NASCHRIFT BY DEZEN DERDEN DRUK.
Aan den tweeden druk die in Juli van
't voorlaatste jaar verscheen, waren de volgende regels toegevoegd:
Ei zie, reeds de
laatste zestien regels van den tekst komen in den eersten druk niet
voor, en behooren dus van rechtswege tot dit Naschrift.
Immerhin! By dezen tweeden druk van den IIIn Bundel
myner Ideen sta ik in twyfel over de
juiste maat van uitvoerigheid van de opmerkingen die daarby passen
zouden. Misschien lost zich die twyfel schryvende-weg op.
't Noodzakelyke
eerst. Daar by de vyfde uitgaaf van de beide vorige bundels, de zes en
twintig 80 vellen druks waaruit ze aanvankelyk
bestonden, in twee deeltjes gesplitst zyn, gelieve men de
cursiefletters a en b die ik by aanhalingen toevoegde
aan 't bundelnummer, te beschouwen als strekkende om de deeltjes van
den bundel te onderscheiden. [1]
Een tweede
opmerking die niet kan gemist worden, betreft de nieuwe nummering.
Reeds in 't Voorbericht van de laatste uitgaaf der twee eerste
bundels, sprak ik over de gronden die me telkens nopen tot verwyzing
naar 'n vorig gezegde. [2] Ik meen deze methode voldoende gerechtvaardigd
te hebben, en houd me overtuigd dat ze tot konsekwentie leidt, of -
beter nog - daarvan blyk geeft. Doch juist hierom betreur ik het zeer
dat ik me zoo vaak genoodzaakt zag aftewyken van den aforistischen
vorm, waarin ik aanvankelyk m'n denkbeelden kleedde. Deze
verandering toch maakte 't aanhalen van 'n kort woord, dat meermalen
omslachtige redeneeringen uitwint, moeielyker dan vroeger.
Ik ga nu de
redenen voorby, die me tot deze afwyking van m'n oorspronkelyk plan
dwongen, om nu alleen te wyzen op de my gebleken noodzakelykheid om in
grooter aantal deelen te splitsen wat by de eerste uitgaaf van dezen
bundel verschenen was als één doorloopend stuk. De geheele
Verhandeling over Vrye-Studie met de daarby behoorende
kommentaar, stond gequoteerd onder slechts negen en twintig nummers,
'tgeen de verwyzing naar een op-zichzelf staande opmerking zeer lastig
maakte. 't Noemen van de pagina baatte niet altyd, omdat ik me soms
veroorloof - wat eenigszins in afwyking van de heerschende
litterarische gewoonte - aan meer dan één denkbeeld plaats te geven op
dezelfde bladzy. [3]
Hoe dit
wezen moog, ik heb 't aantal nummers vermeerderd, zoodat nu deze IIIe
bundel instede van met
569,
eindigt met 928.
Of deze splitsing nauwkeurig uitviel, en steeds beantwoordde aan
den eisch van de behandelde zaken, is te betwyfelen. Doch men houde in
't oog dat de zaak alleen neerkwam op 't gemakkelyker aanwyzen van 'n
passus, en dit doel is bereikt, of... nagenoeg, want ik had verder
moeten gaan, en méér zinsneden stempelen tot citablen tekst, tot
aspirant-spreekwoord. (281)
By de korrektie bleek me dat m'n verandering niet radikaal genoeg
was, maar ik voelde my nu eenmaal gebonden aan den wensch om ‘uittekomen’
daar ik tusschen den Vn en VIn bundel 'n gaping had gelaten van 'n
driehonderd nummers, die wel moesten aangevuld, doch niet overschreden
mochten worden. De hierdoor verkregen ruimte was te nauw. Om daarvan
één voorbeeld te geven, ik geloof dat uitdrukkingen als byv. deze, op
blz. 357:
Profeten maakten School,
Maar geen profetenschool bracht Zieners voort,
op zichzelf hadden moeten staan.
