebeurde rond 1900.


[13] En... eigenwaan, hoogmoed? Stel me zoo laag als ge wilt - of als modernen en liberalen willen - noem me dom, onbekwaam, slecht, onbruikbaar, onfatsoenlyk in één hollandsch woord, dan nog zou elke verbetering van de indische toestanden moeten worden voorafgegaan door 'n blyk dat men my gelyk gaf in de door daden gestaafde meening: dat ‘diefstal, roof en moord geen Regeerings-systeem wezen mogen.’ Geen ambtenaar in Indie durft na myn ervaring, z'n plicht doen. Helden en martelaars zyn te zeldzaam om op uitzonderingen te kunnen rekenen. De Nederlandsche Regeering is 'n Regeering van schelmen, zoolang ze niet door daden toont met het verledene gebroken te hebben.

Dit is ongetwijfeld meer waar dan niet, en zie mijn vorige noot voor het kennelijk resultaat op termijn.

Wat hoogmoed en eigenwaan betreft: Het is waar dat het doorsnee-mensen geheel aan ontbreekt, zoals het zo ook geheel, en geheel terecht, aan zelf-respect ontbreekt, om welke reden ze dat zo graag van anderen mogen eisen, als vanzelfsprekend bovendien. Kennelijk behoren gezegde eigenschappen alleen toe aan de kleine minderheid van mensen die zich, terecht of niet, voor een individu houdt en daarnaar durft te handelen, en denken, en spreken. (Zie 74)

Ik heb er geen moeite mee, maar ben dan ook zelf noch bescheiden noch een conformist. Het is trouwens gek dat vrouwen zich wèl voor mooi mogen houden en mannen wèl trots mogen zijn op hun Mercedes, maar dat het voor zeer ongepast doorgaat je eigen kennis, taalvermogen, intelligentie of moed als groter te beschouwen dan de doorsnee. Maar ja: Het is wáár dat ik het erg moeilijk vind mij in te denken in de karakterloze karakters van de conformistische doorsnee.


[14]  Zoudt ge niet meenen, dat er onder de leden van de moderne sekte iemand moest gevonden worden, die my antwoordde, wederlegde, bestreed? Niets van dit alles. Ze schelden my uit, voilà tout!

De reden is eenvoudig maar niet vrolijkstemmend of bewegend in de richting van vertrouwen in de gemiddelde medemens of democratie: Ze konden eenvoudig niet beter. En dit is nog steeds zo: Mensen doen niet veel slechter dan ze bij machte zijn - ze kunnen zelden veel beter dan ze doen.


[15] Nu erken ik, ook van myn zy de liberalen en modernen niet zeer vriendelyk te behandelen. Maar... ik zeg er by: waarom? De lezer moge beoordeelen of de forsche woorden waarmee ik die lieden aanspreek, te wyten zyn aan myn wansmaak, onbeschaafdheid en oneerlykheid, of aan hùn eigenschappen van dergelyke soort, die geen andere dan zeer onaangename kwalifikatien toelaten?

De achterliggende reden trof M. het best, geloof ik, in 374:

Want, myn zoon, aldus is de mensch geschapen, dat hy veel onreins kan slikken, doch geenszins uwe woorden òver onreinheid.

In Nederland mag iedereen meepraten over alles, zolang hij én geen gevaar voor anderen oplevert én oppassend conformist is, d.w.z. over vrijwel alles een evidente hypocriet en doener-alsof is. En wie personen criticeert ligt eruit, bij die personen en bij alles wat daarbij hoort - vrienden, familie, collegaas, partijgenoten: Voorwaarde om in Nederland mee te tellen is niemand die prominent is te criticeren, en niet op te vallen door eigen meningen of individuele onafhankelijkheid. Wie niet te koop is deugt niet, in Nederland.


[16] Ge begrypt dat m'n boosheid te kostbaar is om ze wegtewerpen aan zoo'n man. Maar, wat te zeggen van de ‘schare’ die na den nooit weersproken Havelaar zoo ‘mooi’ te hebben gevonden, zoo'n wezen geduldig aanhoort en hem niet ter-deure uitwerpt? Is 't niet om vies te worden van scharen?

Ja, en hier lag nogal een probleem voor Multatuli (en trouwens een soortgelijk voor mij): Hij had opgegeven vertrouwen te hebben in z'n publiek van Nederlanders.

