Idee 1046.                                                


Men beschuldigt me van menschenhaat, of minstens van bitterheid. Dit laatste is gegrond. Ik ben bitter, en zeer treurig. Een groot deel van dezen bundel is geschreven om deze stemming zoo niet te rechtvaardigen, dan toch te verklaren. Wie 't afkeurt, bedenke dat ik me nooit heb toegelegd op valsch-wysgeerige onmenschelyke bovenmenschelykheid. Smart is me smart, en vreugd is me vreugd. Wat daar bezyden heet te gaan, houd ik voor leugen, en schikt me dus niet. [1]

En smartelyk is het, m'n arbeid bedorven, m'n pogingen zoo by-voortduring miskend te zien, vooral omdat de oorzaken waaruit deze soort van bestryding voortspruit...

Staatkunde!

...nauw verwant zyn en samengaan met de verwaarloozing van kracht, en de bekrompenheid van blik, die eerlang ons arm land zullen overleveren aan den vreemdeling. [2]

Er bestaat n geneesmiddel, maar 't behoort snel en ernstig te worden toegepast. En wapen, maar 't moet met kracht gevoerd worden.

Dit middel, dat wapen heet Waarheid. [3]

Zoolang we haar niet in oprechtheid durven zoeken, zoolang wy te beschroomd zyn om haar by elke gepaste gelegenheid onverbloemd, en zonder aanzien van persoon of vooroordeel uittespreken, is de toestand van ons landje hopeloos. [4]

En - vooral, dunkt my - we moeten niet den enkele die daaraan z'n leven wydde, en naar z'n beste vermogen 't zyne bybracht ter genezing, beschouwen en behandelen als 'n vyand. Ook zou 't wenschelyk zyn dat we hem niet onverdedigd overlieten aan de vyandschap van anderen. Want al kn de mogelykheid gedacht worden dat hy geen behoefte had aan steun, velen moesten behoefte gevoelen aan de eer: naast hem te staan. Afschuw ten-minste van de schande waaraan hun zwygen hen blootstelt, daar dit de verdenking wettigt dat ze leden zyn van de bende die hy bestrydt. [5]

Mo van verdriet, ga ik me in den volgenden bundel wat verpoozen met de Geschiedenis van Woutertje Pieterse. Mocht me dan al nooit het geluk te-beurt vallen, te vernemen of ze den lezer beviel, toch hoop ikzelf daarin wat rust te vinden, na 't vermoeiend staren op de al te droevige werkelykheid die m'n gemoed zoo bitter maakt. [6]

Noot van 1874. Het zal den lezer bekend zyn dat ik aan 't hier uitgedrukte voornemen in de volgende bundels werkelyk heb gevolg gegeven. Het is overigens niet overbodig hier aanteteekenen dat zoowel de Wouter-epizode als andere stukken uit m'n werken, gedurende den laatsten tyd herhaaldelyk besproken zyn [7], waaromtrent ik meen te mogen verwyzen naar 't Naschrift by den tweeden druk van den vorigen bundel.


[1] Men beschuldigt me van menschenhaat, of minstens van bitterheid. Dit laatste is gegrond. Ik ben bitter, en zeer treurig. Een groot deel van dezen bundel is geschreven om deze stemming zoo niet te rechtvaardigen, dan toch te verklaren. Wie 't afkeurt, bedenke dat ik me nooit heb toegelegd op valsch-wysgeerige onmenschelyke bovenmenschelykheid. Smart is me smart, en vreugd is me vreugd. Wat daar bezyden heet te gaan, houd ik voor leugen, en schikt me dus niet.

Voor wat M. over smart en vreugde zegt is veel te zeggen voor mensen in het algemeen, maar er zijn minstens twee reden waarom enige overweging van een 'valsch-wysgeerige onmenschelyke bovenmenschelykheid' in het geval van Multatuli terecht is.

De eerste is zijn zelfverkozen alias 'Multatuli', dus kennelijk een man die veel geleden, veel gedragen, en daarmee, mag men aannemen, veel smart gekend heeft, wat volgens M. zelf weer een belangrijke reden was - zie 30 - dat hij zo goed schreef.

Ik heb herhaaldelijk beargumenteerd - zelfbeschrijving, 112, 284, 404, 484, 520, 528, 605, 722, 822 - dat ik denk dat M. feitelijk een dispositie voor manische depressiviteit had, en dat dit de hoofdreden is voor zijn speciale begaanheid met smart en lijden is.

De tweede is M's opvattingen over zijn genie-zijn en zijn door hem gevoelde roeping van sociaal hervormer, verlicht despoot, groot staatsman etc. waar ik o.a. op ingegaan ben onder 1002, waar ook links staan naar andere ideen i.v.m. genialiteit.

