Idee 1004.                                                


Geen beter leer dan een goed leven. Vertel ons uw leven!’ [1]

Zoo spreekt de schryver van den brief uit Leiden.

Zou hy dezen wensch geuit hebben, als-i had kunnen voorzien dat ik - na Lebak althans, waar ik m'n plicht deed... spreek me tegen, luie Van Twist! - weinig andere ervaring opdeed, dan van de soort als die ik bezig was te beschryven toen ik z'n brief ontving?

Ik zal voortgaan. Q, X en Z - m'n tekst is nog altyd: ‘laster en staatkunde - wachten op afdoening.

Door 'n samenloop van omstandigheden was ik verwyderd van m'n gezin. Dit was, na m'n vertrek van Lebak, zeer dikwyls 't geval geweest. De kinderen kenden my ter-nauwer-nood. [2]

Een der middelen die ik aangreep om 'n eind te maken aan dezen treurigen toestand - grootendeels voortgevloeid uit geldgebrek, dat my en m'n vrouw dwong ieder voor zich 'n goed heenkomen te zoeken - bestond in 't houden van publieke voordrachten.  

Hoe zwaar me dit viel, kan men weten uit den vorigen bundel. Maar ik meende dat het m'n plicht was, en dééd het.

Dickens las in Engeland en Amerika z'n reeds lang verschenen werken voor.

Dit durfde ik niet doen, omdat ik Nederlander ben.

M'n zeer edele Landgenooten zouden my verweten hebben dat ik hen bestal.

Dickens, die vermogend was, werd ryk.

Ik, Nederlander, droeg op onderscheidene plaatsen de toen nog niet gedrukte verhandeling over Vrye-Studie voor, of drie bedryven van Vorstenschool.

Zonder in 't minst aanspraak te maken - ik, Nederlander slechts - op denzelfden uitslag als waarin de Engelschman Dickens zich mocht verheugen, had ik toch gehoopt in zóóverre althans te slagen, dat ik eindelyk na zooveel jaren zwervens met m'n huisgezin zou kunnen vereenigd worden, en indien ik de kinderen niet voor altoos van my wilde vervreemd zien, leed dit plan niet het minste uitstel.

‘Vrienden’ - de menschen noemden zich ‘bewonderaars’ of zoo-iets - dien ik de pynlyke oorzaken van m'n omwandeling meedeelde, zeiden my hun hulp toe. [3] Het spreekt vanzelf dat ze, toen ik na groote inspanning er in geslaagd was m'n gezin te doen overkomen, zich van 't afgesprokene niets herinnerden. Ja toch, maar... men had uit den Haag - staatkunde! - zulke ongunstige berichten over my ontvangen!

Na de zeer ongunstige berichten òver den Haag, die ik zoo dikwyls publiceerde, hadden ze dit kunnen voorzien, dunkt me. En ik ook.

Maar wat ik niet voorzien mòcht, was, dat mannen die zoo kort geleden zich om my schaarden als discipelen om den Meester - ‘bewonderaars’ noemden zy zich alweer - mannen die 't zoo betreurden dat ze geen plaats in de Kamer te begeven hadden, omdat ze onlangs dien A, B of C, faute de mieux afvaardigden om hun A-, B- of C-distrikt te vertegenwoordigen...

Nu, dit was wèl! Waar zou men met z'n invaliden heen, als er geen Tweede-Kamer was waarin ook de minst bruikbare letters van 't alfabet 'n plaatsje kunnen vinden?

Zie, dit mocht ik niet voorzien, dat zulke mannen zoo op-eenmaal den moed zouden hebben der onbeschaamdheid van 't woordbreken, onder voorwendsel dat de ‘staatkunde’ van hun onderdak gebrachten invalide niet strookte met de myne. Had ik ooit iets anders beweerd, toen ik in hun kring zes, acht, uren achtereen myn beginselen predikte... ‘staatkundige’ en andere?

