Idee 1034.                                                


Indien de Natie my niet kent, vraag ik tot wie dan de Oproepingen gericht waren, die voor twee jaren in de couranten verschenen, en die ik plaats geef in m'n Ideen, ook vooral om te konstateeren wat er van die ĎOproepingení geworden is. [1]

Met moeite houd ik nu m'n opmerkingen over die stukken terug. [2] 't Is me hier alleen te doen om m'n verhouding tot de Natie te kenschetsen. Hier zyn ze:

ĎMedeburgers!
 
Eene zware verantwoordelijkheid rustte op u. Een minderjarig volk van 15 millioen zielen was aan uwe voogdij toevertrouwd. Zijne bezittingen werden door u aan wanbeheer overgelaten, zijne inkomsten verduisterd, zyne opvoeding verwaarloosd, zyn personen mishandeld en tot slavenarbeid gedoemd. Groote en kleine profeten waren onder u opgestaan, doch gij hoordet hen niet. Hunne waarschuwende en bestraffende stem werd verdoofd onder het getrommel en gefluit der aanbidders van het gouden kalf, dat uit den behaalden roof voor uw aanschijn was opgericht. Koffie en suiker waren het laatste woord van alle Indische regeeringswijsheid; batige sloten, nimmer toereikend geacht, sloten den mond der gerechtigheid. Het was stikdonkere nacht, rustige rust in uwe harten. Dat zedelijk en stoffelijk bederf daaronder voortwoelden en aan de schijnbare zegepraal van onrecht over recht, van onzedelijkheid over zedelijkheid, van kortzichtige baatzucht over welbegrepen eigenbelang eene geduchte wraak voorbereidden, was U niet tot bewustzijn gekomen. Dat in uw Staats- en uw volksleven, in moederland en kolonien er zich reeds de plaatselijke verschijnselen van openbaarden, werd door u niet opgemerkt of aan andere oorzaken toegeschreven. Er was periculum in mora. Als een slaapwandelaar aan den rand van een afgrond, dreigdet gij naar beneden te storten. DŠŠr ging opeens eene rilling door den lande. Gij werd plotseling wakker geschud en van den afgrond teruggetrokken. Uw geest werd opgeklaard en het beeld van den eenigen waren God, den God van liefde en rechtvaardigheid, werd u weder duidelijk. Het gezicht van het gouden kalf vervulde u met schaamte en weerzin, - en een kreet van verruiming ontsnapte aan uwe borst, toen de Wawelaars en Droogstoppels, die u tot nu toe in zyn dienst waren voorgegaan, stikten in koffie en verdwenen. Van dien tijd af dagteekent eene betere politiek voor IndiŽ,
[*]  niet meer de zinnelijkheid en kansberekening van partijhoofden en specialiteiten, maar eene nationale politiek, de vaste wil van het Nederlandsche volk, dat niet langer verkiest de bloedzuiger te zijn van den trouwhartigen Javaan, maar strenge rekenschap vraagt van het beheer der goederen en de behandeling der persoonlijkheid van zijnen pupil. Dat er in die richting nog veel te doen overblijft, wie zal het ontkennen? Doch ik constateer slechts den geest; en die geest, welke nog dagelijks veld wint, gaat reeds dagelijks voort nieuwe vruchten af te werpen. En hij, de man, die dien geest heeft wakker geschud, wiens persoonlijkheid dus in zoovele opzichten de onze is geworden? Goud, eer en aanzien vallen den veldheer toe, die het meest heeft uitgemunt in het slachten zijner nevenmenschen. Maar hij, de veldheer der gedachte, die toenadering en liefde heeft gekweekt tusschen millioenen? Die man, medeburgers! is arm, maar arm als Job op den mesthoop, nog straks in het bezit van eenige nietige inkomsten, door zijn tot broodschrijven gedoemd talent vermeesterd, doch thans door een samenloop van omstandigheden ook van die geringe hulpmiddelen verstoken. Die man zwerft rond in het buitenland, ziek van geest en lichaam, met harde woorden aangesproken om de schamele