Idee 703.                                                 


Eenmaal was ik in den Haag getuige van 'n straattooneel, dat my versterkte in de meening over de ongeschiktheid van onze natie, om op die wyze te worden gedoceerd. 'n Geestdryver verzekerde aan drie of vier kleine kinderen, dat hy 't Woord des levens zou verkondigen en verzocht hun hier-of-daar 'n stoel, ter-leen te vragen. De wichten - die naar 't getuigenis dat over hun lippen vloeide, meer behoefte hadden aan neusdoeken dan aan zielespys - staarden hem met domme verbazing aan. [1]

- 'n Stoel, kindertjes... 'n klein matten stoeltjen is voldoende. Weet ge niet waar dat zou te krygen zyn?

Geen antwoord.

- Wat mt die kerel? vraagde 'n grooter jongen, die 'n standje rook.

- Ik wenschte 'n stoel, herhaalde de apostel. Ik wil het Woord des Levens verkondigen...

Ook die jongen begreep er niets van.

Misschien zag de arme straatpreeker in, dat het woord verkondigen slecht gekozen, en 'n beetje te hoog van verdieping was. Hy korrigeerde z'n uitdrukking:

- Ik wil van God spreken, en van den Heere Jezus.

Geen antwoord.

Van lieverlede naderden andere personen, meest kinderen uit den zoogenaamd-laagsten stand. 't Stuk speelde natuurlyk in 'n onaanzienlyke buurt. Ik had me voor de uitstalkast van 'n winkeltje geplaatst, vanwaar ik alles kon gadeslaan.

Na veel vergeefsche pogingen, waarby ik 't geduld van den man bewonderde, werd hem 'n stoel gebracht. 'n Oud vrouwtje kwam er mee aanloopen. Ze eischte daarvoor een stuiver, dien de apostel gewillig betaalde.

En hy preekte! Er was iets liefelyks in z'n stem. Z'n voordracht muntte uit door eenvoudigheid. Waarlyk, 't lag niet aan hm, dat z'n woorden geen indruk maakten. Ik herinner me niet, ooit 'n predikatie te hebben gehoord, die beter beantwoordde aan den zin dien sommigen gewoon zyn aan 't woord evangelisch te hechten. De man bracht inderdaad 'n blyde boodschap... aan ieder die gelooft. Voor my, die niet geloof, was 't 'n treurig staal van welmeenende krankzinnigheid. [2] Ik had medelyden met hem, en verfoeide de duizenden en duizenden van z'n geestverwanten, die hem daar zoo alleen lieten staan op z'n gehuurd stoeltjen in den kring van 'n paar dozyn morveuze jongens. Ik voelde iets als neiging me daarby te voegen...

Helaas... wat zou 't gebaat hebben! 'n Zakdoek had ik, maar wat helpt dit zonder geloof?

't Auditorium van onzen prediker had noch 't een, noch 't ander, naar 't scheen. De vreemdheid van 't geval hield de kleine gemeente 'n oogenblik bezig, maar nauwelyks was de weg ter zaligheid betreden tot vermorzelde slangenkoppen en lamgetrapte verzenen toe, of de jeugd begon zich te vervelen. De geestigsten trokken elkander by de haren. De anderen... och, anderen waren 'r niet.

Ja toch, 't oude vrouwtje!

'n Buurvrouw ging voorby, die haar iets toeriep. Ik verstond niet wat deze zeide, maar 't scheen iets als 'n vraag waarom ze stond te luisteren naar dien vent? Dit laatste woord kon ik onderscheiden, en 't overige maakte ik op uit het antwoord:

- Ik wacht op m'n stoel. Hy staat er op. Ik heb 'r 'n stuiver voor gekregen...

En ter verduidelyking stak zy de hand op, welker uitgespreide vingers vyf centen moesten beduiden.