Of had ik wèl verdacht moeten wezen op zooveel kwade trouw, gewaarschuwd als ik was door 'n reeks teleurstellingen van dezelfde soort? [4]

Ik kan de keeren niet tellen, dat ik den mynen berichtte, er zou eindelyk 'n eind komen aan hun zwerven... nu inderdaad... nu heusch! De kinderen zouden geregeld onderwys ontvangen, ze zouden by me zyn, een home hebben, en 'n vader! Byna alles dus wat de maatschappy gunt aan andere kinderen... iets althans van wat door vaders die niet hun plicht deden, kan worden gegeven aan de hunnen! [5]

‘En nog-eens, schreef ik dan - neen, ik telegrafeerde! - en nog-eens verzeker ik u, dat het deze keer eens eindelyk wáár zal zyn! Men heeft me nu zùlke vaste beloften gedaan, zóó uitdrukkelyk, zóó... kortom, men kàn ditmaal z'n woord niet breken!’

En altyd bedroog men my. Ten-laatste kreeg 't den schyn dat ik het was, die m'n kinderen bedroog! [6]

M'n zoontje - een knaap van 12, 13... tot 17 jaren, gedurende dien tyd - geloofde me niet meer! [7] Of althans hy hechtte geen waarde aan m'n hoop, en verwonderde zich over de naïve kinderlykheid waarmee ik - 'n volwassen man die gaande-weg op 't punt stond 'n oud man te worden - me zoo telkens weer schuldig maakte aan 'n vertrouwen dat hy voor domheid begon aantezien. En onder hen die my bedrogen, waren er die zyn opvatting van 't leven ‘intelligent’ vonden. Ze prezen de scherpzinnigheid van 't kind dat hen voor schelmen aanzag. Nu, dit was billyk!

En waarop zou de hulp neergekomen zyn, de gewoonlyk met schyn van groote hartelykheid opgedrongen hulp, die ik by zulke gelegenheden beloofde aantenemen?

Ik zou in-staat gesteld worden geregeld te werken gedurende den korten tyd dien ik nog leven kan. Iets anders zocht ik dan ook niet!

Had ik maar te doen gehad met woekeraars die hun belang begrepen! Te rekenen naar 't geen ik zwervend voortbracht, komt het me voor dat er goede zaken met my waren te maken geweest, indien men my tot onafgebroken arbeid had in-staat gesteld. Na opheffing van de servituten waaronder lichaam en geest gebukt gingen, had ik groote geldswaarde kunnen voortbrengen. Zou de Ekonomist eens willen uitrekenen, hoeveel kapitaal er verloren ging gedurende één winter dien ik uit gebrek aan vuur en licht, doorbracht op wegen en straten, of te-bed? Gedurende vele maanden ook, dat ik geen andere spys gebruikte dan afgevallen ooft? [8] Gedurende àl den tyd dien ik na Lebak, overgeleverd aan de Q's en de X's en de Z's, rondzwierf als 'n gejaagd dier? [9]

Nog altyd zyn er die me myn bitterheid verwyten. Men behoorde zich eer te verwonderen dat ik ooit iets anders gaf dan bitterheid. Dit viel me dan ook zwaar genoeg. Ternauwer-nood kon ik nu-en-dan de my aangedane bejegening ver genoeg wègdenken, om toetegeven in den lust tot stipte redeneering... m'n eenig hulpmiddel om staande te blyven. [*]

Woekeraars waren de ‘vrienden’ die me telkens bedrogen, gewis niet! Eer zou men ze verkwisters mogen noemen. Ze gingen met de geldswaarde van m'n arbeidsvermogen niet ekonomischer om dan met hun eigen eer, en dus zoo slordig mogelyk.

Woekeraars? Die zyn er niet in Nederland. Ik kon er geen enkele vinden, die me tweehonderd gulden voorschoot op drie bedryven van Vorstenschool - d.i. één driehonderdste deel van wat aan Sardou z'n Rabagas opbracht! - toen ik daarom smeekte ten-einde m'n gezin dat op 't punt stond voor de tweede maal uit armoede Nederland te verlaten, in-staat te stellen te wachten tot ik raad zou geschaft hebben.

