Vorstenschool 1                                                 


VORSTENSCHOOL.
[1]


        Vorstenschool - 1e bedrijf
       Vorstenschool - 2e bedrijf

       Vorstenschool - 3e bedrijf
       Vorstenschool - 4e bedrijf
       Vorstenschool - 5e bedrijf
       Vorstenschool - Nawoord (van MM met hulp van Hazlitt)


PERSONEN.

George, koning.  
Louise, koningin.  
Koningin-Moeder.  
De Walbourg, eeredame der koningin.  
Van Huisde heeren
Miralde uit de
Von Schukenscheuer-Schiefschalheim omgeving
Hesselfeld des
Prins Spirido konings
Weis, des konings kamerdienaar.  
Landsheil, kleeremaker.  
Herman, werkman in 'n yzergietery.  
Hanna, een naaister. Herman's zuster.  
Albert, Hanna's verloofde.  
Puf.  
Boerevrouw.  
Vier Lakeien.  
Groom van Schukenscheuer.  
Knecht van Landsheil.  

 


EERSTE BEDRYF.

Tooneel: kamer op Louise's rust, het buitenverblyf der Koningin.


 Louise. De Walbourg. Daarna Puf.

De Koningin (eenvoudig kostuum) zit links van den toeschouwer, niet geheel op den voorgrond, aan een met boeken en papieren beladen schryftafel. Rechts op den voorgrond, de eeredame, zich bezighoudende met tapisseriewerk. Louise schryft, en gaat hiermee, na 't ophalen van de gordyn, eenige oogenblikken zwygend voort.

 Louise, zonder optezien.

 - De Walbourg, zyn er meer nog in de voorzaal?

De eeredame gaat naar den achtergrond, en schynt te spreken met 'n lakei die zich in de halfgeopende deur vertoont.

 De Walb.
 - Nog n man, Majesteit.

 Louise a.v.
 - Goed. Laat hem komen.

 De Walbourg laat Puf binnen, die door haar wordt aangemoedigd op den voorgrond te treden. Na eenig wyzen en wenken, komt hy vooraan in 't midden te staan, zoodat de Koningin, zonder zich geheel omtekeeren, hem in 't oog kan krygen. De Walbourg neemt haar plaats weder in. Na elk door Puf gegeven antwoord, eenig zwygen: de Koningin noteert.

 Louise, a.v.
 - Hoe heet ge, vriend?

 Puf
 - M'n naam is Puf, Sir... ene.

 Louise a.v.
 - Beroep?

 Puf
 - Ik ben boekdrukkersknecht.

 Louise, a.v.
 - Gehuwd?

 Puf
 - Geweest. Ruim negen jaar.

 Louise a.v.
 - En kindren?

 Puf
 - Zeven.

 Louise, a.v.
 - Hoe oud?

 Puf
 - Een trap der jeugd... van n tot tien...

 Louise, snel op- en omziende.
 - En negen jaar gehuwd?

 Puf
 - Ik moet de waarheid zeggen.

 Louise.
 - Dat 's recht. Ga voort. Zyn 't meisjes? Gaan ze school?
 Vertel me 't een en ander.

 Puf
 - Na den dood
 Van myne vrouw, was 't... met verlof, by ons
Een beetje... sjovel... alles even duur!
 M'n oudste, 'n jongen, heeft wat weekgeld, maar...

 Louise, weder noteerende.
 - Hoeveel?

 Puf
 - Acht stuivers, Sir...

 Louise, a.v.
 - Al goed! En gy?

 Puf
 - Acht gulden, en de fooi van Koppermaandag. [2]

 Louise, a.v.
 - En de andren? Meisjes?

 Puf
 - Om-en-om. Het oudste
 Kan breien, maar... dat geeft niet, met verlof.
 Dan nog... drie jongens en drie meisjes.

 Louise, opziende.
 - Acht?
 Ge zeidet zeven...

 Puf
 - Och... 'n drukfout!

 Louise.
 - Ah!
 Waar zyn die kinderen als gy uit zyt?

 Puf
 - Sir...

 De Walb.
 - Hier is het potlood van uw Majesteit. [3]

 Puf
 - Het jongste... Majesteit, is by 'n buurvrouw.

 Louise, noteerende.
 - Voor loon?

 Puf
 - O neen, uit vriendschap.

 Louise, a.v.
 - Dt is goed!
Hoe heet die buurvrouw?

 Puf
 - Hanna Smit.

 Louise, a.v.
 - Zeer wel.
 En de andren?

 Puf
 - Zoo als 't valt... op straat of thuis...
 Of hier of daar. Soms vind ik ze op den trap,
 Of spelend langs den weg, of... soms ook niet.
 De jongens loopen, met verlof, wat ver,
 En dan moet ik ze zoeken in de buurt.

 Louise, a.v.
 - Dus zyn uw kindren wat verwilderd?

 Puf, aarselend.
 - Ja...a.

 Louise, a.v.
 - Wat eet ge daaglyks?

 Puf
 - Brood, maar... niet altyd.
 Aardapp'len... niet altyd. Of boonen... niet
 Altyd. Soms grutte... maar... ook... [4]

 Louise, opziende.
 - Niet altyd?
 Wat geeft ge uw kindren, als ge dt niet geeft?

 Puf
 - Soms niets!

 Louise.
 - O God! En vleesch, hoe vaak in 't jaar?

 Puf
 - Vleesch, Majesteit... dat kan niet! Nooit! [5]

 Louise, schryvende.
 - Helaas!
 Het is genoeg. De Walbourg, geef den man...

 Omziende, tot Puf.

 Men zeide u zekerlyk dat ik weldadig was,
En ryk?

 Puf
 - O ja, 'n koningin!

 Louise.
 - Welnu,
 Dan heeft men u de waarheid niet gezegd.
 Wat wezen zou, indien ik ryk genoeg was
 Om al wat arm is, ryk te maken... [6] zie,
 Dit laat ik daar! Ik kan u slechts
 Uw moeite, uw dag en uw bericht betalen...
 De Walbourg, geef den man 't gewone loon:
 Twee gulden.

 Tot Puf.

 Ge kunt gaan. Misschien tot later!

 De Walbourg geleidt Puf naar de achterdeur, en na zich daar eenige oogenblikken met hem te hebben onderhouden, neemt ze haar plaats weer in. Puf af.

 Louise, schryvende, en nu-en-dan even op- en omziende.
 - Ge weet z'n woonplaats? Wl! Laat hem bezoeken.
 Hy heeft 'n goede noot in myn register,
 Om... 't niet verschuiven van z'n huwelyksdag.
 Tenzydi... waarheid sprak uit onbeschaamdheid.
 Die... drukfout met z'n kindren was wat louche.
 Maak dat ik meer hoor van die Hanna Smit,
 De buurvrouw die uit vriendschap... lief, niet waar?
 Ik wacht rapport. We zullen verder zien,
 En als 't de moeite waard is, ga ikzelf... [7]
 Mama!

 Koningin-Moeder (hoed en sjaal) treedt binnen. Louise gaat haar haastig te-gemoet, en geleidt haar naar den voorgrond.

 Louise. Koningin-Moeder. De Walbourg.

 Kon. Moed.
 - Zoo druk aan 't werk?

 Louise.
 - Ik had bezoek.
 Ge weet, ik houd lever van acht tot tien... [8]
 O zie, mama, zie eens die bundels aan,
 Berichten over alles wat by 't Volk
 Niet is zooals het wezen moest, en toch -
 Dt hoop ik! - eenmaal anders wezen zal.
 Maar, moeder... lompe dochter die ik ben...
 Ik vroeg niet eens naar uwen welstand! [9]
 Hebt Ge goed gerust na zulk 'n avend, zeg!

