Idee 930.                                                      Naar: Vorstenschool


Ja, habet sua fata! Maar ik ga die voorby. Ze mochten eens beneden de aandacht wezen van 'n beschaafd publiek. 

Ter inleiding van dit drama, zou ik - vooral met het oog op den toestand van ons tooneel zoowel, als van ons dramatisch repertorium - veel te zeggen hebben. Redenen die voor den lezer van minder belang zyn, nopen my de beschouwingen daarover tot 'n andere gelegenheid uittestellen. Eén zaak echter moet ik reeds nu aanroeren: de zonderlinge wys waarop men in ons landje de roeping van den dichter opvat. [1]

By de voordracht van het tweede Bedryf, hebben velen geroepen: dat is de Koning! [2]

Zoogenaamde royalisten - ikzelf ben royalist, en wel uit liefde voor 't gemeene best! [3] - riepen dit met wrevel, met afkeer, byna met woede.

Zoogenaamde demokraten - ikzelf ben demokraat, en daarom: leve de koning! [4] - riepen 't met toejuiching.

Ik verzoek van dien wrevel en van die toejuiching verschoond te blyven.

't Is me niet gebleken of er ook letterzetters zyn, die in m'n vrind Puf 'n kameraad herkend hebben. Voor zoo'n kameraad zou de herkenning niet vereerend zyn, doch dit mogen de heeren onder elkander uitmaken. Zéker is 't, dat ik geen enkelen Puf ken. Worden er onder de typografen, luie liederlyke karakterlooze sujetten gevonden... het doet me leed om hunnentwil, doch men duide 't my niet euvel dat m'n schets op hen gelykt. 't Ware hùn zaak geweest, zich van 't gelyken op m'n schets te onthouden. De dichter die slechts zulke verkeerdheden zou mogen aanroeren, als in onze Maatschappy niet gevonden worden, zou 'n schrale keus hebben van 't bruin dat hem toch onmisbaar is om 't licht te doen uitkomen, en weldra zou men in alle scheppingen van deze soort, z'n wanhopige toevlucht moeten nemen tot menscheneters. Wie weet of ook deze hulpbron niet spoedig verstopt werd door verwanten van bankiers, die misschien klagen zouden dat men hun familie aan de kaak stelde. [*] 

Wat ik over letterzetters opmerkte, is ook op koningen van toepassing. Het rondventen der verkeerdheden van personen als zoodanig, alleen met het doel om den verdoemelyken honger naar de feilen van z'n naaste te stillen, is 't werk van booswichten, en onder hen nog slechts van dezulken die behoefte voelen aan schandaal, ter aanvulling van ontbrekend talent. Nog altyd meen ik zulke middeltjes niet noodig te hebben - zie den Arnhemmer, die me boven Vorstenschool stelt - maar ik zou ze blyven versmaden, al bleek er dat Arnhemmer en ik ons vergisten. Het schooljongensachtige: ei kyk, hy heeft 'n vlek op z'n abéboek... ik weet wat van hem...

Nu ja, ik weet iets van U, Nederlanders! Ik weet van u - de vlek is leelyk! - dat ge my, na al wat ik deed, ter verantwoording noopt tegen zulke Kleinstädterei. Ik verzeker u dat onze Koning - en om zynentwil doet het me hartelyk leed - my zoo min bekend is als de letterzetter Puf, en dat ik m'n données te hoog gryp, om me bezig te houden met de chronique scandaleuse van personen. [5]

't Kost me dikwyls reeds moeite genoeg, my neertebuigen tot de schandaal-kroniek van den heelen tydgeest. Die tydgeest zal, als koningen, als 'n koning, als de Koning, voorbygaan. Myn werk gaat niet voorby. Meent men dat ik marmertomben uitbeitel - of al waren 't dan maar zerkjes van zandsteen - voor vlinders van één dag? Na honderde jaren zal 't de vraag niet zyn, of ik my de moeite getroost heb zekeren koning of zekeren letterzetter te bedoelen. Hoogstens zal men vragen, of de koningen die in myn tyd leefden - hoe heetten ze ook? - my behoorlyk hun dank betuigden voor m'n arbeid? [6]

