Idee 1036.                                                


Herhaaldelyk schreef ik in vorige nummers de poging om my doodtezwygen - waarom toch, als de Natie me niet kent? - aan twee oorzaken toe, of liever, ik beweerde dat traagheid de valsheid in de hand werkte. [1] Dit blykt o.a. hieruit, dat er over myn handelingen te Lebak nooit 'n woord gesproken wordt, en zelden 'n woord over de werken die op den Max Havelaar gevolgd zyn... [2]

Toen de Havelaar zelf verscheen, was natuurlyk 't wachtwoord nog niet gegeven!

...en dat velen de voorgeschreven onthouding eenigszins uit het oog verliezen, zoodra ik iets publiceer dat men met een ‘mooi’ of ‘niet mooi’ meent te kunnen afdoen. Vanhier de uitzondering die voor Vorstenschool gemaakt werd door zekere politieke kunstbeschouwers.

We hebben gezien hoe lief Hanna was, en hoe dom overigens de schryver. Zoo'n reagens solliciteert om vergiffenis voor 't breken van 't konsigne.

‘Van dàt stuk moeten we wel iets zeggen... 't zal zeker gespeeld worden, en dan helpt ons zwygen niet. Welnu, dan zullen we op ouwerwetsche recensenten-manier wat foutjes sprokkelen, en hier-en-daar iets “mooi” vinden, alles ingekleed op de beste wys om 't geheel, en vooral den schryver zelf, te doen doorgaan voor niet veel byzonders. Nu eenmaal niet kunnende voortgaan met zwygen, is zùlk spreken het minst schadelyk.’

Ik blyf vragen waarom de pers van de Natie m'n Minnebrieven niet behandeld heeft? M'n twee stukken over Vryen arbeid? M'n Ideën? M'n Een-en-ander over Pruisen en Nederland? M'n studie over Specialiteiten? De in één bundeltje verzamelde Verspreide Stukken, waaronder de brief aan Van Twist, die beter dan de Havelaar m'n punt van uitgang beschryft? [3]

By 't antwoorden op deze vragen, is 't zeer moeielyk het aandeel der beide faktoren valsheid en luiheid te bepalen. Als hulpmiddel diene dat het oppervlakkig en innocent tooneelspel de Bruid daarboven wèl besproken is. [4]

En nu: Vorstenschool?

Zooals men 't nemen wil. Tot nog toe by-voorkeur de gemakkelykst te behandelen gedeelten daaruit, en de eigenlyke strekking niet!

Men houdt zich alsof men...

Luiheid of valsheid?

...men houdt zich alsof men de byzaken, de parerga, de inkleeding van dat stuk, aanzag voor de hoofdzaak. Wie als de niet onbekwame recensent in den N. Rotterdammer - ‘Staatkunde!’ - die hoofdzaak aanroert, doet het zoo herabsetzend mogelyk. Wie hiertoe niet oneerlyk genoeg is...

Is 't oneerlyk of niet, de door Louise geschetste toestanden naar Spanje te verwyzen?

...wie de hiertoe noodige onbeschaamdheid mist, gaat die hoofdzaak doodeenvoudig met stilzwygen voorby, of nagenoeg. 

Een kurieus voorbeeld daarvan leverde dezer dagen de heer Vosmaer in den Spectator... [5]

Ik schryf met konscientie. Sedert vele dagen ligt het stuk van den heer V. voor me, en ik vraag my af, of ik het onbeantwoord laten mag? Zoo neen, op welken toon ik dien schryver behoor toetespreken? Lang heb ik geweifeld, en wanneer ik niet 'n treurige ondervinding had opgedaan van de wys waarop men in zekere kringen gewoon is trouwhartige toenadering te beantwoorden, zou ik hem ondershands opheldering gevraagd hebben van zekere uitdrukkingen die hy zich omtrent my veroorlooft.

't Is me namelyk niet duidelyk, of ik ook hier me zou moeten verdedigen tegen moedwillige vyandschap - dit ware gemakkelyk! - dan of ik te doen heb met zeker soort van welwillendheid die me eenigszins... vreemd voorkomt, en op z'n zachtst gezegd, zeer ongewenscht is.