 Onder het uitspreken der laatste regels heeft zy (De Walb. schiet toe) 'n fauteuil naar 't midden van den voorgrond getrokken, en noodigt liefkozend de Koningin-Moeder uit, daarop plaats te nemen. Haar eigen stoel keert ze eenigszins van de schryftafel af, zoodat haar rechterarm daarop rusten kan. Zoo is dan ook haar houding, tot ze in geestdrift opstaat.

 Kon. Moed.
 - De kursus van van-nacht was wel wat zwaar.
 M'n oogen vielen toe by uw verhoor,
 M'n ooren suisden van uw statistiek,  [10]
 By al dat vragen, vorschen, onderzoeken
 Van uwen onverbiddelyken weetlust.
 Ge hieldt van Weert te lang... de man was mo!

 Louise.
 - Te lang? O neen! En mo? Ik was niet mo!
 Maar 't zal om uwentwil niet weer gebeuren
 Dat ik zoo laat graaf Otto hier houd, moeder,
 En daardoor u van uwen slaap beroof.
 Wat zyn vermoeidheid aangaat... o ho, ho,
 Dt noem ik byzaak! 't Zal hem goed doen, denk ik.
 Zoo'n beetje gymnastiek geeft lenigheid
 Aan de gewrichten van z'n staatsverstand
 Dat... wat verstyfd is in de vormelykheid.

 Kon. Moed.
 - Men roemt hem toch als zeer bekwaam, Louise. [11]

 Louise.
 - Dat spreekt vanzelf... zoolang hy invloed heeft!
 Daarna? We zullen zien! Tenzydi sterft,
 En men z'n roem gebruiken kan als blaam
 Voor andren, die nog in den weg staan. Ik...
 Ik schat hem even hoog en even laag
 Als velen van z'n soort.

Kon. Moed.
 - Louise, ik dacht...

 Louise.
 - Dat ik vertrouwen stelde in zyn genie?
 O, dat is grappig, moeder! 't Lykt er niets naar!
 Hy heeft... talent... zoo, zoo... maar niet te veel,
 Genoeg juist voor de meening dat-i meer heeft.
 Hy spreekt... vry wel, maar... zonder hart altyd,
 En mist den moed zich somtyds te verspreken. [12]
 Hy weet... nu ja, hy weet wat hem geleerd is,
 Maar meer ook niet, mama.

 Kon. Moed.
 - Wat eischt ge meer?

 Louise, op het hart wyzende.
 - Iets anders, moeder... hier! En dat ontbreekt,
 Die man draagt, als de kerstboom, juist zooveel
 Als vader schooltyd en mama routine
 Hem strikten in de takjes... nooit iets meer!
 Zoo'n boompje is dood... maar leven moet de mensch,
 Dat is: gevoelen, denken, werken, streven,
 En vruchten dragen, honderd... duizendvoud!
 Wie niet meer geeft dan hy ontving, is... nul,
 En deed met z'n geboorte onnoodig werk. [13]
 Nu, zulk een nul is my de graaf van Weert.

 Kon. Moed.
 Maar zyt ge niet wat streng?

 Louise.
 - 't Is mooglyk. Doch
 Het zy de vraag vr alles: of ik waar ben?
 Ik stel aan allen niet denzelfden eisch,
 Maar doe een hoogen eisch aan 'n minister. [14]
 Is dat te streng?

 Kon. Moed.
 - Graaf Otto...

 Louise.
 - Is gewoon,
 En in den vreemden tyd dien wy beleven,
 Is, op zyn standpunt, 't ordinaire: misdaad. [15]
 Gewoonheid is 'n giftig woekerkruid
 Dat zelf geen vruchten draagt, en z'n venyn
 Gebruikt om wat er opschiet aan z'n zy
 Te doemen tot gelyke onvruchtbaarheid.
 Gewoonheid is verdienste's vyandin,
 Een schutsvrouw van het kleine, van 't gemeene.
 Wat uitsteekt, moet geknot. Wat blinkt, bevuild.
 Wat vlucht neemt, neergeslagen en gekneveld.
 Talent... geloochend, of gesmoord met ma.a.a.ren,
 En daarna doodgezwegen... als het kan. [16]
 Genie... ha, vraag Van Weert eens naar genie!
 Maar dat's 'n sprookje, 'n mythe, 'n onding,
 Of erger nog, iets... iets... iets onfatsoenlyks,
 Een vuile ziekte, die men liefst niet noemt
 Dan met 'n omweg: ex.cen.tri.ci.teit! [17]

 Eenig zwygen.

 Nu, excentriek is onze staatsman niet,
 Hy loopt vry wel in 't algemeene spoor.
 Hem is de Staat... zyn zetel, zyn carrire,
 Een kaatsbaan voor de heeren van het hof,
 Een draaibank van fortuintjes, 'n fabriek
 Van Neurenberger eerzuchtsduikelaars. [18]
 Hem is het Volk... 'n kweekkast van lakeien.
 De welvaart... paragraaf in 'n rapport.
 Een algemeene ramp... de troefkaart op
 Den heer die uitgespeeld was door party.
 De burger... 'n artikel ter belasting. [19]

 Eenig zwygen. Louise die opgestaan was, gaat weer zitten.
 De Walbourg geeft telkens blyk van aandacht.

 En wat zoo'n staatsminister weet, wat hy
 U zeggen kan van de algemeene zaak...
 O, moeder, 't is zoo weinig, als het hart ontbreekt:
 Genie zit dr! Neem zulk een man
 Eens z'n kommiezen af, en z'n rapporten,
 En zie eens wat hyzelf begrypt of weet,
 En wacht eens op 'n nieuw idee dat in
 Zyn eigen ziel gegroeid is... ha, ha, ha,
 Dan kunt ge wachten tot ge moeier zyt
 Dan hy van-nacht was!    [20]
                       Ik was niet vermoeid!
 Ik had het eenmaal nu er op gezet
 Den ganschen katechismus doorteloopen,
 Van alles wat er kookt in myn gemoed,
 En - ware 't doenlyk, maar, helaas, ik twyfel! -
In 't zyne een vonk te werpen van geloof
 Aan mooglykheid op beter toekomst, moeder!
 Ge weet niet hoe dit denkbeeld my bezielt,
 My wegsleept, opheft...

 Kon. Moed.
 - Dweepster, lieve dweepster!

 Louise, haastig opstaande.
 - Neen, zeg dat niet... om-godswil, zeg dat niet!
 In dweepzucht is bedrog, en ik zoek waarheid.
 Ik wil doorgronden wat geschieden kan,
 En ziften wat geschieden moet. [21]

 Zich voorover buigend, en in den aanvang byna fluisterend.

 Het Volk
 Is laag gezonken, moeder! Ziel en hart
 Gaan onder by aanhoudend stoflyk lyden.
 De gloed van hooger geestdrift wordt, gedoofd,
 Als 't leven slechts n kamp is met het lage,
 Als niet te sterven 's levens eenig doel is,
 En uitstel van bezwyken hoogste prys! [22]
 Wat is den arme 't schoon der lente? Niets!
 Een sterrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
 Wat zyn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
 Wat is hem pozie? Wat liefde? Niets?
 Dat alles mg hem niets zyn. Alle vlucht
 Is hem verboden door de werklykheid,
 Die met 'n yzren vuist hem perst in 't slyk,
 En elke poging tot verzet, bestraft
 Met... honger! [23]

 Kon. Moed.
 - Edel kind! Maar toch... 'n dweepster!