Zoo zyn er meer. Ik hoop dat de lezer ze vinden zal. En... merken!
[4]
Indien ik geheel onafhankelyk
ware in 't konditioneeren van m'n werk, zou ik nog altyd lust hebben
zulke en dergelyke fouten in den vorm te verbeteren. 't Was sedert
lang m'n illuzie àl m'n arbeid tot één geheel, tot
Ideen te maken. Maar dit kan niet.
[5] Eerstens
wyl enen my verzekert dat de lezers in ons land de middelen niet
bezitten om zich werken van eenigen omvang aanteschaffen -
waarschynlyk omdat er zooveel geld noodig is voor oorlogvoeren en
amerikaansche spoorwegen! - en ten-tweede heb ik te veel moeite om
door 't leveren van nieuwen arbeid my in 't leven te houden, dan dat
ik aan de reeds verschenen stukken zooveel aandacht wyden kan, als ik
met m'n groote liefde voor nauwkeurigheid wel wenschen zou.
[6] Dit is
zeker te bejammeren - en voor myzelf 't meest niet, Nederlanders! -
maar het is nu eenmaal zoo! Amerikaansche spoorweg- en Atjinesche
oorlogszwendelaryen varen wèl by zoo'n stand van zaken. Wie den
toestand van 'n schryver ten-onzent vergelykt met dien van eenigszins
gewaardeerde auteurs in 't Buitenland... doch basta daarvan voor
heden! Ik verzoek genoegen te nemen met m'n nieuwe nummering, en die
by aanhalingen te houden voor de bedoelde.
Omtrent de
spelling, die redelyk wel de mode van den dag volgt, ben ik zoo vry te
verwyzen naar 't Voorbericht dat den vyfden druk van de beide eerste
bundels vergezelt. De zaak is van zeer ondergeschikt belang.
[7] Toch blyf
ik beweren dat men wèl zou doen zich te onttrekken aan 't juk van onze
hedendaagsche nederlandsche-taalmannen, die zich schynen te beyveren
ons monumenten te leveren van 'n onbruikbaarheid en 'n onkunde, als
waarvan de wedergaden moeielyk zouden zyn aantewyzen in Frankryksche,
Engelandsche of Vereenigde-Statelyke taal. Zóó namelyk zal voortaan
heeten, wat we vroeger fransch en engelsch
noemden. [8]
Ik ben zoo vry de
slotwoorden van 't Voorbericht by den vyfden druk des eersten bundels
hier overtenemen:
Als handleiding tot het
beoordeélen van m'n Ideen, verwys ik alweder
naar 't program dat in m'n eerste brochure over Vryen-Arbeid
voorkomt, en nog-eens beroep ik my op de wenken in
35,
123 en
283.
Deze drie nummers - in-verband altyd met
30
- zyn tevens van strikte toepassing, op al m'n andere werken zoowel,
als op m'n geheel leven.
Ik had méér te zeggen by dezen
herdruk, en veel verdrietigs! De politische en maalschappelyke
toestand van ons landje...
Ik verneem dat men
in den Haag weer aan 't ministerwisselen is. Zal 't weer oud lood om
oud yzer wezen? De armzalige konditie waarin de res publica
verkeert, zou me stof geven tot bittere klacht. Tot wat
zelfverheffing ook, naar ik meen, want: Ik heb
in-tyds gewaarschuwd! De paradoks van tien twaalf jaren
geleden, is de gemeenplaats van vandaag geworden. De valsheid waarmee
ik werd op-zy geschoven door 'tzelfde soort van lieden die me nu
napraten in ellenlange artikels...
Och, laat me
dit toespraakje liever sluiten met iets aangenamers, met 'n hartelyk
woord van dank aan den heer Mr.
C. Vosmaer die
dezer dagen zoo ridderlyk voor my en m'n streven optrad.