Begint men eenigszins m'n afkeer van 't hollandsche ‘mooi-vinden’ te begrypen?

Tot ik raad zou geschaft hebben! Raad, hulp, uitkomst... door die lezingen!

Nog-eens verwys ik, wat die publieke voordrachten aangaat, naar den vorigen bundel: ze vielen me zeer zwaar!

Hoe afgemat, ik hield vol en kweet me zoo goed mogelyk van m'n taak. Voor ‘Publiek’ in gewonen zin, sprak ik twee, drie, malen 's weeks 'n uur of drie. Dit was byzaak. Hoofdzaak was, dat ik op zeer weinig uitzonderingen na, dagelyks twaalf tot zestien uren doorbracht in gezelschap van ‘bewonderaars’ die m'n opinie wilden weten over... alles. En m'n keel is zeer gevoelig. De honderden en honderden die 't weten kunnen, roep ik op, om te getuigen of ik 'n grens stelde aan m'n welwillendheid? Of ik spaarzaam omging met de krachten van lichaam en ziel? Of ik niet gaf wat 'n mensch die 't zoeken naar waarheid tot z'n levenstaak koos, aan gelykgezinden geven kàn?

Maar niet dààrvan heb ik nu te spreken. Ik moet spreken van de betaalde publieke lezingen die ik hield met het doel om nu eindelyk vrouw en kinderen by my te houden.

Byna overal had ik te stryden met een - naar me bleek, opzettelyk levendig gehouden - vooroordeel: ‘dat het zeer onfatsoenlyk was, my te gaan hooren.’ Op één plaats ging dit zóóver, dat de Kommissaris van Politie me vóór de lezing 'n bezoek bracht om my te waarschuwen dat-i in-dienst zou tegenwoordig zyn, en dat-i my het woord ontnemen zou indien ik de ‘publieke zedelykheid’ aanrandde. ‘Liever echter’ zoo zei de welmeenende man ‘zou hy om-mynentwille zien dat ik, om onaangenaamheden te voorkomen, de lezing opgaf.’

Dit nu deed ik niet. Maar dat ik in zulke omstandigheden, op die plaats m'n moeielyk doel niet veel nader kwam... zou wel Dickens bevreemden, maar kan begrepen worden door elken Nederlander die verstand heeft van Nederlandsche fatsoenlykhedens. [10]

En vrouw en kinderen wachtten! ..........................................

[*] Noot van 1874. Wie 't verband wenscht te weten tusschen denken en smartdragen, wordt verwezen naar 't hoofdstuk: Het Tableau, in Millioenen-Studien.


[1] Geen beter leer dan een goed leven. Vertel ons uw leven!

Dit slaat terug op 996, waar ik er op inging onder noot 12.


[2] Door 'n samenloop van omstandigheden was ik verwyderd van m'n gezin. Dit was, na m'n vertrek van Lebak, zeer dikwyls 't geval geweest. De kinderen kenden my ter-nauwer-nood.

Hier kan tegengeworpen worden dat dit wel een bijzonder gekleurde en éénzijdige voorstelling is. De relevante feiten, voorzover bekend, zijn redelijk duidelijk samengevat in de Multatuli-biografieën van Hermans en Van der Meulen. Kortweg: Multatuli vond het feitelijk nogal moeilijk met zijn eerste vrouw en kinderen samen te leven, en had zeer veel interesse in het volgen van zijn eigen roeping, van kritikaster en sociaal hervormer, en had overigens behoorlijk veel interesse in affaires met andere vrouwen dan zijn eerste vrouw, hoewel deze hem dat toestond.


[3] ‘Vrienden’ - de menschen noemden zich ‘bewonderaars’ of zoo-iets - dien ik de pynlyke oorzaken van m'n omwandeling meedeelde, zeiden my hun hulp toe.

Dit gebeurde inderdaad heel wat keren, en het resultaat was altijd teleurstelling. Een voorname reden daarvoor is dat M. veeleisend was, en bovendien wanhopig slecht met geld om kon gaan, en veel geld nodig had om een voor hem dragelijk bestaan te leiden.


