Idee 538.                                                 


Ik had onlangs een ontmoeting, waaruit ik veel geleerd heb omtrent de wyze hoe Publiek moet worden aangesproken. [1] In een kleinen schouwburg vermaakte een gezelschap zich met schimpen op de artisten. Ik kon niet alles verstaan wat ze zeiden, maar 't gelach en gesis vulde de beteekenis aan van de onverstane woorden. Die heeren waren niet tevreden met de acteurs en actrices.

Bitter gestemd - dit ben ik altyd, als ik veel Nederlanders byeen zie [2] - zette ik my tot het bestudeeren van 't gezelschap dat zich zoo vermaakte met spottende ontevredenheid. Die luî zagen er welvarend uit, en ik geloof waarlyk dat ze nog geld overhanden na 't betalen van den zeer lagen entreeprys. Ik ben gewoon, Publiek voor my te laten pozeeren als model van iets leelyks, en koos nu dat kleine deel van Publiek tot onderwerp myner opmerkzaamheid. Op de vertooners en zangers behoefde ik ditmaal niet te letten. Ik kende hunne krachten, en waardeerde die, vooral in-verband met de weinige pretentie, uitgedrukt in den lagen prys der plaatsen. Bovendien, men weet dat ik liever den karper bekyk, dan te luisteren naar verhandelingen òver den karper. [3]

Een kleine jongen die de zoon was van de actrice welker spel, stem, houding en toilet het meest stof schenen te geven aan de geestigheden myner modellen, moest het aanhooren hoe men z'n moeder beschimpte. Gewoonlyk speelde hy mee in 't orkest, maar-i was ditmaal - gedurende de voorstelling van een stukje zonder muziek, vry van dienst - naast my komen zitten op de voorste bank, achter zyn gewone plaats by de muzikanten.

- Hè, m'nheer, wat schimpen ze daar achter ons!

- Ja, m'n jongen, dat heb ik ook gehoord, en 't zit me tot hier...

Ik wees op m'n keel.

Nu volgt er een relaas van wat ik niet deed, maar wat ik gedaan zou hebben, in den tyd toen ik Publiek minder goed kende dan nu. Ja, vroeger zou ik gezegd hebben:

- Heeren, zwygt! Dat kind daar is de zoon der artiste die ge bespot...

Zoo'n speech zou 'n beroep geweest zyn op het gevoel, en dus niet gedeugd hebben.

Of ik had billykheid, recht, kunstgevoel, fatsoen, kieschheid, kunnen inroepen. Ja, ik had aldus kunnen spreken:

- Wie zyt gy, heeren, die u 't recht aanmatigt te spotten met een vrouw die talent heeft? Dat heeft ze, ik zeg 't u, als ge dan te weinig kunstkennis bezit om 't zelf te zien. Wie zyt gy, die u veroorlooft te schimpen op 'n moeder, ten-aanhoore van haar kind? Die vrouw is achtenswaardig, althans ge hebt geen reden haar te houden voor 't tegendeel. En al ware dit anders, waar kocht ge 't recht haar te hinderen in haar moeielyk beroep? My en anderen te storen in 't genieten van hare kunst? Wie zyt ge? Zeker heet ge Pietersen, Jansen, of Kappelman. By welk leger staan die namen geboekt als maarschalk, als luitenant, of zelfs als korporaal! Wie gaf u aanstelling tot kritiek met spot? Welk kruid vondt ge uit? Welken adel bezit gy? Welken kruistocht maaktet ge meê? Welke Tweede-Kamer hebt ge uit-elkaer gejaagd? Welken knoei-minister afgezet? Welk bedorven Volk genezen? Welke planeet ontdekt? Welken Koning wakker gemaakt? Komäan heeren, erkent dat niets u recht gaf, uzelf 'n aanstelling te geven tot censoren. Erkent dat die vrouw - al speelde zy niet zoo goed als ze doet - in-allen-geval meer beduidt dan gy, gy die niets kunt. [4]

Ze is niet ‘mooi’ zegt ge. Eilieve, ik vind haar zeer bevallig. Maar mooi? Denkt ge dat gy ‘mooi’ zyt, heeren? Ik vind u zeer leelyk, vervloekt leelyk. Uw geheel uiterlyk kenschetst plompe domme zelfbehagende ploertery. En nu staat ge nog niet eens op de planken, daar achter 't helle voetlicht. Ge moest uzelf eens dáár zien, waarlyk de lust zou u vergaan de aandacht te trekken op ‘mooiheid.’ Ge zoudt erkennen dat gy 't recht niet hadt...