De leraar ging rustig voort met verkondigen. Z'n rede was inderdaad 'n kort begrip van den kristelyken godsdienst, en ik kan me niet voorstellen dat deze beter kan worden verkondigd. Voor 'n betaalden dominee was 't om te bersten van afgunst. In-weerwil van de nu-en-dan voorkomende fout dat-i zich bediende van 'n te kanselachtige uitdrukking - die-n-i evenwel meestal terstond in gewone, doch daarom niet platte, taal overbracht - perste de man me bewondering af. Hy had het talent z'n talent z te verbergen, dat ik waarlyk in verzoeking kwam hem alle talent te ontzeggen, 'n gebrek dat ik hooger schat dan de meeste deugden. Waarachtig, ik had den man wel om den hals willen vliegen. Hy had hart! [3]

Van wrevel over de verregaande nuchterheid van z'n auditorium, was geen spoor te ontdekken. En ook later, toen de kring zich uitbreidde, en hy niet slechts onverschilligheid moest ontwaren, maar geplaagd werd door allerlei rumoer, door 't gekibbel en gestoei van de aanstaande hemelburgers, toen zelfs 'n kwajongen, onder luid gejuich der gemeente, de heldendaad beging aan den matten stoel te schudden, verloor-i z'n kalmte niet. Hy sprak over de goedheid van God: die z'n eeniggeboren zoon niet had gespaard. Over de verdiensten van dien zoon in wien allen konden zalig worden. Over de verstoktheid des harten...

Nu, dt was 'n woordjen op z'n pas, want, juist vloog hem 'n halve notedop langs 't hoofd. Maar niet drover klaagde de man. Hy beweerde dat de menschen hun harten verhardden: om de begeerlykheden dezer wereld aantehangen [4], instede van Jezus Christus, den Zaligmaker, en dien gekruist.

Toen hy die begeerlykheden der wereld aanroerde, vreesde ik 'n oogenblik dat-i op den verkeerden weg was, daar de straatgemeente er niet naar uitzag, alsof ze zich te-buiten ging aan weelde. Misschien voorzag hy deze tegenwerping. Althans hy kommenteerde z'n klacht:

- Gylieden zult meenen geen misbruik te maken van de goederen dezer wereld, maar eilieve, denkt ge dan dat daartoe juist rykdom vereischt wordt? Het toegeven in traagheid, in zinnelykheid, 't kwaadspreken, 't beleedigen van uwen naaste, 't benyden der welvaart van anderen, dagdievery, 't misbruiken van Gods naam... dit alles is wereldsche lust! [5] De Heer heeft verzekerd dat zyn koninkryk gesloten blyft voor ieder die zich niet betert van zulke fouten. En Hyzelf wil u daartoe kracht geven! Wie den Vader bidt in Zynen naam om de genade... enz.

Terwyl-i bezig was met de nogal moeielyke aanwyzing in-hoe-ver wyzelf hebben zorg te dragen voor onze zaligheid, en welke dienst ons Gods genade in dit opzicht bewyzen kan - hy drong er op aan, zoo weinig mogelyk op dien bondgenoot te laten aankomen, 't geen me praktisch voorkomt - naderde er 'n troep beschonken jongens met nummers op de mutsen. Ze deelden aan de voorbygangers, zoo luid ze 't konden uitschreeuwen, de belangryke tyding mee, dat ze op-weg waren: naar de kamp f'n Seist. [6] De straat was niet breed, en aldus 'n konflikt tusschen de Zeistgangers en de reizigers naar den Hemel, onvermydelyk. Onze lotelingen smolten met de heilbegeerige gemeente in-een, en brachten ruimschoots 't hunne by tot vermeerdering van de reeds heerschende wanorde. Eenige notenverkoopsters achtten de gelegenheid gunstig om 'r waren aan den man te brengen, en sloten zich met 'n schel: ses cente-n-'t ff-e-twintich! by de groep aan. De oude vrouw die den stoel verhuurd had, scheen er 'n eer in te stellen dat ze daarvoor 'n stuiver had ontvangen. Ze vertelde dit herhaalde malen aan de omstanders. 't Had er veel van, of ze 'n beetje beschaamd was over haar tegenwoordigheid op die plaats, en behoefte voelde zich te verontschuldigen. Van-tyd-tot-tyd bestrafte zy de stoeiende kinderen, en 't scheen alsof ze, boven den voor haar stoel ontvangen huurprys, zich wou meester-maken van 't diakonaat. Dit bleek me vooral uit de woorden waarmee ze by 'n paar buurtjes den oorveeg vergoelykte, dien ze zoo-even had toegediend aan 'n kleinen jongen wiens woeligheid wat ver ging.

