Idee 1041.                                                


Het tweede voorbeeld van... slordigheid in opvatting - ik beweer niet dat deze kwalifikatie juist is, doch ga dit nu voorby - deelde ik reeds elders mede, doch 'n herhaling komt hier te-pas, omdat ze me dient in de gedachtenwisseling met den heer Post. Ik wil hem aantoonen hoe moeielyk 't me valt den indruk te beoordeelen, dien myn werken te-weeg brengen, en wel voornamelyk omdat zyn brief nieuwe bydragen levert tot deze onzekerheid. 't Spreekt vanzelf dat de beteekenis der aangevoerde voorbeelden niet verder mag worden uitgestrekt dan de zaak eischt. Van vergelyking van den jongen flinken Leidschen student met botterikken is geen spraak. 

Ik verzoek den lezer 't stukjen intezien, dat ik in '63 schreef om de duitsche tooneelspeelster Laura Ernst te doen kennen aan het publiek dat op haar uitstekende gaven geen acht scheen te hebben geslagen. Het is later onder den titel ‘De school des Levens’ in 't bundeltje Verspreide Stukken opgenomen.

Om 't beoogd doel te bereiken, had ik het in eenige dagbladen doen plaatsen, en ook overigens voor ruime verspreiding zorg gedragen.

Den avend na de verschyning van die ontboezeming, bevond ik my in gezelschap met eenige heeren die me verweten dat ik somwylen wat te streng was in 't beoordeelen van Publiek. Ik had namelyk alweer geklaagd: dat ‘men’ niet lezen kon.

‘Nu ja, daarvan was wel iets waar, maar... zóó erg als ik 't voorstelde, was 't dan toch niet!’

Het gezelschap werd vergroot door 'n nieuwen gast. Hy behoorde tot den beschaafden... méér nog: tot den zoogenaamd-geleerden stand. Hy was doctor in de geneeskunde.

Na de andere heeren 'n wenk gegeven te hebben dat ze my niet zouden hinderen in 'n proef die ik nemen wilde, en die - allertreurigst voor 't peil der intelligentie... van sommigen! - volkomen gelukt is, begon ik te spreken over de onedele wys waarop men my bestreed:

- Daar hebben ze nu waarlyk 'n nieuwe manier uitgevonden om my te krenken, riep ik, 'n manier die al 't vorige in werking zal overtreffen. Ziedaar in de courant 'n paar kolommen dronkenmanspraat, onderteekend met myn naam!

En ik reikte den dokter de krant over. Hy las, en... erkende volmondig dat zoo'n wyze van handelen ignoble was!

- Maar, zeid-i er troostend by, ge moet het u niet al te zeer aantrekken. Geen verstandig man zal u houden voor den schryver van die zotterny. [1]

Moet ik nu m'n schatting van Publiek gronden op zulke voorbeelden? Zyn ze uitzonderingen of regel? [2] In 't eerste geval gaan ze den regel - voorzoover ik moet oordeelen naar wat er uit de natie tot my komt - in frekwentie ver te-boven. Alphonse Karr deed dezelfde ondervinding op.

De heer Post vergeve het my dat het voor sommigen den schyn zou kunnen hebben, alsof ik naar aanleiding van zyn brief, hem vergeleek by dien Med. Doctor en 't idiote echtpaar van de bloempot. Ik klaag over verkeerd lezen in 't algemeen, en beweer dat de vergissing in keus van onderwerpen ter behandeling, hiervan 'n uitvloeisel is.

Ik moest voorbeelden geven van 't ŕllerergste, om m'n bedoeling omtrent het erge - en 't zeer vergeeflyke zelfs! - duidelyk te maken. De aanhaling overigens, van de ook door Dr. Feringa in dit opzicht begane fout - of wat my voorkomt 'n fout te zyn - bewyst ten-volle dat het geenszins m'n bedoeling was den heer Post te krenken. Een vergelyking met dien uitstekenden schryver immers kan hem niet stuitend voorkomen. [3] Ik wys hierop uitdrukkelyk, omdat ik nog-eens genoodzaakt ben, hem in gezelschap te brengen dat hem niet past.

Ik moet namelyk hier eenige schynbaar ongelyksoortige bestanddeelen samenvatten, die in dezen bundel voorkomen. Dat ze, inderdaad wčl by elkander behooren, blykt uit de opmerking dat ik me overal beklaag over de behandeling die aan m'n werken en m'n persoon over 't geheel te beurt valt. Ik heb vele vragen te doen van deze soort:

Waarom heeft de pers van m'n meeste werken geen notitie genomen? [4]

Waarom lastert men my? [5]

Waarom waren de Millioenen-Studien - litterarisch toch: ‘geestig en onderhoudend... o, dol!’ (zoo stáát er, lezer!) - verwerpelyk als ernstige lektuur? [6]

Waarom raadt my de Nieuw-rotterdamsche Kunstbeschouwer ‘aktie’ aan, ‘veel aktie’ in-plaats van ‘Staatkunde?’ [7]