 Louise.
 - O, moeder, zeg niet: dweepster! Is het dweepen,
 Wanneer ik wil, dat allen die als gy
 En ik geschapen zyn, die zich als wy
 Bewegen, aadmen, minnen, en, als wy,
 Hun blikken richten op onsterflykheid...
 Is 't dweepen, moeder, als ik wil dat zy
 Niet lager staan dan 't stomme dier des velds,
 Dan 't redelooze vee? [24]

 Kon. Moed.
 - De standen!

Louise, plaats nemend.
 - Zeker!
 Ik zal de laatste zyn die stand ontkent...
 Een booswicht hoort tot uwen stand niet, moeder,
 En tot den mynen niet, godlof! [25]

 Kon. Moed.
 - Louise,
 Dit was de vraag niet, kind!
 Ik sprak van... stand,
 Van... hoogte of laagte in onze maatschappy,
 Van... meer of minder aanspraak op genot,
 En... van 't verschil in vatbaarheid vooral! [26]

 Louise.
 - Goed, goed, ik neem 't verschil van standen aan,
 En wil 't nog fyner onderscheiden dan
 Gyzelf... maatschappelyk en burgerlyk.
 Geboorte, titels, rykdom, rang, vooroordeel,
 Zie, moeder, lles wil ik laten gelden,
 Maar vraag: of n stand honger voorschryft, moeder?
 Of n stand kan gedoemd zyn tot gebrek?
 Ik vraag of een dier standen lager staat
 Dan 't schaap of rund dat onbekommerd graast,
 En dat gewis den mensch verachten zou,
 Als 't weten kon hoe slecht die mensch zich voedt?
 Is 't kind van d' arme minder dan 'n kalf?
 De moeder minder dan 'n koe? Myn God,
 Is dt haar stand? Eischt dt uw maatschappy?
 O, dan is alles leugen, wat men preekt
 Van zielenadel en beschaving! [27]

 Kon. Moed.
 - Kind!

 Louise.
 - Het Volk is ruw, zoo zegt men, en misschien
 Te-recht. Maar, moeder, hoe zoudt gy en ik zyn,
 Indien van kindsbeen af, ons gansch bestaan,
 Ons wenschen, willen, streven... lles, zich
 Had opgelost in 't ne woord: gebrek? [28]
 Zeg, moeder, zouden wy dan zyn als nu?
 En blyft het niet de vraag altoos, of ons
 De scherpe prikkel van den honger, en
 Het kankrend wee van dagelykschen angst
 Voor 't onderhoud van morgen, zoo gedwee
 Zou laten als dit ruwe Volk zich toont? [29]
 Ik, moeder, sta verbaasd by zooveel zachtheid,
 Maar vind, helaas, de reden die 't verklaart:
 Het Volk is uitgeput, berust uit zwakte. [30]

 Kon. Moed.
 - Doch... de oorzaak van dat alles?

 Louise.
 - Broedermoord!
 Een deel, 'n nietig deel der maatschappy
 Heerscht, regelt, kuipt, maakt wetten... en verwyst
 Het overig deel - en 't grootste - tot ellende! [31]

 Kon. Moed.
 - Maar, kind, is dit niet altyd zoo geweest?
 En... welke middlen vondt ge tot herstel?[32]

 Louise.
 - Kind... kind... ja juist! Nog kortlings was ik kind,
 En daarom, moeder... o, m'n kindsche droomen?

 Ze is weder opgestaan, en leunend op den rug van den fauteuil der Koningin-moeder, spreekt ze, in voorovergebogen houding, byna fluisterend:

 Zie, toen ik eens, tien jaren nauwlyks oud,
 Was ingeslapen in den tuin te Wilstdt,
 Verscheen me een engel, schitterend van licht,
 En schoon... o moeder, hemelsch! In z'n hand
 Droeg hy twee kronen, de een van doornen,
 En de ander scheen van goud. Louise, kies!
 Zoo sprak hy. Maar ik stak de hand niet uit:
 Ik was beschroomd, en sidderde in m'n droom.
 En nog-eens riep hy, dat ik kiezen zou.
 Wat wilt ge, koningin of mensch zyn, sprak hy,
 Een mensch die lydt, gevoelt en arbeidt, of
 Een Koningin die heerscht? Ik... koos het eerste!
 En drukte my den doornenkrans op 't hoofd,
 En voelde 't bloed my bigglen langs de slapen...
 Door dat tot dit! sprak de engel, en hy le
 De gouden koningskroon my in den schoot... [33]
 Toen werd ik wakker van de pyn: ik lag
 In 't rozenboschje... een wilde slingerstruik
 Had my gewond... de gouden kroon was weg!

 Na zich gedurende het uitspreken der laatste regels te hebben opgericht, blyft ze eenige oogenblikken met, de handen voor 't gelaat staan.

 Kon. Moed.
 - Niet voor altyd, m'n kind! Uw droom was juist!

 Louise.
 - Neen, moeder, niet geheel... ng niet! Misschien
 Zal 't eenmaal waar zyn, maar ik acht
 My zelve niet gekroond tot Koningin,
 Voor ik de kroon der smarte heb gedragen. [34]
 Door hr tot de andre, als in m'n kinderdroom!
 'k Wil weten wat het leven in zich heeft.
  Ik wil myn tol betalen voor het recht
 Een mensch te zyn. Ik eisch myn wettig deel
 Aan de algemeene taak. [35] En, moeder, als
 Ik al m'n kracht ten-offer heb gebracht
 Aan 't welzyn van m'n medemenschen... dan,
 Ja, dn noem ik myzelve Koningin.
 Dan neem ik 't aan als eerelyk verdiend
 Wanneer het Volk my toejuicht... eerder niet!

 Eenig zwygen.

 Kon. Moed.
 - Maar welke middlen vondt ge?

 Louise.
 - Moeder, ik
 Beweer niet dat ik reeds gevonden heb,
 Maar hier... hier voel ik, dat ik vinden zal!
 Het eerste wat me ontbreekt, is... kennis, kunde,
 En daarom, moeder, zoek ik naar de waarheid.
 De Vorsten kennen 't Volk niet, dat hen voedt.
 Ze omringen zich met een kordon van mid-
 delmatigheid die door gebrek aan zwaarte
 Omhoog viel... [36]
 Ze hooren wat men hun te hooren geeft,
 En zien wat men hun wel wil laten zien,
 Maar nooit iets anders dan papier, papier!
 Ze meenen wonder-ingelicht te zyn,
 Door nu-en-dan 'n officieel rapport
 Te lezen, dat f werklyk leugen spreekt,
 Of 't beetje waarheid zoo verdrinkt in frazen,
 In deftige gemeenplaats-halfheid, dat
 Zoo'n waarheid niet veel beter blykt dan leugen. [37]
 Een eerste plicht des Soevereins is: weten.
 Het kunnen, moeder, zal wel volgen. Dat
 Staat hier geschreven!

 De Koningin-Moeder maakt 'n gebaar van onvoldaanheid. Gedurende den nu volgenden passus, gaat Louise dan eens op-en-neder, dan weder blyft ze by den stoel der Koningin-Moeder 'n oogenblik staan. Deze laatste geeft voortdurend blyk hoe Louise's woorden haar treffen. Haar gelaat en houding leveren zwygend de vragen waarop Louise antwoordt.