- 't Is myn stoel, weetje... de man heit er foor betaalt... welnou, laat 'm prate... kk - ze toonde de centen - anders (hou je moel *  jongen) anders... eichelik bin ik rooms, maar ik seg: laat de man prate, wel ja, niewaar?

Dat eigenlyk ben ik roomsch beviel me beter dan 't overweldigd ouderlingschap. 't Beduidde: ik heb zyn straatzaligheid niet noodig: Ik doe m'n geloof in de kerk. Ik hou m'n godsdienst by de mis. De pastoor zorgt voor de rest, en dus behoef ik me met die vreemdigheden niet optehouden. [7] Maar:

- Ff cente... kk!

Daarin lag: ik verzaak m'n geloof niet, maar ik doe m'n plicht als huishoudelyke vrouw. Er was oprechtheid in de permanente ten-toonstelling van dien stuiver.

Maar dat baas-spelen over de jeugd stuitte my. Dt recht kocht ze niet voor 't uitleenen van 'r stoel! Ik dacht aan de regels:

 Hlas, est-ce une loi sur notre pauvre terre,
 Que toujours deux voisins entr'eux auront la guerre? [8]
 Que la soif d'envahir et d'tendre ses droits
 Tourmentera toujours... koningen, molenaars, diakenen en ouwe vrouwtjes die stoelen verhuren voor 'n hagepreek?

Daar steekt-i, so waar as chot, s'n tong teuche me-n-eut... km-ier, dief... ik sel je wel krche. 't Is de jonge-n-eut de chroentekelder, weetje... [9]

Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat hy zyn eeniggeboren Zoon...

- S'n brors binne-n-ook sukke rakkers! 'k Sel 't an je moeder seche. Sech, fraag jy liever 'reis an je suster, weneer se me-n-'t dubbeltje brengt foor de musse die 'k foor der chewasse heb? Ik ken nie f'r nimmendal werreke...

Wat baat het of men de gansche wereld won, en schade leed aan zyn onsterfelyke ziel...

- F-me schaai ken ik nie lefe... en dan noch de tong teuche me-n-euttesteke! P'ssop, smeerlap!

Al wat liefelyk is, en welluidt! Wy zyn hier op aarde slechts voor korten tyd. Wy worden gewacht in de woningen die de Vader daarboven gereed-maakte voor allen die hem dienen in geest en waarheid...

 En we chaan nog nie na huis,
 En we chaan nog nie na huis,
 En we chane na de kamp f'n Seist...

viel hier 't koor van de lotelingen schreeuwend in.

De hoopvolle spruit uit den groentekelder bleef zich vermaken met het plagen van de oude vrouw, die 'r toorn niet onbetuigd liet. Een van de lotelingen scheen z'n vaderlandreddende carrire te willen openen met aanranding der eerbaarheid van de notenverkoopsters, die 'r deugd openbaarden in den vorm van oorveegen. De beschonken jongens wreekten zich over den geleden neerlaag, door 'n patertje-langs-den-kant om de stoelenverhuurster, die met 'n schrille stem haar eigendom terugvorderde:

- 't Is nou lang chenoch (skei-eut, jonges!) w-denkt-i wel, d'k ier de-n-eelen dach ken blfe staan, f'r s'n ff cente!

 Hy was in de mei so bly,
 Hy was in de mei...

- L-me-los, rakkers! M'n stoel... 't is nou lang chenoch...

Dat noemde zy lang genoeg! Er was nog geen levende ziel bekeerd! Maar de lotelingen schenen het op dit punt met de vrouw eens te zyn. Ze zongen:

 Pater! jy mot skeije chaan...

- Los, seg ik je! Julli binne beeste. As ik m'n seun m'r hier had...

Dien hy heeft overgegeven tot den dood, ja, tot den dood des kruizes...

 't Mag je nog wel zesmaal doen,
 Sesmaal, sesmaal...

Profeten en apostelen, die hun geloof bezegelden met hun bloed...

 Ff-e-twintich f'r ses cente!

Ik bidde u, alsof Christus zelf door my bade...

 Pater, geef je non 'n soen...

- Smeerlappen... allemaal! L-los, sech ik je... m'n stoel!

Laat ons eindigen met het allervolmaaktste gebed! [10]

 En we chaan noch nie na huis,
 En we chaan noch nie...

Onze Vader...

 In de nes daar motte we wezen... )

die in de Hemelen zyt!

