Idee 534.                                                 


Ik wil dat er een sprekend voorbeeld van dien angst bewaard blyve. In October des vorigen jaars had ik, by de openbare zitting van het Internationaal Congres, my laten inschryven als redenaar over de vraag: ‘Welken invloed de staathuishoudkunde had uitgeoefend, en moest uitoefenen, op het bestuur van koloniën?

Ik houd niet van congressen. (5, 6, 8, 9) En ik houd niet van redevoeringen. Het aanhooren van de speeches die gehouden waren, zoo in de sectiën als in de generale byeenkomsten, versterkte myn tegenzin. Ik had dan ook niet zoozeer 't woord gevraagd om iets te betoogen of te bewyzen, als om Nederland openlyk in staat van beschuldiging te stellen tegenover de vreemdelingen. [1] Dit zal ik weer doen zoodra 't my gelegen komt, en wie meenen mocht dat ik hier zondig tegen 't gevoel van nationaliteit, bedenke dat schelmachtige Nederlanders myn landgenooten niet zyn, en dat ik behoor tot de groote natie: Menschheid. [2] Bovendien, lang genoeg heb ik den Nederlanders gelegenheid gegeven, hun eer te redden. Nooit scheen 't hun de moeite waard zich daarover te bekommeren. 't Zou dus zonderling wezen, 't schandvlekken eener bedorven Natie tot misdaad te maken in my die juist my opofferde voor de eer van dat Volk. En nog zonderlinger is 't, die beschuldiging te hooren uiten door lieden die zich onbeschaamd vetmestten aan de schande die ik, ten-koste van al wat ik bezat, voorkomen wilde.  *  

Ikzelf herinner me slechts zeer onvolkomen, wat ik op dat Congres gezegd heb. Myn eenig voornemen by 't bestygen der tribune, was den congresleden meetedeelen dat Nederland een roofstaat is, en zich wat z'n koloniën betrof, met staathuishoudkunde al zoo weinig bemoeit als de Dey van Algiers vóór 1830. Doch wel herinner ik my, dat myn woorden een storm te-weeg brachten, en dat ik telkens werd gestoord door gemor en gejuich. Gemor van de Hollanders die gaarne meêzuigen aan ‘den afgestroopten tepel van de Insulindsche koe’ maar boos worden als men hun in tegenwoordigheid van vreemden dat zuigen verwyt. Gejuich van de vreemdelingen, die er schik in hadden, de gemeene kramery van 'n troep gewapende épiciers tentoon-gesteld te zien in 't paleis van hun Koning. Hoe dit zy, er was veel beweging. Ik durf verklaren dat die dag de meest levendige dag was van 't Congres, en dat myn acte van beschuldiging het saillante punt uitmaakte der geschiedenis van dien dag. [3]

Tot bewys haal ik hier een paar uittreksels aan, uit de verslagen van buitenlandsche couranten. Buitenlandsche, ja. Want de hollandsche verknoeiden de verslagen op jammerlyke manier. Behouders zeiden dat ik de schuld wierp op liberalen. Deze beweerden dat ik 't bederf van Indië op rekening stelde van de behouders. Ze hadden gelyk van weerszy, als de Ambonsche pleiters in de Minnebrieven. Doch die treffende eenstemmigheid in 't overkaatsen van schuld, maakt de hollandsche krantenschryvery niet geschikter tot vraagbaak voor wie weten wil hoe 't eigenlyk toeging op dat Congres? Ziehier wat de Brusselsche Office de Publicité zeide over de zitting van dien dag.