Een relevant stel vragen is of iemand er wijs aan doet vertrouwen te stellen in een publiek, of z'n medemens, of de goedheid of weldenkendheid van de medemens. Dit is een stèl vragen o.a. omdat de antwoorden verschillen: Succesvolle publieksmenners stellen een terecht vertrouwen in zowel de domheid van het publiek als in het gemak waarmee dit zich laat spannen in een tuig van nobele bedoelingen.


[17] Maar wat behoef ik dit U te verhalen, U die in den Haag moeite hadt onder de leden van 't letterkundig kongres iemand te vinden, die erkennen durfde dat-i wist waar ik woonde!

Dit kan heel wel geweest zijn dat M. in Den Haag woonde in een menage à trois, met zijn eerste vrouw, zijn latere tweede vrouw en z'n twee kinderen. Dat was ongetwijfeld heel schandalig, in publieke ogen. Het is wel waar dat er een uitgebreide prostitutie was in het Nederland van de 19e eeuw, maar ook waar dat hier veel over gelogen en gezwegen werd.


[18] En dit alweer niet om den stumpert die, ten einde raad van wrevel over gebrek aan talent, dit meende te kunnen aanvullen met wat laster. Neen, om hèm niet, maar: zoo is m'n Publiek, De Geyter! De vraag of ik morgen brood hebben zal, hangt af van de mooivindery van zùlk gepeupel!

M. was z'n publiek gaan leren verachten. Hij had minstens eerherstel verwacht van de Max Havelaar, en herstelde pensioenrechten, en geen van beide gekregen.


[19] Gelyk ik in m'n brief aan de Javaannutters zeide, offerde ik alles wat 'n mensch offeren kàn, loopbaan, eer, geld, huiselyk geluk... ik had niet meer! 't Was myn schuld niet, dat ik te Lebak in 't leven bleef. M'n voorganger was vermoord. Ik wist dit, toen ik my en de mynen blootstelde aan 'n gelyk lot. Kon ik 't helpen dat ik niet bezweek onder de gevolgen van deze zoo moeielyke plichtsvervulling, en dat alzoo myn leven nog niet kan genoemd worden onder de gebrachte offers? Is 't billyk, dit alles zóó te beantwoorden, als ik van 't Nederlandsche Volk ondervind?

Nee, natuurlijk is dat niet billijk, maar er zijn hier diverse dingen op te merken en te kwalificeren. Ik zal me tot twee beperken.

Eén. Het is niet waar dat M. alles wat 'n mensch offeren kàn opofferde: Hij kwam er vanaf met z'n gezondheid en die van zijn vrouw en kinderen intact. Ook leefden ze allen. Dit is misschien niet geheel rechtvaardig op te merken, maar M. schrijft alles en de klagers bij hem waarvan hij verhaalt in de Max Havelaar eindigden in verschillende gevallen vermoord.

Twee. Om M.'s laatste vraag uit het in deze noot geciteerde te beantwoorden: Wat hij pas langzaam en laat doorkreeg is dat de zéér grote meerderheid van 't Nederlandsche Volk geheel àndere begrippen van eer, rechtvaardigheid, integriteit en plichtsbesef had (en heeft) dan hij.

Ik citeer (ook te vinden in 'On "The Logic of Moral Discourse"');


Kohlberg's investigations and explanations:

Kohlberg is another psychologist who investigated the actual moral behavior and thinking of human beings. Again, I quote from the "Introduction to Psychology" by Hilgard & Atkinson:


Stages in the development of moral values

LEVELS AND STAGES

ILLUSTRATIVE BEHAVIOR

Level I. Premoral

 

1. Punishment and obedience orientation

Obeys rules in order to avoid punishment

2. Naive instrumental hedonism

Conforms to obtain rewards, to have favors returned.

Level II. Morality of conventional role-conformity

 

3. "Good-boy" morality of maintaining good relations, approval of others.

Conforms to avoid disapproval, maintaining good relations, dislike by others.

4. Authority maintaining morality.

Conforms to avoid censure by legitimate authorities, with resultant guilt

Level III. Morality of self-accepted moral principles

 

5. Morality of contract, of individual rights, and of democratically accepted law.

Conforms to maintain the respect of the impartial spectator judging in terms of community welfare.

6. Morality of individual principles and conscience.

Conforms to avoid self-condemnation.


