Idee 616.                                                 


Talma beweerde, en ik geloof ten-rechte, dat 'n artist - hy sprak uitsluitend van schouwspelers, artisten by uitnemendheid, naar myn inzien - zich niet mocht laten meeslepen door gevoel. ‘Dan was 't geen kunst meer’ zeid-i. Velen zullen deze uitspraak vreemd vinden, doch ik geloof haar te begrypen. 'n Vrouw die hevig schreit over den dood van 'r kind, en geen artiste is, zal de rol van treurende moeder minder goed vervullen, dan de kunstenares die... misschien haar kinderen te vondeling legde. [1] Ook deze heeft gevoel noodig, doch niet voor de zaak, 't onderwerp, de passie, die zy als artiste aanschouwelyk maakt, maar: voor de kunst die noodig is òm dat alles aanschouwelyk te maken. Deze stelling is te bewyzen, en bewysbaar. Stellen wy ons Rachel voor, Ristori Mlle Mars, of iemand van dàt gehalte als kunstenares. Deze dames... konden soupeeren, nadat ze gestorven waren als Ifigenia, Fedra, Judith, en al wat er vrouwelyks omkomt in de tragedie. Dit zou immers onmogelyk wezen indien zy de passie die ze vertoonen, werkelyk hadden ondergaan. [2] ‘Publiek’ zou wreed genoeg zyn dit te vergen, en gewis meer geld bieden voor 't lui genot van smart-zien, dan voor de inspanning- en oordeel-vorderende bezigheid der kunstwaardeering. Toen ik 'n knaapje was, slachtte men te Amsterdam de varkens op den publieken weg... dàt lokte jeugd! [3]

Noot van 1876. Om 't verschil tusschen Kunstenaarsgevoel en gevoel in gewonen zin, nog duidelijker te doen in 't oog vallen, geef ik hier 'n paar voorbeelden, waarby wel-is-waar niet zoozeer van Kunst als van Wetenschap de rede is, doch die zeer gemakkelyk overtebrengen zyn op 't onderwerp dat ons hier bezig houdt. In zekeren roman van Cooper wordt 'n militaire dokter ten-tooneele gevoerd, die by 't behandelen van gekwetste vyanden, in woede opstuift tegen de dragonders van z'n regiment, omdat de geslagen- of geschoten wonden niet gecompliceerd genoeg waren uit 'n oogpunt van chirurgie. De man was verliefd op ‘interessante gevallen.’ Sloot dit volstrekt alle medelyden met de patienten uit? Ik weet het niet, maar zéker wordt by zóó'n aanhanger van Kunst of Wetenschap, de liefde voor 't ‘vak’ hoofdzaak. Dat het hier gekozen voorbeeld aan 'n roman ontleend is, doet niet ter-zake, daar 't inderdaad typisch, en ieder in-staat is zich tegenhangers uit bet werkelyk leven voor den geest te halen.
'n Ander voorbeeld levert ons 't werk van den Engelschman Wallace, dat in de hollandsche vertaling van Prof. Veth den titel ‘Insulinde’ draagt. [4] Die Wallace, hoewel nu-en-dan beunhazende op algemeen-natuurkundig en zelfs politiek terrein, is hoofdzakelyk entomoloog. Ziehier hoe hy, na 't vangen van zekere kapel van 'n byzondere soort, z'n aandoeningen beschryft:
 
Slechts een broeder-verzamelaar kan zich een denkbeeld maken van de opgewondenheid waarin ik verkeerde, als (zegge: toen) ik het ten laatste machtig werd. Toen ik het uit mijn net nam en de heerlijke vleugels ogende, begon mijn hart hevig te kloppen, het bloed steeg mij plotseling naar het hoofd en ik gevoelde mij veel nader aan een bezwijming dan ik gedaan had in dadelijk doodsgevaar. Ik leed het overige van den dag aan hoofdpijn, zoo groot was de spanning geweest.’
 
Wanneer men nu hierby bedenkt dat diezelfde man, gedurende z'n reis in Insulinde, twintigduizend torren en kapellen met spelden vastnagelde op stukken kurk, dat-i drieduizend vogels ombracht of ten-zynen-behoeve deed ombrengen (zie de voorrede van z'n werk) dan heeft men den juisten maatstaf van 't verschil tusschen gevoel in gewonen zin en gevoel voor Wetenschap of Kunst. Men mag verder gaan, en beweren dat er niet alleen verschil bestaat, maar zelfs tegenstelling. Juist de liefde voor Wetenschap bracht in 't hier bedoeld geval zekere òngevoeligheid te-weeg voor de wezentjes die aan de Wetenschap moesten opgeofferd worden. Men bedenke wel dat deze opmerking geen aanmerking is. Ik roer hier de moreele zyde van de zaak niet aan, en lever maar 'n psycholochische bydrage.


[1] "Talma beweerde, en ik geloof ten-rechte, dat 'n artist - hy sprak uitsluitend van schouwspelers, artisten by uitnemendheid, naar myn inzien - zich niet mocht laten meeslepen door gevoel. ‘Dan was 't geen kunst meer’ zeid-i. Velen zullen deze uitspraak vreemd vinden, doch ik geloof haar te begrypen. 'n Vrouw die hevig schreit over den dood van 'r kind, en geen artiste is, zal de rol van treurende moeder minder goed vervullen, dan de kunstenares die... misschien haar kinderen te vondeling legde."