huishuur, die hij niet in staat is te voldoen, en met of zonder eenige geschonken kreutzers in den zak, om het zwarte brood te koopen dat hem voor hongerdood moet behoeden. Dat te vernemen hinderde, schokte mij; dat te vernemen moest, meende ik, ook u hinderen en schokken. Zal dŗt dan, vroeg ik mijzelven af, onze dankbaarheid zijn jegens dien man; en zal in hem de veroordeeling onzer nakomelingschap gewettigd worden, zoo dikwijls tegen het voorgeslacht in ons binnenste opgerezen, dat een burger, die zich zoozeer verdienstelijk jegens het vaderland heeft gemaakt, in honger en ellende is moeten omkomen? Het is waar: er kunnen tegenbedenkingen worden voorgebracht. Dat de schitterendste vlam soms in walm overslaat, wordt te dikwijls waargenomen. Dat ook die man niet onfeilbaar is, wie zal het tegenspreken? Doch het feit, het ontegenzeggelijk feit van zijne groote verdienste jegens Nederland, beheerscht m.i. alle ware en onware nevenfeiten, en moet de maatstaf wezen voor onze belangstelling. De overigen zijn van ondergeschikt belang en kunnen slechts in aanmerking komen, waar het geldt de beste wijze om onze belangstelling te toonen. De barmhartige Samaritaan, het Roode Kruis vraagt niet naar den landaard of den conduitestaat der gekwetsten. Hij brengt hulp in nood, zelfs aan vijanden. Hoeveel meer moeten wij het dan doen aan een medeburger, jegens wien wij door banden van nationale dankbaarheid zijn verbonden? En nu, de practische slotsom dezer oproeping! Niets ware gemakkelijker dan zich door eene individueele bijdrage aan zijn deel in de algemeene verantwoordelijkheid te onttrekken. Dat dergelijke bijdrage, daargelaten het onaangename van den vorm, doel zoude treffen, mag worden betwijfeld. Ik wenschte dus, dat door het bovenstaande eenige edele, invloedrijke mannen onder u mochten worden opgewekt, om het initiatief te nemen tot bijeenbrengen van een fonds, waarvan de inkomsten konden strekken om, op zoodanige wijze, als geschiktst geoordeeld wordt, aan de betrokkene eene onbezorgde toekomst te verzekeren. Wel is waar schijnt het oogenblik daartoe slecht gekozen, nu, onder de noodlottige tijdomstandigheden, het Roode Kruis alle harten in beweging zet. Doch is die opgewektheid geene bloote modezucht, is zij werkelijk de heerlijke vrucht van het kruis van Golgotha, dan moet zij, wel verre van een beletsel, veeleer een aanmoediging zijn om den geest der liefde ook in andere richtingen te doen werkzaam zijn. En dan vraag ik in gemoede, of, waar de toekomst van oude dienstboden in hofjes, van oude mannen en vrouwen in daartoe bestemde godshuizen, van oudgedienden in invalidenhuizen wordt verzekerd; waar duizenden en honderdduizenden worden toegewijd aan zoovelen, die geene andere aanbeveling hebben dan hunne armoede, - of daar de hand van het Nederlandsche volk te kort mag schieten om voor ellende en doodsgebrek te bewaren een man, die in de meest versteende harten heeft bres geschoten en ons, ten aanzien van een gewichtig deel onzer verantwoordelijkheid, tot een nieuw leven, tot heil van millioenen heeft opgewekt. Dat die man mij niet tot deze oproeping heeft gemachtigd; dat hij mij persoonlijk onbekend is, dat ik slechts door mededeeling van een vriend, vergezeld van een roerend schrijven van den betrokkene, tot die oproeping ben overgegaan; maar bovenal, dat de naam diens mans, zonder dat hij genoemd wordt, op uw aller lippen zweeft, - zal, hoop ik, voor u een bewijs te meer zijn, dat het hier, zoo voor u als voor mij, slechts de vervulling geldt van nationalen plicht. Eenmaal die plicht voor oogen hebbende, heeft het Nederlandsche volk nimmer geaarzeld en zal het dat ook thans niet doen.
 