"Kohlberg's studies indicate that the moral judgments of children who are seven and younger are predominantly at Level I - actions are evaluated in terms of whether they avoid punishment or lad to rewards. By age 13, a majority of the moral dilemmas are resolved at Level II - actions are evaluated in terms of maintaining a good image in the eyes of other people. This is the level of conventional morality. In the first stage at this level (Stage 3) one seeks approval by being "nice"; this orientation expands in the next stage (Stage 4) to include "doing one's duty", showing respect for authority, and conforming to the social order in which one is raised.
 

According to Kohlberg, many individuals never progress beyond Level II. He sees the stages of moral development as closely tied to Piaget's stages of cognitive development, and only if a person has achieved the later stages of formal operational thought is he capable of the kind of abstract thinking necessary for postconventional morality at Level III. The highest stage of moral development (Level III, stage 6) requires formulating abstract ethical principles and conforming to them to avoid self-condemnation. Kohlberg reports that less than 10 percent of his subjects over age 16 show (...) kind of "clear-principled" Stage 6 thinking (...)"
 

"Kohlberg describes the child as a "moral philosopher" who develops moral standards of his own; these standards do not necessarily come from parents or peers but emerge from the cognitive interaction of the child with his social environment. Movement from one stage to the next involves an internal cognitive reorganization rater than a simple acquisition of the moral concepts prevalent in his culture."
 

"Kohlberg claims that moral thought and moral action are closely related. For proof he cites a study in which college students were given an opportunity to cheat on a test. Only 11 percent of those who reached Level III on the moral dilemmas test cheated. In contrast, 42 percent of the students at the lower levels of moral judgement ceated (...)".

Kortom, in deze termen was M. een typisch geval van Stage 6 moreel redeneren, terwijl minstens 90% van de volwassen mensen dat niveau nooit haalt en de grote meerderheid nooit verder komt dan wat hierboven Stage 3 en Stage 4 worden genoemd, resp. "Good-boy" morality of maintaining good relations, approval of others en Authority maintaining morality.


[20] Na m'n vertrek uit Lebak zwierf ik, wachtende op Recht, jaren lang als 'n misdadiger rond, dervend, hongerend, zonder dak soms, maar altyd onzeker of ik den volgenden dag 'n dak hebben zou. Gedurende dien tyd - ikzelf ben verbaasd over de mogelykheid - arbeidde ik. Dit mogen m'n werken getuigen. Ik bracht wel niet zooveel voort, als waarschynlyk in andere omstandigheden 't geval zou geweest zyn, maar toch: ik werkte! Ik trachtte nuttig te zyn waar ik kon, zooveel ik kon.

Hoewel zeer veel uit Multatuli's leven, zeker vanaf zijn 20ste, bekend is, regelmatig tot de dag en het uur, is het onbekend wat hij feitelijk in Europa deed in de jaren 1857 en 1858, toen hij daar zonder vrouw en kinderen en zonder geld rondzwierf.

De twee langere vertellingen in Ideen - de zeeziekte-vertelling en Adèle Pluribus - gaan wel over die tijd, en zijn kennelijk allebei verfraaïingen van wat M. werkelijk meegemaakt had, maar overigens is er weinig van bekend behalve dat hij gedurende enige tijd rondzwierf met een Eugénie die hij van het prostitutie-bestaan 'gered' had, en die hem weer uit een lastig parket redde, en dat hij Ottilie Koss ontmoette, met wie hij een soort Platoonse liefde had.

Verder mag aangenomen worden - zie Millioenen-studiën en W.F. Hermans' biografie van Multatuli - dat hij gokte, want M. had daar een zwak voor.


[21] Let nu eens op de wyze waarop m'n arbeid wordt opgenomen. ‘Ik weet er niets van’ zegt ge! Juist! Het modern liberalismus draagt wel zorg dat ge hiervan niets te weten komt. Om eens één ding te noemen. Ge hebt m'n IIIn bundel Ideen gelezen. In geen enkel Hollandsch tydschrift, in geen enkele Hollandsche Courant, is dat boek besproken. Acht gy uw Jezuïten in-staat tot zoo'n... Jezuïtisme?

Zeker wel, want anders hadden ze het toch immers besproken? Er waren toen genoeg Hollandse Jezuieten om dat te kunnen doen. Maar nee.

Hoe het zij: Na de publikatie van de Minnebrieven, Vry-Arbeid en Ideen 1 was fatsoendelijke Neerlandse men het ongetwijfeld met elkaar ééns dat Multatuli niet deugde, geen fatsoenlijk man was, niet één van ons was noch gemaakt kon worden, en er niet bij hoorde - en het bovendien zeer gevaarlijk was hem tegen te spreken, omdat niemand zijn taalvermogen of polemisch talent had, en alle kritiek op z'n ideeën alleen maar zijn bekendheid zou vergroten.