Wie nu, in-weerwil van dit alles, in den George van 't drama, den tegenwoordigen Koning van Nederland meent te herkennen, wordt uitgenoodigd met gelyke scherpzichtigheid te openbaren wie er dan met Louise bedoeld wordt? Met Hanna? Met den lakei die de kachel aanmaakt? Met den groom van jonker Schukenscheuer? Met den niet geschoten wolf? Zou dat beest ook misschien de Gemeentewet beduiden? Of de Brielsche feesten? Of de mazelen der kindertjes van de juffrouw links-achter-boven-voor?

Wel zeker! En zulke uitpluizers zullen dan met-een ophelderen om welke reden de dichter, wiens fantazie rondgaloppeert in 't heelal, juist hùn buurtje verhief tot doelwit van de verontwaardiging die z'n verzen maakte? Lieve menschen, ik ken uw heele buurt niet. [**] Hemel uw grietjes en mietjes zoo hoog op als ge verkiest, maar ga u in-godsnaam niet inbeelden dat myn Fancy zich met die deerns inlaat. [7]

Wanneer ik iets te zeggen heb aan 'n bepaald persoon, dan noem ik hem by z'n naam. Dit deed Nathan ook, in Samuel zooveel.

Of er evenwel voor Puf - en anderen! - uit m'n stuk niet iets zou te leeren vallen? Misschien wel. Doch 't werd niet met dit doel geschreven, om de zeer eenvoudige reden dat 'n artist geen katechizeermeester is. Ik verwys hieromtrent naar een-en-ander dat ik over de roeping der Kunst in m'n vorigen bundel schreef.

Men zegt dat onze grootouders de eerste thee die zy in handen kregen, gereed maakten als spinazie. Ik verzoek m'n drama te lezen, te gebruiken en te beoordeelen als... 'n drama. Om hiertoe eenigermate den weg te wyzen, sla ik by dezen 'n ondertitel voor:

VORSTENSCHOOL,
OF
VLUCHTIGE SCHETS 
VAN 'N PAAR VERSCHILLENDE WYZEN WAAROP HOOGGEPLAATSTE PERSONEN HUN ROEPING ZOUDEN KUNNEN OPVATTEN.

Dit namelyk is, met het oog op 't program en 't motto dezer Ideen, de hoofdzaak, en niet het povere, door Louise en my even onachtzaam behandeld, kuiperytje [8], dat trouwens meermalen - ik meen zelfs in de arabische vertellingen - tot grondslag van romannetjes gediend heeft.

[*] Noot van 1874. Ik verneem dat sommigen tegenwoordig schryven: ‘op de kaak’ op-grond der beteekenis van 't laatste woord, dat ton zou beduid hebben. Wel mogelyk. Maar thans, meen ik, moesten we ons houden aan de opvatting van de laatste eeuwen, en van onzen tyd. Wy immers nemen sedert lang de bedoelde spreekwys in den zin van: aan den schandpaal. Het opwarmen van archaïsmen is 'n armoedig middeltje om te pronken met wat nieuws. Bovendien, de stipt-etymologische methode in 't vaststellen der beteekenis van de woorden, levert zonderlinge rezultaten. (V, blz. 321.) Is 'n tuin geen tuin, en town geen stad meer, omdat Zaun eigenlijk: omheining beteekent? Gaarde moet dan evenzeer afgekeurd worden, want ook dit woord doelde eenmaal slechts op bewarende afsluiting. Voor 't latynsche woord filia zouden we dan geen equivalent hebben, want dochter beteekent melkster. Waar zou 't heen? Behalve sommige interjektien en onomatopeën, heeft misschien geen enkel woord z'n oorspronkelyke beteekenis behouden. [9] En wie zal ons zeggen hoe ver we moeten teruggaan? Indien kaak, dat dan eenmaal ton beteekend zou hebben, naar onze opvatting is veranderd in: schandpaal, kan dat woord, vóór het = ton werd, zeer mogelyk weer 'n andere beteekenis hebben gehad. De zeer aesthetische doctor in God, V. Vloten trekt, naar ik verneem, party voor Bilderdyk's - hoogst smaakvolle! - echt- en slaapkoetsen, omdat men in de zooveelste eeuw... enz. We kennen die pseudo-geleerde praatjes. 't Woord koets is N.B. van hongaarschen oorsprong. Doch al ware dit anders, wy gewone menschen ryden nu eenmaal in 'n koets, en slapen in 'n bed. Wie dichterlykheid zoekt in 't verdraaien van zulke dingen, mag ze er mynenthalve in meenen te vinden. Ik benyd hem z'n smaak niet, als ik maar niet hoef meetedoen. [10]

