Vorstenschool 4.                                                


VIERDE BEDRYF.
[1]

Eerste Afdeeling.

Tooneel: kamertje van Hanna. Op den achtergrond 'n wieg. Het is nacht. Hanna by 'n kleine lamp, bezig met naaiwerk. Daarna Albert.

Hanna zingt.

Mooi Elsje, 'n boerinnetje, poezel en malsch... [2]

Er wordt aan den zywand geklopt.

- Ei, ei, vriend Albert, eindlyk thuis, zoo laat!

Zingend.

Verloor onder 't ryen de boot van 'r hals.
En Koenraad, de flinkste gezel van het oord...

Geklop.

Waarom zoo laat? Geschreven? En gewandeld?
Alleen? Ei, ei... ja, maneschyn, niet waar?

Geklop.
Zingend.

Ontdekt die, en raapt die, en rydt er mee voort.

Voortdurend kloppen. Hanna staat op, en spreekt door den wand. Telkens pauze, gedurende welke zy luistert.

Ga nu toch slapen, Albert! Het is laat!
Neen, Herman is niet thuis. Er wordt van-nacht
In z'n fabriek aan d'yzren brug gegoten... [3]
Omdat ik Herman wacht, dat heeft-i graag,
Dan drinkt-i zoo gezellig nog z'n koffie.
En bovendien: ik heb te werken. Wt?
Kom, wees gezeglyk, Albert, en ga slapen!
Een vers? Dat kan tot morgen wachten.
Neen! Je maakt met dat geklop m'n kindje wakker.
Of Herman 't kwalyk nemen zou? Wel neen!
(Ik wil niet dat hy dit van Herman denkt!)
Nu, kom dan, maar wees stil: denk aan m'n kindje!

Albert komt binnen.

Welnu, waar is je vers? Is 't mooi?

Alb.
- 'n Zoen!

Hanna.
- Dat's goed, maar... n, en niet al te erg! Ga zitten,
En wees eens lief bescheien en gehoorzaam.
Waar is je vers?

Alb.
- 't Is nog niet af.

Hanna.
- Is 't mooi?

Alb.
- Dat spreekt vanzelf, heel mooi!

Hanna.
- Wat staat er in?
En is 't op rym? Want verzen zonder rym...
Dat weet je! 

Alb.
- Ja, dat weet ik. Nu, het rymt. [4]

Hanna.
- En is 't van ridders en van liefde?

Alb.
- Neen.
Je vroeg me eens, Hansje, wat toch pozie was? [5]

Hanna.
- En heb je dat van-nacht bedacht?

Alb.
- Wel neen.
Ik wist het lang, maar zocht altyd naar woorden.
Maar 'k heb van-nacht...

Hanna.
- Laat hooren! Niet te luid:
Denk aan m'n kindje... sjt?

Ze gaat naar de wieg, en luistert eenige oogenblikken.

Het slaapt. Welnu!
't Zal my benieuwen of ik het begryp,
En of ik wyzer worden zal in pozie. [6]

Ze neemt haar naaiwerk, doch legt het weldra neder, en luistert met blykbaar ingespannen aandacht, maar zonder blyk van goedkeuring.

Albert lezende.

Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten,
Die 't zinkend hart des menschen schoort,
Die 't opvoert naar een hooger oord,
Die 't vastklemt, als de stam z'n loten,
Als moederarmen 't schreiend wicht,
Aan de eerste bron van liefde en licht.
Die 't opheft, als het dreigt te zinken
In 't slyk waarin het zich bewoog.
Daar is een kracht die 't scheemrend oog
Omhoog richt, waar 't de ster ziet blinken,
Die aan de kim der toekomst ryst,
Op d' adel van onze afkomst wyst,
En vast doet houden aan 't begeeren
Om tot die afkomst weertekeeren.

Daar is een gloed die alles kleurt,
En 't laagste hoog maakt. Die het leven,
Door winterproza wreed ontgeurd,
De lenteschoonheid weer kan geven.
Een adem die verloren frisheid toovert...
Geschonden reinheid rein wascht als weleer,
En op de macht van 't kille heden weer,
Het waas van 's levens eersten droom herovert.
Daar is een hand die wenkt en noodt
Om weertekeeren waar wy waren,
Vor ons deze aarde een wykplaats bood
Voor weinig, ras vervlogen jaren.
Daar is een stem die hoorbaar fluistert:
Ginds, ginds, daar waart ge, en keert ge weer!
Ras valt de keten die u kluistert:
Dra ziet ge op aarde en stof als korte droomen neer!

Die kracht, die gloed, die hand, 't is pozie!
Zy leeft in alles, overal! O, zonder haar,
Hoe dor en guur waar 't leven! Wie,
Wie derft haar warmte, en noemt zich levend? Waar
Ontbreekt haar gloed geheel? Zie rond,
En luister! Luister naar de klanken
Van 't suizend loof dat weemoed kweekt,
Dat van geloof en hoop en liefde spreekt,
En opwekt om te bidden en te danken.
Zie rond, en staar op 't firmament
Dat stof als wy, maar boven de aard verheven,
In elke ster een lofdicht schynt te geven,
In elken straal een danklied nederzendt.

Zie rond, en hoor hoe de oceaan
Z'n stemmen voortstuwt langs de stranden,
Nu zacht en lieflyk, als aan banden,
En dan weer ongetemd z'n krygsdicht op doet gaan.
Hoor hoe hy juicht, als waar het hem bewust
Dat eens Gods geest gerust heeft op z'n watren,
Hoor hoe hy 't uitgilt in z'n klatren,
Dat hem Gods adem heeft gekust!
Hoor hoe z'n kracht, in stormen sprekend,
Met dondrend schuim op rots en klippen brekend,
Of... lieflyk murmlend, eeuwen lang
Zich oplost in n enklen zang.
't Is alles pozie... [7]

De deur wordt woest opengestoten. Herman die Puf by den kraag heeft, dringt hem de kamer in. Hanna. Albert. Herman. Puf.

Hanna en Alb.
- Myn God, wat is dat?

Herm.
- Zwygt! Blyft zitten!
Zwyg, Albert! Anna, zwyg!

Hy sleurt Puf naar 'n hoek der kamer, waar hy 'n voorkamer neemt. Daarop stuwt hy hem naar den voorgrond, en werpt hem ruw tegen den wand.

En jy... sta dr!
Wanneer je n vingerlid verroert, voor ik
Je toesta te vertrekken, kerel...

tot Hanna en Albert.

Zwygt!

tot Puf.

...dan sla ik je de hersens in! En nu,
Nu mag je spreken, Hanna, nu! Die man...
(Sta stil, vervloekeling!) Die man beweert
Dat... jy... 'n... hoer bent, Hanna! Spreek nu, spreek!

Hanna haalt de schouders op.

Nu is het tyd van spreken, Hanna, spreek!

Alb.
- Maar Herman!

Hanna.
- Herman, lieve Herman!

Alb.
- Herman!