[22] Waaraan had ik de neerbuigende goedheid te danken, dat men wel wilde erkennen iets van my gelezen te hebben? Aan de noodzakelykheid om den Volke meetedeelen: ‘dat de lezer 'n paar noten, waarin ik het nut van legers en den aanleg van spoorwegen op Java behandel, gerust kon overslaan.’

Ja, dat is heel typerend voor de doorsnee die zo graag mee wil praten: Wat ze niet begrijpen wordt in het schandalige getrokken, bij voorkeur, en ze zijn o zo graag bereid kwasi welmenend laatdunkend advies te geven. Dit laatste betekent: "Denk jij maar niet dat je meer bent dan wij! Wij zijn minstens zo goed als jij! Én véél normaler dus deugdzamer bovendien!"


[23] Ik haalde dit prachtstuk van krantenwysheid slechts aan, om te doen in 't oog vallen op welke voorwaarde alleen, men afwykt van 't beoogd modern en liberaal doodzwygen. Ge zult toch erkennen dat m'n werken 'n serieuze behandeling verdienden, niet waar?

De Geyer wel, ongetwijfeld, maar het lijkt ook redelijk om aan te nemen dat de meerderheid van de hoogopgeleide burgerij, tot wie M. zich overwegend richtte, en die de enigen waren die zijn boeken konden betalen, hem voor een mogelijk welwillende gek hielden. Voor een deel van de uitleg zie noot 19 en voor een groot deel van de rest zie de volgende noot.


[24] Welnu, ze durven niet!

Dit is zeker waar. Er was niemand die in Nederland schreef tussen 1860 en 1887, in ieder geval, die ook maar de minste kans had tegen Multatuli in een schriftelijke polemiek. Dat is de rest van de reden waarom vrijwel iedereen, literaire personages en politieke personages, voortdurend probeerden met een boog om hem heen te lopen, hem links te laten liggen, en hem te mijden en niet te noemen, dat ook alweer omdat hij zoveel radikale ideeën had, en ongetwijfeld door velen voor een maatschappelijk gevaar werd gehouden.


[25] Maar... elke indruk zoekt 'n uiting.

Mij dunkt van niet. Het geldt wel voor emoties, die functioneren als signalen dat er iets ondernomen moet worden of aan de hand is.


[26] Niemand komt voor de modernen op, doch... in de Arnhemsche Courant - liberaal, m'nheer, heel liberaal! - wordt verzekerd dat ik m'n tyd doorbreng met ‘bittertjes drinken.’ Ook dit is wel weer de waarheid - helaas, hoe kan ik 't ontkennen tegenover u, die me zoo vaak beschonken zaagt! - maar... m'n aanhoudende staat van dronkenschap heldert het verband niet op, tusschen niet gebeurde wonderen, en 't uitbuiten van die gekheden, alsof ze wèl geschied waren.

Multatuli dronk vrijwel niet, en kon slecht tegen drank, en hield er niet van.


[27] Er is wel niemand die m'n bewyzen tegen 't bestaan van 'n God tracht te ontzenuwen, maar... ze wreken hun God - zegge: de broodwinning! - door my 't leven in Holland onmogelyk te maken! Niemand waagt het, iets te weerspreken van wat ik in den Havelaar of in later, daarmee in verband staande, werken aanvoer, maar...

Dit is niet helemaal waar. Enkelingen betwijfelden zijn standpunten of sommige geponeerde feiten, en enkelingen betuigden steun of sympathie in druk. Maar het is waar dat hij overwegend doodgezwegen werd, en zelden serieus werd behandeld.


[28] Loon eisch ik niet. Althans niet om mynentwil. Hoogstens zou ik daarop aandringen, als blyk van verbetering der algemeene moraliteit. Ik ben - en deze verklaring werp ik orthodoxen en behouders zoowel, als modernen en liberalen in 't gezicht - een der zeer weinigen, die bewezen 't goede lief te hebben, ook waar 't gestraft wordt. Dat ze 't my nadoen!  