[**] Ik erken evenwel, met de toespeling op den schandelyk lagen aanslag van grondeigendom - geheel afgescheiden natuurlyk van de lyst waarin ik die plaatste - het oog gehad te hebben op Nederlandsche toestanden. Die uitval is inderdaad aan 't adres van onze Eerste-Kamerleden.

[***] Noot van 1874. De voorgestelde aanvulling van den titel - die door den heer Vosmaer zoo grappig-hartelyk wordt afgekeurd - had slechts ten-doel iets als argumentum van 't stuk te leveren, 'n waarschuwing tegen 't verwringen tot klein schandaal, van wat ik wenschte te geven als... iets anders. Onnoodig was die waarschuwing voorzeker niet! Meer nog, er bleek me hier-en-daar dat ze vruchteloos gebleven is. Velen schryven dan ook hieraan toe, dat m'n arme Vorstenschool nog altyd niet werd opgevoerd. Dit is wel jammer voor me. Ik had zoo gaarne myn kontingent bygedragen tot het belangryk onderdeel der - nogal noodzakelyke! - Volksopvoeding, dat Schouwburg heet. Bovendien is me nu de gelegenheid afgesneden, om te leeren welke fouten ik gemaakt heb tegen de eischen van het tooneel. Hoe kan er vooruitgang zyn in 't vak van tooneelschryvery, indien het 'n auteur niet gegund is z'n arbeid te keuren? Ziehier dus alweder 'n punt waarin de hollandsche schryver achterstaat by z'n kollegaas in 't Buitenland. In Frankryk, en zelfs in Duitschland is 'n nieuw drama van 'n schryver van eenigen naam, 'n evenement. Ten-onzent wordt het in den modder gesmoord. Waarom heeft het ‘Tooneelverbond’ niet op 't vertoonen van Vorstenschool aangedrongen? Nog altyd ben ik bereid, zooveel in myn vermogen is, wenken te geven over de mise en scène en de régie, schoon die in 'n zoo eenvoudig gecharpenteerd stuk overbodig moesten zyn. [11]
Ook in dezen herdruk blyf ik tamelyk zuinig met legende. Een kompleete handleiding voor regisseurs, zou misschien de dubbele uitgebreidheid van 't gansche stuk vorderen, en alzoo noopte my de vrees voor overbodige aanduiding - 'n hollandsch tooneelschryver tast in 't blinde! - tot onthouding, misschien ook van 't niet-overbodige. Men bedenke overigens dat myn werken als lektuur verschynen. Mocht ten-langen-laatste 'n tooneelgezelschap in Nederland my de eer aandoen, m'n stuk te willen spelen, dan eerst zou de tyd daar zyn, vollediger voorschriften te geven omtrent dekoratie, kostuum, houding, beweging, toon en voordracht. In de tegenwoordige uitgaaf kan ik niet meer leveren dan juist even voldoende is om nagenoeg begrepen te worden door lezers.

