Idee 1033.                                                


Men scheldt my uit. Want schelden is het, wanneer men iemand van wien bleek dat-i, levenslang eenigszins, en sedert velen jaren byna uitsluitend, een bespiegelend arbeidzaam leven leidde, tracht voortestellen als 'n beschonkene, als 'n liederlyke nachtlooper. 

En... dit duldt de Natie.

Moet ik me anders uitdrukken?

Welnu dan: uit de Natie, uit dezelfde Natie die m'n werken verslindt, gaat geen enkele stem op om te protesteeren tegen zulke infamie! Men duldt het, dat ik m'n pen moet gebruiken tot het bestryden van zùlke vyanden! [1]

Men belastert my. Want ‘laster’ is het, wanneer men iemand die bewees 'n goed mensch te zyn, en in-verhouding tot het algemeene peil, 'n uitstekend goed mensch... [2]

Of heb ik gelogen in den Havelaar? Komaan, mooivinders!

Of heb ik gelogen in den brief aan den gewezen Landvoogd? Komaan, Van Twist! Me dunkt dat de termyn van antwoord als verstreken zou kunnen beschouwd worden. Die brief wordt over weinige weken (Januari 1872) vyftien jaren oud! Maar nòg roep ik u toe: antwoord! Nog wil ik u te-woord staan, als ge meent dat ik in iets, hoe gering ook, de waarheid te-kort deed. [*]

Gedurende die vyftien jaren hebt gy rustig geleefd. Ge hadt tyd en loisir, dunkt me, om u gereed te maken tot het geven van eenig ànder antwoord, dan den door de Natie zoo goed begrepen wenk, my aftemartelen door laster! [3]

Ik bracht dien tyd ànders door, dit verzeker ik u! Ik zwierf, en leed gebrek, en werd gesmaad, en... arbeidde. Misschien zou ik me, als ge nu eindelyk eens spraakt, mogen beroepen op de afmatting die 't doel van uw taktiek schynt geweest te zyn. [4] Welnu, ik beroep me hierop niet! Als waren de zaken waarover ik u in Januari '58 schreef, eerst gister gebeurd - ik heb nooit gelogen, en dus geen byzonder geheugen noodig! [5] - ik zal u te-woord staan. Komaan, m'nheer Van Twist!

Nu ja, hy zal met zwygen voortgaan.

En waarom ook niet? Hy weet immers dat de Natie het duldt? Hy weet dat niemand hem in 't aangezicht spuwt... [6]

En over die Natie zou ik me niet mogen beklagen, omdat ze my ‘niet kennen’ zou? Wat is openbaar, indien niet myn grieven openbaar zyn, en de taktiek waarmee men ze tracht te smoren? [7]

Herhaaldelyk beweerde ik dat zy die ik aantastte, niet ‘durfden’ spreken. De heer Post ontkent dit, en schynt myn bewering te willen ontzenuwen door 't feit dat hy me antwoordt. Dit geloof ik gaarne! Gy, Post, hebt niets op uw geweten, en daarom doet juist uw schryven de beteekenis uitkomen van 't zwygen der anderen, die ik aantastte. Om konsekwent te zyn met den indruk die U aanspoorde tot het opvatten van de pen, behoort gy even als ik verontwaardigd te wezen over de dryfveeren, waardoor al die anderen - hen die ik noem en uitdaag - zich hiervan lieten terughouden. [8]

En welke dryfveeren zouden dit dàn zyn, indien ik ongelyk had ze te zoeken in gebrek aan moed?

Moet ik U herinneren dat er in m'n uitdrukking: ‘niet durven’ geen zelfverheffing ligt, alsof er vrees zou bestaan voor myn persoon? Indien ik beweer - om nu by dien Van Twist te blyven, als 't beste exempel van de laaghartigheid die ik brandmerk - dat hy ‘niet durft’ dan zal dit toch wel beduiden, niet waar, dat hy naar myn inzien geen kans ziet de door my geopperde stellingen met goeden uitslag te bestryden? Is 't verkeerd gezegd, als ik dit ‘niet durven’ noem? En is dit niet evenzeer van toepassing op anderen? Herinner u de vertelling over den verwunschenen Bogowonto!

Niet durven! Wat ànders? Ge hebt toch m'n werken gelezen, gy die u m'n leerling noemt? Zonder nu te spreken van stryd, aanval, vyandschap... is 't niet, ook reeds uit 'n litterarisch oogpunt alleen, 'n vreemd verschynsel dat ze nooit - of zoo goed als nooit - besproken werden in dagblad of tydschrift? [9]

Kunt ge ook dáárop de vraag toepassen: wie zal 't drukloon betalen?