Herm.
- Die man beweert dat jy 'n hoer bent, Hanna!
Hy zegt, je ontvangt des-nachts, als ik van-huis ben,
Hier heeren van het hof! [8]

Hanna.
- Is 't anders niet?
Wel man, je hebt je byster uitgesloofd,
Dat noem ik goeie buurschap, vrindje Puf! [9]
Maar, Herman, hoe kan jy... 't is om te lachen!
Zie hier dien heer van 't hof! Wel, goeie beste Albert,
Dat had je niet gedacht, man, dat men zoo
Op-eens je zou verhoogen... nu, dt's pozie!

Herm.
- Neen, neen, neen, neen, niet Albert, niet je vryer!
Neen... heeren die met geld betalen!

Hanna.
- Herman,
Ik vrees je hamer niet: gooi weg dat ding!
En laat dien man vertellen wat-i weet,
Ik ben nieuwsgierig naar z'n heeren van het hof!

Herm.
- Spreek, nachtspion, herhaal hier je vertelling!

Puf.
- 'k Was met verlof, 'n beetje laat van huis...

Alb.
- Natuurlyk in de kroeg?

Puf.
- Och, buurman... ja.
'k Was, wat je noemt... 'n beetje door den wind,
Maar nu niet meer...

Herm.
- Je weet dus wat je zegt?
't Is niet de drank die uit je spreekt?

Puf.
- O n,
Want dronken ben ik, met permissie, nooit.
Ik sta m'n man in 't drinken, en ik zal
Zoo'n beetje zwaaien, met verlof, maar toch...

Herman dreigt hem.

Ik zal... ik zl! Ik kwam zoo-even thuis,
En zocht... m'n sleutelgat. Daar kwam 'n heer,
Die vroeg me, wie daar woonde waar-i licht zag?
En verder na de juffrouw? Of ze mooi was?
En of ze jong was, met verlof. En ik zei:
Z, z... dat zei ik, en haar naam is Hanna Smit.
Maar mooi? Dat kan ik juist zoo erg niet zeggen,
Want, zei ik, ze is wat mager, zei ik. Zoo,
Zei hy toen, met verlof, vind jy haar mager? [10]
Ja, zei ik, dik is anders... maar 'r naam
Is Hanna Smit, zoo zei ik. Maar hy zei
Dat ik 'n aap was, en 'n dommekraat, [11]
En geen verstand van mooie meissies had,
Want dat hy Hanna Smit heel goed vond,
Van magerte en van diktens en zoo voorts,
En dat-i juist van nacht dat onderzocht had.
Maar, of ze, met verlof, wel eerlyk was,
Dat, zeidi, wist-i niet! Hy zocht in al
Z'n zakken, en op straat, z'n portmenee...
Die had-i, zeid-i, in dit huis verloren...
Toen ging-i met me binnen, zieje, en... toen,
Toen met me mee den trap op, en... hy vond...
Hier, voor de deur van deze kamer... in 't
Pertaal...

Herm.
- Verdoemd!

Puf.
...z'n geld weerom.

Herm.
- O God!

Alb.
- De kerel liegt!

Puf.
- N, n, juffrouw, ik zeg
De zuivre waarheid, en...

Alb.
- De kerel liegt

Puf.
- Ziehier,
Hy gaf hem my, juffrouw (kyk, hy is vol!)
En deed de komplimenten aan de juffrouw.
En zei toen, met verlof, ik moest het nooit
Aan iemand zeggen, dat-i hier geweest was,
En dat-i van het hof was...

Alb. Hanna de hand reikende.

Herm.
- Ik zal 't doorgronden! Ga!

Puf, wegsluipende, wil de wieg meenemen.
Hanna komt hem snel voor.

- Die wieg blyft hier:
Ik zorg als vroeger voor je kind!

Herm. peinzend.
- Doorgronden!

Alb.
- Doorgronden... goed! Maar eerst gelooven, Herman! [12]

Hanna.
- Doorgronden... goed! Maar eerst gelooven, Herman!

Herm. den hamer wegwerpend, neemt Hanna in z'n armen.

- Myn Hanna, zuster, lievling... ik geloof!
 

VIERDE BEDRYF.

Tweede afdeeling.

Tooneel: als in de eerste afdeeling, doch zonder de wieg. Het is dag. Op 'n tafel staat 'n glas met bloemen. Louise. De Walbourg. Later Hanna.

Louise, het kamertje in oogenschouw nemende.
- Hier moet het wezen. 't Ziet er zindlyk uit. 
Dat is de weelde van den arme. Bloemen! [13]
Ik zie ze graag... dit is 'n gunstig blyk.
Waar bloemen zyn, is 't leven minder dor...

fluisterend.

Wanneer 't gesprek my aanstaat, en ik wil
Het rekken, kryg dan tandpyn... maar niet erg,
Juist erg genoeg om 't blyven te verschoonen...

Hanna.
- Wat is er van uw dienst, mevrouw? Mevrouw!

Louise.
- Ge zyt de naaister Hanna Smit? Ziehier
De stof voor 'n japon. Kunt ge in n dag...

Hanna.
- Dat is wat kort, mevrouw, dat zal niet gaan!
Als ik te veel me haast, is 't werken slecht.
Dat zou nadeelig wezen voor m'n naam
Als naaister. 't Goed is beeldig...

Louise.
- Kom, n dag!

Hanna.
- Ik mag het niet beloven. 't Zou wel knnen,
Maar... als dan later iemand vraagt: wie heeft
U die japon gemaakt? 't Is Hanna Smit
In 't Voorwalstraatje, boven nummer acht...
Dan zegt men dat die Hanna slordig is,
En dit is m'n fatsoen te na, mevrouw! [14]
Ik leerde 't werken van m'n moeder's moeder
Die ook een naaister was, en overal
Geroemd werd om haar netheid...

Men hoort 'n kind schreien.

och, verschoon me...

Hanna af. Louise. De Walbourg.

Louise.
- Wat zeg je van dien trots op haar geslacht?

De Walb.
- Dat noem ik adel! [15]

Louise.
- Juist! Verdienste... oblige!
Dat's adel, juist! En minstens even schoon
Als de onze, die tot deugd en eer verplicht,
Omdat eens ridder Dolleman 'n moor
Versloeg. Of, erger nog, die van verdienste
Ontslaat, omdat het voorgeslacht...

De Walb. luisterend.
- 'n Kind!

Louise.
- Dat zal 't bewuste pleegkind zyn, de spruit
Van meester Puf, haar buurman... met verlof,
De man die me op wou schikken met 'n staart,
En promoveeren tot 'n zeemeermin...
Dat potlood kwam te-pas: 't was waarlyk tyd!

De Walb.
- O Majesteit, nog schudt me 't hart van lachen!

Louise.
- Dat viel u maklyk, wyl hy u niet zag.
Maar ik, ik stikte byna in de moeite
Om heel serieus te blyven. En dat moest!
Want de arme, stomp voor jok, is prikkelbaar
Voor spotterny, of wat-i daarvoor houdt.
Had graaf van Weert, Miralde of Hesselfeld,
Of wie ook van de hoeren van het hof,
Een zotterny gezegd - het komt soms voor! -
Ik had me waarlyk niet zoo ingehouden,
En, ver van zich gekrenkt te voelen, had
De delinkwent getracht door meetelachen,
Z'n dwaasheid omtemunten in bon mot.
Daar is ze... denk aan tandpyn.