Waarom wagen zich sommigen aan de ongerymde beweringen: dat Vorstenschool geen dramatische verdiensten heeft? Dat de daarin voorkomende figuren slechts geraamten zyn, zonder vleesch en bloed? Dat de door my geschetste toestanden niet op ons land van toepassing zyn, en hoogstens in... Spanje kunnen bestaan? [8]

Waarom biedt my de enkele die tot-nog-toe dat stuk prees, me myn loon aan in den zonderlingen vorm van schuldvergiffenis? [9]

Waarom liet Dr. Feringa de voorgenomen behandeling van m'n werken wachten op 'n uitweiding over duellen?[*]

Men ziet dat ik de te doene vragen zonder de minste klassifikatie naar 't gewicht, of naar de beteekenis daarvan uit 'n zedelyk oogpunt, door elkander plaats. Men zou er honderden van dien aard kunnen doen. Ik sla ze over, om te eindigen met deze:

Waarom meende Post m'n afkeer van Moderne Theologie te moeten kiezen als aanleiding tot z'n eersten polemischen veldtocht? [10]

Alles is in alles! Hoe uiteenloopend de antwoorden op al de bovenstaande vragen luiden mogen, ze komen in enkele punten op 'tzelfde neer. Misschien slechts in één punt, dat is: in de ‘vergissing in keuze van onderwerpen die de aandacht verdienen.’ In het ‘aanleggen op 'n verkeerd wit.

Zeer wel weet ik dat de oorzaken die tot zulke vergissingen leiden, veelsoortig zyn. Ze verschillen als de karakters, als de graden van letterkundige, wetenschappelyke, zedelyke en politische ontwikkeling. Maar de hoofdeigenschap van allen, 't kriterium, is: Nauwte van gezichtsveld. [11] Het doet er nu niet toe, of sommigen opzettelyk de wydte beperken, die hun blik overziet, terwyl anderen uit ongemaakte onnoozelheid zich ergeren aan ‘dat bloempotje.’ De hierin te maken onderscheiding zou te-pas komen, als er vonnis moest geslagen worden, waarby de zedelyke verantwoordelykheid gewogen werd. Het effekt der bedoelde vergissingen is nagenoeg 't zelfde, en hiermee hebben wy op dit oogenblik te doen. Er heerscht op dit veld - gelyk overal in onzen arbeid-verdeelenden tyd! - 'n schromelyke mangel aan algemeenheid. We lyden aan overdryving van een - gemakshalve dikwyls! - verkeerd begrepen Specialismus. Doch dit is dan ook juist de reden die onzen tyd tot 'n zeer kleine maakt!

De heer Vosmaer gunde zich loisir tot de opmerking dat ik in zekeren regel van Vorstenschool den klemtoon op 'n verkeerde sylbe gelegd had. [**] Prins Denderah meende iets verkondigd te hebben, toen-i met komieke plechtigheid beweerde dat m'n drama slechts 'n nummer van m'n Ideen was. ‘Niet meer. niet minder’ zei 't ventje... de zuivere waarheid overigens! [12] Maar zyn 't nu zůlke opmerkingen die schryver, lezers en Volk 'n haarbreed zullen vooruit-helpen op den weg van ontwikkeling?

De lezer zelf zal, hoop ik, deze voorbeelden van verkeerd grypen - gevolgen oorzaak van verkeerd begrip! - met'n zeer lange reeks kunnen vermeerderen.

[*] Noot van 1874. Ook de heer Feringa heeft later door 'n uitvoerig en zeer welwillend bespreken myner werken in z'n zoo belangryk tydschrift Vrye-Gedachte, doorslaand bewys geleverd dat by hem geen boos opzet in 't spel was. Hieraan had ik dan ook by hem niet gedacht.

[**] Noot van 1874. En ik geloof dat-i zich vergiste. Er zyn andere regels, waarin inderdaad foutjes van de door hem bedoelde soort voorkomen. Misschien verbeter ik die by 'n herdruk... als ik tegen dien tyd eens zéér weinig te doen heb. Want hoofdzaak zyn me zulke dingen niet. Toch erken ik volmondig dat korrektheid, ook in 't zeer kleine, plicht is.


[1] - Maar, zeid-i er troostend by, ge moet het u niet al te zeer aantrekken. Geen verstandig man zal u houden voor den schryver van die zotterny.

De pointe is dat M. er de schrijver van was. Het is wel zo dat dit vrijwel het enige was dat M. in dat jaar schreef en publiceerde, en ook zo dat het geen echt Multatuliaans geschreven stuk is, en ook geen goed stuk.


[2] Moet ik nu m'n schatting van Publiek gronden op zulke voorbeelden? Zyn ze uitzonderingen of regel?

Naar mijn stellige overtuiging: Regel. M. schreef te ingewikkeld, wilde teveel, en was te radikaal voor vrijwel al z'n tijdgenoten, inclusief medestanders, en dat is sindsdien niet veranderd.