Straks zal de lezer de oorzaak dezer weifeling kunnen beoordeelen, en tevens of ik gerechtigd ben in 't openbaar te antwoorden op eene my in 't openbaar - door 'n orgaan alweer van een deel der Nederlandsche Natie! - aangedane... ik zoek naar 't juiste woord! En daartoe is 't hier de plaats, omdat ik tevens over dat stuk in den Spectator een-en-ander te zeggen heb, dat aan de bekende schuwheid voor den Bogowonto herinnert.

De heer Vosmaer dan, is met Vorstenschool zeer ingenomen. Indien 't my te-doen ware om lof over mooischryvery, zou ik overvloedige reden hebben tot voldoening, en zelfs tot dankbaarheid. Daarom echter is 't me niet te-doen. En toch...

Ik ben, ook in deze soort van aandoening, geheel-en-al 'n mensch, 'n gewoon mensch, 'n kompleet mensch, d.i. 'n mensch die vatbaar is voor alle indrukken, waarvoor we kunnen aannemen dat de mensch behoort ontvankelyk te zyn, op-straffe van degradatie tot 'n stuk steen of mislukten filosoof. Homo sum, en ik voel niet de minste begeerte iets anders te zyn. Nog minder, my als iets anders voortedoen. [6]

Ik erken dus dat de ‘bewondering’ voor m'n laatste werk waarvan de heer Vosmaer getuigenis aflegde, me zeer aangenaam stemde.

De ‘recensie’ verscheen in twee fragmenten...

‘Tusschen één en nogmaals één,
Vlamt en klieft...

...het een-of-ander heen, misschien wel weer 'n stuk van de Natie, die den heer Vosmaer schynt aan den arm gestooten te hebben, om hem te storen in z'n ‘bewondering.’

Na de lezing van 't eerste stuk had ik voor den schryver 'n vriendelyk gevoel, en ik stond op 't punt hem te bedanken. Voor z'n oordeel niet, maar voor de uiting. Ikzelf namelyk geloof dat Vorstenschool 'n goed stuk is. Maar... er zyn gebreken in, en ik had tot onderlinge oefening den heer V. daarop willen opmerkzaam maken. [7] Ook had ik hem gaarne eenige bedenkingen medegedeeld tegen de hedendaagsche wyze van kunstbeschouwen. Nu, daarop zal ik later terugkomen. Doch liever zag ik eens 'n handleiding van Busken Huet, tot betere beoefening van dit verwaarloosd vak.

Kortom, m'n stemming was allervriendelykst, en ik verheugde my als 'n kind, daarin eens eindelyk te kunnen toegeven. Wel had het m'n aandacht getrokken, dat er in 't geleverd ‘verslag’ 'n sprong werd gedaan van het tweede op het vierde Bedryf - Akte III = Bogowonto? - maar ik maakte juist hieruit op, dat het behandelen van Louise's ‘staatkundige’ beschouwingen bewaard werd voor het slot. Ze zouden gewicht byzetten, meende ik, aan het zwaartepunt der beoordeeling. M'n verzoek om 't stuk te behandelen als drama, kon toch onmogelyk 'n wenk beduiden om géén acht te slaan op de hoofdzaak waarover dat drama loopt. Ik bedoelde daarmee, o.a. dat men de uitdrukkingswyze, de manier van voorstellen, niet toetsen zou aan hoofdartikelstyl of brochurepolemiek. De heer V. zelf immers verwierp den door my voorgeslagen ondertitel, als overbodig? Nu zal hy toch erkennen dat die wegwyzer niet kon gemist worden, niet waar? Of, indien hy nòg meent wat hy scheen te denken, voor er iets ‘vlamde en kliefde’ tusschen z'n eerste stuk en het tweede:

Ieder beseft - namelyk: ook zonder dien ondertitel - dat hier voor toeschouwers en hooggeplaatste personen iets te leeren valt.[8]

...indien de heer V. dit nog altyd meent, waarom sloeg hyzelf dan, in z'n ‘verslag’ geheel-en-al, en by z'n latere opmerkingen byna geheel, die derde Akte over? Juist dàt deel alzoo van 't stuk, waarop zyn aangehaalde woorden moesten geacht worden in de eerste plaats toepasselyk te zyn?

Hoe, m'nheer Vosmaer, gy besteedt anderhalve kolom aan 't betoog dat het kuiperytje u niet helder is, en aan 'n paar aanmerkingen op enjambement en klemtoon, terwyl ge over die geheele derde Akte - waaruit dan toch naar uw meening: ‘voor toeschouwers en hooggeplaatsten wel iets zou te leeren vallen’- slechts tien regels ten-beste geeft? Tien regels, waarvan acht gewyd zyn aan 't ‘vermakelyk staatkunstknutselarytje’ tusschen Miralde en Van Huisde, zoodat er voor de behandeling van de in dat Bedryf voorkomende hoofdzaak, slechts twee regels overblyven?