 O, geloof niet dat
 Ik in het Koninkschap een middel zie,
 Dat alle kwalen heelt! 't Arkanum voor
 De ziekten onzer Maatschappy, o neen! [38]
 Maar, moeder, men kan pogen, stryden...
 En, als de taak te zwaar is voor z'n schouder,
 Dien overdragen op wie sterker zyn,
 Of... met het kwynend Volk vergaan!   
 Ik wil -
 Ja, moeder, ja! - dat wie er na ons komt,
 De sporen vinde, f van myn zegepraal,
 Of... van 't bezwyken in m'n eerlyk pogen! [39]
 Ik wil geen dieve zyn van 't halve kussen
 Dat door de logika der feiten op
 Den een of andren troon voor my gereed lag
 Toen ik ter-wereld kwam als hertogin!
 Men zegt: de wereld is 'n schouwtooneel...
 Ik wil myn rol op dat tooneel vervullen,
 De plaats betalen, die het lot my bood! [40]
 Ik heb het recht niet, nberoemd te zyn,
 En aan het nageslacht een kleiner naam
 Te levren, dan de kunstenaar die 'n pop
 Zal beitlen op myn graf.   
                             Geboorte... oblige! [41]
 Der Vorsten plicht - zoolang er Vorsten zyn...
 Ge weet toch, moeder, wat dit woord beduidt?
 Een vorst is in gevaar de voorste, en in
 Het goede, de eerste - is hoog te staan! Hun voegt
 De middelmaat zoo min als 't lage. My
 Schynt alles wat niet hoog is, llerlaagst! [42]
 Een eerzuil wil ik, ja... maar niet van steen,
 Ik wil 'n eerzuil in het hart des Volks!
 En als dat hart niet trilt van liefde, by 't
 Herdenken aan m'n... pogen - 't slagen staat
 In myne macht niet, moeder! - dan, dan zal
 Het myne schuld zyn, myne grootste schuld! [43]
 Er is gejuicht toen ik geboren werd...
 Gejubeld by m'n huwlyk... o m'n naam
 Bekleedt 'n plaats in d' Almanach de Gotha!
 Maar... ingeschreven in de annalen van
 De Mensheid, is die naam nog altyd niet...
 En dr behoort hy! [44]

 Kon. Moed.
 - Uw gemaal, m'n zoon...

 Louise.
 - Z'n Majesteit denkt juist als ik, mama!
 En mocht er soms... hy heeft 'n edel hart!
 En als misschien... doch neen, dit is zoo niet!
 Maar als... welnu, waartoe zou liefde dienen? [45]
 Ik wilde... ik zal... ik moet hem...

 Ze gaat naar 't venster.

 O, myn George
 Denkt over alles juist als ik, mama!
 Zie 't prachtig weer! Wat dunkt u van 'n toer?
 Dat zal u goed doen, moeder, na zoo'n nacht
 Vol cyfers en rapporten...

 Kon. Moed.
 - Lieve deugniet!

 Louise.
 - Z... z is 't goed, mama! Dat hoor ik liever
 Dan: dweepster! Beste Walbourg, wees zoo goed...

 De Walb. naar de achterdeur gaande.
 - Verkiest uw Majesteit 'n open rytuig?

 Louise, terwyl ze zich, zonder eenige bediening, door het opzetten van 'n hoed, en 't omslaan van 'n sjaal, die ergens op 'n sofa lagen, gereed maakt uittegaan.

 - Wel zeker! 'k Wil de weiden zien, en 't vee
 Dat middagmaalt. Niet waar, mamaatje?

 De Walbourg af.

 Kon. Moed.
 - Goed!
 Als 't ons maar niet veracht, Louise, omdat
 We... menschen zyn. [46]

 Louise, lachend met den vinger dreigende.
 - Mama, dat is ondeugend!

 Louise en Koningin-Moeder af.


[1] Vorstenschool

Inleidende opmerkingen:

A. Ik moet hier opmerken dat ik wel moeite heb gedaan deze versie zo identiek als mogelijk met de versie in de Garmond-editie te maken, maar dat dit niet de opmaak geldt die M. gebruikte, en die nogal over de paginaas zwerft, kennelijk om te suggereren, waar dienstig, dat de acteurs direct of na korte pauze antwoorden. Dit laat zich erg moeilijk reproduceren in html. Ook heb ik de sprekers vet gezet i.p.v. in klein kapitaal, omdat het eerste beter oogt.

Dezelfde opmerking geldt de rest van Vorstenschool.

B. Verder heb ik in dit eerste deel 46 noten geplaatst, in totaal. De lezer die dit wat veel vindt kan overwegen dat de klausen in de volgende delen minder interessant zijn en minder aanleiding tot noten geven. Het meeste van wat Multatuli te zeggen had in het kader

VAN 'N PAAR VERSCHILLENDE WYZEN WAAROP HOOGGEPLAATSTE PERSONEN HUN ROEPING ZOUDEN KUNNEN OPVATTEN.

zoals in 930 staat is te vinden in dit eerste deel van het toneelstuk.

C. Ook dient de lezer te bedenken dat Koningin Louise een spreekbuis is van Multatuli's opvattingen en idealen, over hooggeplaatste personen en hun roeping, waartoe hij ook zichzelf rekende, en dat ik dit hieronder duidelijk zal proberen te maken met korte opmerkingen en links naar relevante Ideen. Vandaar ook mijn wellicht te grote aantal noten.

Wie overigens wat over politiek wil leren, en Engels leest verwijs ik naar Politics - introductory texts, dat een interessante en gemotiveerde leeslijst is, waar ik u plezier en meer inzicht mee wens, terwijl ik wie wat over vorsten wil leren verwijs naar mijn Nawoord bij Vorstenschool.


[2]  Puf
     
 - Acht gulden, en de fooi van Koppermaandag.

Het is de moeite waard op te merken dat dit geheel correct is wat betreft beloning van zowel de werkende als de onderwijzende stand in Multatuli's tijd - en ook dat dit nauwelijks voldoende was om van te leven.


[3]  De Walb.
     - Hier is het potlood van uw Majesteit.

De huidige koningin Beatrix belieft ook 'Majesteit' genoemd te worden. Ik vermoed dat ze denkt 'Verschil moet er zijn' - maar ikzelf meen dat ze meer dan genoeg betaald krijgt voor haar au fond weinig eisende toneelrol - want het is niets anders, en dient om de gewone domme doorsnee een verpersoonlijkt ideaal te geven - om gewoon 'Mevrouw' te heten.


[4]  Louise, a.v.
     
 - Wat eet ge daaglyks?
    
  Puf
     
  - Brood, maar... niet altyd.
        Aardapp'len... niet altyd. Of boonen... niet
        Altyd. Soms grutte... maar... ook...

Dit is ook weer historisch waarachtig over de 19e eeuw in Nederland. Sindsdien is er veel veranderd, overigens niet door revolutie, verbetering in de algemene intelligentie, of toename in moreel besef, maar eenvoudig door de groei der wetenschap.


[5]  Puf
       
- Vleesch, Majesteit... dat kan niet! Nooit!

Opnieuw: historisch geheel waarachtig - men beschouwe en overdenke het budget van Klaas Ris en familie


[6]  Wat wezen zou, indien ik ryk genoeg was
      Om al wat arm is, ryk te maken...

Vast wel, maar dit is een redeneerfout. Het gaat immers niet om de onmogelijke eis rijk genoeg te zijn om al wat arm is rijk te maken, maar om de veel realistischer vraag of ze rijk genoeg is om althans sommige behoeftigen enigermate te helpen. Het antwoord daarop wordt vermeden door deze redeneerfout.


[7]  Ik wacht rapport. We zullen verder zien,
      En als 't de moeite waard is, ga ikzelf...

Een naef maar niet dom mens als ik zou gissen dat iemand die rapporten kan doen maken en tijd heeft op onderzoek te gaan, geld heeft om te helpen. Maar het is waar dat de zogenaamde Goede Werken van De Betere Standen - inclusief tegenwoordig popsterren en politici - zoals trouwens de meeste vormen van maatschappelijke hulpverlening, niet primair dienen om wie werkelijk hulp nodig heeft te helpen maar om de hulpverlener prominent in het nieuws te brengen. Hulpverleners - van artsen en maatschappelijk werkers tot koningen en politici - zijn gewoonlijk hulpverleners om hulp te verlenen... aan zichzelf.


