Idee 533.                                                 

 
Ieder weet dat myn bitterheid over den toestand van ons Volk zich niet bepaalt by de zaken van Indië. [1] Na de Havelaarsgeschiedenis, myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plicht-vergeten gouverneurs-generaal. Achter zoo'n ellendigen Van Twist zat een minister. Achter zoo'n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs 'n Eerste. Wat zoo'n Eerste-Kamer beduidt, is onlangs gebleken, toen Duymaer van Twist daarin onverhinderd zitting nam. Niemand drong den man ter-deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van zóóveel Saïdjah's.

En achter die beide Kamers zit, staat, ligt - of kruipt, als ge wilt - het Volk, het Nederlandsche Volk!

Dat Volk moet dus worden aangesproken. En ik hebt gedaan. ‘Met succes’ zeggen de boekverkoopers, die bestellingen aannamen op m'n Ideen.

Myn oordeel over dat ‘succes’ is anders. Ware 't my te doen om opgang, om schryversroem, ik zou reden tot tevredenheid hebben. Maar dit succes walgt me, en meermalen was myn zwygen een gevolg van wrevel over onbekookte toejuiching. [2] Als Parabel in 79, rukte ik meermalen myn kind het jurkjen af, het ‘valsche jurkje dat de aandacht wegstal.’ Ik wilde niet geprezen worden om den tooi der waarheid, ik die toch getoond had de waarheid zelve boven alles te schatten. Meent men dat ik welvaart, huiselyk geluk, myn toekomst, het geluk der mynen, alles opofferde om 't Nederlandsche Volk te trakteeren op 'n ‘mooi boek?’ Om 't pleizier van vertellen? Eilieve, wie geen menschkunde genoeg bezit, om 't tegendeel te ontwaren uit de feiten zelf, hy lette op de dagteekening dier feiten. Ik was veertig jaren oud, toen ik myn mooi-schryvery vertoonde aan Publiek. Dat ik zoo byzonder mooi schryven kon, wist ik al vyf-en-twintig jaren vroeger, en reeds toen, als jongeling, als kind byna, stuitte het my daarvan gebruik te maken. Ik had te veel hart, om de indrukken die ons maken tot dichter en wysgeer tevens, te vertoonen op de laffe kermis der menschelyke dwaasheden. Dat behoorde myner omgeving, meende ik. [3] Ik zeide dit alles reeds in den Vry-arbeid. ‘En,’ volgt daar:

‘En bovendien, zelfs nà myne ontmoetingen te Lebak, had ik een doorslaand bewys gegeven, dat het my niet te doen was om beroering of schandaal, en vooral niet om effect van schryvery, maar om herstel van grieven alleen. Myn voorganger was, om te voorkomen dat hy zyn plicht deed, vermoord in November 1855. Myn mislukte pogingen om den gouverneur-generaal Duymaer van Twist aantesporen tot het vervullen van zyn plicht, dateeren van den aanvang des jaars 1858. De Max Havelaar, het agitante boek, verscheen in Mei 60.

Dat zyn sprekende datums. Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen te Lebak, en den oogenblik waarop ik de natie uitnoodigde, inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indië.’ [4]

Myne mislukte pogingen om Van Twist te bewegen tot het vervullen van z'n plicht! De brief waarin ik dit beproefde, is herhaaldelyk gepubliceerd, nadat ik weder ruim twee jaren te vergeefs had gewacht op antwoord. Weêr moet ik daaromtrent iets aanhalen uit den Vry-Arbeid:

‘Nog herinner ik my hoe zwaar 't my viel, het papier te bekomen tot het schryven van dien brief, en een plaatsje waar ik zitten zou! En toch was weer alle moeite te-vergeefs. De man heeft niet geantwoord. Dat is zyne zaak.

Maar myn zaak is het, te wyzen op den datum van dien brief. Ik schreef dien in Januari 1858, dus byna twee jaren na myn vertrek uit Lebak. Is die dagteekening niet een bewys dat myn doel met het handhaven van recht, niet was het maken van een naam?

En na dien brief wachtte ik weêr twee jaren, voor ik den Havelaar schreef. Ik was lang geperst, lang had ik getracht verbetering aantebrengen, zonder schandaal. Lang had ik beproefd op andere wyze myn gezin te bewaren voor hongersnood, voor ik een beroep deed op de rechtvaardigheid van Koning en Natie. Jazelfs toen Max Havelaar reeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my gewend tot den Koning, met verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden, verbetering te brengen in den ellendigen toestand van Indië, had ik myn boek verbrand.