[9] Daar ik reeds
onder de korrektie dit met 'n woord vermeldde, komt misschien den
lezer de herhaling myner betuiging van erkentelykheid voor die
daad - want 'n daad is het! - overbodig voor.
My is ze een behoefte. Ook op Vosmaer's
poging om Nederland optewekken tot 'n weinig... decentie
in 't behandelen van z'n voorgangers, pas ik m'n
Idee
30
toe. Wie me hierin navolgt, zal eerbied en liefde voelen voor den
man die de aandrift involgde zóó optetreden in ons kleinlich
Nederland.
Zeldzaam moge de
moed wezen die hiertoe schynt vereischt te worden, geheel alleen stond
de heer Vosmaer niet. Jazelfs, in
zekeren zin was-i niet de eerste die zich verzette tegen de
miskenning die my ten-deel viel. Dr.
Feringa in z'n belangryke ‘Vrye
Gedachte’ en de flinke Sneeker Courant waren hem
voorgegaan.
Daarvoor m'n groet
en m'n dank!
En overigens:
vivant sequentes! Want, landgenooten, ons vaderland heeft
mannen noodig, of liever - want wat doet er 't geslacht toe? -
we hebben behoefte aan Menschen. Meent
ge nog steeds, anders dan by zeer groote uitzondering,
die te zien opdagen uit uw achtenveertigsche stembus? Wie dit gelooft,
moet maar eens 't oog slaan op byna alles wat die stembus geleverd
heeft, en op Den toestand die uit de wanbegrippen
daaromtrent is voortgesproten.
Tot dusver 't
Naschrift by den tweeden druk. By deze derde uitgaaf heb ik niets
anders te zeggen dan dat het getal van de noten nogal vermeerderd is.
Niet genoeg evenwel om de verhandeling over
Vrye-Studie, en vooral de kommentaar op dat stuk, zoo volledig
te maken als 't onderwerp vereischt. Daaraan ontbreekt nog zeer veel,
al zy 't dan dat ik meen dezen IIIn bundel te mogen rangschikken onder
't beste werk dat ik geleverd heb. [10] Wanneer my het daartoe noodige
loisir niet ontbreekt, zal ik by 't voortzetten van m'n
Ideen trachten aantevullen wat ik oversloeg of
niet grondig genoeg behandelde. ‘Strydt den goeden stryd des
Geloofs’ staat ergens in den bybel. ‘Strydt den goeden stryd
des Verstands’ is m'n antwoord, en van den lezer verwacht ik 'n
hartig: à la rescousse! [11]
Het oprichten van 'n
standbeeld voor Thorbecke
[12],
en de dezer dagen over die gebeurtenis in redevoeringen, dagbladen en
vlugschriften aan den man gebrachte redeneeringen... doch basta
daarover! Ik wil dit naschrift niet besluiten met iets walgelyks. Och,
als men lezen kon.
Wiesbaden,
Voorjaar 1876.
MULTATULI.
[1] "Daar
by de vyfde uitgaaf van de beide vorige bundels, de zes en twintig 80 vellen druks waaruit ze aanvankelyk
bestonden, in twee deeltjes gesplitst zyn, gelieve men de
cursiefletters a en b die ik by aanhalingen toevoegde
aan 't bundelnummer, te beschouwen als strekkende om de deeltjes van
den bundel te onderscheiden.
"
De Ideen werden in allereerste druk
geleverd in delen als een soort brochures, en niet als geheel gereed
boek. Zie ook 34 en
[6] hieronder, dat een behoorlijk exacte opgave geeft van wat
feitelijk van M. verkocht werd bij zijn leven.
[2] "Een tweede
opmerking die niet kan gemist worden, betreft de nieuwe nummering.
Reeds in 't Voorbericht van de laatste uitgaaf der twee eerste
bundels, sprak ik over de gronden die me telkens nopen tot verwyzing
naar 'n vorig gezegde."