[8]  Ge weet, ik houd lever van acht tot tien...

Voor de niet-kenners van Frans: Dit slaat niet op vleeswaren maar bedoelt te zeggen: Ik ontvang mensen.


[9]  Maar, moeder... lompe dochter die ik ben...
      Ik vroeg niet eens naar uwen welstand!


Dit is natuurlijk een satirisch grapje, na de bovenstaande regels over de 'welstand' van het gewone volk.


[10]  M'n ooren suisden van uw statistiek

De oorspronkelijke betekenis van 'statistiek' komt uit het Italiaans, waarin het 'cijfers van belang voor het besturen van de staat' betekende. Deze schijnen voor het eerst grondig bijgehouden te zijn in de Italiaanse stadstaten en prinsdommen uit de Renaissance, en een reden te zijn dat deze economisch succesvoller waren dan de buurlanden waar dit nagelaten werd.


[11]  - Men roemt hem toch als zeer bekwaam, Louise.

Dat is het gewone praatje over leidende politici en overige machthebbers, maar het is zelden waar dat dit werkelijke bekwame - zeer intelligente, veel wetende, goed willende - mensen zijn. Waren ze dit dan van karakter en intellectuele aanleg dan waren het hardwerkende huisartsen o.i.d. of vooraanstaande wiskundigen. Ook geldt Hazlitt's woord hier:

"The greatest talents do not generally attain to the highest stations. For though high, the ascent to them is narrow, beaten, and crooked. The path of genius is free and his own. Whatever requires the concurrence and cooperation of others, must depend chiefly on routine and an attention to rules and minutiae. Success in business is therefore seldom owing to uncommon talents or original power, which is untractable and self-willed, but to the greatest degree of the common-place capacity." (Hazlitt, Characteristics)

En uit idem:

"The difficulty is for a man to rise to high station, not to fill it; as it is easier to stand on an eminence than to climb up to it."

Werkelijk exceptionele talenten - wetenschappelijk, artistiek, menselijk - gedijen niet in de politiek, noch in zaken. Schoften en bedriegers gedijen er daarentegen bijzonder goed.


[12]  Louise.
        - Dat ik vertrouwen stelde in zyn genie?
        O, dat is grappig, moeder! 't Lykt er niets naar!
        Hy heeft... talent... zoo, zoo... maar niet te veel,
        Genoeg juist voor de meening dat-i meer heeft.
        Hy spreekt... vry wel, maar... zonder hart altyd,
        En mist den moed zich somtyds te verspreken.

Multatuli meende van zichzelf een genie te zijn en werd daar door vele van zijn tijdgenoten voor gehouden. Dit was n van zijn reden om zich bijzonder achtergesteld te voelen: Men behandelde hem niet naar z'n waarde, en discrimineerde hem vanwege z'n afwijkendheid.

Ik citeer Hazlitt weer, als boven naar Geoffrey Keynes' editie 'Hazlitt's Selected Essays', want hier heersen veel misvattingen, zowel in 't algemeen als ook bij Multatuli:

"Particular talent or genius does not imply general capacity. Those who are most versatile are seldom great in any one department; and the stupidest people can generally do something. The highest pre-eminence in any one study commonly arises from the concentration of the attention and faculties on that one study. He who expects from a great name in politics, in philosophy, in art, equal greatness in other things, is little versed in human nature." (Hazlitt, Characteristics)

Een goed voorbeeld van wat Hazlitt bedoelde zijn eersteklas schaakgrootmeesters, als Fischer of Kasparov: Exceptioneel boven een schaakbord, maar daarnaast, wat ze ook van zichzelf denken, niet beter en vaak ongenformeerder dan om het even welke academicus.

En mijn eigen opvatting over Multatuli, die ik reeds veel eerder uitgesproken heb, is dat hij nooit had kunnen slagen in waar hij zo graag wilde slagen: Als groot politicus, als prominent staatsman, als Keizer van Insulinde. Hij had de daarvoor benodigde talenten niet, en was er feitelijk veel te gevoelig, zenuwachtig, onstabiel en intelligent voor. En genien horen niet in de politiek, en passen daar niet, heel zeldzame gevallen in heel uitzonderlijke situaties daargelaten, wellicht.


[13]  Kon. Moed.
       
 - Wat eischt ge meer?
          Louise, op het hart wyzende.
          - Iets anders, moeder... hier! En dat ontbreekt,
          Die man draagt, als de kerstboom, juist zooveel
          Als vader schooltyd en mama routine
          Hem strikten in de takjes... nooit iets meer!
          Zoo'n boompje is dood... maar leven moet de mensch,
          Dat is: gevoelen, denken, werken, streven,
          En vruchten dragen, honderd... duizendvoud!
          Wie niet meer geeft dan hy ontving, is... nul,
          En deed met z'n geboorte onnoodig werk.

Als diverse andere clausen van Louise was dit behoorlijk bekend en vaak geciteerd in de late 19e en vroege 20e eeuw in Nederland, en het is echt Multatuliaans, zoals alles wat Louise zegt. Zie bijvoorbeeld 276 en 400.

Het gezegde is in zekere zin waar, maar een probleem is dat hart - gevoel, eerlijkheid, authenticiteit, waarachtigheid - zo makkelijk te loochenen en te pretenderen zijn, en dat de grootste politieke schoften het meest met dit soort belijdenissen - hun hart voor Ons Volk, hun integriteit, hun Goede Wil - te koop lopen. Kortom: Als het werkelijk bestaat dan tnt het zich in wat men doet - en als men het werkelijk heeft is men geen politicus.


[14]  Het zy de vraag vr alles: of ik waar ben?
        Ik stel aan allen niet denzelfden eisch,
        Maar doe een hoogen eisch aan 'n minister.

Dat is op zich zelf rechtvaardig: Wie meent miljoenen te kunnen en mogen leiden, moet beter zijn en meer kunnen dan althans de meesten van die miljoenen. Aan de andere kant: In tijden van algemene democratie en televisie zijn het voornamelijk en vooral de leugenaars, schoften, publieksmenners, en oplichters die populair worden in de politiek en daarmee ministeriabel. De enige troost is dan vaak dat ze n allemaal zelf niet getalenteerd zijn anders dan in publiekmennen en ellebogenwerken n omgeven en kortgehouden worden - zolang er geen sprake is van dictatuur - door een horde gelijkgezinde gelijkbegaafden uit concurrerende partijen. 'Checks and balances' is de relevante frase hier. Goed bestuur of goede bestuurders levert het niet op, maar wel enige gerechtvaardigde hoop dat gn van de slechte bestuurders overmatig veel macht krijgt, zolang ze periodiek moeten worden gekozen, en moeten concurreren met velen van hun eigen soort voor een plaatsje in de schijnwerpers en aan de trog, en geen van hen in staat is om alle macht te grijpen.


[15]  Kon. Moed.
      
 - Graaf Otto...
         Louise.
        
 - Is gewoon,
         En in den vreemden tyd dien wy beleven,
         Is, op zyn standpunt, 't ordinaire: misdaad.

Zoals ik hiervoor uiteenzette valt hier iets voor te zeggen, maar is feitelijk van het buitengewone mr te vrezen. En ik denk ook dat het zowel realistisch als wenselijk is om veel eerder en sterker moreel goede of althans niet slechte of corrupte staatslieden te willen dan intellectueel eminente. Wie intellectueel excelleert hrt geen staatsman te zijn, maar schrijver, filosoof, wiskundige of kunstenaar, en kn ook niet lang politek actief zijn omdat publieksmennen en besturen allebei nogal vervelende en oninteressante bezigheden zijn.