Ik vraag daarin niets voor myzelf.  *  [5]

Maar ook de Koning kon niet besluiten, krachtig integrypen in 't weefsel van leugens en bedrog dat den Nederlandschen naam eerlang maken zal tot een walg der volken. Ik meen toch, dat dit ingrypen een heerlyke roeping zou geweest zyn voor een Koning.

En eerst na lang wachten op dat antwoord, na de volkomen zekerheid dat dit antwoord niet komen zou, verscheen, in Mei 1860, dat boek over de Koffiveilingen, dat, naar de uitdrukking van 'n lid der Kamer, een rilling deed gaan door het land.

Dit was zoo. Er is inderdaad een rilling door 't land gegaan. Maar wanneer? In 1860. Dat is: vier jaren nadat ik arm en onmachtig Lebak verliet met vrouw en kind.

Als een geduldige Javaan had ik my vier jaren laten mishandelen. Vier jaren had ik van-dag tot-dag gestreden met kommer van heden, met angst voor morgen, voor ik die rilling opwekte. Vier jaren lang was Sjaalman bespot en gesard door Droogstoppel, voor Multatuli Havelaar's party tegen dien Droogstoppel opnam.

Zou ik zoolang gewacht hebben, als 't my ware te-doen geweest om opgang?’

Ja, dit vraag ik nog. Maar ik vraag 't niet meer als toen. By 't naslaan van den Vry-arbeid, komt het me voor, dat ik toen nog waarde hechtte aan betoog, redeneering, bewys. Thans niet meer, Nederlanders.

Et pourquoi parlez-vous donc?’ vraagde men aan Emile de Girardin, toen hy op een internationaal Congres betoogde, dat de invloed van schryven en spreken niet zoo groot is, als men gewoonlyk meent, of wel dat die invloed in 't geheel niet bestaat.

Waarom ik dan spreek? Och, m'n uitgever wilde gaarne dezen bundel Ideen afgesloten zien voor 't einde des jaars. En... nog iets. Al ben ik 't eens met Emile de Girardin, dat schryven en spreken niet den dadelyken invloed heeft, dien men gewoonlyk daaraan toekent, toch blyft het mogelyk dat later die invloed zich openbaart. Ook zyn er schryvers en sprekers die kinderen hebben, en zich genoopt voelen tot verantwoording, als deze later zullen nasporen, waarom hun vader niet slaagde in zyn pogen.  *  

Ik zou meer moeten schryven dan me nu lust, indien ik een overzicht wilde geven van 't effect myner schryvery. Den opgang als litteratuur-produkt geheel ter zyde stellende - daaraan hecht ik geen waarde - zou ik misschien evenzeer stof vinden om Girardin's beweren te staven, als om 't te bestryden.

Zekerlyk heeft myn schryven invloed uitgeoefend, en als bewys: niemand noemt my. [6] Er bestaat een touchante eensgezindheid in 't vermyden van myn naam, en onze Lieve-heer die zoo bang was dat men hem ‘iedelyk’ noemen zou, kon tevreden wezen, wanneer men hem zoo eerbiedig ignoreerde als my. Ik moet bekennen dat het me styft in m'n bekenden hoogmoed, zoo'n algemeene anaesthesie te hebben verwekt. Als ik krankzinnig word, zal 't zeker wezen, met de idiosyncrasie dat ik Behemotten schep, en 's namiddags my vermaak met donderen en wetgeven op Sinaï.

Dédain, dat zwygen? Minachting, dat vermyden van m'n naam? Waarlyk niet! Een tooneelstuk dat ik schreef in 1843, wordt, alöm behandeld, beoordeeld, gelaakt, toegejuicht. Dàt durft men aan... zoo'n spelery uit m'n jeugd! Als er wat te minachten viel, ware 't zoo-iets.  *   Moet ik dus niet het zwygen over de vele andere onderwerpen die ik behandelde, toeschryven aan gepasten eerbied? Ik bèn zoo vry.

Maar ik zou des-noods toegeven, dat die eerbied zeer na verwant is aan vrees.
 