Talma was een Frans toneelspeler die rond 1800 leefde en o.a. Napoleon onderwees hoe zich te gedragen bij z'n kroning tot keizer. M. zegt hier wat meer over in 1180. 't Was dus iemand die een zeker recht van spreken had over toneelspelen, en z'n opmerking ligt nogal voor de hand.

Toch waren er in de 20ste eeuw hele scholen voor en van acteurs - Stanislavsky, method acting, in Nederland het Werktheater - die iets als het tegendeel beweerden: Juist door zich te verplaatsen in het te spelen karakter zou men goed leren acteren.

Hier ligt feitelijk een heel diep thema verborgen - namelijk over het toneelspelen dat het fundament is van menszijn: "No man is as much himself as when playing a part." William Hazlitt. Dit maatschappelijk toneelspelen is tot op zekere hoogte noodzaak, was het alleen om te verhinderen dat de leden van een groep elkaar uitmoorden uit wederszijdse irritatie. Er moet dus - uit beleefdheid, wellevendheid, eigenbelang, voor 't behoud van de maatschappelijke vrede - gehuicheld worden tot op zekere hoogte, want het maatschappelijk bestaan is een spel, dat verdient toneelspel te heten. (Zie Johan Huizinga's "Homo Ludens" - "De spelende mens"; Ervin Goffmann: "The presentation of self in ordinary society" en Eric Berne: "Games People Play", voor resp. een geschiedkundig, sociologisch en psychiatrisch perspectief op het onderwerp van de rollen-spelende mens.)

Maar voordat ik me tot dit deel van m'n onderwerp wend - zie 593 voor een verwant commentaar, ook in verband met 74, en 618 voor een verdieping van m'n thema - is het nuttig een paar dingen op te merken over Multatuli's ideen over toneelspel en toneelspelers, dat ik zal doen in mijn commentaren op de volgende ideen.

Op deze plaats beperk ik me tot "schouwspelers, artisten by uitnemendheid, naar myn inzien". Ikzelf geloof dat niet, was het alleen omdat het kunstje me niet zo bijzonder voorkomt en geen bijzonder talent lijkt te vergen. Wat een acteur of actrice goed maakt is een combinatie van een aantrekkelijk of bijzonder uiterlijk, een goed geheugen, en een behoorlijke intellectuele souplesse. Deze combinatie van eigenschappen is noch zeer gebruikelijk noch zeer zeldzaam, en naar mijn smaak en inschatting veel minder zeldzaam dan werkelijk goed kunnen schilderen.

Bovendien lijkt toneelspelen me geen talent als tekenen, componeren, wiskunde of schaken, waarin zeer grote verschillen bestaan tussen daarin hoogbegaafden en normaal begaafden.


[2] "Stellen wy ons Rachel voor, Ristori Mlle Mars, of iemand van dàt gehalte als kunstenares. Deze dames... konden soupeeren, nadat ze gestorven waren als Ifigenia, Fedra, Judith, en al wat er vrouwelyks omkomt in de tragedie. Dit zou immers onmogelyk wezen indien zy de passie die ze vertoonen, werkelyk hadden ondergaan."

Ongetwijfeld - maar aan de andere kant moet een mens iets begrijpen van de gevoelens en gedachten die bij een rol hoort om deze rol geloofwaardig te kunnen nabootsen. Zowel het doen alsof als het werkelijk doorleven behoren tot iedere rol.

En de lezer behoort hier op te merken dat ik het woord "rol" hier uitdrukkelijk in twee verwante betekenissen gebruik, dat als volgt geïlustreerd kan worden: Een échte koning speelt een échte maatschappelijke rol, waarbij veel huichelen, doen-alsof, poseren, liegen etc. bij komt kijken om een enigermate geslaagde koning te kunnen zijn. En een échte acteur die een koning op toneel zet speelt een échte toneelrol, waarbij opnieuw veel huichelen, doen-alsof, poseren en liegen bij hoort. Het verschil tussen de twee koningen - de échte en de op het toneel voorgestelde - is dat de eerste een rol speelt als koning in de maatschappij, waartoe veel taken behoren, en de tweede een rol speelt op toneel als acteur, waartoe o.a. behoort het geloofwaardig kunnen voorstellen van een koning.

Daarbij: In al wat menselijk is gaan spel en werkelijkheid voortdurend in elkaar over en overlappen elkaar altijd, behalve in zeer extreme situaties, gewoonlijk van grote pijn, smart of woede. Al het overige maatschappelijk doen en laten van mensen tegen elkaar bestaat uit vele lagen spel en werkelijkheid door elkaar, met elkaar vermengd, en elkaar afwisselen, gedeeltelijk maar niet geheel volgens het bewustzijn van de acteurs meer of minder serieus, met voorbehoud, pretentieus, plagend, of eerlijk te zijn.

Voor meer over rollen zie o.a. 1112 en 1211.


[3] "Toen ik 'n knaapje was, slachtte men te Amsterdam de varkens op den publieken weg... dàt lokte jeugd!"

Weer een kleine bijdrage over de geschiedenis van Amsterdam - dat kennelijk in tal van opzichten nogal dorps en landelijk was tot ver in de 19e eeuw.


[4] "'n Ander voorbeeld levert ons 't werk van den Engelschman Wallace, dat in de hollandsche vertaling van Prof. Veth den titel ‘Insulinde’ draagt."

Zie 227a en 289a.

Idee 616.