‘Les Hollandais n'ont pas toujours été froids au congrès, et avec leurs hôtes. Un jour, c'était je crois le samedi, on toucha au régime colonial, et on parla de l'Algérie et de Java. L'ironie de l'orateur français qui critiquait le régime appliqué à l'Algérie, les amusa, mais lorsqu'un de leurs compatriotes, nature passionnée, ardente, pleine d'ascétisme, vint avec une éloquence toute de flamme, et une indignation redoutable, accuser là son pays devant l'Europe, et demander justice pour les Javanais, leur orgueil offensé éclata, et mille cris interrompirent l'orateur, qui pâle, immobile, ne se laissa pas troubler par l'universelle clameur. Les Hollandais ne sont pas éloignés de croire qu'il a plus d'exaltation qu'il ne faut,  *   mais j'entendais dire autour de moi qu'il a du génie, et que le livre que, sous le nom de Multatuli, il a publié sur la colonie de Java, est d'une grande puissance d'idées et de style. Il nous a fait voir en cette occasion que le flegme des Hollandais est semblable à la philosophie de Figaro, imperturbable lorsqu'il s'agit d'autrui. On les a vus avec plaisir s'animer, s'exalter, et démentir d'un coup tout le mystèr de leur gravité. Après tout, on connaît l'histoire politique des Provinces-Unies, et ce n'est pas un peuple sans passion que celui qui a accompli la réforme, assassiné De Witt, et décapité Barneveld.’  [4]

Tot dusverre de Office de Publicité. De Indépendance belge relateerde den indruk myner beschuldiging als volgt:

‘Tel est en résumé le discours de Mr. Van Soest. Il avait eu des passages énergiques. Ce n'était que l'avant-coureur d'une des plus vives sorties que nous ayons jamais entendues dans les assemblées publiques, sortie qu'allait faire Mr. Douwes Dekker.

Mr. Douwes Dekker a été à Java. Il en est revenu profondément impressionné de la position faite aux Javanais. Son coeur, un coeur viril, saigne encore au souvenir de ce qu'il a vu. Il veut la réforme. Il l'a promise à ceux au nom de qu'il parle. Il l'a demandeé au peuple au gouvernement, au roi. Sa réclamation a des accents amers et fiévreux; sa voix tonne; le reproche qu'il accentue, déchire: c'est un terrible orateur. [5] Quel tableau il nous a fait de la misère des Javanais, et de l'indifférence du gouvernement! Que nous étions loin du flegme hollandais, et que de passions cette âpre parole excitait dans l'auditoire.

Cela a été si loin que, son discours fini, un des membres du congrès, Mr. Dumonceau, a demandé que quelqu'un présentât la défense du gouvernement.’

In 't voorbygaan stip ik aan, dat niemand die verdediging heeft op zich genomen. De Heer Rochussen die aan de beurt lag om na my te spreken, heeft niet geantwoord op myn beschuldigingen, en had zich dit ook niet tot taak gesteld.  *   Een referendaris uit den Haag vraagde 't woord, en stelde voor, stamelend van drift, de door my geopperde grieven... te onderzoeken. Nu, dit wordt tyd, vind ik. En ook het Congres vond dat die tyd al lang voorby was. Doch dit alles is hier nu de vraag niet: ik wilde een afdoend bewys geven van de vrees om my te noemen. Ik heb, naar ik meen, aangetoond dat myn toespraak indruk had gemaakt, en dit is voorloopig genoeg om myn stelling te betoogen, als ik nu hierby voeg: dat in 't Haagsch-Indisch tydschrift van December 1864, by de behandeling dierzelfde zitting, myn naam niet genoemd wordt!

Weêr geef ik de keus tusschen eerbied en vrees in 't bepalen der oorzaak van zulke leemte. Nog-eens, is 't vreemd dat ik hoogmoedig ben? [6] Ligt het niet in de rede dat ik droom van Behemotten, by zoo'n Sinaïtische vereering? Waarachtig, zóó worden de goden gemaakt?