Hanna treedt weder binnen.

Wel, jufrrouw,
Je hebt 'n kindje?

Hanna.
- Ja en neen, zooals
Men 't nemen wil. 't Is van... 'n buurman, die
Z'n vrouw verloor. Twee dagen, korter niet,
Mevrouw, maar dan zal 't af zyn.

Louise.
- Nu, het zy!

De Walb.
- Ik heb wat tandpyn.

Louise.
- Arme zuster... erg?

De Walb.
- Zoo erg juist niet, maar als ik ga...

Louise.
- Ja, juist,
Dan dreunt de tred.

Hanna.
- O, neem weer plaats, mevrouw!

Louise.
- Als we u niet hindren...

Hanna.
- Hindren! En 't adres?

Louise.
- De hortulanus op Louise's Rust...
Je weet wel, 't park der koningin?

Hanna.
- O ja!
'k Heb met m'n broeder, en... nog iemand, eens
Daarin gewandeld op 'n zondag-middag.
Ik had zoo graag de koningin gezien.
Men zegt, zy is 'n schoone vrouw... 

Louise.
- Z, z!
Niet leelyk, maar byzonder mooi juist niet. [16]

Hanna.
- Is 't waar, dat zy zoo trotsch is als men zegt?

Louise.
- Dat heb ikzelf niet ondervonden, maar
Ik spreek haar nooit. M'n zuster kent haar beter.

De Walb.
- Ze is tegen groote heeren taamlyk fier,
Maar met geringe lieden vriendlyk, zacht! [17]

Louise.
- Sjt... sjt!

Hanna.
- Dt mag ik hooren! Maar is 't waar,
Dat ze zoo gierig is? Dat zei m'n buurman.

Louise.
- Je buurman Puf!

Hanna.
- U kent hem?

Louise.
- Neen... ja... zoo!

Hanna.
- Nu, buurman Puf zei dat ze gierig was.
Hy had uit nood zich by haar aangemeld,
En vroeg 'n aalmoes...

Louise.
- Juist, ik weet er van.

Hanna.
- Ze had hem, zegt-i, allerlei gevraagd,
Van dit, van dat, van wat-i daaglyks at,
En hoeveel kindren, en hoe oud... en alles!
En toen... de man, zoo zegt-i, had expres
Een kind drie, vier, er by gejokt...

Louise.
- Ah, ah!

Hanna.
- En dacht: voor ieder kind 'n tientje... mis!
Ze deed 'm krapjes-aan den dag betalen,
Dien hy verzuimd had door z'n gang.

Louise.
- En jy,
Zeg, Hanna, vond je dit niet goed?

Hanna.
- Ik heb 't
Zoo ernstig nog niet overdacht. Maar nu...

Louise.
- Zeg, had de Koningin dien man...

Hanna.
- 't Is waar.
Dan had ze hem gestyfd in 't liegen, en...

Louise.
- In 't beedlen. [18]

Hanna.
- Ja. En ook...

Louise.
- In wat nog meer?

Hanna.
- In... in... ik spreek niet gaarne kwaad van hem,
Vooral omdat-i gister my...

Louise.
- Hy drinkt,
Die buurman Puf!

Hanna.
- Nu, als mevrouw het weet,
De waarheid is het!

Louise.
- Juist, Wie weet of zy,
De Koningin die, naar men zegt, zich veel
Op menschenkennis toelegt...

Hanna.
- Z zal 't wezen!
Z'n neus ziet, wel bezien, 'n beetje rood.
En bovendien, nu ik het wel bedenk,
Hoe kan het mensch aan elk die haar komt plagen...
De tientjes groeien haar niet op den rug,
Zoo min als my. En geeft ze aan n te veel,
Dan blyft haar gauw niets over voor 'n ander,
Noch voor zichzelf, dat's klaar. [19] De koning...

Louise.
- Stil...
Ik hoor je kindje, meen ik.

Hanna.
- Neen, het slaapt.

Louise.
- Dat is toch waarlyk geen geringe taak,
Je met de zorgen voor zoo'n wicht...

Hanna.
- O neen,
Ik doe het graag.

Louise.
- En benje niet bevreesd,
Dat dit je schade doen zal aan je naam?
Niet ieder weet toch dat dit kind je vreemd is...
En je fatsoen! [20]

Hanna.
- Ik kon het arme schaap
Niet vruchtloos kryten hooren om z'n moeder.
Dat doet zoo zeer, mevrouw! Den eersten dag
Toen 't wicht me riep - och, 't riep me zeker niet,
Maar 't klonk me zoo: ik hoorde 't hier, mevrouw! -
Toen was het, of een stem me zeide dat
Die arme moeder slechts gestorven was,
Om eens met my een proef te nemen, of
Ik wel m'n plicht zou doen. [21]

Louise.
- Nu, plicht was 't niet!

Hanna.
- Ja toch, 't was plicht. De vader... och, mevrouw,
Dit doet niet tot de zaak: het kind was wees.
En in den bybel staat dat God een vader
Der weezen is, en ook: zyt Hm gelyk.
Dus moest ik 't kindje tot me nemen, niet?

Louise.
- Maar je fatsoen! En dan... de kosten? [22]

Hanna.
O,
De kosten zyn gering. En m'n fatsoen...
't Is waar... m'n naam! 't Zou zeker jammer zyn
Als men my om dat arme schaap verdacht...
Ik weet wel dat de menschen graag iets kwaads... [23]
Maar... maar... ik kon niet anders: daarmee uit!
En ook m'n broeder weet het, dat's genoeg.

Louise.
- Je broeder en... die ander!

Hanna.
- Hoe, U weet?

Louise.
- Wel zeker, want jyzelf hebt het gezegd...

Hanna.
- Dat ik verloofd was?

Louise.
- Ja.

Hanna.
- Nu, schande is 't niet.

Louise.
- En wanneer trouw je?

Hanna.
- Ja... dt heeft nog tyd!
Het hangt te-zamen met de politiek.

Louise.
- De politiek? Och, arme zuster! altyd tandpyn?
De politiek? Hoe zoo?

Hanna.
- Zyn 't zinkings, kou? [24]
Ik zal mevrouw wat watten geven.

Louise.
- Ja.

opstaande.

Kom, zuster, watten, watten, watten, watten!

Gedurende de laatste woorden verbergt Louise haar lach, door zich over de Walbourg heentebuigen. Hanna zoekt en vindt watten die ze de eeredame aanbiedt. Na zich daarmee eenige oogenblikken te hebben bezig gehouden, nemen Louise en Hanna weder plaats.

En nu, vertel me van je politiek.

Hanna.
- M'n...

Louise.
- Vryer, kom, rechtuit, dat is het woord!

Hanna.
- Nu ja, m'n vryer is aan 't ministerie...

Louise.
- Ah, ah!