Rotterdam, 1 October 1870.
J. van Gennep

Het tweede stuk luidde aldus:

Landgenooten! In de N.R.C. van 3 Oct. jl. is een beroep gedaan op het Nederlandsche Volk, om den schrijver van den Max Havelaar in zijne ongelukkige omstandigheden tegemoet te komen. Wij hebben gemeend, voor zooveel onze zwakke krachten vermochten, aan die roepstem gehoor te moeten geven, door ons met de inzameling van bijdragen en het beheer van een daaruit te scheppen fonds te belasten. Ook onzes inziens toch geldt het hier een man, aan wien Nederland groote verplichtingen heeft. Niet alleen dat onze Letterkunde in den begaafden schrijver, met zijne rijke verbeelding, verrassenden betoogtrant, eenvoud en kracht van uitdrukking, eene ster van de eerste grootte bewondert, - zijne aanspraken reiken verder. Er was een tijd, toen de Nederlandsche scepter loodzwaar op IndiŽ drukte. Millioenen werden jaarlijks in de Nederlandsche Schatkist overgestort. Van de wijze, hoe die millioenen verkregen werden, gaf men zich geen rekenschap. Wel waren reeds sedert 1848 in het Wetgevend Lichaam welsprekende stemmen opgegaan, die tot ernstig nadenken moesten leiden. Doch er was meer noodig dan de lezing van verminkte Kamerverslagen of een weinig verspreid Tijdschrift, om den geest van belangstelling in het Nederlandsche Volk, tot in de harten onzer vrouwen en kinderen te doen doordringen. Daar verscheen de Max Havelaar! Onder het pseudoniem ĎMultatulií (die veel geleden heeft), een naam, waarop de Schrijver aanspraak had, die zijne betrekking in IndiŽ aan zijne vurige (volgens zijne superieuren, te vurige) zucht tot herstel van onrecht had opgeofferd, deed zijne geniale pen ons eenige oogenblikken met den Javaan leven en voelen. Die oogenblikken waren voldoende om den indruk te vestigen, die niet meer kon worden uitgewischt. Wij gelooven dan ook niet veel te zeggen, door te beweren, dat, van af de verschijning van den Max Havelaar, de volksovertuiging in Nederland dagteekent, dat IndiŽ naar recht en billijkheid behoort te worden geregeerd, en dat geene koloniale politiek met de eer en het welzijn van Nederland vereenigbaar is, die niet de belangen van Moederland en Kolonie op harmonische wijze weet te doen samentreffen. Conservatieven en liberalen kunnen dit oordeel onderschrijven, welk ook hun verschil van meeningen zij omtrent de middelen tot verbetering. De schrijver van den Max Havelaar mist dan ook alle eigenschappen van een partijman. Liberalen noch conservatieven kunnen hem de hunne noemen, waar het er op aankomt hunne uiteenloopende zienswijze in practischen vorm toetepassen. Het is dan ook niet tot deze of gene partij, dat wij het woord richten, maar tot U allen, van wat godsdienst, politieke beginselen, kunne, leeftijd, rang of stand gij ook zijt, die door de lezing van den Max Havelaar tot billijker gevoelens jegens IndiŽ en zijne millioenen goedaardige en nijvere bewoners zijt opgewekt. Den man, die onze harten verzacht heeft, zijne vrouw en kinderen, den strijd des levens te verzachten, is ons doel. Moge de geniale schrijver in Uwe belangstellende medewerking eene vergoeding voor gedragen leed en eene hulde der dankbaarheid voor zijnen schoonen en vruchtbaren arbeid vinden!
De vorming van plaatselijke CommissiŽn, om ons in onze werkzaamheden te steunen, zal op hoogen prijs gesteld worden.
 