 *  Dat begrip van nationaliteit wordt in ons landje zonderling opgevat. Zeker tydschrift prees den heer Van Hoëvell, omdat hy de duitsche vertaling van z'n Slaven en Vryen, een woordje had meêgegeven, waarin hy verklaarde dat er sedert het schryven van dat boek zooveel verbeterd was. En... ‘dat had Multatuli ook moeten doen, by de Engelsche vertaling van den ‘Havelaar!
Die eisch was zonderling. Er is hoegenaamd niets verbeterd. Er is op geen enkele grief achtgeslagen. Er is géén recht gedaan. Men heeft integendeel de kwaal waarover ik klaagde, bestendigd door tégen my, party te trekken voor Duymaer van Twist die 't knevelen van den Javaan in bescherming nam. En dan zou ik, die nu sedert zooveel jaren te-vergeefs aandring op recht, den vreemdeling moeten vertellen dat er iets verbeterd was! Wàt is verbeterd? Wat kàn er verbeterd zyn, na de wyze waarop myne pogingen door de laaghartigheid van 't Nederlandsche Volk verydeld werden? Meent men dat het onrecht in Indië Recht geworden is, omdat men in de Kamer zich heeft bezig gehouden met
Duitenplaatjes?
Vryen-Arbeid?
Consignatie?
Kadaster?
Agrarische Wet?
Hervorming van 't bestuur in de Preanger?
Zoolang men niet met oprechtheid den kanker die ons teistert, by den naam durft noemen, is er aan geen genezing te denken. [7] Ik zou dus een leugenaar zyn, als ik verklaarde dat er iets verbeterd was. Wat de heer van Hoëvell aan het Duitsch Publiek heeft gelieven te vertellen, moge hyzelf verantwoorden. Is dit misschien de verbetering waarop hy doelt, dat hy Staatsraad geworden is? (1872)

 *  Ik kan me levendig voorstellen hoe de fransche verslaggever met zoo'n praatje van ‘overdryving’ is afgescheept. Dit is de gewone uitvlucht van menschen die, tot brutale ontkenning te beschroomd, niet genoeg eerlykheid bezitten om rondborstig toetestemmen. Datzelfde soort van volk heeft, blykens 'n paar der volgende regels, tegenover den vreemdeling nog gebluft op myn ‘genie’ en op de ‘mooiheid’ van den Havelaar!
Ik heb nooit iets overdreven. Ik streef naar waarheid, en openbaar wat ik meen gevonden te hebben. Hieruit vloeit dan ook de onverbrekelyke harmonie voort, tusschen alles wat ik publiceer, en die ook by de behandeling der schynbaar meest uiteenloopende onderwerpen bewaard blyft. Voelt men niet, dat onwaarheid - overdryving is onwaarheid! - My m'n zoogenaamd talent kosten zou, dat alleen bestaat in een zeer zorgvuldig en vaak afmattend pogen om duidelyk voor testellen wat is, al geschiedt dit dan soms tot vervelens toe?
En ook zy die voor artistieke of aesthetische gronden niet vatbaar zyn, konden weten dat ik - naar myn beste weten altoos (
18) - de waarheid zeg. [8] Het getal dergenen die ik aantast, is legio. Zy allen hebben er belang by, mynen invloed te verlammen. En hoe zou dit beter kunnen geschieden - waarachtig, dat won de moeite van 't lasteren uit! - dan door my te overtuigen van leugen?
Dit nu is nooit geschied, en zelfs niet dan by uitzondering beproefd. Nooit is een door my als feit voorgestelde zaak onwaar gemaakt.
[9] Wie anders meent, vertoone zich en spreke!
De ‘Oud-officier van het Indische Leger’ die eenmaal in den N. Rotterdammer beweerd had, dat ik in m'n Nog-eens Vrye-Arbeid op blz. 28, ten-onrechte Van Twist beschuldigde, de infamie der werving voor 't Indisch Leger weder te hebben ingevoerd, zweeg en zwygt na m'n repliek, gelyk Van Twist zelf, als 'n betrapte dief. De loyauteit had toch gevorderd, naar ik meen, dat die ‘Oud-Officier’ na my openlyk eene onwaarheid te hebben ten-laste gelegd, vergiffenis had gevraagd voor z'n onbekookte beschuldiging, nadat ik my de moeite gaf aantetoonen dat hy zich vergiste.
Wat het werven van inlandsche soldaten aangaat, ik heb slechts een deel, en wel 'n zeer accessoir deel intetrekken van de tegen Van Twist ingebrachte beschuldiging, namelyk: de hem al te goedig toegekende verlichtende omstandigheid van onkunde. Er blykt, juist uit het geschryf van den ‘Oud-Officier’ dat de vrome Landvoogd wist dat de wyze van werving der inlandsche soldaten op Java ‘den toets der zedelykheid niet kon doorstaan.’ Dit zyn zyne woorden. In-weerwil daarvan heeft hyzelf die wyze van werving weder ingevoerd, en wel - zeer karakteristiek! - by geheim besluit, nadat hy in een publiek stuk met de deugdzaamdächtige afschaffing gepronkt had! Ik sommeer hem, dit te ontkennen.
Als 'n bydrage ter beoordeeling onzer Volksvertegenwoordiging, diene dat er noch in de Tweede-Kamer, noch in de Eerste, opheldering over dit onderwerp gevraagd is, waaruit men zou mogen besluiten dat die beide Collegiën - om met den braven Van Twist te spreken - ‘den toets der zedelykheid niet kunnen doorstaan.’ (1872)

