Idee 1024.                                                


Indien de Natie my niet kent, zooveel te erger voor haar! 

't Zou dan, dunkt me, tyd worden dat ze my leerde kennen. Als hulpmiddel raad ik haar de lezing aan van 't boek dat ik reeds noemde in de noot op blz. 304: ‘Feiten van Brata Yoeda.[1] In dit werk wordt myn naam weinig of niet genoemd. De schryver verklaart zelfs (op blz. 488, en dus byna op 't eind van z'n boek) dat het hem eerst toen gelukt was:

de treffende geschiedenis, welke eene eeuwigdurende vlek op Neerlands Regeering werpt, ter lezing te bekomen.

Eenigen tyd te-voren, op blz. 301 namelyk, had hy gezegd:

In de Soerabaia-Courant van 11 Augustus 1869, N0 186, staat in de Sumatra-Brieven, eene vergelyking tusschen myneFeitenen de werken van Multatuli. Ik heb nimmer die werken machtig kunnen worden, hoeveel moeite ik in der tyd daarvoor ook gedaan heb, en ze nooit gelezen [2] , hetgeen my te meer spyt, dewyl ik voorzie alsdan denzelfden weg op te moeten gaan. Mocht een myner Lezers in 't bezit zyn der compleete werken van Multatuli, en belang stellen in den schryver dezerFeitendan zou hy dezen eene groote dienst bewyzen, door hem die werken voor eene maand te willen leenen, en per post toetezenden onder adres: Brata Yoeda, Blitar, residentie Kedirie.

Deze beide noten in dat boek zyn niet zonder belang. Ze toonen, dunkt me, dat de schryver geen ‘bewonderaar’ geen volgeling van my is, geen gepredestineerde mooivinder, geen naprater. Welnu, juist hierom is zyn werk een des te kostkaarder bydrage tot den arbeid dien ik aangreep van 'n geheel anderen kant. Wie de beteekenis en strekking van den Havelaar begrypen wil, moet Brata Yoeda'sFeiten’ lezen.

De schryver van de Sumatra-Brieven in de Soerabaia-courant, die verband meende te ontdekken tusschen myn streven en de onthullingen van den heer Courier dit Dubekart - dit is z'n geenszins verborgen naam - heeft juist gezien. De overeenstemming schemert door 't onderscheid heen, en er zal 'n tyd komen, dat men 't onderscheid niet meer bemerkt.

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat de heer Dubekart niet zoo mooi schryft als ik. Reden te meer om met eenige hoop op goed gevolg, z'n werk aantebevelen in de aandacht van de Nederlandsche Natie. Deze hoop zou sterker zyn indien hy zich had weten te onthouden van àlle jacht op letterkundery. In-weerwil van zekere leemten - en vooral van overbodighedens - zullen sommigen nu tòch beproeven hem voor 'n ‘schryver’ uittemaken, om hem onder dit niet ongebruikelyk voorwendsel dood te verklaren.

In dat geval zal ik optreden, Brata Yoeda's schryvery hekelen, verscheuren, vernietigen...

Nu, vernietigen eigenlyk niet. Dit zou jammer zyn! Ik wil maar zeggen dat ik 't boek, als zoodanig, zou opofferen terwille van de ‘Feiten’ die 't openbaart.

De aanmerkingen die er zouden te maken zyn op 't litterarisch gehalte...

De schryver verklaart in z'n voorbericht: ‘ik ben geen schryver, noch van beroep, noch van aanleg, noch uit ambitie. Ik heb zelfs de pretentie niet, om 't ooit te worden.

Naar myn inzien zou 'n boek beter zyn, indien hy zich stipter aan deze verklaring gehouden had. Hier-en-daar is 't - jammer genoeg! - schryverachtig.

De aanmerkingen nu, die ik zou te maken hebben op de inkleeding waar ze in 't litterarische overgaat, houd ik nu voor me. Gesteld dat ze juist waren, en dat Brata Yoeda ‘mooie’ boeken ging schryven... hu! Dáártoe is-i dan toch waarachtig te goed! Lezer, voor 't zóó ver komt, om-godswil koop z'n werk! Ik voorzeker u dat ge er veel uit leeren zult. Het is geen gewoon leesboek, al zy 't dan dat vooral de tot uw vermaak noodige smart daarin niet ontbreekt. Het is 'n Leerboek!

Een leerboek voor ieder die ‘belang stelt in onze kostbare overzeesche Bezittingen’ en dus, volgens de couranten, voor ieder Nederlander, d.i. voor de Natie.


[1] Als hulpmiddel raad ik haar de lezing aan van 't boek dat ik reeds noemde in de noot op blz. 304: ‘Feiten van Brata Yoeda.

Dit was een in 1872 uitgegeven boek met artikelen die eerder in de Soerabaja Courant waren verschenen van één van de weinige in Nederlands Indië levende Nederlandse tijdgenoten van Multatuli die het zowel met hem eens was dat 'de Javaan wordt mishandeld' als de moed had ertegen op te treden. Zijn naam was A.M. Courier dit Dubekart, en hij leefde van 1839-1885.


[2] Ik heb nimmer die werken machtig kunnen worden, hoeveel moeite ik in der tyd daarvoor ook gedaan heb, en ze nooit gelezen

Ik heb dit eruit gelicht om aan te tonen dat het, ondanks Multatuli's bekendheid in het Nederlands Indië van zijn tijd, niet makkelijk was om in deze kolonie M.'s werken te krijgen.

Idee 1024.