Zeer wel weet ik, dat de poging om op dit terrein m'n arbeid doodtezwygen, 'n anderen grond heeft dan, byv. het zwygen van dien Van Twist. Zonder de zich overal openbarende schuwheid voor... den Bogowonto zou ik in beraad staan het niet eens voor 'n poging aantezien, en misschien de heele zaak toeschryven aan de eigenaardige traagheid die zich in byna alle voortbrengselen der hedendaagsche letterkunde openbaart. (Zie Naschrift Bruid d.b.) 't Een belet het ander niet. Het door Van Twist gegeven wachtwoord is nu eenmaal, m'n persoon te belasteren, en myn handelingen zoowel als m'n werken te ignoreeren. [10] Dit laatste doel meent men te kunnen bereiken door onthouding, en daar nu de afkeer van de inspanning die tot het ontleden myner denkbeelden zou noodig zyn, denzelfden weg uit wyst, werken luiheid en valsheid elkander in de hand. (blz. 172, 173.)

Drukloon? Wie betaalt het drukloon van myn werken? Ik niet, dit verzeker ik u! Integendeel, men betaalt honorarium aan my. Waarom dan zou 't bestryden van die werken, mits 't met eenigen schyn van grond geschiedde, onkosten veroorzaken?

De heer Post wordt verzocht, zich by de overdenking dezer vraag, niet te bepalen tot z'n onmiddelyke omgeving. De meest bekwame jongelieden - ik begryp dit - zouden niet terstond slagen in 't vinden van 'n uitgever voor 'n eerst werk. Maar... ouderen, hooger geplaatsten, zy die 'n naam kunnen aanbieden als borg voor 't welgelukken der onderneming? Meent de heer Post dat de zwerm doctoren en hoogdoctoren in allerlei vakken - of wel hun uitgevers - slechte rekening zouden maken door 't weerleggen van myn stellingen? [11]

Zouden ook Van Twist en dezulken zwygen uit angst voor de rekening van 't drukloon? Me dunkt dat een tegen my gericht werk goed ontvangen, of althans gekocht worden zou. En te geruster kan men 't schryven hiervan wagen, omdat men by-gebrek aan eigen talent, opgang maken zou door 't uitgestrooid praatjen over het myne.

Ik laat nu in 't midden, in-hoever sommigen behoefte hebben zouden aan dit laatste bemoedigings-motief, en durf niet beslissen of hier de treurige verzuchting te-pas komt, die ik meedeelde in 1011. Tot het voorstaan van Waarheid, is geen talent noodig. Geen ander talent althans, dan ook den eenvoudigste gegeven wordt door 't besef zèlf van die Waarheid. [12] Ik behoef van den heer Post niet te gissen, dat-i hiervan overtuigd is. Hy zegt het uitdrukkelyk in z'n brief, die niet zou geschreven zyn, indien deze betuiging niet oprecht was.

Weer noodig ik hem uit, zich rekenschap te geven van de oorzaak die alle anderen beletten te handelen als hy? Hen vooral die daartoe meer dan hy geroepen schynen?

Het is me ondenkbaar dat-i daarna niet zou instemmen met m'n oordeel over de Natie.

Wat hem in dit geval zou weerhouden hebben reeds vroeger zoo'n eenvoudig middel ter beoordeeling van ‘Publiek’ aantewenden, zullen we straks onderzoeken by 't weerzien van de Nieuwe-Rotterdamsche Courant, en haar Staatkunde.

[*] Noot van 1873. Bedoelde brief komt voor in de ‘Verspreide Stukken’ (Amsterdam, by G.L. Funke.) Slechts in den duur van den doodstryd myns vermoorden voorgangers, heb ik me vergist. Kort na 't verschynen van den Havelaar, verklaarde de geneesheer die hem behandeld had, dat hy langer geleefd heeft, dan ik van de weduw meende verstaan te hebben. By deze refutatie - de eenige waaraan men zich ooit gewaagd heeft! - zou 't ontkennen der vergiftiging te-pas gekomen zyn, als er ontkenning mogelyk ware! De door dien dokter gemaakte opmerking op 'n byzaak, levert alzoo 'n bewys te meer voor de door my medegedeelde hoofdzaak. Myn voorganger die slechts gedreigd had z'n plicht te zullen doen, was vermoord. Ik wist dit, dééd m'n plicht in die omstandigheden, en word door de Natie uitgemaakt voor 'n slecht mensch, of bespot met den naam van mooischryver. [13]
Hoe oordeelt hierover de heer Post, die party-trekt voor Recht?


