Idee 1008.                                                


Wat waar is, moet aan alle kanten waar zyn. Ik wil de voorafgaande redeneering herhalen in anderen vorm. [1]

Waar ik spreek van de Natie, bedoel ik natuurlyk: 't gedeelte der Natie dat my kent. Het behoeft immers geen betoog, dat ik m'n aanklacht niet uitstrek tot blinden, idioten, personen die - in gewonen zin nu - niet lezen kunnen? Niet tot armen, werklieden, en 'n zeer groot gedeelte van den middelstand? [2] Niet tot de ongelukkigen wien: ‘dat alles niets mag zyn’ volgens Louise? Niet tot dezulken alzoo in wie ‘elke poging tot verzet...

Hier: verzet tegen onwetendheid en onrecht!

...door de barre werkelykheid zou worden ‘bestraft met... honger.

Wel ook ten-behoeve van dezulken, maar immers niet voor dezulken, zyn m'n werken geschreven? [3]

Ik schryf immers voor hen die, als de heer Post, het onschatbaar geluk hebben, zich 'n levenstaak te mogen kiezen? Voor hen ‘die - zyn woorden! - ook al bindt men hun een hand op den rug, nog altyd een tweede overhouden om te stryden voor de waarheid?’

‘Zoo hoop ik eenmaal te doen, zegt Post, en ook myn motto zal zyn: een zaaier ging uit om te zaaien.

Hy begint goed, waarachtig!

Voor zùlke zaaiers schreef ik.

Voor hen die betuigen zóó te willen arbeiden.

Zy behooren relatief tot de besten des Volks, en stellig tot de goeden. [4]

Juist zy zyn het die m'n werken lezen.

Zy immers vormen 't pars dat ik voor 't geheel nam.

Ik knipte dus m'n staal van den besten kant.

De beschuldiging alzoo, dat ik de Natie ‘laster’ - lees: onrechtvaardig beschuldig - door haar de fouten te verwyten die ik opmerk in myn Publiek, zou nederkomen op iets als:

Ge hebt onrecht dit stuk laken slecht te noemen. Het is zeer
ongelyk, en ge zaagt er slechts 't beste eind van.[5]


[1] Wat waar is, moet aan alle kanten waar zyn. Ik wil de voorafgaande redeneering herhalen in anderen vorm.

Het eerste is een zinnig beginsel, omdat wat werkelijk feitelijk of logisch waar is de eigenschap heeft overeind te kunnen blijven tegen iedere verbale kritiek. Toch is het ook zinnig hier te wijzen op 1 en 11.


[2] Waar ik spreek van de Natie, bedoel ik natuurlyk: 't gedeelte der Natie dat my kent. Het behoeft immers geen betoog, dat ik m'n aanklacht niet uitstrek tot blinden, idioten, personen die - in gewonen zin nu - niet lezen kunnen? Niet tot armen, werklieden, en 'n zeer groot gedeelte van den middelstand?

Zie mijn noten bij het vorige idee. En het is interessant te lezen wie M. allemaal niet meerekent, namelijk in feite het overgrote deel van 'de Natie', en wie hij wel meerekent, namelijk de welvarende en hoog opgeleide élite. In dit verband, zie ook de conceptie van de Ideen.


[3] Wel ook ten-behoeve van dezulken, maar immers niet voor dezulken, zyn m'n werken geschreven?

Dit geldt de armen, hongerigen, de werkende stand etc. Het is minstens enigermate interessant dat Multatuli erg hoog aangeslagen werd door de kleine minderheid van de toen bestaande werkende stand die zich verzette tegen de bestaande omstandigheden.


[4] Zy behooren relatief tot de besten des Volks, en stellig tot de goeden.

Hier complimenteert Multatuli in feite de aankomende dominée Post, en mijn eigen kwalificatie hier, mede omdat ikzelf niet erg onder de indruk was van de goede bedoelingen van deze theologie-student is: Mits niet hypocriet - zoals wèl in de rede ligt waar het dominées en dergelijken betreft. Ik verwijs maar weer eens naar 938, waarin enige fraaie citaten van Hazlitt over 'clerical character'.


[5] De beschuldiging alzoo, dat ik de Natie ‘laster’ - lees: onrechtvaardig beschuldig - door haar de fouten te verwyten die ik opmerk in myn Publiek, zou nederkomen op iets als:
Ge hebt onrecht dit stuk laken slecht te noemen. Het is zeer
ongelyk, en ge zaagt er slechts 't beste eind van.

Dit is leuk in het belachelijke getrokken, maar feitelijk kon M. hier konkluderen - en zal dit ongetwijfeld gedaan hebben, waarschijnlijk ook al wat jaren eerder dan hij dit idee schreef - dat het de grote meerderheid van de in zijn tijd levende Nederlandse maatschappelijke élite weinig of niets kon schelen dat 'de Javaan wordt mishandeld' en de Nederlandse werkende standen uitgebuit en bij gelegenheid half of geheel verhongerd werden, allebei omdat dit de financiële belangen en welvaart van de toen levende Nederlandse maatschappelijke élite zo goed diende.

Het lijden van een ander is immers licht te dragen, en des te beter alnaarmate men daar zelf meer voordeel van heeft.

En het lijkt me hier ook geheel gerechtvaardigd op te merken dat één voorname reden voor Multatuli om publiek te protesteren tegen de mishandeling van de Javaan en de uitbuiting van de grote meerderheid van de Nederlandse werkende standen was dat hem persoonlijk dit zeer aangreep én dat hij - tot ergens tussen 1870 en 1875 - niet goed doorhad hoezeer hij daarin verschilde van de grote meerderheid van zijn mede-Nederlanders van gelijke of betere afkomst.

Idee 1008.