De eerste uitgaves van de Ideen
hadden niet alleen minder maar ook Romeinse nummers.
[3] "'t
Noemen van de pagina baatte niet altyd, omdat ik me soms veroorloof -
wat eenigszins in afwyking van de heerschende litterarische gewoonte -
aan meer dan één denkbeeld plaats te geven op dezelfde bladzy."
Ik vermoed dat hier een "is"
mist. En de armzaligheid aan originele denkbeelden is in
Nederland nog steeds even groot als vroeger.
[4] "Om
daarvan één voorbeeld te geven, ik geloof dat uitdrukkingen als byv.
deze, op blz. 357:
Profeten maakten School,
Maar geen profetenschool bracht Zieners voort,
op zichzelf hadden moeten staan.
Zoo zyn er meer. Ik hoop dat de lezer ze vinden zal. En... merken!
"
Wel, ik heb m'n best gedaan in mijn
commentaren om citeerwaardige opmerkingen aan te wijzen, ook wanneer
ik het er niet mee eens was. Trouwens: Een geslaagd aforisme hoeft
niet waar te zijn om geslaagd te zijn, want wat een aforisme geslaagd
maakt is dat het aan het denken zet of iets welbekends op een fraaie
memorabele wijze verwoordt.
[5] "'t
Was sedert lang m'n illuzie àl m'n arbeid tot één geheel, tot
Ideen te maken. Maar dit kan niet.
"
Ik vermoed dat een belangrijke reden
daarvoor was dat één van Multatuli's meest opvallende stijlkenmerken,
namelijk het van onderwerp naar bijzaak naar uitweiding springerige,
voor hem vanzelfsprekend was. Hij schreef niet alleen zo, hij praatte
ook zo.
[6] "Eerstens
wyl enen my verzekert dat de lezers in ons land de middelen niet
bezitten om zich werken van eenigen omvang aanteschaffen -
waarschynlyk omdat er zooveel geld noodig is voor oorlogvoeren en
amerikaansche spoorwegen! - en ten-tweede heb ik te veel moeite om
door 't leveren van nieuwen arbeid my in 't leven te houden, dan dat
ik aan de reeds verschenen stukken zooveel aandacht wyden kan, als ik
met m'n groote liefde voor nauwkeurigheid wel wenschen zou."
Hier volgt een copie van een brief van M.'s
uitgever G.L. Funke "aan een lid van de vrijdenkersvereniging De
Dageraad" die althans mij enigszins verbaasde:
Amsterdam, 24 Sept 1880
WelEdelzeer Gel. Heer!
Ter voldoening van mijne belofte
volgt hieronder de opgaaf van 't getal der sedert 1869 (het jaar
waarin ik eigenaar werd van de toenmaals bestaande werken van
Multatuli) verkochte ex. dier geschriften en voorts van 't geen dáárna
door mij werd uitgegeven.
Van 1869 t/m 1879 verkocht ik van
de Ideën 1e bundel 4098 ex.
,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,,,, ,, ,, 2e ,,
3886 ,,
Deze 2 bundels zijn van 1862-65 oorspronkelijk uitgegeven door de
firma R.C. Meijer alhier, die van elk dezer deelen naar ik gis
ca. 1500 zal verkocht hebben.
Van 1869 t/m 1879 verkocht ik van
de Ideën 3e bundel 2943 ex.
terwijl de 1e druk van dezen bundel reeds vóór 1871 was verschenen by
den uitgever C. van Helden alhier, die daarvan ca. 1000 ex. verkocht.
In 1872 verschenen bij mij den 4e
bundel, waarvan tot en met '79 werden verkocht 3942 ex.
Van 1873 t/m 1879 van den 5e bundel -
2775 ,,
,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,,,, ,, ,, 6e ,,
- 2407 ,,
,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,, ,,,, ,, ,, 7e ,,
- 1959 ,,
Van 't drama Vorstenschool,
oorspronkelijk in den 4e bundel verschenen en in 1875 door mij
afzonderlijk uitgegeven, verkocht ik sedert dat jaar 5435 ex.