[****] Noot van 1876. Weinige maanden na 't schryven van bovenstaande noot beleefde de Vorstenschool - welk stuk bovendien door de zorg van m'n hooggeachten Uitgever afzonderlyk verschenen was - 'n tweeden druk, waarby ik 't volgend verdrietig Naschrift gaf:

‘Ik ben redelyk getrouw gebleven aan m'n voornemen om weinig legende te leveren, maar 't was my onmogelyk me daarvan geheel te onthouden, gelyk ik had kunnen doen indien ik voor volledige opmerkingen en aanwyzingen plaats gevonden had in 'n afzonderlyke uitgaaf voor tooneel-regiën. Dit zou evenwel slechts te-pas komen indien m'n Vorstenschool de eer eener opvoering in Nederland waard was. By den overvloed van keurige voortbrengselen - vertaalde en onvertaalde - waarover de tooneelbesturen te beschikken hebben, is 't niet vreemd dat dit werk nog altyd niet aan de beurt gekomen is. Onlangs zelfs is me gebleken dat twee direkteuren van een der aanzienlykste theaters in ons land, nog niet eens den titel van m'n stuk hadden hooren noemen, toen ik reeds bezig was met de korrektie van de tweede uitgaaf die - als men de verschyning in de Ideen meerekent - reeds de derde was. Dit bewyst ten-duidelykste dat het lezend Publiek welks gekuischte smaak allerwege erkend wordt, by die Tooneelbestuurders niet op 't spelen van m'n stuk heeft aangedrongen, waaruit alweder volgt dat deze industrieelen groot gelyk hadden m'n werk te ignoreeren, en zich slechts bezig te houden met de stukken die wèl behagen aan dat Publiek. Hoe dit rymt met de zoo spoedig ontstane behoefte aan 'n tweeden - of eigenlyk derden - druk, is my 'n raadsel. Er is gebleken dat m'n Vorstenschool niet goed genoeg is voor 't Volk met welks smaak, oordeel en ontwikkeling de ondernemers van 'n schouwburgzaak moeten te-rade gaan om zich staande te houden.
Geen of weinig legende alzoo, omdat m'n stuk toch niet gespeeld wordt. Ter-nauwer-nood veroorloof ik my hier 'n paar opmerkingen... waarlyk slechts ter bladvulling, en geenszins omdat nederlandsche tooneelspelers behoefte zouden hebben aan terechtwyzing van den auteur, 'n zwak dat in andere landen wel bestaat, en waarin we dus alweer zoo byzonder gunstig afsteken by 't Buitenland.
De opmerkingen zyn deze:
Ten-eerste. De lakeien in de schouderweer-scène moeten zich wel wachten hansworstery in hun rol te brengen. De eisch van 't komieke is hier onverstoorbare ernst.
Ten-tweede. Ook jonker Schukenscheuer overdryve niet! De akteur die hem voorstelde als clown, zou den gek te veel eer aandoen. Hy behoort vooral geen blyk te geven dat-i zich, zyner dwaasheid bewust, en dus... wys is.
Ten-derde. Misschien, helaas, is de opmerking noodig, dat de zwygende scène in het laatste tooneel, 'n zeer grondige studie vereischt.
Ten-vierde. Wat Louise aangaat... doch waartoe meer? Deze schepping en dus ook de voorstelling van dat karakter op de “planken die de wereld beteekenen” zyn immers beneden de aandacht van 't nederlandsch Publiek?

Tot dusverre 't Naschrift by den tweeden druk. In dienzelfden druk evenwel mocht ik dankend vermelden dat er 'n meer dan voldoend antwoord was gegeven op de vraag: waarom het Tooneelverbond niet op de vertooning van m'n stuk aandrong? Dit geschiedde in 't volgend nootje:

‘Onder de velerlei Vereenigingen die de leus: “tot heil des Volks” in de vlag voeren, is het “Tooneelverbond” een der belangrykste. Wie 't wèl meent met beschaving, vooruitgang, zeden en... nationale onafhankelykheid, behoort dat genootschap met alle kracht te steunen. Vreemde bajonetten zouden 'n al te gemakkelyk werk vinden in 'n verduitscht of verfranscht Nederland!
Wat overigens de in den tekst gedane vraag aangaat, de heer Mr. I.N. van Hall, secretaris van die vereeniging, heeft tweemalen op het ten-tooneele brengen van Vorstenschool aangedrongen (Tijdschr. “Het Ned. Tooneel” 2e Jaargang, blz. 141, en Jaargang 1874/75 No. 2) in bewoordingen die me schadeloos stellen voor de minachting waarmee m'n arbeid wordt opgenomen door 't groote publiek, naar welks smaak theaterdirektien wel genoodzaakt zyn zich te richten. Ik betuig den heer Van Hall voor z'n keurig gestyleerde pittige stukjes m'n oprechten dank.’