Hanna.
- Hy is urist. Mevrouw weet wel
Wat dat beduidt, niet waar?

Louise.
- Ten-naaste-by. [25]

Hanna.
- Nu, telkens als er 'n minister valt...
Dat noemt men zoo, ik weet niet recht waarom,
Maar als-i... plaats moet maken voor 'n ander,
Dan komt er wat beweging in de zaken.
Dan zet men hier-en-daar 'n paardje op stal,
Een ander schuift wat op...

Louise.
- Ah, ik begryp!
En hoeveel maal moet 'n minister vallen,
Voor gy en hy... hoe is z'n naam?

Hanna.
- De Vries,
Albert de Vries.

Louise.
- Voor gy en Albert huwt?

Hanna.
- Hoeveel? Dat weet ik niet. De kans staat goed:
Ze vallen tegenwoordig nogal dikwyls.

De Walbourg bedekt het gelaat met de handen, als om haar lach te verbergen.

Louise, opstaande, buigt zich over haar heen.

- Die watten doen je goed... bedek je goed!

Hanna.
- Niet waar, mevrouw, het is 'n kostlyk middel.

Louise, weder plaats nemende.
- En hoeveel brengt hem die betrekking op?

Hanna.
- Dat mocht wel beter zyn, maar 't is wel ee-
nigszins z'n eigen schuld, mevrouw. Hy meent
Dat hy te goed is voor urist, omdat-i...
Ja, dt's 'n ongeluk, mevrouw! Omdat
Hy... verzen maken kan. Hy is...

Louise.
- Poet? [26]

Hanna.
- Precies! Dt is 'n kwaal! Hy noemt de dingen
Heel anders dan ze zyn of heeten, en
Ik gaf m'n beste zondagskleed er voor,
Om hem verlost te zien van...

Louise.
- Pozie? [27]

Hanna.
- Van pozie, zooals-i 't noemt. Ik weet
Tot-nog-toe niet wat hy er mee bedoelt,
En heb er geen verstand van. Maar me dunkt
Men hoeft de dingen niet zoo optesieren.
Dat is onnoodig werk, want ja is ja,
En neen is neen, niet waar, en daarmee uit! [28]

Louise.
- Maar is zyn pozie dan leugen?

Hanna.
- N...een,
Maar... waarheid, ronde flinke waarheid ook niet,
En ik begryp er niets van... [29]

Herman treedt binnen. Louise. Hanna. De Walbourg. Herman.

Herm. norsch.
- Goeden dag!

Hy valt plomp neer op den stoel by het tafeltje waarop 't glas met bloemen staat, en laat het hoofd op de hand zinken.

Hanna.
- Dat is m'n broeder. Herman, heb je nieuws?

Herm. a.v.
Ik weet nu iets... z'n naam! Hy heet Van Weert,
'n Graaf, of zoowat!

Louise.
- Hoe?

Herm. a.v.
- Ik zal 'm graven!

Louise.
- Wat is er?

Herm.
- Stil, juffrouw, dat's nze zaak!

De Walb. zich naast den stoel der Koningin plaatsende.
- Kom zuster, laat ons gaan ...'t is hier niet goed.

Louise, haar afwerende.
- Ik blyf! Spreek op, m'n vriend, misschien kan ik
Je helpen in je zaak met graaf Van Weert.
Ik ken hem, en ik zou misschien...

Herm.
Ta ... ta...
Juffrouw, mevrouw, of wat je bent, ik wensch
Je geen geluk met zulk 'n kennis! En ik doe
M'n zaken zelf.

Hanna.
- Maar Herman, wees beleefd!

Herm. in woede opstaande.
- Beleefd? Wie durft hier spreken van beleefdheid?
Eisch van 'n dollen stier beleefdheid... niet van my!
Beleefd? O God, als alles in me brandt
Van razerny? Beleefd? Ik wil den hond,
Den lagen laffen booswicht, als dit glas
Verpletteren tot gruis!

Hy werpt het glas op den grond.

Met deze vuist
Wil ik hem knypen, tot z'n schurkeziel
Hem ettrend neus en ooren uitspat... en: beleefd?
'k Wil met m'n tanden hem het hart vermalen,
De vuile bry hem spuwen in 't gezicht... [30]
Beleefd? O God, myn Hansje!

Hy valt snikkend op den stoel, en met het hoofd op beide handen neer.

Hanna, hem liefkozende.
- Lieve Herman!

De Walb.
- Kom, zuster! Waarlyk, 't is voor u niet goed...

De Koningin staat als in beraad om te vertrekken.

Herm. opstaande.
- Niet goed? Niet goed? Wie, wat, is hier niet goed?
Is 't hier voor jou niet goed genoeg, juffrouw?
Dan zal je blyven! Wat is hier niet goed,
Jy, lieve kennis van den graaf Van Weert?
Zeg, ben jyzelf wel goed? Ben jy te goed
Misschien, om hier te hooren wat ik zeg?
Is jou wellicht m'n taal niet fyn genoeg?
Ga heen dan... blyf... o God, ik kan niet meer!

Hy valt uitgeput op den stoel neer. Op 't oogenblik dat de Koningin vertrekken wil, treedt Albert de kamer in. Zy en de Walbourg blyven, niet geheel op den achtergrond, eenigszins zywaarts staan.

Hanna. Herman. Albert. Louise. De Walbourg. De eeredame schynt Louise te willen bewegen heen te gaan, doch deze weert haar af, en luistert met blykbare aandacht naar 't gesprek der personen op den voorgrond.

Alb.
- Nu weet ik meer... ja, byna alles, denk ik!
De zaak is in de heele buurt bekend.
En niet alleen wie 't was, maar ook waarom?
Ja, 't is 'n praatje door de gansche stad,
Een ieder weet er 't zyne van te zeggen.
Jou naam, m'n beste Hansje, is op de tong
Van iedereen! [31]

Hanna.
- Goddank dat moeder dood is!

Alb.
- En ng 'n naam!

Herm.
- Van Weert, dat spreekt vanzelf.

Alb.
- Neen, nog 'n andre naam... de koningin!

Louise, vooruittredende.
- De koningin?

Alb. beleefd groetend.
- De koningin, mevrouw!

tot Herman en Hansje.

Men zegt dat zy... dat zy... de minnares
Is van Van Weert.

Louise.
- Man, ben je dol! [32]

Alb.
- En dat
Het heel schandaal gezocht is, om...

Louise.
- Myn God!
Hoe? Welk schandaal?

Alb.
- 't Schandaal hier op den trap...
Gezocht is, om verdenking afteleiden. [33]

De Koningin keert zich snel om, en schynt haastig te willen vertrekken. Ze blyft evenwel alweder op den achtergrond staan, en luistert met zichtbare aandacht.

Herm.
- Ha, dt geeft licht! Dat zal de koning weten!
Ik ga tot hm... [34]

Hanna.
- Dat zal je niet?

Herm.
- Hoe nu?