[16]  Gewoonheid is 'n giftig woekerkruid
        Dat zelf geen vruchten draagt, en z'n venyn
        Gebruikt om wat er opschiet aan z'n zy
        Te doemen tot gelyke onvruchtbaarheid.
        Gewoonheid is verdienste's vyandin,
        Een schutsvrouw van het kleine, van 't gemeene.
        Wat uitsteekt, moet geknot. Wat blinkt, bevuild.
        Wat vlucht neemt, neergeslagen en gekneveld.
        Talent... geloochend, of gesmoord met ma.a.a.ren,
        En daarna doodgezwegen... als het kan.

Ja, zo gaat dat en zo ging dat ook met Multatuli. Maar nogmaals: Wie werkelijk buitengewoon is, intellectueel of artistiek, hrt niet in de politiek, en zekere niet in een min of meer democratisch kiesstelsel. Wie als mens werkelijk wat voorstelt is geen politicus, en kan dat niet zijn, zeer uitzonderlijke omstandigheden daargelaten (zeg: Pericles, in Athene).


[17]  Genie... ha, vraag Van Weert eens naar genie!
        Maar dat's 'n sprookje, 'n mythe, 'n onding,
        Of erger nog, iets... iets... iets onfatsoenlyks,
        Een vuile ziekte, die men liefst niet noemt
        Dan met 'n omweg: ex.cen.tri.ci.teit!

Dit is weer wat Multatuli overkwam, die ongetwijfeld ook excentriek was. Maar wat rechtvaardig was geweest in zijn geval was niet hem staatsman te maken, zoals hij wilde, maar professor in het een of ander, met veel vrijheid en gelegenheid tot schrijven. 


[18]  Nu, excentriek is onze staatsman niet,
        Hy loopt vry wel in 't algemeene spoor.
        Hem is de Staat... zyn zetel, zyn carrire,
        Een kaatsbaan voor de heeren van het hof,
        Een draaibank van fortuintjes, 'n fabriek
        Van Neurenberger eerzuchtsduikelaars.

Ja, zo is dat en was het altijd. Dat is het probleem ook niet: Het probleem is ervoor te zorgen dat dergelijke bestuurders overwegend eerlijk en niet-corrupt zijn, en dat ze elkaar weerhouden en bestrijden zo dat geen n van hen, noch n partij, alle macht naar zich kan toetrekken.


[19]  Hem is het Volk... 'n kweekkast van lakeien.
        De welvaart... paragraaf in 'n rapport.
        Een algemeene ramp... de troefkaart op
        Den heer die uitgespeeld was door party.
        De burger... 'n artikel ter belasting.

Opnieuw: Zo is dat en was het altijd. En waar de gemiddelde intelligente burger baat bij heeft is competent, niet-dictatoriaal bestuur dat de meerderheid van de burgers gelegenheid geeft hun eigen leven te leiden en hun eigen belangen te behartigen, en zelf te bepalen wat ze doen, denken en willen. Zolang dit het geval is doet de feitelijke kwaliteit van de bestuurders er overigens niet erg toe, en al evenmin dat degenen die het meest en het liefst bestuurder willen worden zlden bijzonder deugen en er vaak wat mee loos is, als karakter, omdat een mens anders niet zo op wil vallen en niet zulk over het geheel genomen saai werk wil doen. (Kijk naar de saaie, lelijke, domme, neurotische en niet-schrijvende lite van de Tweede Kamer! Lees de Handelingen van die institutie voor wie een stuip van verveling of woede wil riskeren!)


[20]  En wat zoo'n staatsminister weet, wat hy
        U zeggen kan van de algemeene zaak...
        O, moeder, 't is zoo weinig, als het hart ontbreekt:
        Genie zit dr! Neem zulk een man
        Eens z'n kommiezen af, en z'n rapporten,
        En zie eens wat hyzelf begrypt of weet,
        En wacht eens op 'n nieuw idee dat in
        Zyn eigen ziel gegroeid is... ha, ha, ha,
        Dan kunt ge wachten tot ge moeier zyt
        Dan hy van-nacht was!

Gegeven wat ik hierboven opmerkte: Politici horen juist niet alteveel eigen ideen te hebben, maar deze te ontlenen aan niet-politici, die beter kunnen denken, meer weten, en beter schrijven dan zij. De hemel zij het volk genadig voor politici die menen te kunnen denken als filosofen! Dat zijn namelijk altijd tirannen, of zij die het willen worden, of gewoon gestoorden.


[21]  In dweepzucht is bedrog, en ik zoek waarheid.
        Ik wil doorgronden wat geschieden kan,
        En ziften wat geschieden moet.

Aah ja - maar dt meent iedere dweper en fanaat k.


[22]  Het Volk
        Is laag gezonken, moeder! Ziel en hart
        Gaan onder by aanhoudend stoflyk lyden.
        De gloed van hooger geestdrift wordt, gedoofd,
        Als 't leven slechts n kamp is met het lage,
        Als niet te sterven 's levens eenig doel is,
        En uitstel van bezwyken hoogste prys!

Dit was ongetwijfeld zo voor de lagere en zelfs middelbare standen uit Multatuli's tijd, en ook weer iets dat minstens 10 jaren - zeg: van 1862 tot 1872 - voor hemzelf gold.

Maar ja, wie ziet wat de lagere en middelbare standen individueel en en masse van zichzelf maken als ze het goed hebben vindt ook geen enkele aanleiding tot vertrouwen in of bewondering van de doorsnee: Wat de massa wil is dom vermaak, drank en overige genotmiddelen, eten en voetbal. En verdomd: Wat de Romeinse massa wilde was dom vermaak, drank en overige genotmiddelen, brood en spelen. 


[23]  Wat is den arme 't schoon der lente? Niets!
        Een sterrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
        Wat zyn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
        Wat is hem pozie? Wat liefde? Niets?
        Dat alles mg hem niets zyn. Alle vlucht
        Is hem verboden door de werklykheid,
        Die met 'n yzren vuist hem perst in 't slyk,
        En elke poging tot verzet, bestraft
        Met... honger!

Alweer een populair citaat in de late 19e eeuw in Nederland. Toch is het overwegend onwaar: De mens is een ideologisch en rationaliserend dier, en in die tijd slaagde kennelijk het grootste deel van het inderdaad zeer armoedig en hard werkende gewone volk zich te troosten met religieuze illusies en leugens over de zegeningen van het hiernamaals. Mensen leven in de eerste plaats in en door  hun gedachten en wensen, en doen dat altijd zodra ze geen acute honger of grote pijn hebben.


[24]  - O, moeder, zeg niet: dweepster! Is het dweepen,
       Wanneer ik wil, dat allen die als gy
       En ik geschapen zyn, die zich als wy
       Bewegen, aadmen, minnen, en, als wy,
       Hun blikken richten op onsterflykheid...
       Is 't dweepen, moeder, als ik wil dat zy
       Niet lager staan dan 't stomme dier des velds,
       Dan 't redelooze vee?

Hier is het terecht tegen te werpen dat het als gy en als wy nogal misleidend is uit de mond van een koningin tegen een koningin-moeder. Daarbij: Het klinkt nogal neerbuigend en betuttelend, en het gaat voorbij en ontkent impliciet wat ik in de vorige noot stelde: Er is geen mens, behalve een zeer hongerig of zeer veel pijn lijdend mens, dat niet in de eerste plaats leeft in en door z'n eigen gedachten en wensen.