 *  Den dag voor de zitting van 't Congres, bracht de heer Rochussen my een bezoek, en by die gelegenheid werd er tusschen ons vastgesteld, welke punten we zouden behandelen. Ik zoude myne grieven van algemeenen aard aanroeren, waarby ik als punt van uitgang den Havelaar koos, en hy nam zich voor, een financiëel verslag te leveren, wat-i dan ook gedaan heeft. Er was dus geen kwestie van debat tusschen dien oud-Gouverneur-generaal, en my. Integendeel! Van alle hooggeplaatste personen, was de heer Rochussen de eenige, die inderdaad hart had voor de Havelaarszaak. [10] Ware hy slechts een tiental jaren jonger geweest! Met tranen in de oogen heeft-i my meermalen gezegd: ‘Och, als ik dat alles vroeger geweten had! Maar 'n gouverneur-generaal wordt altyd bedrogen!
Dit is zeker, indien de Havelaars-geschiedenis onder hèm ware voorgevallen, in-plaats van onder den dorren ouwerwetschen styven Van Twist, die niets begreep dan wat-i gister en verleden week ook gezien had... waarlyk, er zou recht gedaan zyn, en de crisis die Indië dreigt, ware tydig afgewend!
De heer Rochussen had veel hart, en was inderdaad liberaal. Zelfs in z'n fouten lag soms iets beminnelyks, en menschelyk waren ze altyd. Dit is zeker meer, dan men zou mogen zeggen van den vromen Van Twist, die heel in 't geheim, dezelfde zielverkoopery tot stelsel verhief, welke hy in 't openbaar ‘als strydig met de zedelykheid’ had afgeschaft. Toch is die man een steunpilaar van 't liberalismus, en de heer Rochussen moet voor 'n achterlyke behouder doorgaan! Waarlyk, dat party-geknoei maakt de lieden idioot! (1872)


[1] "Ik had dan ook niet zoozeer 't woord gevraagd om iets te betoogen of te bewyzen, als om Nederland openlyk in staat van beschuldiging te stellen tegenover de vreemdelingen."

Ongetwijfeld waar, en zie voor de tekst van M.'s redevoering (in 't Frans) het volgende Idee.


[2] "Dit zal ik weer doen zoodra 't my gelegen komt, en wie meenen mocht dat ik hier zondig tegen 't gevoel van nationaliteit, bedenke dat schelmachtige Nederlanders myn landgenooten niet zyn, en dat ik behoor tot de groote natie: Menschheid. "

Hier ligt een fundamenteel verschil tussen M. en de zeer grote meerderheid van gewone(r) mensen, waarop ikzelf in ga onder 74 en 423, en dat ook als zó uitgedrukt kan worden:

Er zijn maar héél weinig mensen die hun werkelijke morele begrippen ontlenen aan zichzelf, en niet aan hun groep of voorgangers. Voor de zeer grote meerderheid is "goed" wat Onze Groepsbelangen dient of Onze Leiders behaagt, en "kwaad" alles wat daartegenin gaat. Doorsnee mensen zijn hebben een totalitaire inborst, ook als ze voorgeven "tolerant" of "democraat" te zijn.


