Idee 763.                                                 


't Is te veronderstellen dat niet allen die den publiekspreker trachten duizelig te maken door lof, dit doen met het bestemd voornemen om hem later aftevallen en alleen te laten staan. Velen juichen gemakshalve toe, omdat hiervan gewoonlyk minder ernstig reden wordt gevraagd dan van afkeuring. Dit maakt echter de teleurstelling van den bedrogene niet minder grievend. Oprechte ernstige tegenspraak ware hem liever geweest. Of meent men dat-i niet met graagte elke gelegenheid zou aangrypen om z'n kennis te vermeerderen, en genezen te worden van dwaling? De inspanning die-n-i ten-koste legde aan 't gereed-maken van z'n ziel tot behoorlyke meedeeling van wat hy meent gevonden te hebben, staat ons borg dat-i geen welmeenenden bondgenoot zal afwyzen. En waarom ook? Bezit hy niet hoogmoed genoeg om zonder vrees voor vernedering, iets aantenemen van 'n ander? [1] Zou hy duchten, dat z'n kring van onderzoek zich vernauwen zou, dat de voorraad optelossen vraagstukken zou uitgeput worden, indien-i door anderen werd gewezen op 'n feit of denkbeeld dat aan z'n eigen aandacht ontsnapte? Stelt hy z'n vatbaarheid tot verder doordringen in 't onbekende, zóó laag dat-i terugschrikt voor 'n al te schralen oogst, indien ook anderen 'n halm plukken, dien ze hem met welmeenendheid toereiken? Dient hy de koningin van z'n hart zoo slecht, dat-i wangunst voelt by de ontdekking, niet haar éénige dienaar te zyn?

Dit alles ware ongerymd, en zou stryden tegen de vermoedelyke hoedanigheden van den publiekspreker zooals ik me dien voorstel, van hem namelyk wiens hoofdeigenschap in hart bestaat. Reeds Labruyère heeft gezegd: la principale partie (qualité?) de l'orateur, c 'est la probité. In die uitspraak ligt meer diepte, dan in al de schoolsche lessen van Hugo Blair of Quintilianus. Toch had ook deze besef van die waarheid, toen hy zeide: pectus est quod disertos facit.

Valsheid, kleingeestige nyd, kinderachtige eigenliefde... dit alles is onvereenigbaar met de stemming van den waarheidzoeker, die ik trachtte te schetsen in de Inleiding van deze Ideen. *) [2] Dat veel redenaars hun roeping anders begrypen, doet hier niet ter-zake, daar ik juist tegen dat verkeerd begrypen van hun roeping optreed. Ik zou 't zeer natuurlyk vinden dat de voorlezer van 'n verhaaltje, de deklamator van 'n gedicht, verklaarde volstrekt niets ondervonden te hebben van wat ik opmerkte. Ik beschryf wat my weervoer. Laat anderen hùn ervaring meedeelen.

*) Noot van 1871. Ook die inleiding is door velen verkeerd gelezen, maar ik erken dat dit te voorkomen ware geweest door duidelyker uitdrukking. De aanhef namelyk is voor 'n imperatief gehouden, terwyl de bedoeling was: gesteld dat ge door de natuur bedeeld zyt, enz., geenszins: dat ieder zich tot 'n martelaar van de zucht naar onderzoek zou maken. Integendeel, ik schryf dit niemand voor, en velen raad ik 't stellig af. [3]


[1] "Bezit hy niet hoogmoed genoeg om zonder vrees voor vernedering, iets aantenemen van 'n ander?"

Dit is een terechte overweging. Het moderne Neerland is tjokvol, overvol, overlopend van minderwaardige populistische randdebielen als Herben, die ten allen tijde bereid en in staat "respect" te eisen van alles en iedereen alleen vanwege 't feit dat zoiets als Herben bestaat. Nu, zelfs een Herben is niet verantwoordelijk voor z'n eigen geboorte en tekortkomingen, maar dat is geen reden respect te hebben voor een geboren bijgoochem en populistische volksmenner. Verder zie 855.


[2] "Valsheid, kleingeestige nyd, kinderachtige eigenliefde... dit alles is onvereenigbaar met de stemming van den waarheidzoeker, die ik trachtte te schetsen in de Inleiding van deze Ideen. *)"

Wel ... die "waarheidzoeker" is Multatuli zelf en ik geloof dat hij de waarheid sprak over zichzelf, al slaagt niemand erin te leven naar z'n eigen idealen. Maar overigens heeft M. te weinig rondgelopen op universiteiten om te weten dat "Valsheid, kleingeestige nyd, kinderachtige eigenliefde" een zeer fundamentele rol spelen in de aandriften van vele Neerlandse wetenschappelijk ambtenaren.


[3] "Ook die inleiding is door velen verkeerd gelezen, maar ik erken dat dit te voorkomen ware geweest door duidelyker uitdrukking. De aanhef namelyk is voor 'n imperatief gehouden, terwyl de bedoeling was: gesteld dat ge door de natuur bedeeld zyt, enz., geenszins: dat ieder zich tot 'n martelaar van de zucht naar onderzoek zou maken. Integendeel, ik schryf dit niemand voor, en velen raad ik 't stellig af."

Zie eerst de inleiding voor een juister begrip van 't gestelde. Overigens heeft M. gelijk.

Idee 763.