[1] Welnu dan: uit de Natie, uit dezelfde Natie die m'n werken verslindt, gaat geen enkele stem op om te protesteeren tegen zulke infamie! Men duldt het, dat ik m'n pen moet gebruiken tot het bestryden van zùlke vyanden!

Dit veranderde enigszins voor M. korte tijd later, toen de - in zijn tijd - bekende schrijver mr. Carel Vosmaer Multatuli's kant koos. Ook is het zo dat M. minstens enigermate naïef was indien hij in de vooronderstelling leefde dat Nederlanders hem niet zouden trachten 'voortestellen als 'n beschonkene, als 'n liederlyke nachtlooper' of erger indien hij hun geloof, hun staat, hun koloniale praktijken, hun onderwijs, hun moraal en hun overige gebreken zou bestrijden in zeer sarcastisch en satirisch proza.


[2] Men belastert my. Want ‘laster’ is het, wanneer men iemand die bewees 'n goed mensch te zyn, en in-verhouding tot het algemeene peil, 'n uitstekend goed mensch...

M. was sneller dan veel Nederlanders met de betuiging dat hij zelf een goed mens was. Nederlanders vinden dit namelijk onbescheiden.


[3] Gedurende die vyftien jaren hebt gy rustig geleefd. Ge hadt tyd en loisir, dunkt me, om u gereed te maken tot het geven van eenig ànder antwoord, dan den door de Natie zoo goed begrepen wenk, my aftemartelen door laster!

[4] Ik bracht dien tyd ànders door, dit verzeker ik u! Ik zwierf, en leed gebrek, en werd gesmaad, en... arbeidde. Misschien zou ik me, als ge nu eindelyk eens spraakt, mogen beroepen op de afmatting die 't doel van uw taktiek schynt geweest te zyn.

[5] ik heb nooit gelogen, en dus geen byzonder geheugen noodig!

Dit ligt ik eruit als puntig gezegde, al is het waar dat wie zegt nooit te liegen evident liegt: Het leven in een moderne maatschappij is onmogelijk zonder dagelijkse leugens - zoals M. trouwens zelf wist en regelmatig toegaf in z'n brieven.

Hier bedoelt hij dan ook dat hij nooit gelogen heeft over de zaak Lebak.


[6] En waarom ook niet? Hy weet immers dat de Natie het duldt? Hy weet dat niemand hem in 't aangezicht spuwt...

Zie voor dit spuwen Ideen 1 nr 56, 10 jaar eerder geschreven dan dit Idee.


[7] En over die Natie zou ik me niet mogen beklagen, omdat ze my ‘niet kennen’ zou? Wat is openbaar, indien niet myn grieven openbaar zyn, en de taktiek waarmee men ze tracht te smoren?

Dit is natuurlijk ook geheel terecht.


[8] Om konsekwent te zyn met den indruk die U aanspoorde tot het opvatten van de pen, behoort gy even als ik verontwaardigd te wezen over de dryfveeren, waardoor al die anderen - hen die ik noem en uitdaag - zich hiervan lieten terughouden.

Ikzelf betwijfel of de aankomende dominée Post daar werkelijk verontwaardigd over was. En in ieder geval gold zijn voornaamste verontwaardiging Multatuli's kritiek op moderne dominées: Het was eerder dat hij zich persoonlijk aangesproken voelde dan dat hij over Nederland zo dacht of voelde als M.


[9] Zonder nu te spreken van stryd, aanval, vyandschap... is 't niet, ook reeds uit 'n litterarisch oogpunt alleen, 'n vreemd verschynsel dat ze nooit - of zoo goed als nooit - besproken werden in dagblad of tydschrift?

Ja, en het toont vooral de totalitaire hordengeest aan die in de meeste Nederlanders, en de meeste mensen, kenmerkt en die dicteert dat wie tegen Ons is - Onze groep, Onze Leiders, Onze Normen en Waarden, Onze Ideologie, Ons land, Onze partij, Ons Geloof - niet deugt, niet serieus genomen kan worden, en vervolgd, gediscrimineerd of doodgezwegen mag worden, omdat-ie dat, naar Onze inzichten en gevoelens gemeten, verdient.