Dat ge 't recht hebt de punten te kiezen, die ge uw aandacht waard keurt, spreekt vanzelf. Maar ik heb het recht uit die keus, - in-verband met andere opmerkingen - gevolgtrekkingen te maken, en u te vragen of er niet iets Bogowontisch ligt in zoo'n vreemde repartitie?

In-verband met andere opmerkingen! Hiertoe behoort o.a. zekere bevreemding over de ongelyksoortigheid der beide helften van uw ‘bewondering’ en vooral over het slot van de tweede helft. Ge kent immers den regel: desinit in piscem, enz.?

Ik arme, die met verlangen uitzag naar iets als behandeling van Louise's denkbeelden over de ‘staatkundige’ ziekten van den dag! [9]

Ik, die gereed stond alle op- en aanmerkingen - mits getuigende van eerlykheid, en die verwachtte ik hier! - dankbaar in overweging te nemen, en daarmee ten-algemeenen-nutte m'n voordeel te doen by 'n volgende uitgaaf!

Wat vind ik?

Een zoetzure uitnoodiging aan de Natie...

Ik vraag den heer Post, tot wien anders dan tot de Natie de heer Vosmaer in den Spectator 't woord richt?

...een christendomachtige uitnoodiging aan de Natie, omter-wille van de aardige dingetjes die ik nu-en-dan schryf, m'n verdorvenheid door de vingers te zien!

Zóó immers ben ik wel genoodzaakt de woorden te vertalen, waarmee de heer Vosmaer z'n stuk over Vorstenschool besluit. Hier zyn ze:

‘Met een enkel woord weet de dichter de fijnste snaren van de ziel te doen trillen, het geheele gemoed in beweging te brengen. Hij heeft van die accens de coeur, omdat hij schrijft uit zijn eigen zieleleven.
Multatuli heeft zijn naam ontleend aan den bekenden versregel van Horatius.

Multa tulit fecitque puer, enz.

Citaten zijn de muntstukken wier beeld en schrift door het onophoudelijk gebruik verslijten tot onkenbaar worden toe. Ja, sommigen vertoonen geheel andere vormen dan die de munter er in sloeg. Horatius gebruikt deze woorden als groote lofspraak: hij heeft, zegt hij, veel gedragen en veel gedaan, in het zweet zijns aanschijns, in koude, en bij velerlei onthouding.
En de menigte heeft van dien regel, eerst spelend geparodieerd, later onkundig een schimp gemaakt.
Niet anders is het met Multatuli's beeltenis gegaan. Het gebruik, en misschien menige vuile vinger die 't muntstuk beduimelde, heeft er den grilligsten, soms leelijksten schijn aan gegeven. Maar “schijn is geen blijk.” Zal men bij zulk een smachten naar het hoogere en edelste, bij zooveel grootsche gedachten, bij zooveel kiesch en teeder gevoel, bij zulk eene verhevene opvatting van het leven, bij zooveel kreten uit het hart, als in de regels van dit drama ons beurtelings roeren en verheffen, beweren dat dit alles maar door de verbeelding verzonnen is? Geloove wie het kan. Een groot dichterhart moge veel geleden en gedragen hebben, het moge zelfs gedoold hebben en gefaald - het blijft toch een groot dichterhart.
En zijn schepping met liefde en bewondering te gemoet te komen, moet ons een waardiger lust zijn dan te veroordeelen, waar toch de diepste roerselen ons onbekend zijn.

Men ziet, de heer Vosmaer pleit verlichtende omstandigheden. Dit is duidelyk, al weet ik niet waarvoor?

Minder duidelyk is het me, hoe ik z'n woorden moet kwalificeeren? Nog altyd ben ik in 't onzekere over de stemming waaruit ze voortkwamen. 't Zou me leed doen, 'n welmeenende ruw te bejegenen. Wanneer ik evenwel gelooven moest, hier te-doen te hebben met 'n verfynde uitgaaf van den Arnhemsche Q...

By twyfel is onthouding plicht. [10] Ik zal er over nadenken.

