Idee 1014.                                                



Anders. De Natie kent me niet? [1]

Door welk Volk dan, door welken stam, door welke horde, werden alle my betreffende stukken gelezen, die in Nederland verschenen na en over den Havelaar?

Is 't valsch of niet, dat men voorgaf my en de strekking van dat boek vergeten te hebben, zoodra er bleek dat ik walgde van den lof over mooischryvery? Toen er bleek dat ik beter was dan men my maken wilde... tot 'n partyman namelyk, en tot 'n politieken vechthaan? Tot 'n sprookjesverteller?

Lag er valsheid of niet, in 't gekunsteld ignoreeren van m'n latere werken, byna allen van hooger letterkundige waarde dan de Havelaar? [2]

Doch ook deze werd op-zy gedrongen, en mag zich in dit opzicht vereerd gevoelen door 't lotgenootschap met al die anderen. Van letterkundery spreek ik dus niet.

Ik vraag den heer Post, op welken grond de Natie nu opeens zou mogen voorgeven my niet te kennen, nadat ze op alle manieren die 'n Volk ten-dienste staan om zich te doen hooren, bewys gaf my wèl te kennen?

Op alle manieren:

Door de pers. Moet ik dit staven door 't overdrukken van de oneindige vertoogen over de zedelyke noodzakelykheid om den ‘edelen Havelaar’ recht te doen?

De pers kent me dus.

Door de Vertegenwoordiging. In de Kamers weet men nog altyd niet beter, of 't Nederlandsche Volk is bezig met ‘rillen.’ Twaalf jaren lang! En in diezelfde Vergadering veroorloofde men Duymaer van Twist, die over myn zaak geïnterpelleerd was, zich te verschuilen achter myn ‘talent’ en zyn ‘vrees om voor partydig doortegaan.’ Deze ‘onpartydigheid’ dat ‘talent’ en die heele interpellatie zyn sprekend, naar ik meen. [3]

In de Volksvertegenwoordiging kent men my alzoo.

Door de Regeering. Ze heeft erkend dat er te Lebak - overal, heeren! [*] - nu ja: ‘dat er te Lebak... onbehoorlykheden plaats hadden gehad.’ Wat ze daarop gedaan en nagelaten heeft...

We hadden toen in Indie een der vele Gouverneurs-Generaal die de heer Post zonder schâ zal kunnen overslaan in z'n Geschiedboek van 1912. Maar z'n traktement heeft die Landvoogd genoten als de anderen.

...wat de Regeering gedaan heeft, doet hier niet ter-zake. Ik heb slechts te konstateeren dat zy, tot dat onderzoek overgaande naar aanleiding van den Havelaar, blyk gaf my te kennen.

En nu verneem ik op-eens dat de Natie my in-weerwil van dat alles, niet kennen zou. Dit komt me onmogelyk voor.

[*] Noot van 1872. Zie ‘Feiten van Brata Yoeda’ in Indie gedrukt doch onlangs almede verkrygbaar gesteld by de boekh. Scheltema, en Holkema. Ik zal straks op dit belangryk werk terugkomen. [4] Men kan er uit zien welke inspanning er noodig was, om te doen wat ik te Lebak gedaan hèb.


[1] Anders. De Natie kent me niet?

Zie 1013.


[2] Lag er valsheid of niet, in 't gekunsteld ignoreeren van m'n latere werken, byna allen van hooger letterkundige waarde dan de Havelaar?

Ongetwijfeld was er sprake van valsheid, maar meer nog van partijdigheid: De voornaamste reden waarom M. geïgnoreerd werd is omdat hij partij trok voor de Javanen en tegen de Nederlandse koloniale praktijken, en later omdat hij de Nederlandse bestuurlijke en koopmans-élite kritiseerde voor talrijke Nederlandse wantoestanden.

M. koos tegen de partij van de machtigen en prominenten, en werd daar dus naar vermogen door geïgnoreerd.

Het is interessant dat M. de Max Havelaar lager stelt dan z'n latere werk, waar hij m.i. gelijk in heeft: In ieder geval Minnebrieven, Vryen Arbeid, Ideen 1 en 3, Specialiteiten en Millioenenstudiën zijn beter geschreven dan de Max Havelaar. Toch wordt van M. tegenwoordig voornamelijk de Max Havelaar gelezen en herdrukt, kennelijk op basis van naamsbekendheid.


[3] In de Kamers weet men nog altyd niet beter, of 't Nederlandsche Volk is bezig met ‘rillen.’ Twaalf jaren lang! En in diezelfde Vergadering veroorloofde men Duymaer van Twist, die over myn zaak geïnterpelleerd was, zich te verschuilen achter myn ‘talent’ en zyn ‘vrees om voor partydig doortegaan.’ Deze ‘onpartydigheid’ dat ‘talent’ en die heele interpellatie zyn sprekend, naar ik meen.

Er is in 1860, toen de Max Havelaar voor het eerst gepubliceerd werd, enige sprake van geweest in de Tweede Kamer, in welk verband de frase gebruikt werd dat het boek 'een rilling door het land' had doen gaan. Maar verder werd ook daar het boek geïgnoreerd, vrijwel zeker omdat het serieus bediscussiëren van de zaak waar het op sloeg véél te veel moeilijkheden zou hebben gemaakt en véél te veel machtige belangen zou hebben geschaad.

Wat betreft Van Twist's 'antwoord': Het is altijd weer verbazend hoe brutaal publieke personen zaken weten te verdraaien. Vooral die valse schijnfatsoenlijkheid als direct betrokken partij niet te antwoorden om niet partijdig te schijnen is kunstig vies en smakeloos, maar wel effectief in een dom publiek.


[4] Zie ‘Feiten van Brata Yoeda’ in Indie gedrukt doch onlangs almede verkrygbaar gesteld by de boekh. Scheltema, en Holkema. Ik zal straks op dit belangryk werk terugkomen.

Zie hieronder. Hier registreer ik alleen, in het kader van dingen die blijven en voorbijgaan, dat de genoemde boekhandel anno 2005 nog steeds bestaat, in aangepaste vorm. Het is tegenwoordig een grote zaak met vijf verdiepingen op het Koningsplein, en het resultaat van de fusie van drie boekhandels: Scheltema, Holkema en Vermeulen.

Idee 1014.