[25]  Ik zal de laatste zyn die stand ontkent...
        Een booswicht hoort tot uwen stand niet, moeder,
        En tot den mynen niet, godlof!

En het lijkt me dat alle evidentie hier tgen is: uwen stand  en den mynen immers, dus de stand van de heersers, de koningen, de prinsen, en de hogepriesters is de stand van de schoften, de parasieten, de uitbuiters en de leugenaars, sinds vele eeuwen, en met weinig uitzonderingen.


[26]  Dit was de vraag niet, kind!
        Ik sprak van... stand,
        Van... hoogte of laagte in onze maatschappy,
        Van... meer of minder aanspraak op genot,
        En... van 't verschil in vatbaarheid vooral!

Hier komt een gewoon excuus van 'de betere standen' naar voren: 'Ons Soort Mensen' heeft het beter omdat het betere mensen zouden zijn. Nu, ls het al zo is dat er verschillen tussen mensen zijn die de een beter maken dan de ander dan zihn dat nit standsverschillen en altijd individuele  verschillen. Gemiddeld zijn alle standen gelijk, en niet erg goed, en even egostisch en onweldenkend en hebzuchtig als de rest.


[27]  - Goed, goed, ik neem 't verschil van standen aan,
        En wil 't nog fyner onderscheiden dan
        Gyzelf... maatschappelyk en burgerlyk.
        Geboorte, titels, rykdom, rang, vooroordeel,
        Zie, moeder, lles wil ik laten gelden,
        Maar vraag: of n stand honger voorschryft, moeder?
        Of n stand kan gedoemd zyn tot gebrek?
        Ik vraag of een dier standen lager staat
        Dan 't schaap of rund dat onbekommerd graast,
        En dat gewis den mensch verachten zou,
        Als 't weten kon hoe slecht die mensch zich voedt?
        Is 't kind van d' arme minder dan 'n kalf?
        De moeder minder dan 'n koe? Myn God,
        Is dt haar stand? Eischt dt uw maatschappy?
        O, dan is alles leugen, wat men preekt
        Van zielenadel en beschaving!

Overwegend wel, is het antwoord. En lle maatschappijen van enige complexiteit zijn als pyramiden geweest, met weinig machtigen en rijken aan de top, en veel machtelozen en armen aan de voet. Als dit gn natuurwet is dan is het wl algemeen menselijk gebruik, en dus kennelijk overeenkomstig de gemiddelde menselijke vermogens n wensen sedert vele eeuwen, overal waar mensen leefden. En n reden is dat vrijwel iedereen wil excelleren en vrijwel iedereen het beter wil hebben dan de anderen, en allebei kan alleen ten koste van anderen. (Mandeville zag dit heel scherp en had er weinig illusies over. Hij is dan ook weinig populair - en toch was het van origine een Hollander.)


[28]  - Het Volk is ruw, zoo zegt men, en misschien
       Te-recht. Maar, moeder, hoe zoudt gy en ik zyn,
       Indien van kindsbeen af, ons gansch bestaan,
       Ons wenschen, willen, streven... lles, zich
       Had opgelost in 't ne woord: gebrek?

Dat is een terechte vraag, zeker gezien de toestand van het volk in Nederland in de 19e eeuw. Helaas is het ook zo dat als het volk gn gebrek leidt, het in meerderheid ook niet veel goeds doet of wil, en vooral geeft om het eigen welbevinden, dat het weer zoekt in dom volksvermaak, drank, drugs, of sport.


[29] Zeg, moeder, zouden wy dan zyn als nu?
       En blyft het niet de vraag altoos, of ons
       De scherpe prikkel van den honger, en
       Het kankrend wee van dagelykschen angst
       Voor 't onderhoud van morgen, zoo gedwee
       Zou laten als dit ruwe Volk zich toont?

Wel, die vraag heb ik hierboven beantwoord: Behalve in zeer extreme situaties zijn mensen gelovig, ideologisch, volgeling van voorgangers, gehoorzaam aan leiders, en conformistisch aan wat de doorsnee denkt, doet en wil.


[30] Ik, moeder, sta verbaasd by zooveel zachtheid,
       Maar vind, helaas, de reden die 't verklaart:
       Het Volk is uitgeput, berust uit zwakte.

Nee: Het volk berust omdat het de aard van de mens is, in vrijwel alle omstandigheden en in grote meerderheid, om te doen, denken en willen als de anderen. Dat is veilig, dat heet goed, dat geeft achting, en kost weinig denkvermogen of eigen initatief.


[31]  Kon. Moed.
       
 - Doch... de oorzaak van dat alles?
         Louise.
       
 - Broedermoord!
         Een deel, 'n nietig deel der maatschappy
         Heerscht, regelt, kuipt, maakt wetten... en verwyst
         Het overig deel - en 't grootste - tot ellende!

Dit is overwegend waar - met de aantekening dat het wat slimmer en egostischer is geregeld: Geen broedermoord maar onderwerping, misleiding, uitbuiting of slavernij. De heersende standen hebben altijd baat gehad bij de grote meerderheid van de lagere standen: Die verzorgden hen, en lieten zich leiden, misleiden en gebruiken, vaak in dankbaarheid aan God, en in hoop op een zalig hiernamaals, en met bewondering voor hun leiders en heersers.


[32]  - Maar, kind, is dit niet altyd zoo geweest?
       En... welke middlen vondt ge tot herstel?

Twee heel goede vragen van Koningin Louise's schoonmoeder! Antwoorden: Ja, het is altijd zo geweest. En nee: Er zijn geen middelen tot herstel anders dan rechtsstaat, trias politicia, tegengaan van dictatuur, vrijheid van meningsuiting, en groei van de wetenschap. Het enige andere middel is radikaal: Eugenetica is het enige mij bekende middel om de menselijke intelligentie te verhogen. Het verdient enige serieuze consideratie omdat de mogelijkheden daartoe binnenkort aanwezig zullen zijn, en dreigen misbruikt en beperkt te worden tot de leden van de huidige heersende standen - die dan snel, en binnen een paar generaties zichtbaar mooier en beter zullen zijn dan hun effectieve slaven, die ook daar dan ongetwijfeld in meerderheid bewonderend dankbaar voor zullen zijn.


[33]  Door dat tot dit! sprak de engel, en hy le
        De gouden koningskroon my in den schoot...

In deze vertelling kan de oplettende lezer minstens twee andere verhalen herkennen: Over en van  Multatuli zelf, over zijn redden van het petje van het joodse jongetje, en over de poging van de duivel de here Jezus te corrumperen door hem macht over de hele wereld te beloven. Hier ligt kennelijk ook een voorname reden voor Multatuli's pseudoniem. Zie ook bijv. idee 57 en Multatuli's allereerste publikatie.

Overigens... het is ook weer een variant van het sprookje van de beloonde deugd. Wel: De deugd wordt zelden beloond, en wie goed doet om goed te ontvangen deugt niet bijzonder, al is ie dan wel heel menselijk.


[34]  - Neen, moeder, niet geheel... ng niet! Misschien
       Zal 't eenmaal waar zyn, maar ik acht
       My zelve niet gekroond tot Koningin,
       Voor ik de kroon der smarte heb gedragen.

Hier is weer een verwijzing naar 'Multa tuli' = 'ik heb veel geleden'.


[35]  'k Wil weten wat het leven in zich heeft.
        Ik wil myn tol betalen voor het recht
        Een mensch te zyn. Ik eisch myn wettig deel
        Aan de algemeene taak.

Voor wat betreft het recht een mensch te zijn: Zie 276. De vraag is f dit wel zo'n 'recht' is. Het is immers in ieder geval waar dat een aanzienlijk deel van het leven lijden is en dat niemand's ouders toestemming hebben gevraagd aan hun kinderen ze op de wereld te zetten. Trouwens, van 'recht'  gesproken in dit verband: Omdat niemand om het leven gevraagd heeft behoort ieder het recht te hebben er pijnloos mee uit te scheiden.