Hanna.
- Ik zeg, dat zal je niet, dat zal je niet!
Als je myn rust iets geldt, zal je dat niet!
O Herman, hoor my! Was, na vaders dood,
Je Hansje u niet gehoorzaam als 'n kind?
Heb ik je niet als vader steeds geerd?
Je hadt er recht op, broeder, dt is waar!
Maar... als ik ooit je vreugd gaf, als ik ooit
Je zorg beloonde met aanhankelykheid
En liefde... en als jy ooit je Hansje lief hadt...
Dan smeek ik je, ga niet!

Herm.
- Je eer!

Hanna.
- Myn eer
Woont hier, en niet in, het paleis des Konings.
Hier ben ik braaf en goed geweest, en hier
Heb ik beloofd, toen moeder stierf, voor u
Een vrouw, een zuster, en een kind te zyn. [35]
Hier heb ik dag en nacht gearbeid, Herman!
Hier is m'n heiligdom, hier woont m'n eer!
Hier is de tempel van m'n hoogheid, die
Getuigenis noch wraak behoeft... ga niet!

Herm.
- Het adelyk kanalje...

Hanna.
- Oordeel niet!
Ons minder nog dan andren voegt het oordeel
Wy weten, Herman, hoe de schyn bedriegt. [36]
En... en... al ware 't anders: mogen wy
Het gif der tweedracht in de harten zaaien?
Die arme Koningin te-schande...

Louise, snel vooruittredend.
- Ja, dat moet!
Dat zyt gy aan uw eigen eer verplicht.

Hanna.
- 'k Ben aan m'n eer verplicht om goed te zyn,
Niet om beulin te wezen van 'n ander! [37]

Louise.
- Ge zyt uzelf de naaste....

Hanna.
- Juist daarom
Werp ik mezelf geen bloedschuld op 't geweten!

Louise.
- Ge hebt 'n broeder...

Hanna.
- Zy 'n echtgenoot!

Louise.
- Ge zyt verloofd...

Hanna.
- Zy ook, en mr: gehuwd!

Louise.
- De gansche buurt wyst u met vingers na...

Hanna.
- Haar treft de vloek van 't heele land!

Louise.
- Ge hebt
Niets dan uw eerlyke armoe...

Hanna.
- Dat is meer
Dan haar geschonden hoogheid wezen zou!

Louise.
- Ge zult eens moeder zyn...

Hanna.
- Zy is het reeds!

Louise.
- Uw kindren hebben recht op goeden naam...

Hanna.
- Die moeten zy zichzelven maken...

Herm. die gedurende dit laatste tooneel z'n zuster met verbazing heeft aangestaard.
- Hanna,
Ik ken je niet... m'n God, je bent veranderd!
Vanwaar op eens die toon, die stem, die blik...

Hanna, de beide handen tegen de borst drukkende.
- Hier staat het, Herman, hier! Daar is een kracht,
Uit hooger kracht gesproten, die het hart
Des menschen opheft... gloed die alles kleurt,
Die 't lage hoog maakt...
Albert, Albert,
O, nu begryp ik pozie! Ik wil niet laag,
Niet klein, gemeen, zyn... ik wil niet! [38] 
Heeft zy misdaan, die arme koningin,
Dan zal 't besef haar foltren zonder my.
Ik wil myn deel niet aan de marteling
Die zeker eens 't gevolg is van haar fout.
En als ze eens jammerend haar val vervloekt,
Zal niet myn naam gemengd zyn in dien vloek!

Louise.
- Dit alles is wel zeer grootmoedig, maar...
Uw plicht is toch, den Koning...

Hanna.
- Neen, neen, neen!

Louise.
- Dan ga ikzelf. [39]

Hanna.
- Gy, gy, mevrouw? Hoe... gy?

Louise.
- Ikzelf. Ik zal hem zeggen dat...

Hanna, terwyl zy de Koningin 't pakjen aanbiedt, op strengen toon:
- Mevrouw,
Ziehier de stof voor uw japon terug:
Ik heb geen tyd, voor U te werken... ga!

Op dit oogenblik steekt iemand als lakei gekleed, het hoofd door de deur, en komt behoedzaam binnen. De Koningin treedt zywaards terug. Hanna. Albert. Hesselfeld, als lakei. Herman. Eenigszins achterwaarts, Louise en De Walbourg.

Hesself.
- Ben 'k hier terecht by juffrouw Hanna Smit?
Myn heer, 'n heer van 't hof, heeft van de zaak
Gehoord...

Herm. ruw.
- Van welke zaak?

Hesself.
- Nu ja... de zaak
Die ieder weet...

Herm. a.v.
- Wat gaat jou heer dat aan?

Hesself.
- Hy weet hoe schandlyk gy belasterd zyt,
En hoe de graaf Van Weert... men raadt u aan,
Te klagen by den Koning. Graaf Van Weert
Ws op Louise's Rust... er zyn getuigen.
Men wil u bystaan, uit... rechtvaardigheid,
Uit menschlykheid, ja.. . uit menschlievendheid,
En... om de goeie zeden...

Louise, snel vooruittredende.
- Scheer je weg!
't Lakeienpak flatteert je, Hesselfeld!
Het past je!

Hesself.
- Majesteit!

Allen.
- De koningin! [40] 

Hanna laat het pakje vallen. Pauze. Hesselfeld die vertrekken wil, wordt door Louise met 'n gebiedende beweging van de hand teruggeroepen.

Louise.
- Raap op!

Hesselfeld gehoorzaamt, en biedt Hanna, in gebogen houding het pakjen aan. Pauze. Nadat Hanna 't pakje heeft aangenomen, wyst Louise Hesselfeld de deur. Hy sluipt bukkend heen. Hanna. Louise. De Walbourg. Albert. Herman.

Louise.
- Vaarwel... of neen: tot weerziens, Hanna!
Ik mag wel Hansje zeggen... niet? Dat stemt
Met myn gevoel voor u! By God, ik heb
Wel lager titels...

Ze strekt de handen over Hansjes hoofd uit.

Wees gezegend, edel kind! [41]

Voor het scherm valt, staren Hanna, Herman en Albert haar eenige oogenblikken in sprakelooze verbazing na.


[1] VIERDE BEDRYF.

Nadat in het eerste bedrijf de Koningin; in het tweede bedrijf de Koning en zijn ministers; en in het derde bedrijf de politiek en politieke beginselen zijn behandeld is nu de beurt aan het Volk.


[2] Hanna zingt.

Mooi Elsje, 'n boerinnetje, poezel en malsch...

Hier zijn we echt aangeland bij oud Nederlands: Mooie poezele en malsche jonge vrouwen! Heerlijk! Prachtig!


[3] Neen, Herman is niet thuis. Er wordt van-nacht
     In z'n fabriek aan d'yzren brug gegoten...

M. was diverse jaren bevriend met de industrieel Jacques Hotz die in dit soort zaken deed. Het was voor deze man dat oorspronkelijk idee 451 is geschreven, over de toestand van het volk.


[4] Hanna.
     - Wat staat er in?
     En is 't op rym? Want verzen zonder rym...
     Dat weet je! 
     Alb.
     - Ja, dat weet ik. Nu, het rymt.