 Daar staat op de deur geskrefe:
 Hier verkoop men brandewyn.

Uw naam worde geheiligd!

- M'n stoel weerom, godverdomme!

                Hosse, Hosse!

Uw Koninkryk kome!

 Ses cente-n-'t ff-e-twintich, nim m'r wech f'r 'n steufer!

Uw wil geschiede...

- Nou verdom ik 't langer! Ik mot m'n stoel weerom hebbe... wech, jonges!

En vergeef ons onze schulden, gelyk wy vergeven...

- Ik sel julli allemaal op je donder komme... m'n stoel!

En leid ons niet in verzoeking...

                Hosse... Hosse!

Want U is het Koninkryk, en de kracht...

 Nim m'r wech f'r 'n steufer!

- As-i nou niet eutstkeit, bliksem ik 'm 'r of!

Amen! Vrouwtje, daar is je stoel terug.

*) Z is 't woord, en niet smoel. Dit laatste is 'n allertreurigste verbastering - even treurig voor 't minst als 't ongelukkige aaltolletje, dat blykens 't Woordenboek zooveel verdriet veroorzaakte aan de heeren D.V. en T.W. - van 't duitsche halt's (das) maul! De onnadenkende straatjeugd heeft, met verkrachting van alle laatste beginselen, 't lidwoord vastgelymd aan 't nomen. Waar moet het heen! De toekomst onzer heele maatschappy... enz.
Ik wil maar zeggen dat 't hoog tyd wordt de kostbare Woordenboeken, door 't uitloven van premin aan wien ze koopt, en 't adelen van wie er gebruik van maken, te popularizeeren. Niets vroooolyker dan 'n geketende taal... [11]
Ik sprak zoo-even van laatste beginselen. Nu ja... in primitieve talen vinden we dat samensmelten van naam- en lidwoord - door prefix of suffix dan - ook wel eens, en de straatjeugd is dus hierin klassieker dan zyzelf weet. Dit gebeurt meer, en geen schoolmeesters-furca zal die natuur expelleeren.

) Noot van 1876. Hier ziet men in welke fouten 'n geschiedschryver vervallen kan! In de nes is... amsterdamsch. De haagsche lezing heeft: op de denneweg. [12] Ik ben deze opmerking verschuldigd aan de wetenschappelyke nauwgezetheid van een onzer eerste Letterkundigen die zich met aandoenlyken yver toelegt op 't emendeeren, annoteeren en kommenteeren van codices. Alzoo: op de denneweg en... me culp!


[1] "Eenmaal was ik in den Haag getuige van 'n straattooneel, dat my versterkte in de meening over de ongeschiktheid van onze natie, om op die wyze te worden gedoceerd. 'n Geestdryver verzekerde aan drie of vier kleine kinderen, dat hy 't Woord des levens zou verkondigen en verzocht hun hier-of-daar 'n stoel, ter-leen te vragen. De wichten - die naar 't getuigenis dat over hun lippen vloeide, meer behoefte hadden aan neusdoeken dan aan zielespys - staarden hem met domme verbazing aan."

Hier begint weer een bijzonder fraaie Multatuliaanse parabel, deze keer over de mens en de - vooral: Christelijke - godsdienst.


[2] "De man bracht inderdaad 'n blyde boodschap... aan ieder die gelooft. Voor my, die niet geloof, was 't 'n treurig staal van welmeenende krankzinnigheid."

Dit geldt ook voor mij - maar anno 2003 is nog steeds ca. 95% van de Neerlanders gelovig, al is een veel lager percentage kerkelijk of aangesloten bij een erkend geloof. Ikzelf kan dat ook niet verklaren anders dan door een combinatie van domheid en "welmeenende krankzinnigheid", al getuigt de toevoeging "welmeenende" van aanzienlijk optimisme bij Multatuli.