[36]  Het eerste wat me ontbreekt, is... kennis, kunde,
        En daarom, moeder, zoek ik naar de waarheid.
        De Vorsten kennen 't Volk niet, dat hen voedt.
        Ze omringen zich met een kordon van mid-
        delmatigheid die door gebrek aan zwaarte
        Omhoog viel...

De laatste zegswijze - in de vorm: 'Hij is omhoog gevallen door een gebrek aan gewicht' - was een favoriete uitdrukking van mijn vader, die overigens weinig wist van Multatuli. Ook vermoed ik dat veel koningen en koninginnen het volk in meerderheid meer dan goed genoeg kennen om het te bespelen en gebruiken.


[37]  Ze hooren wat men hun te hooren geeft,
        En zien wat men hun wel wil laten zien,
        Maar nooit iets anders dan papier, papier!
        Ze meenen wonder-ingelicht te zyn,
        Door nu-en-dan 'n officieel rapport
        Te lezen, dat f werklyk leugen spreekt,
        Of 't beetje waarheid zoo verdrinkt in frazen,
        In deftige gemeenplaats-halfheid, dat
        Zoo'n waarheid niet veel beter blykt dan leugen.

Ja, maar het kan gemiddeld, en afgezien van uitzonderingen, niet veel anders - en dit is opnieuw een belangrijke reden om n weinig te verwachten van bestuurders, koningen en prinsen n voorstander te zijn van een kleine niet al te machtige staat, zodat de gemiddelde burger in staat is z'n eigen heil na te streven op z'n eigen wijze, in plaats van af te hangen van en z'n hand op te moeten houden bij almachtige bestuurders en voorgangers.


[38] O, geloof niet dat
       Ik in het Koninkschap een middel zie,
       Dat alle kwalen heelt! 't Arkanum voor
       De ziekten onzer Maatschappy, o neen!

Toch neigde M. daar zelf behoorlijk sterk toe, en vertelde zijn nichtje dat hij ambieerde Keizer van Insulinde (Nederlands Indi) te worden. Multatuli had, kortom, redelijk wat op met het idee van een verlicht despoot, zeker als hij die despoot kon zijn. Ikzelf geloof dat 'verlicht despoot' een oxymoron is - een feitelijke onmogelijkheid, en een gevaarlijke droom. Zie mijn Nawoord.


[39]  Maar, moeder, men kan pogen, stryden...
        En, als de taak te zwaar is voor z'n schouder,
        Dien overdragen op wie sterker zyn,
        Of... met het kwynend Volk vergaan!   
        Ik wil -
        Ja, moeder, ja! - dat wie er na ons komt,
        De sporen vinde, f van myn zegepraal,
        Of... van 't bezwyken in m'n eerlyk pogen!

Dit is weer geheel volgens Multatuli's eigen programma voor zichzelf. Het lot bracht hem dat hij niet zegepraalde en stierf met een klein pensioen, waarvan hij toch beter kon leven dan de meesten van zijn tijdgenoten, alhoewel lang zo goed niet als hij gedaan zou kunnen hebben als hij zich als oppassend ambtenaar had gedragen, en braaf carrire had gemaakt, en geen 'Max Havelaar' had geschreven, en niet geprotesteerd had tegen de uitbuiting van de Javaan.


[40]  Men zegt: de wereld is 'n schouwtooneel...
        Ik wil myn rol op dat tooneel vervullen,
        De plaats betalen, die het lot my bood!

De gelijkenis is een heel goede en diepe, maar niet van Multatuli, en beter ontwikkeld door Shakespeare, die dan ook zelf een acteur was. De reden is dat mensen rollen spelen zodra ze maatschappelijk functioneren, en altijd - zeldzame uitzonderingen daargelaten - in hun eigen fantasien en volgens hun eigen wensen proberen te leven en handelen.


[41] Geboorte... oblige!

Dit is natuurlijk een woordspeling op 'noblesse oblige'. Ikzelf geloof het n noch het ander. Redelijke verplichtingen gaan terug op redelijk overleg.


[42]  Der Vorsten plicht - zoolang er Vorsten zyn...
       Ge weet toch, moeder, wat dit woord beduidt?
       Een vorst is in gevaar de voorste, en in
       Het goede, de eerste - is hoog te staan! Hun voegt
       De middelmaat zoo min als 't lage. My
       Schynt alles wat niet hoog is, llerlaagst!

Hier behandelt M. expliciet het thema 'Vorstenschool'. Ik heb hierboven uiteengezet waarom ik het er niet mee eens ben, en merk hier alleen op dat het laatste een hyperbool is, die alle grijstinten ontkent.


[43]  Een eerzuil wil ik, ja... maar niet van steen,
        Ik wil 'n eerzuil in het hart des Volks!
        En als dat hart niet trilt van liefde, by 't
        Herdenken aan m'n... pogen - 't slagen staat
        In myne macht niet, moeder! - dan, dan zal
        Het myne schuld zyn, myne grootste schuld!

Ook dit is wat Multatuli wilde, maar niet kreeg, behalve van een kleine schare bewonderaars. Of dat zijn schuld was? Nee, maar hij had wel overspannen ideen over zijn eigen mogelijkheden, en wat hij maatschappelijk nastreefde, vooral waar het leiderschap en staatsmanschap betrof, was overwegend een illusie - al is dat zeer veel minder waar wat betreft eerherstel of een positie aan bijvoorbeeld een universiteit. Dat was namelijk heel wel mogelijk en haalbaar geweest.

Het is voor Nederland en het Nederlands jammer dat Multatuli zo slecht behandeld werd door zijn tijdgenoten, afgezien van uitzonderingen, en dat hij niet de kans kreeg zijn exceptionele talenten voor het schrijven van levend Nederlands uit te leven in een behoorlijk betalende functie aan bijvoorbeeld een universiteit. Dit had namelijk veel meer goede boeken kunnen opleveren dan hij feitelijk schreef, en wellicht ook meer goede ideen.


[44]  Maar... ingeschreven in de annalen van
        De Mensheid, is die naam nog altyd niet...
        En dr behoort hy!

En dit is alweer - de lezer zal niet verbaasd zijn - wat Multatuli wilde. Hij kreeg vrijwel niets van wat hij wilde, maar heeft wel sinds z'n dood de faam Nederlands grootste schrijver te zijn. Ik citeer Hazlitt nog maar eens, deze keer het eind van "On the knowledge of character", trouwens geschreven rond Multatuli's eerste levensjaar:

"I will conclude with observing that authors in general overrate the extent and value of posthumous fame: for what (as it has been asked) is the amount even of Shakespeare's fame? That in that very country which boasts his genius and his birth, perhaps, scarce one person in ten has ever heard of his name or read a syllable of his writings!"

Met Multatuli's faam is het in Nederland, ondanks TV en algemeen verplicht onderwijs, niet beter gesteld.


[45]  - Z'n Majesteit denkt juist als ik, mama!
        En mocht er soms... hy heeft 'n edel hart!
        En als misschien... doch neen, dit is zoo niet!
        Maar als... welnu, waartoe zou liefde dienen?

De rest van Vorstenschool is in feite intrige die hierom draait, en een stuk minder interessant of welluidend dan dit eerste deel.


[46]  Kon. Moed.
       
 - Goed!
         Als 't ons maar niet veracht, Louise, omdat
         We... menschen zyn.

De Koning-Moeder is geestig op Multatuliaanse wijs. Zie 136 en  276.

Vorstenschool 1