* Ik heb de my daarop gedane aanbieding tot plaatsing in West-Indie - ik meen als Gouverneur van St. Martin - van de hand gewezen. (1865)

 *  Over het geheel loop ik niet hoog met fransche publicisten. Hunne articles rieken gewoonlyk naar besteld werk, zyzelf die 't schryven tot 'n ambacht maakten, verstaan het métier niet goed genoeg om 't ambachtelyke daarvan te verbergen. Onze krantenschryvers - voor zooverre zy zich niet gemakshalve bezighouden met verminkend vertalen - gaan denzelfden weg op.
Ik laat nu in 't midden, of myn oordeel over de fransche dagbladmannen van volle toepassing kan geacht worden op Emile de Girardin. Zeker is het, dat deze publicist meermalen denkbeelden voor-den-dag brengt die aanbeveling verdienen. Ik ben byv. geheel van zyne meening, dat alle belemmering der vryheid van drukpers behoort te worden opgeheven. Elke preventieve of repressieve bepaling zet aan laakbare publicatiën een gewicht bij, dat ze niet zouden hebben zonder die bemoeienis van den Wetgever. Met zekere handigheid, welker maat of gehalte waarlyk niet uitstekend behoeft te wezen, sluipt thans het kwaadaardigst redacteurtje door de mazen van de Wet heen, en dan wordt hem die handigheid in zekere kringen nog aangerekend als talent! Niets werkt den laster zoo in de hand, als bepalingen tegen laster. Door 't afschaffen daarvan, wonnen wy bovendien de fatale pers-processen uit, die juist schandaal te-weegbrengen, dat zy heeten te bestryden. Het natuurlyk tegengif tegen 't misbruiken der pers, ligt in de pers zelf. Ook uit een staatkundig en dynastiek oogpunt, is volle vryheid van drukpers het beste middel om eene ondermynende oppositie te fnuiken. [7] Men zoude daarby slechts ééne soort van lieden benadeelen, hen namelijk die thans de strafwet ontduiken. Het gaat hiermeê als met smokkelaars dien 't niet aangenaam wezen zou, de Inkomende-Rechten afgeschaft te zien. Wat overigens den laster aangaat, uit de opschriften der stukken in Sjaalmans pak is te zien, dat ik reeds zeer vele jaren geleden, over dit onderwerp dacht als heden. (1872)

 * De gronden van mijn ongunstig oordeel over De bruid daarboven, worden vry uitvoerig behandeld in het Naschrift by de jongste uitgave van dat stuk. (Amst. by G.L. Funke.) Tusschen dit Naschrift en het drama zelf ligt... een dertigjarig drama, welks invloed op de zienswyze en levensopvatting van den auteur, niet te miskennen is, en gewis belangryk zou voorkomen aan een eenigszins ontwikkeld Publiek. Ter handleiding van physiologen die wellicht later komen zullen - na afloop namelyk der stupide periode van doodzwygen - meen ik de opmerking te moeten maken, dat het belangryker wezen zal, naar aanleiding dier twee producten, punten van overeenkomst dan van verschil te zoeken, in den ‘levensgang’ van den auteur. Ondanks alle wederwaardigheden, en in weerwil der schoolsche nuchterheid myner zoogenaamd litterarische ontwikkeling in '42, zal men niet dikwijls iemand vinden die zoo gelyk bleef aan zichzelf, en zich zoo weinig liet afslyten door wryving. [8]
Dit valt nog meer in het oog, wanneer men naast dat oude stuk, in-verband met het Naschrift, de dezer dagen verschenen Vorstenschool legt, een drama waarin, zonder 't minste ziekelyk element van overgevoel, en zonder de minste school vooral - er komt ternauwernood ‘liefde’ in, en niet het kleinste pistoolschotje! - hooger dramatische spanning bereikt wordt, dan gewoonlyk het geval is in stukken die den toeschouwer vyf bedryven laten wachten op 't huwelyk van Toni en Froni, of op den tooneeligen dood eener heldin.
In-weerwil nu van dit verschil, is de familie-gelykheid tusschen den sentimenteelen Holm en de flinke verstandig-gevoelige Louise, bewaard gebleven. Beiden streven, met ter-zydestelling van wat ook, naar 't goede. Dat Holm zich vergiste in den weg dien hy daartoe moest inslaan, mag hem niet zoo byzonder kwalyk genomen worden door de velen die geen aandrang voelen dien weg te zoeken.
En tusschen die beide stukken in, ligt Havelaar. Ik bedoel nu 't boek niet, dat ge ‘mooi’ vondt, lezer, ik bedoel Havelaar's handelingen te Lebak, die ge niet ‘mooi’ schynt te vinden. Anders toch zoudt ge geen party hebben getrokken voor Slymering en Droogstoppel. Van dàt drama gesproken, ge weet toch wel, dat daarin de verradersrol word gespeeld door de Natie, waarvan gy lid zyt? (1872)
 

 


[1] "Ieder weet dat myn bitterheid over den toestand van ons Volk zich niet bepaalt by de zaken van Indië."

Of "ieder dat weet", ook in M.'s eigen tijd, mag enigermate betwijfeld worden, ook vanwege wat M. verder in dit Idee zegt. Zoals de lezer van de Ideen weet is het gestelde overigens wel waar.