By den vyfden druk - in afzonderlyke uitgaaf - had ik 't genoegen 'n voorbericht te mogen voegen, dat ik hier met innige dankbaarheid herhaal:

‘Sedert dien tyd - na de beide eerste uitgaven namelyk - heeft er in de fata van Vorstenschool 'n volslagen omkeering plaats gehad. Door den moed, den kunstzin, en ik durf hier byvoegen: door de vaderlandsliefde van de tooneeldirekteuren Le Gras, Van Zuylen & Haspels, is het stuk weggerukt uit de vergetelheid waartoe sommigen 't ouder-gewoonte schenen veroordeeld te hebben. Het is my 'n ware behoefte die heeren openlyk dank te zeggen, voor 't opvoeren van m'n drama zoowel, als voor de wyze waarop ze die taak volbrachten. [12] Ook als zelf medewerkende artisten hebben zy aanspraak op de erkentelykheid van ieder die 't wèl meent met vaderlandsche kunst en 't daarmee samengaand nationaliteitsgevoel. Zeer in 't byzonder ook breng ik hier hulde aan de artistieke wys waarop de heer D. Haspels de rol van Koning George vertolkte. [13] Die kunstenaar heeft door 'n eigenaardige opvatting aan die rol 'n waardigheid weten te geven, waardoor de door my begane fout in de karakterteekening van George volkomen wordt uitgewischt, zóó zelfs dat ik nu niet wenschen zou die party ànders geschreven te hebben. Ziedaar 'n fortuintje dat niet dikwyls aan tooneelschryvers te-beurt valt. Hartelyk dank!’


[1] Eén zaak echter moet ik reeds nu aanroeren: de zonderlinge wys waarop men in ons landje de roeping van den dichter opvat.

En dat is nog stééds zo - en M. bedoelt met dichter  trouwens: schrijver - en zal niet veranderen totdat de eugenetica het gemiddeld intelligentie-peil zeer verhoogd zal hebben - àls het ooit zover komt, want met de gemiddelde kwaliteiten van de nieuwe generaties na mij zal het véél moeite kosten enige vorm van beschaving in stand te houden.


[2] By de voordracht van het tweede Bedryf, hebben velen geroepen: dat is de Koning!

Ook dit soort reacties is nog steeds heel normaal: Wie iets niet begrijpt meent nog steeds mee te tellen door het maar vrijelijk publiek te associeren met iets wat publiek bekend is, en bij voorkeur iets dat schandaal maakt.

En Koning Willem III - ook wel bekend als: Koning Gorilla, kennelijk een grove dronkenlap en hoerenloper - maakte schandaal, alleen mocht niemand het daar over hebben. Het is waar dat het Multatuli hier niet om te doen was.


[3] ikzelf ben royalist, en wel uit liefde voor 't gemeene best!

Dit is het begin van een opzettelijke paradox, waarop het vervolg eronder. En o ja: 't gemeene best = res publica = republikeins, ten naaste bij, of etymologisch.


[4] ikzelf ben demokraat, en daarom: leve de koning!

De lezer zal opvallen dat deze combinatie van opvattingen tegenwoordig niet meer paradox maar heel modieus is: Moderne Nederlandse verlichte doorsnee-geesten zijn én voor een koningschap én voor algemeen kiesrecht.

Ikzelf, die niet gezegend ben met zo'n geest, en dus heel arm ben, geloof in de deugden van het één noch het ander: Ik ben voor algemeen kiesrecht voor universitair opgeleiden, gecombineerd met openbaar, gratis en goed onderwijs tot en met de universiteit voor iedereen die het aankan - maar dan wel universitair onderwijs van veel hoger niveau dan tegenwoordig, zodat lang niet iedereen het aan zal kunnen.