Bovendien: Het beangstigende en gevaarlijke van alle bekende uitgebreide vormen van religieus geloof is niet het geloof in kwestie zelf, dat kennelijk gewoonlijk - lang geleden - gesticht werd door inderdaad "welmeenende" voorgangers van aanzienlijk intellectueel en verbaal talent, waar vaak althans in moreel opzicht iets voor te zeggen valt, maar de doorsnee religieus gelovigen: Wt hun geloof ook mag zijn, in de feitelijke praktijk zijn ze vaak fanatiek, totalitair, onverdraagzaam en heel makkelijk te verleiden tot de gruwelijkse wreedheden tegen wie niet van hun geloof is, zogenaamd omdat dit hun God zou behagen. (Zie 423)


[3] "Hy had het talent z'n talent z te verbergen, dat ik waarlyk in verzoeking kwam hem alle talent te ontzeggen, 'n gebrek dat ik hooger schat dan de meeste deugden. Waarachtig, ik had den man wel om den hals willen vliegen. Hy had hart!"

Hier moet eerst opgemerkt worden dat het volgen van het eigen hart (gemoed, gevoel, ingevingen) voor M. een noodzakelijke voorwaarde was tot het zijn van een goed - eerlijk, waarachtig - mens, en bovendien dat de grote meerderheid der Christenen, anders dan de besproken straatprediker, eerder uitblinken door harteloosheid en hypocrisie dan door eerlijkheid of waarachtigheid.

Vervolgens wat betreft "talent": Er is in mijn en M.'s taalgebruik een verschil tussen "talent" en "genie", ook al betekenen beiden iets als "het bezit van een aanzienlijk intellectueel of artistiek vermogen, dat in ieder geval in de mate waarin de drager het bezit anders is dan de doorsnee". (Zie ook 77.)

De hier relevante verschillen tussen wat met "talent" en "genie" wordt aangeduid zijn tweeledig: Voor het toekennen van "genie" aan iemand is een vl groter verondersteld vermogen nodig dan voor het toekennen van "talent". In een rekenkundige vergelijking: Er is al sprake van een redelijk ongebruikelijk talent voor iets als iemand op dat terrein in de orde van 1 op de 100 is, maar er is pas sprake van genie als iemand op z'n terrein in de orde van 1 op de 10 miljoen is.

Ik kies mijn getallen niet volledig willekeurig maar wel zonder pretentie van exactheid. Waar 't vooral om gaat is aan te geven dat een beetje behoorlijke academicus gewoonlijk een betrekkelijk talentje is, maar in het geheel geen genie, en dat er voor ieder genie minstens 100.000 redelijk begaafde, verdienstelijke en aan hun universiteiten bij hun leven gehoogachte talenten zijn.

En nu zijn we aangeland bij M.'s gebrek aan waardering voor "talent": In het soort maatschappij waarin hij en ik leven, die slecht georganiseerd en laag in beschaving en intellectueel en artistiek niveau is (zeldzame enkelingen niet en nooit te na gesproken!), wordt de feitelijke macht uitgeoefend door diverse duizenden of tienduizenden "talent"en - van het soort feitelijke tienduizendsterangers als Van Mierlo, Pronk, Kok of Balkenende, dat zich naar boven weet te vechten door iets minder domheid dan de doorsnee, gecombineerd met mateloze ambitie, leugenachtigheid en partij-trouw, en daarbij gewoonlijk trouw gesteund wordt door even getalenteerde media-hoeren.


[4] "Hy beweerde dat de menschen hun harten verhardden: om de begeerlykheden dezer wereld aantehangen"

Dit lijkt mij geheel waar, en hetzelfde zal M. gegolden hebben.


[5] "- Gylieden zult meenen geen misbruik te maken van de goederen dezer wereld, maar eilieve, denkt ge dan dat daartoe juist rykdom vereischt wordt? Het toegeven in traagheid, in zinnelykheid, 't kwaadspreken, 't beleedigen van uwen naaste, 't benyden der welvaart van anderen, dagdievery, 't misbruiken van Gods naam... dit alles is wereldsche lust!"

Opnieuw waar - en zoals de rest van het verhaal aantoont deed de straatprediker hier niet anders dan z'n directe menselijke omgeving waarachtig beschrijven.


[6] "naderde er 'n troep beschonken jongens met nummers op de mutsen. Ze deelden aan de voorbygangers, zoo luid ze 't konden uitschreeuwen, de belangryke tyding mee, dat ze op-weg waren: naar de kamp f'n Seist. "

Dit waren lotelingen. De oorlogen van de 19e eeuw, hoewel ook gruwelijk, waren op veel kleinere schaal dan de gigantische veldslagen en bombardementen van de 20ste eeuw, en hadden dus ook veel minder militairen nodig. In Nederland werd in het benodigde militaire voetvolk voorzien door loting (en slaagden de meer welstaanden - zie Woutertje Pieterse - er gewoonlijk in hun kroost vrij te kopen door een minder welstaande met geld te bewegen hun plaats in te nemen).