Ja, die rijmloze verzen. M. hield er niet van en ik ook niet. 't Is vrijwel altijd gezwollen taalgebruik, bombasterij zonder talent. Wie er meer van wil lezen met enige objectiviteit leze Milton of Wordsworth, die geacht worden het enigermate te kunnen. 


[5] Je vroeg me eens, Hansje, wat toch pozie was?

Aan M. werd die vraag ook bij gelegenheid gesteld, en hij behandelde hem ook wel eens, bijvoorbeeld in idee 263, en soms ook in publieke voordrachten. Hij kwam er nooit erg ver mee. Ik wijs hier alleen op Ezra Pound's "Poetry is condensation" van "condensare" dus "dichten is verdichten" en citeer Hazlitt maar eens, namelijk de eerste regels van "On Poetry in general"

"The best general notion which I can give of poetry is, that it is the natural impression of any object or event, by its vividness exciting an involuntary movement of imagination and passion, and producing, by sympathy, a certain modulation of the voice, or sounds, expressing it."

De meeste pozie is mislukt, en gezwollen taalgebruik.


[6] 't Zal my benieuwen of ik het begryp,
     En of ik wyzer worden zal in pozie.

Ik verwees net naar 263 waarin we kunnen lezen dat Er is niets potischer dan de waarheid. Hanna wordt om te beginnen niet veel wijzer van wat ze geboden krijgt.


[7] Hoor hoe z'n kracht, in stormen sprekend,
     Met dondrend schuim op rots en klippen brekend,
     Of... lieflyk murmlend, eeuwen lang
     Zich oplost in n enklen zang.
     't Is alles pozie...

Ik verwijs naar [5] voor een citaat van een kenner, en hoop dat de lezer genoten heeft van Herman's potasterij. Multatuli schreef dit gedeeltelijk als parodie, maar het begin van het fraais meende hij kennelijk overwegend serieus, zoals we later in dit bedrijf zullen zien.


[8] Herm.
     - Die man beweert dat jy 'n hoer bent, Hanna!
     Hy zegt, je ontvangt des-nachts, als ik van-huis ben,
     Hier heeren van het hof!

Dat een vrouw een hoer zou zijn was natuurlijk de ultieme belediging van een vrouw in 19e eeuws Nederland. De combinatie hier is nogal vreemd: Een hoer voor heeren van het hof  - maar dat komt omdat het zo goed uitkomt voor de plot.


[9] Hanna.
     - Is 't anders niet?
     Wel man, je hebt je byster uitgesloofd,
     Dat noem ik goeie buurschap, vrindje Puf!

We moeten hier begrijpen dat Hanna bijzonder, nee buitengewoon om niet te zeggen: onmogelijk goed, nobel en deugdzaam was, in Multatuliaanse zin. Wie dit hier nog niet duidelijk is zal dit in de rest van dit bedrijf, tennaastebij ad nauseam, uitgelegd krijgen.


[10] Z, z... dat zei ik, en haar naam is Hanna Smit.
       Maar mooi? Dat kan ik juist zoo erg niet zeggen,
       Want, zei ik, ze is wat mager, zei ik. Zoo,
       Zei hy toen, met verlof, vind jy haar mager?

De schoonheidsbegrippen van en over vrouwen variren nogal met tijd en plaats. Rubens hield van mollig, net als de 17e eeuw, kennelijk. Iets daarvan is terug te vinden in ca. 50 jaar oude fotoos van Brigitte Bardot in bikini. Sindsdien is het ideaal mager tot op het anorexische af. (Ik mag dat wel, dus ben in ieder geval in enig opzicht "kind van mijn tijd".)


[11] Maar hy zei
       Dat ik 'n aap was, en 'n dommekraat

Een woordspeling die ik ook nog wel eens heb mogen gebruiken over het Nederlands kiessysteem. Ikzelf ben dan ook niet erg democratisch, vrees ik voor de lezer, en merk het maar op omdat dit tegenwoordig voor hgst onfatsoenlijk doorgaat.

De doorsnee Nederlander meent namelijk dat belangrijke kwesties beslist moeten worden bij meerderheid van onwetende stemmen en stemmers, en vindt dat een heel fatsoenlijk en verstandig idee, en is het dan heel democratisch eens met de meerderheid, die ook graag wil meepraten en meebeslissen over zaken waar ze niets van weten.

Wie hier niet bijzonder enthousiast over doet kan niet deugen, onder Nederlanders. Dat spreekt immers vanzelf, onder Nederlanders, met grote democratische meerderheid van stemmen. 


[12] Alb.
       - Doorgronden... goed! Maar eerst gelooven, Herman!

Ik citeer maar eens, ter instructie van de lezer:

"For I do not seek to understand that I may believe, but I believe in order to understand. For this I believe - that unless I believe, I should not understand.
   (St. Anselm, Proslogion)

Dit was trouwens ook het ideaal van de Middeleeuwse theologie: Geloven om te begrijpen. Of dit Multatuli door de geest speelde betwijfel ik, maar het is een zinnig idee - tenminste, als men het over natuurlijke aannames en niet over goddelijke ficties heeft.


[13] Louise, het kamertje in oogenschouw nemende.
       - Hier moet het wezen. 't Ziet er zindlyk uit. 
       Dat is de weelde van den arme. Bloemen!

In het vorige bedrijf zagen we ook al dat Louise het eerst naar reinheid kijkt, wanneer zij zich onder het volk begeeft. Dit had waarschijnlijk ook iets te maken met het feit dat de dames van hogere stand een flink deel van de dag doorbrachten met het controleren of hun huishoudelijk personeel wel goed had schoongemaakt.

En in de tijd dat ik dit schrijf - 2005 - wordt de weelde van den arme al jaren aan de vrouw gebracht met de volmaakt debiele verkoopskreet "Bloemen houden van mensen!".


[14] Dan zegt men dat die Hanna slordig is,
       En dit is m'n fatsoen te na, mevrouw!

Hier moeten we natuurlijk begrijpen dat de o zo nobele Hanna niet maalt om voor hoer uitgemaakt te worden maar wel graag haar goede reputatie als naaister in stand houdt. A la: Zij is wel een hoer maar naait toch heel goed, naar men mag aannemen.


[15] Louise.
       - Wat zeg je van dien trots op haar geslacht?
       De Walb.
       - Dat noem ik adel!

Ik geloof niet dat hier sprake is van opzettelijke ironie, noch bij de dames noch bij Multatuli.

Men zag dit graag zo, en sprak graag zo, in dit soort termen van keeping up the pretenses, wat een zeer belangrijk onderdeel is van het sociaal zijn en rollen spelen is, waarin bijna alles gespeeld, overdreven, pose, en alleen uiterlijk en verbaal is.


[16] Ik had zoo graag de koningin gezien.
       Men zegt, zy is 'n schoone vrouw... 
       Louise.
       - Z, z!
       Niet leelyk, maar byzonder mooi juist niet.

Ze wordt alweer gevleid op een wijze die de meer cynische lezer ingeeft dat ze allang herkend is. Maar nee, dat is de plot niet.

