Men beschuldigt me van menschenhaat, of
minstens van bitterheid. Dit laatste is gegrond. Ik ben bitter, en
zeer treurig. Een groot deel van dezen bundel is geschreven om deze
stemming zoo niet te rechtvaardigen, dan toch te verklaren. Wie 't
afkeurt, bedenke dat ik me nooit heb toegelegd op valsch-wysgeerige
onmenschelyke bovenmenschelykheid. Smart is me smart, en vreugd is me
vreugd. Wat daar bezyden heet te gaan, houd ik voor leugen, en schikt
me dus niet. [1]
En
smartelyk is het, m'n arbeid bedorven, m'n pogingen zoo
by-voortduring miskend te zien, vooral omdat de oorzaken waaruit deze
soort van bestryding voortspruit...
‘Staatkunde!’
...nauw verwant zyn en samengaan met de verwaarloozing van kracht, en
de bekrompenheid van blik, die eerlang ons arm land zullen overleveren
aan den vreemdeling. [2]
Er
bestaat één geneesmiddel, maar 't behoort snel en ernstig te worden
toegepast. Eén wapen, maar 't moet met kracht gevoerd worden.
Dit
middel, dat wapen heet Waarheid.
[3]
Zoolang we haar niet in oprechtheid durven zoeken, zoolang wy te
beschroomd zyn om haar by elke gepaste gelegenheid onverbloemd, en
zonder aanzien van persoon of vooroordeel uittespreken, is de toestand
van ons landje hopeloos. [4]
En -
vooral, dunkt my - we moeten niet den enkele die daaraan z'n leven
wydde, en naar z'n beste vermogen 't zyne bybracht ter genezing,
beschouwen en behandelen als 'n vyand. Ook zou 't wenschelyk zyn dat
we hem niet onverdedigd overlieten aan de vyandschap van anderen.
Want al kòn de mogelykheid gedacht worden dat hy geen behoefte had aan
steun, velen moesten behoefte gevoelen aan de eer: naast hem te
staan. Afschuw ten-minste van de schande waaraan hun zwygen hen
blootstelt, daar dit de verdenking wettigt dat ze leden zyn van de
bende die hy bestrydt. [5]
Moê
van verdriet, ga ik me in den volgenden bundel wat verpoozen met de
Geschiedenis van Woutertje Pieterse. Mocht me
dan al nooit het geluk te-beurt vallen, te vernemen of ze den lezer
beviel, toch hoop ikzelf daarin wat rust te vinden, na 't vermoeiend
staren op de al te droevige werkelykheid die m'n gemoed zoo bitter
maakt. [6]
Noot van 1874. Het zal den lezer bekend
zyn dat ik aan 't hier uitgedrukte voornemen in de volgende bundels
werkelyk heb gevolg gegeven. Het is overigens niet overbodig hier
aanteteekenen dat zoowel de Wouter-epizode als andere stukken uit
m'n werken, gedurende den laatsten tyd herhaaldelyk besproken zyn
[7],
waaromtrent ik meen te mogen verwyzen naar 't Naschrift by
den tweeden druk van den vorigen bundel.
[1]
Men beschuldigt me van
menschenhaat, of minstens van bitterheid. Dit laatste is gegrond. Ik
ben bitter, en zeer treurig. Een groot deel van dezen bundel is
geschreven om deze stemming zoo niet te rechtvaardigen, dan toch te
verklaren. Wie 't afkeurt, bedenke dat ik me nooit heb toegelegd op
valsch-wysgeerige onmenschelyke bovenmenschelykheid. Smart is me
smart, en vreugd is me vreugd. Wat daar bezyden heet te gaan, houd ik
voor leugen, en schikt me dus niet.
Voor wat M. over smart en vreugde
zegt is veel te zeggen voor mensen in het algemeen, maar er zijn
minstens twee reden waarom enige overweging van een 'valsch-wysgeerige
onmenschelyke bovenmenschelykheid'
in het geval van Multatuli terecht is.
De eerste is zijn zelfverkozen alias
'Multatuli', dus kennelijk een man die veel geleden, veel gedragen, en
daarmee, mag men aannemen, veel smart gekend heeft, wat volgens M.
zelf weer een belangrijke reden was - zie
30 - dat hij zo goed schreef.
Ik heb herhaaldelijk beargumenteerd -
zelfbeschrijving,
112, 284,
404, 484,
520, 528,
605, 722,
822 - dat ik denk dat M. feitelijk
een dispositie voor manische depressiviteit had, en dat dit de
hoofdreden is voor zijn speciale begaanheid met smart en lijden is.
De tweede is M's opvattingen over
zijn genie-zijn en zijn door hem gevoelde roeping van sociaal
hervormer, verlicht despoot, groot staatsman etc. waar ik o.a. op
ingegaan ben onder 1002, waar ook links
staan naar andere ideen i.v.m. genialiteit.