Voorts werden van 1869-79 verkocht
van de
Minnebrieven
3096 ex
Vrijen Arbeid in N.I.
1061 ,,
Verspr. Stukken
4443 ,,
Pruisen en Nederland
632 ,,
Bruid daarboven
2191 ,,
Bloemlezing uit M
werken
2276 ,,
De 6 laatstgenoemde bundels
verschenen allen bij andere uitgevers van 1862-69. Wat die er van
verkochten, is mij niet bekend. Naar ik vermoed zal dit gemiddeld 12 à
1500 ex zijn geweest.
De "Max Havelaar" die ik in 1875
bemachtigde, bracht mij een debiet op van 4341 ex- - Vóór '75 zijn er
echter 3 drukken verschenen, die te zamen zeker eene oplaag van
8 à 9000 ex hadden en allen finaal uitverkocht werden. Van dit werk
zijn alzoo sedert de 1e uitgave ca. 13000 onder 't publiek gekomen.
Ik geloof hiermee vrij volledig aan
Uw verlangen voldaan te hebben en verheug mij U tevens een klein
genoegen door de opgave te hebben bereid.
Hoogachtend
UEd.dw.dr. G.L. Funke
Wat is 't mij verbazende van deze
opgave? Het geringe aantal - terwijl M. één van de best verkopende
schrijvers van zijn tijd was en tegenwoordig geldt als "Nederlands
Grootste Schrijver". Ook valt op dat M.'s meer literaire werken beter
verkochten dan zijn meer beschouwelijke of maatschappij-kritische.
Het zou mij persoonlijk verbazen als
er feitelijk in de afgelopen 140 jaren sinds de eerste druk van de Max
Havelaar in totaal meer dan het dubbele van de bovenstaande aantallen van M.'s
werken gedrukt zijn - en ik zet het woord "gedrukt" vet
omdat ikzelf vrijwel alles wat ik van M. antiquarisch kocht nog zelf
heb moeten opensnijden om te kunnen lezen, ca. 90 jaar na hun druk.
Kortom: Van "Nederlands Grootste
Schrijver" hebben van de ca. 30 miljoen Nederlanders die er sinds hij
schreef geleefd hebben hooguit enkele duizenden Nederlanders - één
promille, hoogstens - serieus kennis genomen. En de kennis van de
meesten was beperkt tot enkele delen, die weer kennelijk overwegend
onopengesneden in de boekenkasten werden gehouden tot ze antiquarisch
doorverkocht konden worden.
Zó gaat het dus feitelijk, in
keiharde cijfers, met wie naar in Nederland wijd verbreid besef
"Nederlands Grootste Schrijver" is!
Trouwens ... voor goed perspectief is
hier een simpel staatje (dat niet makkelijk te vinden was op het
internet):
Omvang van de
Nederlandse bevolking 1850-1910 (in duizenden)
| Jaar |
Omvang |
| 1850 |
3.068 |
| 1860 |
3.320 |
| 1870 |
3.600 |
| 1880 |
4.034 |
| 1890 |
4.537 |
| 1900 |
5.145 |
| 1910 |
5.903 |
Bron: J.W.B. van Overhagen
en P. de Wolff, 'De financiën van de Nederlandse rijksoverheid in de
periode 1850-1914', in: Economisch- en sociaal-historisch jaarboek 32
(1967-1968) 233-234
Vergelijkenderwijs: In 1950 waren er
10,2 miljoen Nederlanders; in 2003 ruim 16 miljoen.
[7] "Omtrent de
spelling, die redelyk wel de mode van den dag volgt, ben ik zoo vry te
verwyzen naar 't Voorbericht dat den vyfden druk van de beide eerste
bundels vergezelt. De zaak is van zeer ondergeschikt belang."
