Idee 931.               Naar: Vorstenschool          


De volgorde van m'n Ideen regelt zich geenszins naar den vermoedelyken smaak myner lezers, doch geheel naar de indrukken die ik opving, en naar de huishoudelyke eischen van m'n gemoed dat ze te verwerken kreeg. Reeds in 219 gaf ik dit te kennen. [1] Het is my onmogelyk verandering te brengen in deze methode, en wanneer ik dit poogde, zou er weldra, by-gebrek aan Ideen, geen volgorde meer te regelen zyn. Het zou me niet bevreemden wanneer sommigen, na 't lezen van Vorstenschool, wenschten dat ik ‘nog-eens zoo'n stukje schreef’ doch ik ben wel genoodzaakt daaromtrent alweder naar 219 te verwyzen. Ook in 34, 112 en 630 zyn dergelyke eischen aangeroerd. 

Na zoo'n drama voel ik behoefte aan cyfers. Wie daarvan niet houdt, kan dit nummer overslaan en voortbladeren tot er weer wat ‘moois’ komt, schoon ik niet verzekeren mag dat-i 't vinden zal. [2]

Maar wel wil ik de weinigen die vermaak scheppen - in 't opsporen van verband tusschen oorzaak en gevolg - d.i. hen die ten-rechte den naam van mensch dragen, want hierin bestaat het mensch-zyn - in de gelegenheid stellen, te begrypen waarom dit nummer op vorige volgt. Misschien zal men dan tevens geleerd hebben andere leemten in m'n werk aantevullen, of intezien dat het geen leemten zyn. Die bestaan ook elders niet. Wat is, moet wezen. Wat niet is, kàn niet bestaan. De keten die alles aan elkaar verbindt, is altyd één geheel, en waar wy klagen dat er een schakel ontbreekt, of dat er veel schakels ontbreken, moesten we zeggen of bedoelen althans: ik zie alle schakels niet. [3]

Oefening in denken kan ons genezen van de verwaandheid om 't verband te ontkennen, van wat ons onzamenhangend voorkomt, of de eensoortigheid van 't schynbaar disparate. [4] Ieder die 'n kind met z'n grootvader ziet, kan toch zonder veel inspanning uit het bestaan van deze beide individuen, besluiten tot de zekerheid dat ze door 'n tusschengeslacht aan elkaar verbonden zyn. Wordt nu deze redeneering zooveel moeielyker, wanneer we met 'n òvergrootvader te doen hebben, en dus twee geslachten moeten interkaleeren? Of drie? Of zeven? Of 'n zeer groot aantal generaties? Immers neen. De naastliggende oorzaak onzer fout in dit opzicht, ligt alweer in traagheid. (460)

Tusschen m'n Vorstenschool en wat er verder in dezen bundel volgt, liggen maar 'n paar geslachten. Toch moet ik om de filiatie duidelyk te maken, vele jaren teruggaan. Ik zal daarby vaak, ja nagenoeg uitsluitend, spreken over myzelf. Wie dit afkeurt - het is, op 't gezag van 'k weet niet welken salonwysgeer, mode geworden deze natuurlykheid heel leelyk te vinden - kan zich intusschen vermaken met het opslaan, analyzeeren en weerleggen van 22 - 28, 298 en 299. Ik houd me aanbevolen voor de mededeeling van den uitslag.

In afwachting hiervan, komt het my onnoozele nog altyd zeer natuurlyk en oorbaar voor, wanneer men iets te zeggen heeft over a, te spreken over a, en zichzelf te noemen, als men iets te zeggen heeft over zichzelf. Het gekunsteld vermyden van deze onfatsoenlykheid is my te hoovaardig, te hof-artig namelyk, te valsch-fatsoenlyk, te gemaakt, te onwaar. In 't voorbygaan de opmerking, dat het 'n vreemde fatsoenlykheid is, zichzelf gelyk te stellen met viesheden, waarvoor 'n deftig gezelschap de neus optrekt, alsof men 't woord uitsprak, dat Cambronne niet gezegd heeft. Ik vind m'n zelfheid volstrekt niet vies, en durf ze zonder den minsten schroom noemen. Tant pis voor de heeren die 't niet durven. Ze zullen daarvoor hun redenen hebben. [5]

Wie den Havelaar gelezen heeft, kan weten dat ik in 't voorjaar van 1856, Rangkas-Betoeng, de hoofdplaats van Lebak, verliet, ten-einde den Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist te kunnen spreken. [6] Ik had de Bevolking beloofd dat er recht zou geschieden. Na - binnen den kring myner bevoegdheid altoos, en volgens m'n Instruktie - officieel al 't mogelyke te hebben aangewend om dit doel te bereiken, bleek me dat ik overstemd was door de ambtenary, die 'n hechten steun vond in de verregaande ordinairheid van den landvoogd. Ik hield hem toen nog voor 'n eerlyk man, in gewonen zin van 't woord althans, en hoopte dat-i, eindelyk goed ingelicht, z'n plicht zou doen. Om hem deze inlichting te kunnen geven, had ik m'n ontslag genomen. Dit namelyk was de eenige loyale manier om, zonder schending van wet of hierarchie, te zeggen wat er te zeggen viel. [7]

Ach, er is nog geen enkel cyfer in dit nummer, en ik moet al afbreken. Men ziet dat ik de waarheid zei in 112.