Dat M. geen loon eiste is niet geheel waar: Hij wenste wel degelijk, en jarenlang, een schadevergoeding en herstel van z'n ambtelijke pensioenrechten. En wat M. bewees, o.a. om lastige discussies over goed en kwaad te vermijden is feitelijk dat hij de moed van z'n eigen meningen had - en 't is waar dat maar weinigen die moed hebben, en dat de meesten het erg dwaas vinden. Zie [19].


[29] Neen, ik klaag niet over de miskenning van m'n diensten, dan voor-zoo-ver deze miskenning ten-nadeele strekt van henzelf wien ik die diensten bewees. Het doet me leed dat de wereld zoo slecht is, maar om-mynentwil klaag ik niet! 

Ik klaag áán!

Dit is ook overwegend waar. Zie Multatuli's nooit verzonden brief uit 1856: Hij was duidelijk buitengewoon verontwaardigd over zeer veel onrechtvaardigs dat hij in Nederlands Indië meegemaakt en opgemerkt had.


[30] De korte zin van deze lange rede, myn ronde eerlyke De Geyter, is u te vragen of 't wel zoo erg te verwonderen is als ik bitter ben?

Nee, 't zou heel vreemd zijn als het anders was - maar het is waar dat Nederlanders ook daar geen begrip voor hebben of willen opbrengen. Opnieuw geldt, ook hier:

Want, myn zoon, aldus is de mensch geschapen, dat hy veel onreins kan slikken, doch geenszins uwe woorden òver onreinheid.

Wie in Nederland gehoor wil vinden over serieuze klachten over bestuur of bestuurders moet zelf bestuurder zijn, of Koningin, of talrijke vrienden onder journalisten.


[31] Wees met uw lieve vrouw - nu is zy in Holland gekompromitteerd! - hartelyk gegroet. Zeg namens my een vriendelyk woordjen aan al wat ‘straks’ uitspreekt als: seffens... aan de Vlaamsche vrienden! Deel hun mede dat het my, in den gewonen zin des woords, zeer goed gaat. Ik ben... schrik niet, ik ben schryver tegenwoordig

Hiermee bedoelde M. dat hij besloten had vanaf ca. 1872 om van zijn pen te proberen te leven, wat de eerste jaren enigszins lukte, dankzij z'n uitgever Funke. Daarvóór had M. jarenlang geweigerd zich als schrijver te beschouwen, vooral omdat hij meende dat men hem eerst recht moest doen vanwege het in de 'Max Havelaar' beschrevene.


[32] Ik heb tegenwoordig, wat ik niet had sedert m'n vertrek van Lebak, 'n kamer waar ik arbeid, met de hoop er te kunnen blyven: 'n koning te ryk! 't Zal me benieuwen of de Hollanders weer middel vinden om me uit dezen schuilhoek te verjagen.

Dit is niet helemaal waar, maar het is wel een feit dat M. het na Lebak overwegend arm had gehad, met korte uitzonderingen, en bovendien wanhopig slecht met geld kon omgaan.

Het is trouwens ook de moeite van het vermelden waard dat Multatuli, toch naar algemeen oordeel "Nederland's grootste schrijver" het grootste deel van zijn leven buiten Nederland woonde, namelijk in Nederlands Indië, België en Duitsland. Dit idee werd in Duitsland geschreven, waar hij de laatste 20 jaren van z'n leven woonde, op diverse plaatsen, en tijden lang in grote armoede.


[33] Ten-onrechte staat hier in de vorige uitgaaf: 1856. Dit is 'n drukfout. In 't najaar van 1859 bood my de Regeering 'n ‘eervolle, lukratieve en winstgevende betrekking in de West’ aan. Zoo waren letterlyk de termen van de my namens den minister gebrachte boodschap.

Namelijk als gouverneur van St. Maarten. Kennelijk was de feitelijke overweging: Hoe houden we deze gek stil, schepen hem af, en krijgen hem weg? Achteraf gezien was het verstandig geweest als hij zowel geaccepteerd had als toch de 'Max Havelaar' gepubliceerd had, maar dat lag niet in M.'s karakter. 


[34] M'n afwyzend antwoord namelyk, ging vergezeld van eenige karakteristieke byzonderheden, en ik houd me overtuigd dat de scène - 'n scène wàs het, daar ik zeer driftig werd - door den heer V.L. aan vrienden en betrekkingen is meegedeeld. Ze was te hevig om er niet over te spreken. Ik beroep my op ieder die omstreeks dien tyd op eenigszins vertrouwelyken voet met den heer Van Lennep omging.

 M. was behoorlijk driftig en kon scherp uitvallen.

Idee 942.