- Het recht... het recht... wy betaalden...

- Tien stuivers, ja. Die hebt ge betaald voor 't recht tot binnengaan, voor 't recht om hier te zitten, te zien en te hooren. En zelfs stond het u vry, 't spel niet ‘mooi’ te vinden, en u voortenemen nooit terug te komen. Maar spot? Hebt ge er ooit aan gedacht, wat er noodig is om zich te vormen tot zelfs maar 'n zeer middelmatig schouwspeler? Wist ge 't, welke moeielyke aanhoudende studie er vereischt wordt - van uitmunten spreek ik niet - om niet belachelyk te zyn op het tooneel? Meent ge dat het zoo gemakkelyk is, goed te staan, goed te loopen, goed te zitten, goed te luisteren vooräl? En nu sprak ik nog niet van de menschkunde die vereischt wordt om menschen voortestellen. Ik zie 't u aan, dat gy effectenluî zyt - alleen makkelyk gewonnen geld geeft de onbeschaamdheid die u opblaast - welnu, meent ge, dat het verplaatsen in den zieletoestand van Ophelia, van Maria Stuart, van Phedra of Judith, zoo eenvoudig is, en zoo ligt geleerd wordt, als 't schacheren met integralen, of 't speculeeren in amerikanen? Kom aan, heeren, schaamt u, en leert eens een versje van buiten, en zegt dat eens op, en draait niet aan den knoop van uw jas, en zet de voeten naar buiten, en stottert niet... en als ge dan geleerd hebt u te verplaatsen in Jantje's toestand by 't zien van ‘zooveel pruimen’ of in de positie van 't zonderling kind dat met z'n zusje ‘zoo graag naar Jezus woû’, komt dan eens terug, en vraag als 'n groote gunst om gebruikt te worden by 't opsteken van de lampen. Misschien is er ook tegen dien tyd een plaatsjen open, als aspirantsouffleur...

Zoo zou ik hebben kunnen spreken, en zekerlyk had dan m'n aangesproken deel van Publiek geantwoord: wat praat je aardig, spreek nog wat, schryf nog wat, wy geven u zooveel voor 't vel...

Welnu, ik heb dat alles niet gezegd. Ik heb dien heeren doodeenvoudig oorvegen gegeven. En... 't hielp! [5] Ze schimpten niet meer. Gevoel en begrip schynen by Publiek te zetelen op de linkerwang. Is dat niet 'n kostelyke ontdekking? Ik weet niet wat eenvoudiger schoon is... dit, of m'n nieuw bewys voor 't theorema van Pythagoras? [6]

Myn modellen schynen zeer tevreden geweest te zyn met die nieuwe manier van bewysvoeren. Althans, hoe dringend ik hen ook uitnoodigde my te komen opzoeken tot het bekomen van nadere toelichting, ik heb niets van hen vernomen, noch rechtstreeks, noch indirect, schoon er sedert myne zoo goed geslaagde proefneming, reeds weken zyn voorbygegaan.  #  

#  Zeer lang daarna - maanden, geloof ik - werd ik voor 't Gerecht geroepen. Ik verscheen stipt op 't bepaald uur. Men liet me wachten, wachten... langer dan me schikte. Ik vertrok dus, en liet den heeren zeggen, dat ik geen vryheid had zoo ruw omtegaan met m'n tyd. Ik werd by-verstek veroordeeld tot boete en gevangenis. [7]
Dat ‘verstek’ was onjuist: ik was op m'n tyd daar geweest. Maar 't vonnis kwam me billyk voor. De rechtbank kon het niet helpen, dat de geoorveegde heeren zoo'n... burgerlyken weg insloegen om satisfactie te bekomen, of wat daarvoor zou moeten doorgaan.
Dat ik die boete niet betaald heb, doet me genoegen. Ik had, in die dagen vooral, zeer weinig geld, en weet bovendien niet recht, waar zulke genoegdoeningen aan de publieke zedelykheid, eigenlyk belanden. Maar wel doet het me leed - geen scherts! - door 'n zonderlingen samenloop van omstandigheden, niet in de gelegenheid geweest te zyn, gebruik te maken van de gevangenis. Nog-eens, dit is geen jokkerny. Eene eenzame opsluiting komt me, in zekere stemmingen (Zie Minnebrieven; blz. 47: uitg. 1865) alleraangenaamst voor, en ik had gaarne eenige opmerkingen verzameld over de wyze van behandeling der gevangenen. Maar 't kon ditmaal niet. Uitzichten, die helaas in rook opgingen, doch die ik toen reden had voor gegrond te houden, vorderden myne krachten op geheel ander terrein. (1872)


[1] "Ik had onlangs een ontmoeting, waaruit ik veel geleerd heb omtrent de wyze hoe Publiek moet worden aangesproken."