Hoe het zij - ik noemde net het varirend schoonheidsideaal van vrouwen, en merk hier op dat de eerste Koningin Louise op toneel, Mina Krseman, doorging voor "een mooie vrouw". Uit overgeleverde fotoos blijkt mij dat niet, maar dit zal iets met veranderde schoonheidsidealen van doen hebben, en ook met een ander feit, dat weer interessant is i.v.m. de rollen die mensen spelen om er maar maatschappelijk bij te horen, en de manieren waarop ze dat doen en hulpmiddelen waarmee: En van de dingen die zr veranderd is in de 20ste eeuw is de opmaak der vrouwen.

Wat tegenwoordig volstrekt normaal is moet vele eeuwen lang ongelovelijk hoerig of op zijn best zeer toneelspeelsterig hebben verschenen, en door en door onfatsoenlijk, want toneelspeelsters en hoeren waren eeuwen lang van n en dezelfde publieke soort. En wat mij hier interesseert is hoe volstrekt normaal het wordt geacht voor vrouwen om zich op te maken voor het spelen van publieke rollen, en dan feitelijk vaak in die mate dat het werkelijk uiterlijk nauwelijks zichtbaar is: Vals of geverfd haar, valse wimpers, valse oogschaduw en gekleurde wangen, lippenstift, parfum, nagellak - het is alles welbewuste "impression-management", toneel en vervalsing, waarvan men toch moet doen alsof het echt is, en persoonlijke verdienste.

En ik merk dit weer op in het kader van rollenspelen - zie ook [15] - waar de mensen-maatschappij uit opgetrokken is: Uit doen-alsof en vervalsing, uit hypocrisie en toneelspel.


[17] De Walb.
       - Ze is tegen groote heeren taamlyk fier,
       Maar met geringe lieden vriendlyk, zacht!

Dit is ook weer Multatuliaans. Zie ook zijn zelfbeschrijving.


[18] Hanna.
       - 't Is waar.
       Dan had ze hem gestyfd in 't liegen, en...
       Louise.
       - In 't beedlen.

O, o, o wat is deze Vrouw uit het Volk weer vrselijk voorbeeldig!


[19] De tientjes groeien haar niet op den rug,
       Zoo min als my. En geeft ze aan n te veel,
       Dan blyft haar gauw niets over voor 'n ander,
       Noch voor zichzelf, dat's klaar.

Dat mag klaar zijn, maar het is mij toch ook klaar dat n en dezelfde boerenfamilie met een hele koe en met goud beloond wordt, door de Koning en Koninging van het stuk, en dat alsof het vanzelf spreekt en niet vanwege verdienste of bijzonderheid.


[20] Louise.
       - En benje niet bevreesd,
       Dat dit je schade doen zal aan je naam?
       Niet ieder weet toch dat dit kind je vreemd is...
       En je fatsoen!

Het ongehuwd moederschap was in de 19e eeuw een grote schande, en tamelijk gebruikelijk, net als kindermoord. Zie ook idee 448 e.v.


[21] Toen was het, of een stem me zeide dat
       Die arme moeder slechts gestorven was,
       Om eens met my een proef te nemen, of
       Ik wel m'n plicht zou doen.

Dit is weer zeer Multatuliaans, die dit ook over zichzelf opmerkte en over Woutertje Pieterse. Het is niet rg normaal, zoals uit de volgende fraaie tabel ontleend aan de wetenschap der psychologie blijkt. Ik citeer uit de the "Introduction to Psychology" by Hilgard & Atkinson:


Stages in the development of moral values

LEVELS AND STAGES

ILLUSTRATIVE BEHAVIOR

Level I. Premoral

 

1. Punishment and obedience orientation

Obeys rules in order to avoid punishment

2. Naive instrumental hedonism

Conforms to obtain rewards, to have favors returned.

Level II. Morality of conventional role-conformity

 

3. "Good-boy" morality of maintaining good relations, approval of others.

Conforms to avoid disapproval, maintaining good relations, dislike by others.

4. Authority maintaining morality.

Conforms to avoid censure by legitimate authorities, with resultant guilt

Level III. Morality of self-accepted moral principles

 

5. Morality of contract, of individual rights, and of democratically accepted law.

Conforms to maintain the respect of the impartial spectator judging in terms of community welfare.

6. Morality of individual principles and conscience.

Conforms to avoid self-condemnation.


"Kohlberg's studies indicate that the moral judgments of children who are seven and younger are predominantly at Level I - actions are evaluated in terms of whether they avoid punishment or lad to rewards. By age 13, a majority of the moral dilemmas are resolved at Level II - actions are evaluated in terms of maintaining a good image in the eyes of other people. This is the level of conventional morality. In the first stage at this level (Stage 3) one seeks approval by being "nice"; this orientation expands in the next stage (Stage 4) to include "doing one's duty", showing respect for authority, and conforming to the social order in which one is raised.

According to Kohlberg, many individuals never progress beyond Level II. He sees the stages of moral development as closely tied to Piaget's stages of cognitive development, and only if a person has achieved the later stages of formal operational thought is he capable of the kind of abstract thinking necessary for postconventional morality at Level III. The highest stage of moral development (Level III, stage 6) requires formulating abstract ethical principles and conforming to them to avoid self-condemnation. Kohlberg reports that less than 10 percent of his subjects over age 16 show (...) kind of "clear-principled" Stage 6 thinking (...)"

"Kohlberg describes the child as a "moral philosopher" who develops moral standards of his own; these standards do not necessarily come from parents or peers but emerge from the cognitive interaction of the child with his social environment. Movement from one stage to the next involves an internal cognitive reorganization rater than a simple acquisition of the moral concepts prevalent in his culture."

"Kohlberg claims that moral thought and moral action are closely related. For proof he cites a study in which college students were given an opportunity to cheat on a test. Only 11 percent of those who reached Level III on the moral dilemmas test cheated. In contrast, 42 percent of the students at the lower levels of moral judgement ceated (...)".


Wie hier meer van wil weten leze "On the Logic of Moral Discourse".


[22] Louise.
       - Maar je fatsoen! En dan... de kosten?

Ik noemde net "On "The Logic of Moral Discourse"". Wel, hier zien we DE twee Neerlandse morele hoofdovertuigingen bij vrijwel iedere bewuste handeling: Wat gaat het mij kosten?! En wat zal men er van denken?!


[23] Ik weet wel dat de menschen graag iets kwaads...

Dit is waar. Er is veel menselijke kwaadwilligheid en er wordt meestal over gehuicheld. Wie niet van Ons is heeft een veel grotere kans op een kwaadwillige dan een andere bejeging door Ons, gemiddeld, dan wat anders: Het meeste menselijk vermaak is leedvermaak. Onverschilligheid voor het lot van een ander - dus zonder winstbejag of leedvermaak - is al heel wat, zoals mensen gemiddeld zijn. Zie [21] voor de wetenschap hierachter.


[24] Hanna.
       - Zyn 't zinkings, kou?