Mr. J. van Gennep, Rotterdam, Advocaat te Batavia.
Dr. H. Kern, Hoogleeraar te Leiden.
Mr. H.P.G. Quack, Hoogleeraar te Utrecht.
T.J. Stieltjes, Delft, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
A.C. Wertheim, Directeur der Nederl. Crediet- en Deposito-bank te Amsterdam.í

Ziehier het derde stuk dat 'n eind aan de zaak maakte:

ĎDe ondergeteekende, vernomen hebbende dat velen in de meening verkeeren, dat hy iets zou ontvangen hebben van de gelden die in der tyd door de dusgenaamde Multatuli-Commissie, ten zynen behoeve verzameld zyn, acht zich verplicht tot de uitdrukkelyke verklaring: dat dit niet geschied is, en niet geschieden zal.
Hy meent alzoo gerechtigd te zyn, den welwillenden die bydragen tot het Multatuli-Fonds hebben aangeboden, te verzoeken over hun by de bedoelde Commissie gestorte gelden wel te willen beschikken.
[**]
 
Wiesbaden, 11 September 1872.
Multatuli

Nog-eens: met moeite weerhoud ik my van opmerkingen over deze stukken. Ik vraag nu alleen: of er mag beweerd worden dat de daarin behandelde persoon by de Natie onbekend is?

[*] Noot van 1874. Hier vergist zich de heer Van Gennep. Na 't verschijnen van den Havelaar, is er in India niets, volstrekt niets verbeterd, wat dan ook blykt het zoeken niet geweest te zyn. Men begon met iemand aan 't hoofd der zaken te zetten, die geen andere verdienste bezat, dan dat-i nog sneller dan de meeste anderen, op Java ryk had weten te worden. De benoeming van den millionair Fransen van de Putte is 'n zonderlinge - doch zeer karakteristiek-Nederlandsche - repliek op 't Havelaarspleidooi. De man had in IndiŽ geld weten te maken, en dus... [3]
Nooit openbaarde zich de aanbidding van den mammon op walgelyker wys. En dan nog te spreken van verbeteringen die 't gevolg van myn boek zouden geweest zyn... de onbeschaamdheid gaat ver! Men zie hierover de Inleiding tot den brief aan den G.G. in ruste, in de Verspreide Stukken.

[**] Noot van 1876. Daar niet allen aan deze uitnoodiging hebben voldaan, is er over 't resteerende - een gering bedrag trouwens - ten-behoeve van 'n weldadig doel beschikt. [4]


[1] Indien de Natie my niet kent, vraag ik tot wie dan de Oproepingen gericht waren, die voor twee jaren in de couranten verschenen, en die ik plaats geef in m'n Ideen, ook vooral om te konstateeren wat er van die ĎOproepingení geworden is.

Uit de hieronder afgedrukte oproepen kan men ontlenen dat althans enkelen in 'de Natie' wel genegen waren enige moeite voor Multatuli en z'n gezin te doen, in de vorm van de zogeheten Multatuli-Commissie van 1870, maar dat dit Multatuli weinig of geen feitelijke hulp gaf, en zoveel ergernis dat hij verzocht deze Commissie op te houden, wat gebeurde. 


[2] Met moeite houd ik nu m'n opmerkingen over die stukken terug.

Ik heb daar aanmerkelijk minder moeite mee, maar wijs de lezer er in het voorbijgaan wel op dat vooral de eerste oproep in scherp en Multatuliaans proza is gesteld, en 'de Natie' tal van grote verwijten maakt over haar bestuur van en doen en laten in Nederlands IndiŽ die Multatuli ook gemaakt had.


[3] Men begon met iemand aan 't hoofd der zaken te zetten, die geen andere verdienste bezat, dan dat-i nog sneller dan de meeste anderen, op Java ryk had weten te worden. De benoeming van den millionair Fransen van de Putte is 'n zonderlinge - doch zeer karakteristiek-Nederlandsche - repliek op 't Havelaarspleidooi. De man had in IndiŽ geld weten te maken, en dus...

Wat betreft ' 'n zonderlinge - doch zeer karakteristiek-Nederlandsche - repliek ':

mr. Sarucco en mr. Lisser


[4] Daar niet allen aan deze uitnoodiging hebben voldaan, is er over 't resteerende - een gering bedrag trouwens - ten-behoeve van 'n weldadig doel beschikt.

Naar het schijnt - want zekerheid bestaat hierover niet - gebruikte M. het geld om een jonge bewonderaar van hem, Theo op den Coul, die op sterven lag en wiens levenseinde zeer bemoeilijkt werd door z'n zwaar katholieke familie, te helpen. Feit is dat Op den Coul overleed in Multatuli's huis in Duitsland.

Idee 1034.