Misschien voelt de heer Vosmaer zich opgewekt, my op den weg te helpen. Hyzelf immers zou 't jammer vinden, niet waar, indien sommigen z'n ‘bewondering’ en z'n poging ‘om anderen tot bewondering optewekken’ aanzagen voor 'n perfidie? Men is er toe in-staat.

Wat my betreft, ik herhaal voorloopig de betuiging dat ik 'n goed mensch ben. Eenvoudiger kan ik m'n protest niet inkleeden, tegen de zonderlinge schuldvergiffenis die eigenlyk - zeker tegen de bedoeling van den heer V. - my zeer onverwacht in staat van beschuldiging stelt. Ik meen aanspraak te hebben op wat anders. (310)

En... ook dit laatste staaltje van wat er uit de Natie tot my komt, beveel ik zeer aan in de opmerkzaamheid van den heer Post.

(Noot van 1874.) De goede bedoeling van den heer Vosmaer is later zoo overtuigend gebleken, dat alle onzekerheid hieromtrent heeft opgehouden. [11] Maar even zeker is het, dat de Kappellui zich van zyn hartelyk gemeende woorden hebben meester gemaakt, om by-voortduring den Schmoel te spelen. [12] Dáártegen blyf ik protesteeren. Men moet de gespeelde rollen niet verwisselen. Ik deed en doe m'n plicht. Ik toonde 'n goed mensch te zyn. De nederlandsche Natie deed en doet haar plicht niet, en gedraagt zich by-voortduring schelmachtig, zoowel ten-mynen-opzichte als ten-aanzien der zaak waarvoor ik optrad. Zóó staan de zaken en niet andersom, n'en déplaise aan de velen die 't aangaat. Dat 'n tot in 't merg bedorven Volk nog vergiffenis aanbiedt aan den enkele die door daad en woord opwekte tot verbetering, is wel... onbeschaamd, maar hoofdzakelyk koddig. De Farizeen uit Jezus' tyd waren zoo grappig niet! [13]
Den heer Vosmaer vraag ik vergiffenis voor m'n weifelen omtrent de strekking van z' n woorden. De oprechte hartelykheid die hem bezielde, behoeft na z'n ‘Zaaier’ geen betoog. [14] Ik laat dan ook in dezen herdruk de laatste bladzyden slechts staan om de daarin voorkomende verdenking, voor zooveel hem aangaat, onvoorwaardelyk intetrekken.


[1] Herhaaldelyk schreef ik in vorige nummers de poging om my doodtezwygen - waarom toch, als de Natie me niet kent? - aan twee oorzaken toe, of liever, ik beweerde dat traagheid de valsheid in de hand werkte.

Met 'traag' bedoelt M. 'lui', zodat zijn gecombineerde verklaring op luiheid plus oneerlijkheid neerkomt. Mijzelf lijkt domheid plus egoïsme zinniger: Een deel van het publiek van welgestelden dat M. probeerde aan te spreken was niet echt in staat hem te volgen en een minstens zo groot deel begreep dat hun welstand bestond bij gratie van wat M. kritiseerde.


[2] Dit blykt o.a. hieruit, dat er over myn handelingen te Lebak nooit 'n woord gesproken wordt, en zelden 'n woord over de werken die op den Max Havelaar gevolgd zyn...

Een deel van de reden is ongetwijfeld dat M. zich na de Max Havelaar in de ogen van veel Nederlandse burgers ontpopt had als iemand die zowel schandalig leefde en daarover schreef (Minnebrieven) als ook nog eens tal van zeer radikale meningen had over allerlei onderwerpen (Ideen 1).


  [3] Ik blyf vragen waarom de pers van de Natie m'n Minnebrieven niet behandeld heeft? M'n twee stukken over Vryen arbeid? M'n Ideën? M'n Een-en-ander over Pruisen en Nederland? M'n studie over Specialiteiten? De in één bundeltje verzamelde Verspreide Stukken, waaronder de brief aan Van Twist, die beter dan de Havelaar m'n punt van uitgang beschryft?

Dit zijn goede vragen en het betreft goede boeken. Als aangegeven in eerdere commentaren is het antwoord vooral dat M. voor de meeste Nederlanders te radikaal was; te veel kritische ideeën had; te veel verwierp; en een veel te goed polemist was om aan te durven vallen.