Aanvankelijk dacht M. kennelijk wat
anders over het belang van spelling, maar vanaf ca. 1870 paste hij
zijn nogal bijzondere en opvallende spelling overwegend aan bij wat in
zijn tijd gebruikelijk was, al bleef hij wel "y" in plaats van "ij"
schrijven.
[8] "Toch blyf
ik beweren dat men wèl zou doen zich te onttrekken aan 't juk van onze
hedendaagsche nederlandsche-taalmannen, die zich schynen te beyveren
ons monumenten te leveren van 'n onbruikbaarheid en 'n onkunde, als
waarvan de wedergaden moeielyk zouden zyn aantewyzen in Frankryksche,
Engelandsche of Vereenigde-Statelyke taal. Zóó namelyk zal voortaan
heeten, wat we vroeger fransch en engelsch
noemden. "
Ik neem aan dat "Frankryksche,
Engelandsche of Vereenigde-Statelyke taal"
tot de ideaal-taal van Neerlandse letterkundigen anno 1876 behoorde.
Gelukkig is dat niet zo gebleven, maar in plaats daarvan heeft
Nederland sindsdien nog minstens 10 overwegend dwaze
spellingshervormingen doorgemaakt, die het alleen maar steeds
moeilijker hebben gemaakt voor de huidige en komende generaties
Nederlanders het Nederlands proza van hun voorvaderen met begrip te
lezen. Misschien is dit Neerlandistieke letterkundige opzet - een
soort mensenliefde! - omdat er, afgezien van Multatuli, zoveel
vreselijks, saais, slechts en vervelends te vinden is in het
Nederlands?
[9] "Och, laat me
dit toespraakje liever sluiten met iets aangenamers, met 'n hartelyk
woord van dank aan den heer Mr.
C. Vosmaer die
dezer dagen zoo ridderlyk voor my en m'n streven optrad.
"
Dit slaat op Vosmaer's "Een Zaaier",
dat voor het eerst in 1874 verscheen, dat over Multatuli ging, en
feitelijk vrijwel de eerste enigermate serieuze behandeling van M.
door één van z'n literaire tijdgenoten was. "Een Zaaier" opent deel 1
van de Garmond-uitgave van Multatuli's werk, die verzorgd werd door
zijn weduwe. (De harde getallen in [6] tonen de
lezer hoe moeilijk het is zinnige gedachten in schitterend proza bekend te maken,
onder Nederlanders.)
[10] "al
zy 't dan dat ik meen dezen IIIn bundel te mogen rangschikken onder 't
beste werk dat ik geleverd heb."
Dit was ongetwijfeld gemeend. Ikzelf
sla Ideen 1 hoger aan, net als Minnebrieven en Vrye Arbeid.
[11] "Wanneer my het daartoe noodige
loisir niet ontbreekt, zal ik by 't voortzetten van m'n
Ideen trachten aantevullen wat ik oversloeg of
niet grondig genoeg behandelde. ‘Strydt den goeden stryd des
Geloofs’ staat ergens in den bybel. ‘Strydt den goeden stryd
des Verstands’ is m'n antwoord, en van den lezer verwacht ik 'n
hartig: à la rescousse! "
Maar het ontbrak M. aan "loisir"
- en wat betreft het zeer Multatuliaanse "‘Strydt den goeden stryd
des Verstands’" zie
[6]: Er waren en zijn evident niet veel
Nederlanders met verstand, of anders weten degenen die dat zouden
hebben dit zeer goed te verbergen.
[12] "'n
standbeeld voor Thorbecke"
Dat nog steeds te vinden is bij het
Rembrandtsplein in Amsterdam, op wat nu het Thorbeckeplein heet. Meer dan 100 jaar later werd er een véél
lelijker en véél kleiner standbeeldje voor Multatuli, met subsidie,
geplaatst bij de Torensluis. Voor Thorbecke zie o.a.
452.