M's bitterheid gaat voor het grootste deel terug op zijn gecombineerd falen zowel als sociaal hervormer als om recht te krijgen in zijn eigen zaak over Lebak, en op het overwegend zeer moeilijke bestaan dat zowel hij als zijn vrouw en kinderen sinds Lebak hadden moeten leiden, en dit dan weer versterkt door zijn dispositie tot depressiviteit.


[2] ...nauw verwant zyn en samengaan met de verwaarloozing van kracht, en de bekrompenheid van blik, die eerlang ons arm land zullen overleveren aan den vreemdeling.

Waar M. o.a. voor vreesde was dat Nederland bezet zou worden door het in zijn tijd zeer machtig wordende Duitsland, dat onder leiding van Bismarck en keizer Wilhelm II n grote natie werd, zoals het sinds de 100-jarige oorlog in de 17e eeuw niet geweest was.


[3] Er bestaat n geneesmiddel, maar 't behoort snel en ernstig te worden toegepast. En wapen, maar 't moet met kracht gevoerd worden.
Dit middel, dat wapen heet Waarheid.

Dit slaat ongetwijfeld gedeeltelijk terug op de conceptie van de Ideen, waarin opgemerkt wordt dat

Neen, er zal  niet gezegd worden dat niemand beproefde den vloek te bezweren die er rust op het Volk. 't Zal niet gezegd worden dan niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: de LEUGEN. Ik zal doen wat ik kan.

en M. over de Ideen schrijft dat

Ik zal in dat schryven trachten naar WAARHEID

Een probleem is alleen dat vrijwel iedereen die de wereld wil veranderen aankomt met zijn versie van de waarheid, en dat er grote verschillen zijn tussen mensen over wat de echte waarheid is. Zie hierover ook onder 1 en 11 en de volgende noot.


[4] Zoolang we haar niet in oprechtheid durven zoeken, zoolang wy te beschroomd zyn om haar by elke gepaste gelegenheid onverbloemd, en zonder aanzien van persoon of vooroordeel uittespreken, is de toestand van ons landje hopeloos.

Hier vervolgt M. zijn benadrukken van het belang van de waarheid, maar met een verschil waar hij zelf minder duidelijk over was dan hij had moeten zijn. Het gaat hier namelijk minder over waarheid dan over waarachtigheid of oprechtheid: De moed hebben eerlijk te zeggen wat men denkt, zonder aanziens des persoons - de moed om niet te liegen over wat men zelf denkt.

Ik heb hier ook onder 1 en elders (73, 74, 136, 276) opmerkingen over gemaakt, en M. heeft hier m.i. gelijk - met de aantekening dat maar een minderheid de moed heeft eerlijk te zijn, zelfs wanneer men leeft in een niet-totalitaire samenleving, en dat van die minderheid die moed en waarachtigheid heeft weer slechts een minderheid rationeel en intelligent is, en enige wetenschappelijke, filosofische en wiskundige kennis heeft.


[5] Afschuw ten-minste van de schande waaraan hun zwygen hen blootstelt, daar dit de verdenking wettigt dat ze leden zyn van de bende die hy bestrydt.

Maar feitelijk was het zo dat de meeste van degenen waartoe M. zich richtte, namelijk de leden van de gegoede burgerij (de enigen die het geld hadden om zijn boeken te kopen en de kennis om ze met begrip te lezen) 'leden zyn van de bende die hy bestrydt': Hun welstand was immers uiteindelijk gebaseerd op koloniale uitbuiting en het arm houden van de Nederlandse werkende stand.


[6] Mo van verdriet, ga ik me in den volgenden bundel wat verpoozen met de Geschiedenis van Woutertje Pieterse. Mocht me dan al nooit het geluk te-beurt vallen, te vernemen of ze den lezer beviel, toch hoop ikzelf daarin wat rust te vinden, na 't vermoeiend staren op de al te droevige werkelykheid die m'n gemoed zoo bitter maakt.

En zo gebeurde. In feite zijn er nog drie delen Ideen van Multatuli, namelijk bundels 5, 6 en 7, ieder ongeveer even dik als de bundels 1 t/m 4, maar alle drie voornamelijk hoewel niet uitsluitend gevuld met het verhaal van Woutertje Pieterse, dat onafgemaakt afgebroken wordt aan het eind van bundel 7 en nooit door M. is beindigd.


[7] Het is overigens niet overbodig hier aanteteekenen dat zoowel de Wouter-epizode als andere stukken uit m'n werken, gedurende den laatsten tyd herhaaldelyk besproken zyn

Dit is een terechte opmerking o.a. in samenhang met de klachten in deze bundel. Een belangrijke reden dat M.'s werk besproken werd na zo'n tien jaren overwegend doodgezwegen te zijn geweest is waarschijnlijk dat mr. Carel Vosmaer - zie 1036 - zich zeer lovend over hem uitliet in diverse lange essays die gebundeld werden tot het boek 'Een Zaaier'.

Idee 1046.