Idee 1031.                                                


De Natie kent my niet, zegt de heer Post

Ze schynt het toch de moeite waard te vinden, my door haar woordvoerders te doen lasteren.

Die woordvoerders zyn alweer niet de Natie, hoor ik zeggen.

Goed. Maar wie of wat is dàn de Natie? Of bestaat er geen Natie? [1]

Onze verzenmakers en gelegenheids-enthouziasten spreken gewoonlyk ànders! Zy toch weten die zoo moeielyk te vinden Natie wel optesmukken met al de deugden die den volmaaktstgedachten hemel vervelend kunnen maken. Ik heb altyd gehoord dat de Natie was: weldadig, rechtvaardig, eerlyk, dapper, vlytig, edelmoedig, enz.

Hoe toch heeft ze 't aangelegd, om al die volkomenheden te openbaren, als 't zoo vreeselyk moeielyk is natesporen wie haar dan toch eigenlyk vertegenwoordigt?

En is de boekhouding zuiver, wanneer men wel 't in de lucht springen van 'n held inneemt als bate van eer, maar terstond alle solidariteit van de hand wyst, zoodra er schâ zou te boeken vallen van tegen-overgestelde schande? Op zoo 'n manier kan de ellendigste horde Vuurlanders al heel gemakkelyk aan 'n voordeelig saldo van nationale voortreffelykheid geraken. De eischen der Waarheid luiden anders!

Indien 't niet de Natie is, die my miskent, lastert en martelt, dan heeft ook niet de Natie ‘haren bodem ontwoekerd aan de baren.’ Dan heeft ook zy niet ‘het Spaansch geweld getemd in 'n worstelstryd van tachtig jaren lang.’ Dan heeft ook niet de Natie ‘den trotschen Engelschman vernederd, en den Oceaan ontboeid.’ Dan heeft ook zy niet...

Genoeg, niet waar?

De voorbeelden van Nederlandsche voortreffelykhedens liggen voor 't grypen. Het mistasten zou moeielyk vallen aan den onhandigsten blindeman. Waarom dan my hard gevallen over 't gebruik van dat bepalend lidwoord?

Ik vertrouw dat de heer Post my de wetenschappelyke konscientie toekent - in dit geval: in hoedanigheid van auteur slechts - die ik even aanroerde op blzz. 61 en 62 (in de tweede uitg. blz. 71) van m'n Specialiteiten...

Alweer te veel vertrouwd, naar ik wel veronderstellen moet uit het toepassen op my, van de vertelling over 't inkorrekt gebruik van mathematische scheldwoorden, waarmee Theodor Hook 'n onbeleefde vischvrouw... begroette.

Ik wil even de juistheid der strekking van dat aardig citaat onderzoeken. Doch vóór alles 'n proeve van definitie:

Scheldwoorden zyn zoodanige interjektief gebruikte nomina die alleen ten-doel schynen te hebben, den daarmee gebeneficeerde op onaangename wys te kennen te geven dat men hem niet genegen is, en tevens het gemoed des sprekers te ontlasten van wrevel, zonder dat er in de keuze der gebezigde benamingen wordt acht geslagen op overeenstemming daarvan, noch met de eigenschappen van de toegesproken persoon, noch met de naastliggende oorzaken die den wrevel des sprekers hebben opgewekt.

Is dit nagenoeg goed? Voor het tegenwoordig doel goed genoeg, niet waar? [2]

Wanneer men iemand ‘dief’ noemt, en hiermee wil te kennen geven dat-i gestolen heeft, heeft men hem niet gescholden, maar beschuldigd. [3] Er zou namelyk harmonie bestaan tusschen de beoogde kwalifikatie van daad of karakter, en 't daartoe gekozen woord.

De wiskunstige termen van Theodor Hook echter, waren - tenzydi in z'n vischvrouw inderdaad driehoekige of parallelopipedische eigenschappen meende ontdekt te hebben, en haar hiervan wilde kennis geven: ‘ten-fine van naricht’ - ze waren inderdaad scheldwoorden. Het doet er nu niet toe, dat-i hiermede niets anders bedoelde dan 't parodieeren der, waarschynlyk even baroque, interjektien van z'n partner.

Die partner was 'n onbeschaafde persoon. En dit spyt me. Ik wenschte dat we ons haar konden voorstellen als iemand dien men geleerd had zinsneden te ronden, of nagenoeg, en die dus heden-ten-dage had kunnen optreden als auteur. Doe eens uw verbeelding 't hiertoe noodige geweld aan - zoo héél veel geweld is er niet toe noodig - en stel u voor, dat die vrouw bundels Ideen in 't licht gaf. Ik vraag u, of ze haar auteurstalent zou gebruiken om zeer in den beginne van den kursus dien ze opende, aantedringen op juistheid van uitdrukking en oefening in 't bepalen, gelyk ik deed op een der eerste bladzyden van myn Ideen? [4]

Ik gis dat niemand dit van haar verwachten zou.

