Idee 932.                                                


Waarde vriend De Geyter, te Antwerpen. [1] Ge hebt gelyk, 't is jammer dat ik in m'n IIIn bundel, meegesleept door 't onderwerp, - zoo dikwyls afweek van de vroegere gewoonte om zekere gezegden met 'n afzonderlyk nummer te merken. Ge hadt de vriendelykheid daarover te zeggen: ‘men zou ze er zoo willen uitkippen.’ Ik geloof dat dit waar is, en ik dank u. Indien ikzelf eigenaar was van m'n geschriften, zou ik trachten door 'n geheele omwerking by 'n herdruk, de begane fout overal te herstellen, en dit te liever omdat ikzelf den last draag van 't verzuim. Zie eens hoe gemakkelyk ik me zoo-even, door 't aanhalen slechts van 'n paar nummers, afmaakte van die zotte klacht over 't vooropstellen van m'n ikheid. Het komt inderdaad gedurig te-pas naar 'n vorig Idee te verwyzen, en ik hoop dan ook in dezen bundel daarop wat meer te letten. Met dit nummer maak ik 'n begin, uit vrees dat ik 't nogal eens zal moeten aanhalen. Oordeelende naar m'n indruk namelyk, is het te voorzien dat de nu volgende bladzyden hier-en-daar in bitteren toon zullen geschreven zyn. Er moeten nummers zyn, waarop ik me nu-en-dan beroepen kan om te bewyzen: qu'il y avait de quoi!

Ge hebt het vorige gelezen, niet waar? Of liever den Havelaar zelf, niet waar? Ge weet alzoo dat ik aan 't Nederlandsche Gouvernement schreef: ’indien gy geen recht doet, kan ik als eerlyk man u niet dienen.’ Dat er géén recht gedaan werd. Dat ik alzoo m'n ontslag nam. Ik ga nu voorby, hoe men van verschillende - officieele en half-officieele - zyden, me trachtte te bewegen in dienst te blyven. Ook sla ik de omstandigheden over, waarin ik dat besluit nam, meedeelde en uitvoerde. Ik konstateer nu alleen, dat ik m'n dienst opzei, omdat ik dien niet in overeenstemming brengen kon noch met de geschreven Wet, noch met eerlykheid en menschelykheid, d.i. met m'n gemoed. Want:


[1] Waarde vriend De Geyter, te Antwerpen.

De Geyter was een Belg, die leefde van 1830-1905. M. was een tijd met hem bevriend, maar de vriendschap hield geen stand. Een deel van de reden is kennelijk het volgend citaat uit een brief van De Geyter aan een andere Belg die M. kende, die interessant is over M., en een eigenschap van hem beschrijft die te weinig aandacht heeft gehad in biografieën:

"Elken keer als ik in Multatuli's gezelschap ben geweest, ben ik een' tijd lang ongelukkig. Zijne zenuwachtigheid werkt op de mijne.(..) 'k Heb al beproefd hem aan tafel alles te doen vergeten, maar al spoelt bij een ander een lekker glas 't verdriet, het ongeluk, weg, hij drinkt niet, eet weinig, - en blijft eeuwig de zelfde zenuwachtige man. 't Zou mij pijn doen hem zo spoedig weêr te ontmoeten. Hadde ik een fortuin, ik gave 't hem, op voorwaarde dat hij veranderen of vertrekken zou." (VW XIII, p. 700-701)

Deze zenuwachtigheid van M. wordt ook door diverse andere bewonderaars van hem die hem gekend hebben opgemerkt, zoals Mansholt. Hij had dit kennelijk van jongs af aan, net als trouwens zijn moeder, en het zal een aanzienlijke rol in z'n leven gespeeld hebben, die groter is dan in literaire biografieën wordt aangenomen, zowel in zijn eigen mogelijkheden (dit maakte een staatsmanschap voor hem feitelijk onmogelijk) als in de reacties op hem van anderen.

Idee 932.