[1] De volgorde van m'n Ideen regelt zich geenszins naar den vermoedelyken smaak myner lezers, doch geheel naar de indrukken die ik opving, en naar de huishoudelyke eischen van m'n gemoed dat ze te verwerken kreeg. Reeds in 219 gaf ik dit te kennen.

Ja, 't is waar dat M. zijn Ideen overwegend schreef zoals ze hem invielen. Ik zeg daar ook wat over o.a. onder 112 en 219. Het is jammer dat hij nooit de stemming had e.e.a. in ieder geval van commentaar te voorzien. Maar ja - dat heb ik dan proberen te doen.  


[2] Na zoo'n drama voel ik behoefte aan cyfers. Wie daarvan niet houdt, kan dit nummer overslaan en voortbladeren tot er weer wat ‘moois’ komt, schoon ik niet verzekeren mag dat-i 't vinden zal.

Afgezien van de verwijzingen naar Ideen met nummer wordt er in dit idee en deze bundel weinig of niet van cijfers gesproken, en veel van Multatuli zelf.


[3] Wat is, moet wezen. Wat niet is, kàn niet bestaan. De keten die alles aan elkaar verbindt, is altyd één geheel, en waar wy klagen dat er een schakel ontbreekt, of dat er veel schakels ontbreken, moesten we zeggen of bedoelen althans: ik zie alle schakels niet.

Nee, mij dunkt van niet: Dit reduceert alles wat is tot noodzaak. Ik ben hier zelf eerder over gevallen - in 32 en 146 bijvoorbeeld - en registreer hier dus alleen dat er mijns inziens ook toeval bestaat, vrije keus, en onafhankelijkheid, het laatste in de zin dat veel van wat hier gebeurt waarschijnlijkheidstheoretisch onafhankelijk is van veel dat heel ergens anders gebeurt.


[4] Oefening in denken kan ons genezen van de verwaandheid om 't verband te ontkennen, van wat ons onzamenhangend voorkomt, of de eensoortigheid van 't schynbaar disparate.

Ja, maar helaas helpt oefening in denken vaak niet, en zeker niet als dat denken weinig of niets anders is dan het herordenen of in stand houden van de eigen vooroordelen, zoals gewoonlijk.


[5] Ik vind m'n zelfheid volstrekt niet vies, en durf ze zonder den minsten schroom noemen. Tant pis voor de heeren die 't niet durven. Ze zullen daarvoor hun redenen hebben.

Zie 220. Het probleem voor M. was o.a. dat de eigendunk van de meesten, en dan in het bijzonder Nederlanders, een volk dat - nomen est omen - graag anderen mag vernederen tot het eigen formaat of kleiner (147, 447), botst met de eigendunk van een ander.


[6] Wie den Havelaar gelezen heeft, kan weten dat ik in 't voorjaar van 1856, Rangkas-Betoeng, de hoofdplaats van Lebak, verliet, ten-einde den Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist te kunnen spreken.

Ja en nee: De Havelaar is immers een roman, en in het origineel waren de eigennamen aliassen en waren zelfs plaatsnamen vervangen door puntjes. Toch geldt wat M. zegt hier overwegend, al toen hij dit idee schreef, omdat wie zich indertijd en sindsdien de moeite wilde geven duidelijk was dat de Max Havelaar een sleutelroman is, en de bedoelde personages makkelijk vindbaar waren en zijn.

Wat Multatuli werkelijk in 1856 door de geest speelde kan men nalezen in de nooit verzonden brief uit april 1856 aan Duymaer van Twist, die al een samenvatting is van de Havelaar van 4 jaar later, maar zonder aliassen, zonder Droogstoppel en z'n entourage, en met minder romantiek en meer scherpte.


[7] Om hem deze inlichting te kunnen geven, had ik m'n ontslag genomen. Dit namelyk was de eenige loyale manier om, zonder schending van wet of hierarchie, te zeggen wat er te zeggen viel.

Opnieuw: ja en nee, en in de richting van ja. Er speelde zeker meer voor Multatuli, zoals zijn wens schrijver te worden, zijn temperament, en zijn verwachting niet te zullen slagen in de post die hem opgedragen was te bekleden. 

Idee 931.            Naar: Vorstenschool