Ja, 't zijn schandalige opvattingen, lezer! Zo schandalig ondemocratisch ook, zoals u zeer scherpzinnig opgemerkt hebt. Gratis onderwijs! Hu! Béter dan wat bestaat! Brr! Kiesrecht alleen voor universitair opgeleiden! Gruwel!

Heeft u ooit overwogen dat Hitler democratisch verkozen is? Of maakt het u niet uit dat uw ongetwijfeld diep doordachte, op veel zelfstandig studie van wetenschap, filosofie, logica, wiskunde en andere vakken gebaseerde democratische keuze democratisch weggewogen gaat worden door een half stadion vol stemmende Tokkies? (Tokkies, voor de later levenden, zijn de doorsnee en heffe van de modern Nederlandse onderklasse anno 2005: Volgezopen vette beschavingsloze brallers, altijd in staat en gewillig hun buren en medemensen te terroriseren onder het genot van bier en cocaïne, en dus heel populair op TV als vermaak voor hun eigen hele klasse, en voor een groot deel van de rest van modern Nederland, die het gnuivend aankijkt.)


[5] Ik verzeker u dat onze Koning - en om zynentwil doet het me hartelyk leed - my zoo min bekend is als de letterzetter Puf, en dat ik m'n données te hoog gryp, om me bezig te houden met de chronique scandaleuse van personen.

Zoals ik opmerkte leidde die koning een nogal schandalig bestaan - maar Multatuli hield zich wel degelijk wel eens bezig met chronique scandaleuse van personen - zie 448 en volgende ideen.


[6] Na honderde jaren zal 't de vraag niet zyn, of ik my de moeite getroost heb zekeren koning of zekeren letterzetter te bedoelen. Hoogstens zal men vragen, of de koningen die in myn tyd leefden - hoe heetten ze ook? - my behoorlyk hun dank betuigden voor m'n arbeid?

Hier spreekt Multatuli's eigendunk of hoogmoed.Toch wordt hij anno nu (2005), dus in ieder geval 118 jaar na zijn dood, algemeen voor Nederland's grootste schrijver uitgemaakt. Waar dat precies op gebaseerd wordt is mij niet duidelijk. Het kan nauwelijks méér of anders zijn voor de meesten dan een verplichte lezing van 'Max Havelaar' gedurende het VWO, en is waarschijnlijk minder, van horen zèggen op TV, door een populair volksvoorganger, en overwegend van de verheven vorm 'men zegt het, en ik zou wel gek zijn als ik niet zou zeggen te vinden wat men vindt, als weldenkend Nederlander'.

De meeste oordelen over kunst en de meeste andere zaken van Nederlanders (en anderen) zijn van deze veilige, populaire, democratische vorm, die de meerderheid in de ogen van de meerderheid tot zeer weldenkend en beschaafd maakt.


[7] Hemel uw grietjes en mietjes zoo hoog op als ge verkiest, maar ga u in-godsnaam niet inbeelden dat myn Fancy zich met die deerns inlaat.

Fancy, voor wie het niet weet, is de naam die Multatuli aan zijn muze - de scheppende fantasie - gaf. En voor de moderne lezer: In de 19e eeuws heetten meisjes nog Mietje, Grietje of zelfs Pietje. Multatuli was hier dus geheel niet dubbelzinnig.


[8] Dit namelyk is, met het oog op 't program en 't motto dezer Ideen, de hoofdzaak, en niet het povere, door Louise en my even onachtzaam behandeld, kuiperytje

Al was het, naar ik meen, redelijk welbekend dat Koning Willem III een zuiplap en een hoerenloper was. Maar ja, zoals mensen en Nederlanders nu eenmaal zijn: Zelfs als dit evident zo is, dan nog màg het niet waar zijn van de meerderheid, en "dus" is het niet zo en mag je het niet zeggen, volgens die meerderheid. Onze Koning deugt, is nobel, goed, wijs en deugdzaam, omdat hij van Ons is, begrijp je, dus óók - nee: vooral - als hij minderwaardig, slecht, een zuiplap en een hoerenloper is, en wie dit ontkent bewijst daarmee een zeer slecht Nederlander te zijn .... dergelijk soort totalitaire en chauvinistische 'logica' is altijd heel populair onder het volk en onder het media-journaille die daar goed van leven en dit gedachtegoed voor een deel welbewust in stand houdt en cultiveert.