[7] "Dat eigenlyk ben ik roomsch beviel me beter dan 't overweldigd ouderlingschap. 't Beduidde: ik heb zyn straatzaligheid niet noodig: Ik doe m'n geloof in de kerk. Ik hou m'n godsdienst by de mis. De pastoor zorgt voor de rest, en dus behoef ik me met die vreemdigheden niet optehouden."

Het is inderdaad een opvallend feit dat juist de Protestante geloven (want er zijn er vele, die het onderling vrijwel alleen eens zijn over het belang van de Bijbel en de slechtheid van de Paus) de bekrende geloven zijn, die proberen volgelingen te winnen door prediking.


[8] "  Hlas, est-ce une loi sur notre pauvre terre,
         Que toujours deux voisins entr'eux auront la guerre?
"

Kennelijk - en in tegenspraak met het gebod van Jezus "Heb uw naaste lief gelijk uzelve". Uit dit nu vrijwel 2000 jaar evidente feit kan afgeleid worden dat fwel Jezus niet de zoon van God was en maar wat verzon fwel dat het leerstuk van de erfzonde verder gaat dan de meeste gelovigen willen aannemen. (In dit verband zijn de schilderijen van wat mij wil verschijnen als Nederland's grootste schilder, Jeroen Bosch, zeer interessant en leerzaam.)


[9] "Daar steekt-i, so waar as chot, s'n tong teuche me-n-eut... km-ier, dief... ik sel je wel krche. 't Is de jonge-n-eut de chroentekelder, weetje... "

Uiteraard schreef M. dit zeer bewust op in verband met het versje waar ik onder [8] op inging.


[10] "Laat ons eindigen met het allervolmaaktste gebed! "

In de VW zijn wat brieven en commentaren opgenomen waaruit blijkt dat M.'s vertelling over de straatprediker Esser waarschijnlijk voor een deel verzonnen is. Esser schreef namelijk n.a.v. de publicatie van dit Idee een brief waarin hij beweerde niet gebeden te hebben in de open lucht, omdat dit bij de Nederlandse wet verboden was buiten een Godshuis.

Maar dit doet weinig of niets af aan M.'s fraaie parabel, die meer dan goed genoeg is als tekst voor een Monty Python pastiche.


[11] "Ik wil maar zeggen dat 't hoog tyd wordt de kostbare Woordenboeken, door 't uitloven van premin aan wien ze koopt, en 't adelen van wie er gebruik van maken, te popularizeeren. Niets vroooolyker dan 'n geketende taal..."

M. had kennelijk een flinke walging van Neerlandse "Woordenboeken" en hetzelfde geldt mij. Er was toen en is nog steeds eenvoudig geen behoorlijk Nederlands woordenboek, d.w.z. een redelijk uitgebreide alfabetisch geordende lijst van in het Nederlands gebruikte woorden met heldere definities, etymologien en gebruiksgeschiedenissen, dat ook maar enigszins in de schaduw kan staan van de goede buitenlandse woordenboeken als Littr, Duden of - het beste mij bekende woordenboek - de Shorter Oxford English Dictionary. (Wie hier nders over belieft te denken verzoek ik de proef te nemen. Kies 100 woorden en vergelijk hun definities etc. in Nederlandse woordenboeken met de vertaling van die woorden in goede buitenlandse woordenboeken. Een wereld van verschil zal u geopenbaard worden!)


[12] "Hier ziet men in welke fouten 'n geschiedschryver vervallen kan! In de nes is... amsterdamsch. De haagsche lezing heeft: op de denneweg. "

Hier leren we weer iets historisch: In de 19e eeuw waren dit de plaatsen van de respectievelijke Amsterdamse en Haagse hoerenbuurten. Beide straten bestaan nog steeds, maar omdat ik weinig bekend ben in Den Haag weet ik niet of de Haagse hoerenbuurt nog steeds rond de Denneweg ligt. De Amsterdamse hoerenbuurt ligt kennelijk al minstens 400 jaar op ongeveer dezelfde plaats.

 

Idee 703.