Vindt ge nu dat ik 't my gemakkelyk maak, door me te vergelyken by zoo'n onbeschaafd wezen - we stelden dat ze, zonder verhooging van zielsrang, ware afgericht tot auteurschap - welnu, dan noodig ik u uit, myn konscientie der wetenschap als schryver te toetsen aan andere modellen. Doch... let hierby op de laagte van de nummers 10 en 13, en vergeet by de studie van den oorsprong dezer nummers, vooral den wenk niet dien ik trachtte te geven in 30!

In-weerwil van uw grappigen zysprong op de londensche vischmarkt, kan ik niet gelooven dat ge na zoo'n onderzoek geen vertrouwen zoudt stellen in m'n wetenschappelyk geweten. (Zie ook 799, seqq. en eigenlyk al m'n werk.) 't Komt me onmogelyk voor, dat ge my zoudt aanzien voor iemand ‘die maar zoo losweg wat neerschryft.’ Dit blykt dan ook - lynrecht tegen de bedoelde strekking der vischmarkt-epizode in - uit uw geheelen brief, die achterwege zou gebleven zyn indien gy gemeend hadt dat ik 'n kogelbaan-beschryvende rog met het overbrengen van m'n argumenten belastte, of wel dat ik ooit zoo'n projektiel zelf voor 'n argument wilde doen doorgaan.

Ik van myn kant vertrouw U te veel konscientie toe, om te vreezen dat ge hier de vooropgestelde bepaling uit het oog zoudt verliezen, en my tegenwerpen dat ik my in 'n gebezigde kwalifikatie kanvergissen. Zoodanige onjuistheid immers zou haar daarom niet doen overgaan in de klasse der scheldwoorden? Indien ik ten-onrechte iemand ‘dief noemde met de bedoeling hem diefstal te verwyten, heb ik met meer of min strafwaardige lichtzinnigheid my vergist, of ik heb gelasterd. Maar gescholden heb ik niet.

Van zoodanige vergissing zal ik straks 'n voorbeeld geven. Ik heb 'n meâ culpâ afteleggen, dat in de oogen van sommigen kracht zal byzetten aan dat gedeelte van den leidschen brief, waarin ik wordt beschuldigd van... onrechtvaardigheid jegens de ‘modernen.’ Aldus namelyk vertaal ik 't door den heer Post ten-onrechte gebruikte woord ‘laster.’ (Alweer 10!)


[1] Maar wie of wat is dàn de Natie? Of bestaat er geen Natie?

In de meerderheid van de gevallen dat er van 'de Natie', 'het Nederlandse volk' - en zeer veel meer van dergelijke uitdrukkingen voor verzamelingen van mensen die méér omvat dan een face-group - is het 't verstandigst er vanuit te gaan dat men te maken heeft met een gepersonificeerde fictie.


[2] Scheldwoorden zyn zoodanige interjektief gebruikte nomina die alleen ten-doel schynen te hebben, den daarmee gebeneficeerde op onaangename wys te kennen te geven dat men hem niet genegen is, en tevens het gemoed des sprekers te ontlasten van wrevel, zonder dat er in de keuze der gebezigde benamingen wordt acht geslagen op overeenstemming daarvan, noch met de eigenschappen van de toegesproken persoon, noch met de naastliggende oorzaken die den wrevel des sprekers hebben opgewekt.

Is dit nagenoeg goed? Voor het tegenwoordig doel goed genoeg, niet waar?

Nu, het kan eenvoudiger, helderder en korter: Scheldwoorden zijn woorden die men gebruikt om een ander te kwetsen.

M.'s toevoegingen dat ze dienen om het gemoed van de spreker te ontlasten en dat met scheldwoorden geen acht wordt geslagen op hun feitelijke juistheid mogen vaak waar zijn, maar hoeven geheel niet het geval te zijn. Zie ook mijn volgende opmerking.


[3] Wanneer men iemand ‘dief’ noemt, en hiermee wil te kennen geven dat-i gestolen heeft, heeft men hem niet gescholden, maar beschuldigd.

Dit hangt op M.'s toevoegingen in z'n definitie die ik afkeurde. En men kan iemand wel degelijk beschuldigen in opzettelijk beledigende termen of in termen die de belediging van het beschuldigd worden proberen te vermijden, als in 'u hebt zich dit wederrechtelijk toegeëigend, wat mij grieft'.


[4] Ik vraag u, of ze haar auteurstalent zou gebruiken om zeer in den beginne van den kursus dien ze opende, aantedringen op juistheid van uitdrukking en oefening in 't bepalen, gelyk ik deed op een der eerste bladzyden van myn Ideen?

M. was er achteraf trots op dat hij hier zo vroeg mee was in de Ideen.

Idee 1031.