[3] Een vergelyking met dien uitstekenden schryver immers kan hem niet stuitend voorkomen.

Ik vermoed dat dit een sarkasme is: Van Feringa had M. ondertussen zelf geen hoge opinie, en ik meen tussen de regels door te kunnen lezen dat op dit punt aangeland M.'s mening over Post's brief - zie 996 met mijn commentaren - een stuk negatiever was geworden, m.i. terecht.


[4] Waarom heeft de pers van m'n meeste werken geen notitie genomen?

Ik geef korte antwoorden op de meeste vragen die M. stelt, en verwijs naar [11]:

Vooral omdat ze te kritisch waren over tal van Nederlandse misstanden, en niemand tegen M. opgewassen was als polemist: Doodzwijgen was zowel effectiever als veiliger.


[5] Waarom lastert men my?

Vooral omdat M. zoveel kritiseerde in Nederland, en dus een vijand velen was, en men van vijanden kwaad pleegt te spreken.


[6] Waarom waren de Millioenen-Studien - litterarisch toch: ‘geestig en onderhoudend... o, dol!’ (zoo stáát er, lezer!) - verwerpelyk als ernstige lektuur?

Hier moet ik meer gissen: Omdat het vooral over casino's en gokken handelde, wat 'men' indertijd een onfatsoenlijk onderwerp vond, zeker indien het niet radikaal werd verworpen, wat M. - die minstens een kleine gokverkslaving moet hebben gehad - niet deed.


[7] Waarom raadt my de Nieuw-rotterdamsche Kunstbeschouwer ‘aktie’ aan, ‘veel aktie’ in-plaats van ‘Staatkunde?’

Omdat het deze kunstbeschouwer wellicht net ging als mij -en wie weet: Vosmaer - met Koningin Louise's klausen uit het derde bedrijf: 't Is vaak nogal vervelend en open-deurderig, en 't zijn zeker geen weerleggingen van de gekritiseerde politieke stromingen, waarvoor het toneel inderdaad niet de beste plaats is.


[8] Waarom wagen zich sommigen aan de ongerymde beweringen: dat Vorstenschool geen dramatische verdiensten heeft? Dat de daarin voorkomende figuren slechts geraamten zyn, zonder vleesch en bloed? Dat de door my geschetste toestanden niet op ons land van toepassing zyn, en hoogstens in... Spanje kunnen bestaan?

Wel... mijn eigen mening, van 130 jaren later geef ik toe, is dat Vorstenschool niet veel dramatische verdiensten heeft - het is zéér veel meer een lees-stuk dan een toneel-stuk. En ikzelf vond ook al dat de erin voorkomende figuren slechts geraamten zyn, zonder vleesch en bloed - zodat het dus kŕn zijn dat het eenvoudig niet zo'n goed toneelstuk is, zoals ikzelf denk. 


[9] Waarom biedt my de enkele die tot-nog-toe dat stuk prees, me myn loon aan in den zonderlingen vorm van schuldvergiffenis?

Dit slaat op Vosmaer's kritiek, waar M. van sprak in 1036. Zie daar.


[10] Waarom meende Post m'n afkeer van Moderne Theologie te moeten kiezen als aanleiding tot z'n eersten polemischen veldtocht?

Post was immers student theologie, met een uitgesproken voorkeur voor moderne theologie.


[11] Zeer wel weet ik dat de oorzaken die tot zulke vergissingen leiden, veelsoortig zyn. Ze verschillen als de karakters, als de graden van letterkundige, wetenschappelyke, zedelyke en politische ontwikkeling. Maar de hoofdeigenschap van allen, 't kriterium, is: Nauwte van gezichtsveld.

Ik heb mijn korte antwoorden hierboven gegeven, en me overigens heel wat keren uitgelaten over dergelijke vragen in mijn commentaren bij de Ideen. Met M.'s diagnose van de hoofdoorzaak als 'Nauwte van gezichtsveld' ben ik het eens, behalve dat ik liever eenvoudig van 'domheid' spreek, of van 'domheid en egoďsme' als ik een vollediger verklaring wil aanduiden in een paar woorden.


[12] Prins Denderah meende iets verkondigd te hebben, toen-i met komieke plechtigheid beweerde dat m'n drama slechts 'n nummer van m'n Ideen was. ‘Niet meer. niet minder’ zei 't ventje... de zuivere waarheid overigens!

Ik wil het wel geloven, omdat ik weet dat M. bij voorkeur alles wat hij schreef tot onderdeel van z'n Ideen maakte, maar het is niet volmaakt duidelijk uit de Garmond-uitgave van de Ideen, en ik heb in mijn uitgave van Ideen 4 dan ook Vorstenschool onafhankelijk opgenomen tussen 930 en 931, waar 't zich dan ook bevindt. Feitelijk (of: formeel) behoort het dus tot 930, mogen we hier afleiden.

Idee 1041.