[4] Of had ik wèl verdacht moeten wezen op zooveel kwade trouw, gewaarschuwd als ik was door 'n reeks teleurstellingen van dezelfde soort?

Dit is een goede en verstandige vraag. Het antwoord is een beetje triest, maar geldt voor iedereen: Wat men doet is vooral een kwestie van karakter, en wordt niet erg beïnvloed door wat een ander, met een ander karakter, redelijk makkelijk kan herkennen als een bijzonder moeilijk pad.

Hoe het zij, ik mag hier ook wijzen op de inleiding van de Ideen, ook i.v.m. M.'s vrouw en kinderen.


[5] Ik kan de keeren niet tellen, dat ik den mynen berichtte, er zou eindelyk 'n eind komen aan hun zwerven... nu inderdaad... nu heusch! De kinderen zouden geregeld onderwys ontvangen, ze zouden by me zyn, een home hebben, en 'n vader! Byna alles dus wat de maatschappy gunt aan andere kinderen... iets althans van wat door vaders die niet hun plicht deden, kan worden gegeven aan de hunnen!

Dit klopt met wat er aan overgeleverde brieven in de VW te vinden is, zoals het ook wel degelijk waar is dat Multatuli van 1857, toen hij alleen vertrok uit Nederlands Indië naar Europa, tot 1874, toen zijn eerste vrouw overleed, geprobeerd heeft een familie-leven tot stand te brengen. Maar dat lukte niet, enerszijds wegens zeer gebrekkige financieën, en anderszijds wegens het in [2] geschetste.


[6] En altyd bedroog men my. Ten-laatste kreeg 't den schyn dat ik het was, die m'n kinderen bedroog!

Zie [4]: De juistere versie is: Altijd weer bedroog ik mijzelf, al is het ook waar dat M. door sommigen bedrogen werd. En dat zelfbedrog ging vooral terug op karakter - zie [4].


[7] M'n zoontje - een knaap van 12, 13... tot 17 jaren, gedurende dien tyd - geloofde me niet meer!

En dat is altijd zo gebleven: De relatie tussen Multatuli en z'n zoon was vanaf de puberteit van de laatste, in ieder geval, slecht tot zeer slecht, en is nooit goed gekomen.


[8] hoeveel kapitaal er verloren ging gedurende één winter dien ik uit gebrek aan vuur en licht, doorbracht op wegen en straten, of te-bed? Gedurende vele maanden ook, dat ik geen andere spys gebruikte dan afgevallen ooft?

Voorzover bekend is dit ook historisch waar: In de jaren 1865-70 leefde M. alleen of met z'n latere tweede vrouw Mimi in Duitsland in zeer behoeftige omstandigheden, waarin ze soms alleen brood of appels te eten hadden.


[9] Gedurende àl den tyd dien ik na Lebak, overgeleverd aan de Q's en de X's en de Z's, rondzwierf als 'n gejaagd dier?

Dit is toch weer enigszins misleidend, om minstens twee redenen.

In de eerste plaats was het niet voortdurend het geval 'na Lebak': Er waren tijden dat M. wel geld had, doordat hij dat verdiende, of cadeau kreeg, of - zeldzaam maar ook minstens één keer gebeurd - won aan de speeltafel in een casino.

In de tweede plaats zwierf hij niet al die tijd 'als 'n gejaagd dier' rond en leidde hij bovendien een interessant, zij het financieel armlastig, leven. (Zie [2])


[10] maar kan begrepen worden door elken Nederlander die verstand heeft van Nederlandsche fatsoenlykhedens.

Ik denk dat het M. daaraan ontbrak, en mij trouwens aan ontbreekt: Wie hier werkelijk verstand van heeft zijn doorsnee-mensen, die wéten hoe het voelt om iemand te zijn en te willen zijn die leeft volgens het ideaal 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg', en die daarin het alfa en omega van hun moraal vinden, en hun criterium voor goed en kwaad, en hun maatlat waarmee anderen te meten.

Idee 1004.