M's bitterheid gaat voor het grootste
deel terug op zijn gecombineerd falen zowel als sociaal hervormer als
om recht te krijgen in zijn eigen zaak over Lebak, en op het
overwegend zeer moeilijke bestaan dat zowel hij als zijn vrouw en
kinderen sinds Lebak hadden moeten leiden, en dit dan weer versterkt
door zijn dispositie tot depressiviteit.
[2]
...nauw verwant zyn en samengaan met de verwaarloozing van kracht, en
de bekrompenheid van blik, die eerlang ons arm land zullen overleveren
aan den vreemdeling.
Waar M. o.a. voor vreesde was dat
Nederland bezet zou worden door het in zijn tijd zeer machtig wordende
Duitsland, dat onder leiding van Bismarck en keizer Wilhelm II één
grote natie werd, zoals het sinds de 100-jarige oorlog in de 17e eeuw
niet geweest was.
[3] Er
bestaat één geneesmiddel, maar 't behoort snel en ernstig te worden
toegepast. Eén wapen, maar 't moet met kracht gevoerd worden.
Dit
middel, dat wapen heet Waarheid.
Dit slaat ongetwijfeld gedeeltelijk
terug op de conceptie van de Ideen,
waarin opgemerkt wordt dat
Neen, er zal
niet gezegd worden dat niemand beproefde den vloek te bezweren die er
rust op het Volk. 't Zal niet gezegd worden dan niemand de ziekte
aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: de LEUGEN. Ik zal
doen wat ik kan.
en M. over de Ideen schrijft dat
Ik zal in
dat schryven trachten naar WAARHEID
Een probleem is alleen dat vrijwel
iedereen die de wereld wil veranderen aankomt met zijn versie van de
waarheid, en dat er grote verschillen zijn tussen mensen over wat de
echte waarheid is. Zie hierover ook onder
1 en 11 en de volgende noot.
[4]
Zoolang we haar niet in oprechtheid durven zoeken, zoolang wy te
beschroomd zyn om haar by elke gepaste gelegenheid onverbloemd, en
zonder aanzien van persoon of vooroordeel uittespreken, is de toestand
van ons landje hopeloos.
Hier vervolgt M. zijn benadrukken van
het belang van de waarheid, maar met een verschil waar hij zelf minder
duidelijk over was dan hij had moeten zijn. Het gaat hier namelijk
minder over waarheid dan over waarachtigheid of oprechtheid: De moed
hebben eerlijk te zeggen wat men denkt, zonder aanziens des persoons -
de moed om niet te liegen over wat men zelf denkt.
Ik heb hier ook onder 1 en elders (73,
74, 136,
276) opmerkingen over gemaakt, en M.
heeft hier m.i. gelijk - met de aantekening dat maar een minderheid de
moed heeft eerlijk te zijn, zelfs wanneer men leeft in een
niet-totalitaire samenleving, en dat van die minderheid die moed en
waarachtigheid heeft weer slechts een minderheid rationeel en
intelligent is, en enige wetenschappelijke, filosofische en wiskundige
kennis heeft.
[5]
Afschuw ten-minste van de schande waaraan hun zwygen hen blootstelt,
daar dit de verdenking wettigt dat ze leden zyn van de bende die hy
bestrydt.
Maar feitelijk was het zo dat de
meeste van degenen waartoe M. zich richtte, namelijk de leden van de
gegoede burgerij (de enigen die het geld hadden om zijn boeken te
kopen en de kennis om ze met begrip te lezen) 'leden
zyn van de bende die hy bestrydt':
Hun welstand was immers uiteindelijk gebaseerd op koloniale uitbuiting
en het arm houden van de Nederlandse werkende stand.
[6] Moê
van verdriet, ga ik me in den volgenden bundel wat verpoozen met de
Geschiedenis van Woutertje Pieterse. Mocht me
dan al nooit het geluk te-beurt vallen, te vernemen of ze den lezer
beviel, toch hoop ikzelf daarin wat rust te vinden, na 't vermoeiend
staren op de al te droevige werkelykheid die m'n gemoed zoo bitter
maakt.
En zo gebeurde. In feite zijn er nog
drie delen Ideen van Multatuli, namelijk bundels 5, 6 en 7, ieder
ongeveer even dik als de bundels 1 t/m 4, maar alle drie voornamelijk
hoewel niet uitsluitend gevuld met het verhaal van Woutertje
Pieterse, dat onafgemaakt afgebroken wordt aan het eind van bundel
7 en nooit door M. is beëindigd.
[7]
Het is overigens niet overbodig hier
aanteteekenen dat zoowel de Wouter-epizode als andere stukken uit m'n
werken, gedurende den laatsten tyd herhaaldelyk besproken zyn
Dit is een terechte opmerking o.a. in
samenhang met de klachten in deze bundel. Een belangrijke reden dat
M.'s werk besproken werd na zo'n tien jaren overwegend doodgezwegen te
zijn geweest is waarschijnlijk dat mr. Carel Vosmaer - zie
1036 - zich zeer lovend over hem uitliet in
diverse lange essays die gebundeld werden tot het boek 'Een Zaaier'.