Wie zich iets verdiept in 19e eeuwse Nederlandse literatuur treft overal "zinkings". Ik ben dan ook blij dat ik mijzelf en de lezer hierover kan voorlichten dankzij de Multatuli-Encyclopedie:

"..zinking, een volgens de oude volksopvatting pijnlijke aandoening in enig lichaamsdeel als gevolg van kwade vochten".


[25] Hanna.
       - Hy is urist. Mevrouw weet wel
       Wat dat beduidt, niet waar?
       Louise.
       - Ten-naaste-by.

Ook hier heb ik de Multatuli-Encyclopedie te hulp moeten roepen:

"Urist, m. (..) die bij het uur werkt, schrijft enz."

Dit is trouwens een typisch-Nederlandse woordenboek-definitie die weinig of niets verklaart. Kennelijk wordt bedoeld: Die per uur betaald krijgt, en niet op vast week- of maand-salaris staat. 


[26] Ja, dt's 'n ongeluk, mevrouw! Omdat
       Hy... verzen maken kan. Hy is...
       Louise.
       - Poet?

Ocharm, inderdaad. We hebben al gezien tot welk vreselijks dat kan leiden.


[27] Ik gaf m'n beste zondagskleed er voor,
       Om hem verlost te zien van...
       Louise.
       - Pozie?

Ja, het is niet gezond, noch voor de producent noch voor de consument. (Dit rijmt, lezer! 't is ongekend, hoe u hier wordt verwendt!)


[28] Hanna.
       - Van pozie, zooals-i 't noemt. Ik weet
       Tot-nog-toe niet wat hy er mee bedoelt,
       En heb er geen verstand van. Maar me dunkt
       Men hoeft de dingen niet zoo optesieren.
       Dat is onnoodig werk, want ja is ja,
       En neen is neen, niet waar, en daarmee uit!

Ik verwijs nog maar eens naar 263.


[29] Louise.
       - Maar is zyn pozie dan leugen?
       Hanna.
       - N...een,
       Maar... waarheid, ronde flinke waarheid ook niet,
       En ik begryp er niets van...

Alweer een heikele kwestie. Plato, die dichters wenste te weren uit zijn ideale staat, waagde het hier anders over te denken dan Hanna, en ik dan allebei: Pozie is bijna altijd aanstellerij. En maar weinigen hebben het talent en taalvermogen het smakelijk en begrijpelijk te maken.


[30] Met deze vuist
       Wil ik hem knypen, tot z'n schurkeziel
       Hem ettrend neus en ooren uitspat... en: beleefd?
       'k Wil met m'n tanden hem het hart vermalen,
       De vuile bry hem spuwen in 't gezicht...

De lezer moet begrijpen: Hier spreekt de simpele mannelijke volksziel, en wellicht ook Multatuli's eigen gevoel over Duymaer van Twist


[31] De zaak is in de heele buurt bekend.
       En niet alleen wie 't was, maar ook waarom?
       Ja, 't is 'n praatje door de gansche stad,
       Een ieder weet er 't zyne van te zeggen.
       Jou naam, m'n beste Hansje, is op de tong
       Van iedereen!

Hoe dat zo snel kan wordt de lezer niet verklaard. 19e eeuwse teletekst?


[32] Men zegt dat zy... dat zy... de minnares
       Is van Van Weert.
       Louise.
       - Man, ben je dol!

En hier wordt de Koningin de intrige deelachtig.


[33] - En dat
       Het heel schandaal gezocht is, om...
       Louise.
       - Myn God!
       Hoe? Welk schandaal?
       Alb.
       - 't Schandaal hier op den trap...
       Gezocht is, om verdenking afteleiden.

Het is wellicht de moeite waard op te merken dat dit wel een redelijk normale politieke truuk is. Watergate had oorspronkelijk ook zo'n soort achtergrond.

Moraal: Men kan lang niet alles geloven wat in het nieuws is, want veel is gefabriekt en gemanipuleerd; over nog meer wordt gelogen; en alles is partieel en partijdig.


[34] Herm.
       - Ha, dt geeft licht! Dat zal de koning weten!
       Ik ga tot hm...

Alweer iemand die naar de Koning wil gaan om hem voor te lichten!


[35] Hanna.
       - Myn eer
       Woont hier, en niet in, het paleis des Konings.
       Hier ben ik braaf en goed geweest, en hier
       Heb ik beloofd, toen moeder stierf, voor u
       Een vrouw, een zuster, en een kind te zyn.

De lezer begrijpt ongetwijfeld dat hier weer De Nobele Vrouw Uit Het Volk spreekt, met haar nobele eerbegrippen, zo voorbeeldig ook voor de adel, de Koning en de Koningin. 't Is maar een weet, lezer: Het Volk is heel nobel! (Het schijnt ook aan incest te doen, bij wijze van moraal, lezen wij hier, maar dit is terzijde.)


[36] Herm.
       - Het adelyk kanalje...
       Hanna.
       - Oordeel niet!
       Ons minder nog dan andren voegt het oordeel
       Wy weten, Herman, hoe de schyn bedriegt.

Opnieuw: Precies de houding die de Hogere Stand zo graag zag bij de lagere stand en het huishoudelijk personeel.


[37] Hanna.
       - 'k Ben aan m'n eer verplicht om goed te zyn,
       Niet om beulin te wezen van 'n ander!

Zo nobel, lezer! En toch maar Een Vrouw Van Het Volk! Laat dit Een Les zijn!


[38] Hanna, de beide handen tegen de borst drukkende.
       - Hier staat het, Herman, hier! Daar is een kracht,
       Uit hooger kracht gesproten, die het hart
       Des menschen opheft... gloed die alles kleurt,
       Die 't lage hoog maakt...
       Albert, Albert,
       O, nu begryp ik pozie! Ik wil niet laag,
       Niet klein, gemeen, zyn... ik wil niet!

En verdomd als de lezer niet ook het raadsel van de pozie geduid krijgt, in een ware katharsis. Ongetwijfeld mnde Multatuli dit.


[39] Louise.
       - Dan ga ikzelf.

En alwr iemand die naar de Koning wil gaan om hem voor te lichten! Geen wonder dat de man het te druk heeft zijn eigen vrouw te spreken!


[40] Allen.
       - De koningin!

Het valt mij op dat Allen het wel hl snel door hebben wie die rare bemoeizuchtige mevrouw is - of tenminste: Dat ze het onmiddellijk geloven als een hen ook al onbekend heerschap dat zegt.


[41] Wees gezegend, edel kind!

Ziet hoe nobel en geheel niet betuttelend! Toch vraag ik me nogmaals af: Wl hele koeien en goudstukken naar onbetekenende boeren en boerinnen, maar alleen fraaie woorden voor een door en door Nobele Vrouw Van Het Volk? We moeten ons maar troosten met de gedachte dat Hanna vast grafin bleek, en dochter van de Graaf van Weert, in een nooit-geschreven vervolg-toneelstuk. (Zie ook Multatuli's eigen "De Bruid Daarboven", voor deze 19e eeuwse variant.)

 

Vorstenschool 4.