[3] "Ik durf verklaren dat die dag de meest levendige dag was van 't Congres, en dat myn acte van beschuldiging het saillante punt uitmaakte der geschiedenis van dien dag."

Zie het volgende Idee.


[4] "Après tout, on connaît l'histoire politique des Provinces-Unies, et ce n'est pas un peuple sans passion que celui qui a accompli la réforme, assassiné De Witt, et décapité Barneveld."

Het mag zijn dat anno 1864 in België "on connaît l'histoire politique des Provinces-Unies" maar anno 2002 heb ik honderdvoudig herhaald gehoord, uit talloos veel monden van politici en journalisten, allen ongetwijfeld geleerd en niet bescheiden, dat de moord op Pim Fortuyn ... "de eerste politieke moord" zou zijn "in de Nederlandse geschiedenis" of "sinds Willem de Zwijger". Al die politici en journalisten hebben ook de moord op zo'n 116.000 Nederlanders van verondersteld "joods ras" tussen 1941 en 1945 vergeten. Of wellicht haben sie es nicht und nie gewuszt?! Met het geschieds"onderwijs" van de laatste 30 jaar is dat feitelijk heel goed mogelijk.


[5] "Sa réclamation a des accents amers et fiévreux; sa voix tonne; le reproche qu'il accentue, déchire: c'est un terrible orateur."

Eén van de vele dingen die jammer genoeg onnaspeurbaar verdwenen zijn - indertijd onmogelijke - opnames van M.'s redevoeringen, die zeer veel toehoorders als zeer bijzonder verschenen.


[6] "Weêr geef ik de keus tusschen eerbied en vrees in 't bepalen der oorzaak van zulke leemte. Nog-eens, is 't vreemd dat ik hoogmoedig ben? "

Vooral vrees, mag men aannemen. En verder is doodzwijgen de makkelijkste en meest effektieve taktiek.


[7] "Zoolang men niet met oprechtheid den kanker die ons teistert, by den naam durft noemen, is er aan geen genezing te denken."

Zie M.'s conceptie van de Ideen voor "den kanker die ons teistert ": "de LEUGEN." en mijn commentaar [1] daarbij.


[8] "En ook zy die voor artistieke of aesthetische gronden niet vatbaar zyn, konden weten dat ik - naar myn beste weten altoos (18) - de waarheid zeg."

Dit lijkt ook waar, en wordt door mensen die hem goed gekend hebben - als Marie Anderson, Sietske Ambrahamsz - ook bevestigd, terwijl M. zelf natuurlijk wist en bij gelegenheid onderstreepte dat hij heel wel in staat was de maatschappelijke gebruikelijke leugens die bij de normale plichtplegingen hoorde naar behoren te gebruiken.


[9] "Dit nu is nooit geschied, en zelfs niet dan by uitzondering beproefd. Nooit is een door my als feit voorgestelde zaak onwaar gemaakt."

In 2002 is dit nog steeds overwegend waar (als we afzien van mijn commentaren op de Ideen). Er is zeer veel gepubliceerd en geredetwist over Lebak en over M.'s weergave van wat gebeurde in de "Max Havelaar" - waar M. het hier over heeft - maar het voornaamste punt van kritiek dat overeind blijft dateert al van 1860 en werd door M. Amorie van der Hoeven geformuleerd: Multatuli pakte de zaak niet aan zoals een ambtenaar betaamde.


[10] "Van alle hooggeplaatste personen, was de heer Rochussen de eenige, die inderdaad hart had voor de Havelaarszaak."

M. had niet zulke verstandige inschattingen van Nederlandse hooggeplaatsten die hem sympathiek waren. Het lijkt waarschijnlijk dat hij minstens een beetje ingepakt is door Rochussen.
 

Idee 534.