Idee 1029.                                                


Wat my betreft, ik veroordeel ut supra onzen vreemdsoortigen ‘lasteraar’ tot...Jérôme Paturot. Hy moet pen, inkt, frazen en rechtzoekery verlaten, en terugkeeren tot z'n eerste liefde aan de oevers van den Brantas. 

- En waarom schryft gy dan, vraagt ge? [1]

Helaas, men heeft me geen ander plekjen overgelaten, waar iets te kappen viel. Ge zegt, over uw djati-hout sprekend:

Menig balkenvlot des heeren Loudon zag ik voor m'n oogen verbryzelen of uit elkander slaan...

En m'n Ideën dan, o Brata Yoeda, die me wat méér kosten, dan 't door vreemde handen voor dien heer Loudon gekapte hout?

...terwyl de vlotters zich zwemmende moesten redden. De minste afwyking van juistheid in richting, was voldoende om zoo'n vlot overdwars te doen gaan...

En m'n Ideën dan, o Brata Yoeda?

...en dan was er geen redding meer mogelyk. De geweldige stroom zou dan de vereenigde pogingen van vyftig roeiers hebben krachteloos gemaakt...

Krachteloos gemaakt? O neen. Verydeld? Misschien. Maar vyftig roeiers zegt ge? Vyftig? En ik dan, die geheel alleen roei tegen zoo'n stroom? [2]

...als 'n pyl werd dan 't vlot meegesleurd, tot het optornde tegen een of ander rotsblok...

Juist! Tegen onwil uit zedeloos eigenbelang, en dit nog niet eens goed begrepen! [3]

...tegen 'n verraderlyken boomstam...

Juist, juist, juist! Tegen verraderlyken laster, surrogaat van 't eerste beproefd even verraderlyk doodzwygen!

...met zulk 'n kracht, dat djati-balken van honderd voet lengte en vier voeten vierkant, ombogen en knapten als zwavelstokken.

En m'n Ideën dan, o Brata Yoeda? [4]

Dat ‘omgebogen en geknapte’ hout - goed geschetst, waarachtig! [*] - was te vervangen na 't verlies. Daar ging slechts eenige handen-arbeid te-loor... wat in Indie meer gebeurt, en ook elders. Wie of wat vervangt 'n uitgeputte menschenziel, als ze knakte en brak door 't optornen tegen de logge massa domheid die 'n stompzinnig vermaak schept in zoo'n vlotbreuk? Tegen werkdadige schelmery ook, wier belang meebrengt die hindernissen in haar belemmerende werking te handhaven?

Zeg me, o Brata Yoeda, wanneer bestreedt gy minder onedelen vyand, toen ge te worstelen hadt met den stroom van den eerlyken Brantas, of toen ge den zondvloed van vuil woudt te-keer gaan, die zich Maatschappy noemt? [5]

Keer terug tot uw vlotten, beste jongen! En... ge zegt dat de tygers, schoon niet geheel nog uitgeroeid door boschvelling en aanbouw, toch afnamen in getal ‘tusschen Borow en Djimbeh, juist op de plek waar zich thans de dessah Goelongan bevindt?

Wel... zoek dan 'n nieuwe buurt op, waar ze iets minder te lyden hadden van nieuwe dessahs en ‘beschaving.’

Uw uitstapjen in de ‘Maatschappy’ zal u geleerd hebben die tygers te bejegenen met iets als... achting.

Wat my betreft, groet ze van me, en zeg dat ik heimwee voel naar hunne wouden, en naar de eerlykheid van hun vyandschap.

[*] Noot van 1872. 't Zou me leed doen, het Nederlandsch publiek 'n wapen tegen Brata Yoeda in de hand te geven, door 't leveren van voorwendsels om z'n stem te smoren. Het spyt me dus dat ik 't zeggen moet, maar... waarheid bovenal: er zyn méér goede passages in z'n boek, en zelfs schoone! Ook de stukken die uit 'n letterkundig oogpunt als mislukt moeten beschouwd worden, zouden aanleiding kunnen geven tot iets als lof. De komieke vermenging van boekerigheid en kanselary-jargon loopt op 'n verdienste uit, in de oogen van ieder die lezen kan. Deze fout namelyk is 'n bewys te-meer voor de naïveteit des schryvers, en voor de waarheid van z'n werk, dat minder goed zou zyn als 't beter was. Zoo zouden teervlekken soms kunnen pleiten voor de autenticiteit van 'n aangespoeld logboek.
Ik zeide op blz. 325: 't riekt naar... enz. Welnu, 't levert almede de zeer scherpe odeur locale van de Ambtenary die, om den indruk der waarheid volledig te maken, niet ontbreken mocht. 't Schynt dat ik in
517 niet ten-onrechte op 't nut van schryversfouten gewezen heb.