Iets als deze overweging, maar waarschijnlijk een stuk minder duidelijk geformuleerd, moet zeer vele redacteuren van Nederlandse tijdschriften in Multatuli's tijd bewogen hebben hem dood te zwijgen, inderdaad op wat M. Bogowontische wijze noemde, dus met een motief dat het best kort zo verwoord wordt: Deze man is naar de begrippen van de doorsnee onfatsoenlijk, dus is het fatsoenlijk voor ons hem dood te zwijgen.


[10] Het door Van Twist gegeven wachtwoord is nu eenmaal, m'n persoon te belasteren, en myn handelingen zoowel als m'n werken te ignoreeren.

M. vergiste zich in de mening dat dit terug zou gaan op een wens of instructie of wenk van Van Twist: Mensen zitten gemiddeld zo uitelkaar, zoals in [9] betoogd.


[11] Meent de heer Post dat de zwerm doctoren en hoogdoctoren in allerlei vakken - of wel hun uitgevers - slechte rekening zouden maken door 't weerleggen van myn stellingen?

Nu, er is eerst het in [9] betoogde, dat verduidelijk waarom de Nederlandse academici en professoren van zijn tijd het moreel juist achten geen aandacht aan M. te besteden (namelijk: omdat 'men' hem in meerderheid moreel afkeurde: Geweten inzake iets is immers wat men denkt dat de machthebbers of de meerderheid van dit iets denken zal), en er is verder de overweging dat al M.'s Nederlandse tijdgenoten wisten niet tegen hem opgewassen te zijn in een polemiek.


[12] Tot het voorstaan van Waarheid, is geen talent noodig. Geen ander talent althans, dan ook den eenvoudigste gegeven wordt door 't besef zèlf van die Waarheid.

Nee, dit is zeker niet waar voor wie leeft in een totalitair klimaat, of dit nu een staat of een religie is: Waar het hebben of uiten van een standpunt gevaarlijk is, daar hebben mensen met individuele en afwijkende standpunten in ieder geval moed nodig, wat net als intelligentie onder doorsnee mensen zeldzaam is.

Dit staat bovendien overwegend of geheel los van 'de' waarheid, hoewel niet van wat mensen voor de waarheid houden.

Een bedroevend feit over mensen is dat de grote meerderheid ervan grote moeite heeft met het innemen van welk individueel standpunt ook dat zij weten dat in hun groep niet de instemming van de meerderheid heeft.

En de enige overweging die dit minder bedroevend maakt is het nog bedroevender feit dat de grote meerderheid een heel begrijpelijk gelijk heeft met hun moeite publiek af te wijken van de doorsnee, dat er in bestaat dat doorsnee-mensen maar al te makkelijk levensgevaarlijk kunnen blijken voor afwijkende individuen onder hen, die vaak minstens zo wreed behandeld worden door de hen omringende meerderheid als de spreekwoordelijke zondebok onder geiten. Voor wie redelijk wat van geschiedenis weet is 'Homo homini lupus' lasterlijk... voor wolven.

Het zijn kennelijk alleen zeer afwijkende individuen als Multatuli die niet meegekregen hebben in hun genen of opvoeding hoe levensgevaarlijk doorsnee-mensen kunnen zijn voor wie geen doorsnee-mens is. 


[13] Myn voorganger die slechts gedreigd had z'n plicht te zullen doen, was vermoord. Ik wist dit, dééd m'n plicht in die omstandigheden, en word door de Natie uitgemaakt voor 'n slecht mensch, of bespot met den naam van mooischryver.

Preciezer gezegd: Dat M.'s voorganger te Lebak was vermoord is wat M. dacht in Lebak, en beschreef in de Max Havelaar, vanwaar zijn noot waaruit ik hier citeer.

Of het wáár was is nooit behoorlijk uitgemaakt. Zo is bijvoorbeeld beweerd dat M.'s voorganger 'gewoon' aan een lever-abces overleed, maar zelfs als deze diagnose indertijd gesteld is dan blijft het een feit dat de medische wetenschap in M.'s tijd niet veel voorstelde, en de diagnoses dus ook niet, en een feit dat er veel vergiften in Nederlands Indië waren waar geen tijdgenoot veel van wist, en al helemaal niet in hoe het gebruik ervan als moordwapen te diagnosticeren.

Het is wel waar dat M.'s voorganger dezelfde misbruiken had proberen te bestrijden als waartegen M. zich verzette.

Idee 1033.