[4] By 't antwoorden op deze vragen, is 't zeer moeielyk het aandeel der beide faktoren valsheid en luiheid te bepalen. Als hulpmiddel diene dat het oppervlakkig en innocent tooneelspel de Bruid daarboven wèl besproken is.

De reden daarvoor zal zijn dat dit geen bestaande Nederlandse maatschappelijke toestanden of levende personen kritiseerde.


[5] Een kurieus voorbeeld daarvan leverde dezer dagen de heer Vosmaer in den Spectator...

Vosmaer was een indertijd bekend Nederlands schrijver, die kort nadat dit idee geschreven werd bevriend raakte met M. en dat tot M.'s dood bleef.


[6] Ik ben, ook in deze soort van aandoening, geheel-en-al 'n mensch, 'n gewoon mensch, 'n kompleet mensch, d.i. 'n mensch die vatbaar is voor alle indrukken, waarvoor we kunnen aannemen dat de mensch behoort ontvankelyk te zyn, op-straffe van degradatie tot 'n stuk steen of mislukten filosoof. Homo sum, en ik voel niet de minste begeerte iets anders te zyn. Nog minder, my als iets anders voortedoen.

Dit betreft M.'s ontvankelijkheid voor lof en bewondering van zijn werk, in dit geval zoals geuit door Vosmaer. Dat is begrijpelijk, maar het is toch ook zo dat M. zich in een groot deel van zijn gepubliceerd werk niet als een 'gewoon mensch' gepresenteerd had.


[7] Ikzelf namelyk geloof dat Vorstenschool 'n goed stuk is. Maar... er zyn gebreken in, en ik had tot onderlinge oefening den heer V. daarop willen opmerkzaam maken.

Ik geloof dat niet (zie Nawoord) maar het is ongetwijfeld waar dat M. serieus geïnteresseerd in weerklank van schrijvers die hij kon waarderen over het schrijven voor toneel.


[8] Ieder beseft - namelyk: ook zonder dien ondertitel - dat hier voor toeschouwers en hooggeplaatste personen iets te leeren valt.

Dit is wat Vosmaer van Vorstenschool vond. Ikzelf denk daar anders over, en legde dat uit in mijn Nawoord.


[9] Ik arme, die met verlangen uitzag naar iets als behandeling van Louise's denkbeelden over de ‘staatkundige’ ziekten van den dag!

Zie het derde bedrijf. Ikzelf was van Louise's denkbeelden daarover niet bepaald onder de indruk.


[10] By twyfel is onthouding plicht.

Ik ligt dit eruit als puntige zegswijze, maar ook om op te merken dat juist dit vaak niet kan:

Men moet vaak kiezen vóórdat men alle informatie nodig voor een goed-geïnformeerde keus bij elkaar heeft. De reden dat men daar toe gedwongen is komt er gewoonlijk op neer dat als men op dat moment niet kiest voor wat op dat moment het beste lijkt, de tijd voor het kunnen maken van een keus verstreken is.


 [11] De goede bedoeling van den heer Vosmaer is later zoo overtuigend gebleken, dat alle onzekerheid hieromtrent heeft opgehouden.

In feite leerden Vosmaer en Multatuli elkaar persoonlijk kennen in 1873, omdat Vosmaer naar Duitsland reisde om M. daar te ontmoeten, en bleven ze de rest van hun levens bevriend.


[12] Maar even zeker is het, dat de Kappellui zich van zyn hartelyk gemeende woorden hebben meester gemaakt, om by-voortduring den Schmoel te spelen.

Dit verwijst naar de Kruissprook uit Multatuli's Minnebrieven.


[13] Dat 'n tot in 't merg bedorven Volk nog vergiffenis aanbiedt aan den enkele die door daad en woord opwekte tot verbetering, is wel... onbeschaamd, maar hoofdzakelyk koddig. De Farizeen uit Jezus' tyd waren zoo grappig niet!

Ik geloof niet dat 'koddig' het juiste woord is, en er is een veel betere omschrijving, die van Nietzsche stamt: 'Menselijk-al-te-menselijk'.


[14] Den heer Vosmaer vraag ik vergiffenis voor m'n weifelen omtrent de strekking van z' n woorden. De oprechte hartelykheid die hem bezielde, behoeft na z'n ‘Zaaier’ geen betoog.

Dit zijn de gebundelde artikelen over Multatuli van Vosmaer, die ook opgenomen zijn als begin van de Garmond-editie van M.'s Verzamelde werken.

Idee 1036.