[9] Behalve sommige interjektien en onomatopeën, heeft misschien geen enkel woord z'n oorspronkelyke beteekenis behouden.

M. hield zich lang met etymologie bezig. Niemand heeft dat kennelijk ooit serieus kunnen nemen, ook ik niet, maar het is toch wel aardig om te memoreren dat er tegenwoordig in de linguistiek serieus aangenomen wordt dat er één soort oertaal was wat betreft het Indo-Europees, en dat alle Europese talen daarvan afgeleid zijn, zoals veel kleine rivieren en beekjes van één rivier.

Dit is niet wat Multatuli dacht, maar het gaat wel enigermate in de richting van wat hij was geneigd te denken. Ook zou de ontdekking van de evidentie voor die taal, door een Amerikaanse taalkundige, die jarenlang overeenkomstige woorden in tal van Europese talen in schoolschriftjes bijhield, M. gecharmeerd zou hebben.


[10] Ik benyd hem z'n smaak niet, als ik maar niet hoef meetedoen.

Dat is ook zeer vaak mijn idee of gevoelen, als in Nederland levend intelligent man.


[11] Nog altyd ben ik bereid, zooveel in myn vermogen is, wenken te geven over de mise en scène en de régie, schoon die in 'n zoo eenvoudig gecharpenteerd stuk overbodig moesten zyn.

In feite deed M. dat ook bij de eerste opvoering van Vorstenschool in 1875, en tamelijk succesvol, met uitzondering van het in de volgende noot verhaalde.


[12] Sedert dien tyd - na de beide eerste uitgaven namelyk - heeft er in de fata van Vorstenschool 'n volslagen omkeering plaats gehad. Door den moed, den kunstzin, en ik durf hier byvoegen: door de vaderlandsliefde van de tooneeldirekteuren Le Gras, Van Zuylen & Haspels, is het stuk weggerukt uit de vergetelheid waartoe sommigen 't ouder-gewoonte schenen veroordeeld te hebben. Het is my 'n ware behoefte die heeren openlyk dank te zeggen, voor 't opvoeren van m'n drama zoowel, als voor de wyze waarop ze die taak volbrachten.

En trouwens óók door het doorzettingsvermogen van Mina Krüseman, één van Nederland's eerste feministes. Aanvankelijk waren zij en Multatuli zeer van elkaar gecharmeerd, maar toen Mina er eenmaal in geslaagd was genoemde toneeldirekteuren tot het op repertoire zetten van Vorstenschool te bewegen, met haarzelf in de hoofdrol, bleek snel, bij de repetities, dat zij volgens Multatuli geen enkel talent voor toneel had, en kregen de twee hevige ruzie, die nooit bijgelegd is.

Een en ander is redelijk gedocumenteerd in de VW. De toen levende critici waren het vrijwel unaniem met Multatuli eens, zoals ze het er ook over eens waren dat de rol enkele jaren later fraai vertolkt werd door de Belgische actrice Beersmans. Hoe er echter toen toneel gespeeld werd laat zich nauwelijks reconstrueren, bij gebrek aan geluids- en film-opnames.


[13] Zeer in 't byzonder ook breng ik hier hulde aan de artistieke wys waarop de heer D. Haspels de rol van Koning George vertolkte.

Dit compliment was gemeend, en Multatuli is de rest van zijn leven gesteund en geholpen door de twee acterende broers Dirk en Jan Haspels, o.a. met het organiseren van lezingentournéeën waarmee Multatuli later geld verdiende, maar verder het is natuurlijk ook een zijdelingse slag richting Mina Krüseman.

Idee 930.                                                      Naar: Vorstenschool