In de nu volgende geschiedenis probeert M. het beste te maken van een fout veroorzaakt door z'n drift en z'n bitterheid over de reacties van het Nederlands Publiek.


[2] "Bitter gestemd - dit ben ik altyd, als ik veel Nederlanders byeen zie"

Uitlatingen als deze werden M. nog meer dan een eeuw later boos nagedragen door Neerlanders, die het zelfs niet kunnen velen dat iemand niet goed gestemd wordt door hun aanzien.


[3] "Bovendien, men weet dat ik liever den karper bekyk, dan te luisteren naar verhandelingen òver den karper. "

Zie idee 251.


[4] "Erkent dat die vrouw - al speelde zy niet zoo goed als ze doet - in-allen-geval meer beduidt dan gy, gy die niets kunt."

M. meende dit: Uitvoerende kunstenaars zijn beter dan - het gemiddelde van - hun publiek. (Zie bijv. 524.)

Maar er ligt hier een diep thema verborgen, waar M. niet op in gaat: Het is minstens tamelijk opmerkelijk dat de leden van een maatschappij van poseurs, rollenspelers en huichelaars - dat is immers het fundament van maatschappelijk zijn voor mensen: Meeliegen en meehuichelen met de meute, is het niet uit domheid dan wel uit eigenbelang - genot ontleent aan het aanschouwen van toneelspelers, en gedurende het spel bovendien een zekere mate van geloof aan hun voorstellingen.

Dit zegt veel over mensen, maar het voert te ver dit hier uit te diepen, afgezien van een verwijzing naar het fraaie gezegde van William Hazlitt: "No man is more himself than when playing a part." (Maar zie 618, bijv.)


[5] "Welnu, ik heb dat alles niet gezegd. Ik heb dien heeren doodeenvoudig oorvegen gegeven. En... 't hielp!"

Dat was niet verstandig hoewel begrijpelijk. Het resultaat was nogal ingrijpend: Hierna woonde M. niet meer in Nederland (al werd het tegen hem uitgesproken vonnis enkele jaren later ongedaan gemaakt) maar overwegend in Duitsland, afgezien van enige tijd in Den Haag. Het vonnis was niet de enige reden - bitterheid bij het aanzien van Nederlanders in verzameling en schuldeisers waren twee andere - maar wel de direkte aanleiding voor Multatuli om op dat moment uit Nederland te vertrekken. Tijdens zijn verblijf in Duitsland keerde feitelijk vrijwel alleen terug voor lezingen, om geld te verdienen, en in verband met de uitvoering van zijn toneelstuk "Vorstenschool".

Mijzelf lijkt het kenmerkend voor Nederland en hoe Nederlanders met talent om gaan dat wie werkelijk wat voorstelt in schrijvend of denkend opzicht en Nederlander is zich vrijwel altijd vroeger of later gedwongen voelt Nederland te verlaten. (Drie voorbeelden uit de 20ste eeuw: W.F. Hermans, G. Komrij, H. Brandt Corstius - en zonder overigens deze drie "gelijkwaardig" te verklaren aan Multatuli.)

Wie weinig voorstelt en goed kan meeliegen wordt spoedig prominent, rijk, bekend en machtig in het paradijs voor intellectuele en morele pygmeeën dat M. beschreef.


[6] "Ik weet niet wat eenvoudiger schoon is... dit, of m'n nieuw bewys voor 't theorema van Pythagoras?"

Zie idee 529.


[7] "Zeer lang daarna - maanden, geloof ik - werd ik voor 't Gerecht geroepen. Ik verscheen stipt op 't bepaald uur. Men liet me wachten, wachten... langer dan me schikte. Ik vertrok dus, en liet den heeren zeggen, dat ik geen vryheid had zoo ruw omtegaan met m'n tyd. Ik werd by-verstek veroordeeld tot boete en gevangenis."

Zie [5]. E.e.a. is grondig gedocumenteerd in de VW.

Idee 538.