[2] "Myn oordeel over dat ‘succes’ is anders. Ware 't my te doen om opgang, om schryversroem, ik zou reden tot tevredenheid hebben. Maar dit succes walgt me, en meermalen was myn zwygen een gevolg van wrevel over onbekookte toejuiching."

Dit was ongetwijfeld overwegend gemeend. M. meende dat de kwestie verplaatst werd van waar het werkelijk om ging - de uitbuiting van de Javaan in Nederlands Indië, de verloederde stand van Nederland, het onrecht Eduard Douwes Dekker aangedaan - naar de bijzaak van mooi kunnen schrijven als men z'n stijl roemde. Uit z'n correspondentie - zeker over de "Max Havelaar" en "Minnebrieven" - blijkt dat hij óók geïnteresseerd was in opgang als schrijver, maar waar blijft dat hij veel meer geïnteresseerd was in opgang als maatschappelijk hervormer.


[3] "Dat ik zoo byzonder mooi schryven kon, wist ik al vyf-en-twintig jaren vroeger, en reeds toen, als jongeling, als kind byna, stuitte het my daarvan gebruik te maken. Ik had te veel hart, om de indrukken die ons maken tot dichter en wysgeer tevens, te vertoonen op de laffe kermis der menschelyke dwaasheden. Dat behoorde myner omgeving, meende ik."

Ook dit lijkt meer waar dan niet - zie [2]. Vooral tegen z'n eerste vrouw lijkt M. zichzelf vaak en graag uitgesproken te hebben over allerlei dat hem bewoog, en in die mate dat dit uitspreken tegen haar voor hem de drang voor publiek te schrijven, die hem vaak als nogal hoerig voorkwam, gewoonlijk benam.


[4] ". Daar liggen vier volle jaren tusschen de voorvallen te Lebak, en den oogenblik waarop ik de natie uitnoodigde, inzage te nemen van de wyze waarop zy gerepresenteerd wordt in Indië.’"

Die vier jaren zijn - tenzij een pas verschenen biografie van Multatuli door Vermeulen daar verandering in bracht, wat zeer te betwijfelen is, maar ik niet zeker weet - nog steeds overwegend een raadsel. Er is veel bekend over wat Multatuli deed en dacht en schreef, maar niet over die vier jaren.


[5] "Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden, verbetering te brengen in den ellendigen toestand van Indië, had ik myn boek verbrand. Ik vraag daarin niets voor myzelf."

Dit is niet helemaal waar: M. wilde wel degelijk eerherstel, een goede positie, bijvoorbeeld in de Raad van Indië, en herstel van pensioenrechten. Ik vind dat in 't geheel geen gekke verlangens, maar er is een boze brief van Domela Nieuwenhuis, tot M.'s dood oppervlakkig bevriend met M. en z'n tweede vrouw, die deze verlangens bekend werden na M.'s dood, waarover Niewenhuis zeer teleurgesteld was. Zie de VW en M.'s eigen noot *.


[6] "Zekerlyk heeft myn schryven invloed uitgeoefend, en als bewys: niemand noemt my."

Strikt genomen was dit niet waar, maar feit is dat M. zeer veel minder genoemd en besproken werd dan hij verdiende alleen al door z'n bekendheid bij publiek.


[7] "Niets werkt den laster zoo in de hand, als bepalingen tegen laster. Door 't afschaffen daarvan, wonnen wy bovendien de fatale pers-processen uit, die juist schandaal te-weegbrengen, dat zy heeten te bestryden. Het natuurlyk tegengif tegen 't misbruiken der pers, ligt in de pers zelf. Ook uit een staatkundig en dynastiek oogpunt, is volle vryheid van drukpers het beste middel om eene ondermynende oppositie te fnuiken."

Ik haal dit eruit omdat het een geheel modern standpunt van M. is, dat nog steeds niet volledig gerealiseerd is in Nederland.


[8] "Ondanks alle wederwaardigheden, en in weerwil der schoolsche nuchterheid myner zoogenaamd litterarische ontwikkeling in '42, zal men niet dikwijls iemand vinden die zoo gelyk bleef aan zichzelf, en zich zoo weinig liet afslyten door wryving."

Hier ben ik het ook meer eens dan niet, maar toch is er opvallend verschil tussen M.'s nogal conventionele toneelstuk uit 1842 en alles wat hij schreef vanaf 1859. Dat opvallende verschil kan op diverse manieren geïllustreerd worden, maar kan simpel zo uitgedrukt worden: Alles wat Multatuli vanaf 1859 publiceerde is onmiskenbaar Multatuli, maar z'n toneelstuk uit 1842 is dat niet.

Idee 533.