[1] - En waarom schryft gy dan, vraagt ge?

Hier zijn een aantal verschillende antwoorden mogelijk, waarvan M. er diverse gaf in de loop van de tijd, met variërende nadruk. Een redelijk overzichtje lijkt:

1. M. was z'n hele volwassen leven geïnteresseerd in het zijn van een auteur.
2. M. schreef de Max Havelaar vooral om eerherstel voor zichzelf en verbetering van toestand van de Javanen te verkrijgen. Dit mislukte.
3. Tussen 1861 en 1871 schreef M. vooral om Nederlandse wantoestanden aan te klagen in de hoop hem tot voorman te maken en de wantoestanden te verbeteren. Dit mislukte.
4. Vanaf ca. 1872 probeerde M. te leven van z'n pen.

Het laatste lukte een jaar of 5 met hulp van M.'s uitgever Funke, maar lukte ook niet meer daarna, omdat M. vanaf 1877 vrijwel niets meer publiceerde, vooral uit walging en verachting voor z'n Nederlands publiek. 


[2] En ik dan, die geheel alleen roei tegen zoo'n stroom?

Het is geheel terecht hier uit 963 te citeren:

Ik tastte de Natie aan, in wat haar 't dierbaarst is. In haar goddienery: 'n broodwinning. In haar zeden: 'n broodwinning. In haar vooroordeelen: 'n broodwinning. In haar zoogenaamde Staatkunde: 'n broodwinning. In haar wanbestuur der Koloniën: 'n broodwinning. In haar principes: 'n broodwinning. In haar huichelary... nu ja, dit sluit al de vorige broodwinningen in zich.

Dit was de voornaamste reden voor de mislukking genoemd in [1].


[3] Juist! Tegen onwil uit zedeloos eigenbelang, en dit nog niet eens goed begrepen!

Hier kenschetst M. vooral zijn houding inzake Nederlands-Indië: Hij meende dat de Nederlanders in Indië waren en bleven uit eigenbelang; dat dit eigenbelang vooral met immorele middelen gediend werd; en dat dit niet alleen immoreel was tegen de lokale bevolking, die uitgebuit werd in het belang van de Nederlanders en een klein aantal van hun eigen leiders, maar ook onverstandig vanuit Nederlands belang als kolonialiserende natie.


[4] En m'n Ideën dan, o Brata Yoeda?

Feitelijk kwam daar héél weinig van terecht - wat bijvoorbeeld geïllustreerd kan worden met de overweging dat het ca. 130 jaren duurde eer er een enigermate behoorlijk commentaar op geschreven werd, namelijk dat waarmee de lezer zich nu amuseert.

Het is hier ook gerechtvaardigd om op te merken dat M. zijn Ideën voor belangrijker hield dan zijn meer literaire werk, en dat hij ongetwijfeld gehoopt had zichzelf ermee tot leidend denker te maken in Nederland. Dit lukte niet omdat z'n Ideën nauwelijks serieus gerecenseerd werden.

Zie ook 1030.


[5] Zeg me, o Brata Yoeda, wanneer bestreedt gy minder onedelen vyand, toen ge te worstelen hadt met den stroom van den eerlyken Brantas, of toen ge den zondvloed van vuil woudt te-keer gaan, die zich Maatschappy noemt?

Een interessante verwijzing hier is naar de 18e eeuwse Mandeville, die minstens tamelijk plausibel geargumenteerd had dat een maatschappij die economisch floreert gebaseerd moet zijn op wat volgens de Christelijke en overige religies zonden zijn: egoïsme en hebzucht, en vaak ook oneerlijkeid, bedrog e.d. (Het is overigens vrijwel zeker dat M. niet wist van Mandeville's bestaan.)

Idee 1029.