Idee 531.                                       


Wie 't eerst stelt, moet het eerst bewyzen. Dit is een gulden regel, en de ontkenner zou met de eenvoudige betuiging van z'n ongeloof kunnen volstaan, tot op den oogenblik dat het bestaan der dingen die hy ontkent, aangetoond ware door hen die 't vaststellen en voortplanten. Men kan van den athe´st niet vorderen, dat hy 't niet bestaan van een god bewyze. Toch heb ik dit naar ik meen, in 't vorig nummer gedaan. *)

Maar zy die niet deden wat hen wŔl kon gevorderd worden, voelen zy nu niet, voor de eer van hun geloof, voor den duur van den welstand waarin zy zich verheugen dˇˇr dat geloof, voelen zy nu niet eenigen prikkel om 't onverplicht gegeven bewys tegen het bestaan van hunne god, te ontzenuwen? Om 't aantetasten althans? Zyn ze - als VAN TWIST - bevreesd voor den schyn van partydigheid?

Zeker, zeker, sommige geloovers zullen zeer partydig schynen, indien ze party-trekken voor een god waaraan ze - ten koste van velen altoos! - zooveel te danken hebben. Maar ik vind, ze moeten dien schyn nu eens trotseeren. ,,Schelmery in ruste'' moge makkelyk zyn, eervol is zy niet.

*) En op veel plaatsen meer! Naar aanleiding van dat alles, eene vraag: waarom geeft men zich zooveel moeite tot het verspreiden van godsdienst in verre landen, terwyl men myne beweringen onwederlegd laat? Myne werken worden veel gelezen, en zaaien ongeloof. Door my uit het veld te slaan, zou men het godsryk meer bevoordeelen, dan door het doopen van duizenden en duizenden Alfoeren. Het jonge geslacht heeft er recht op, dat z'n voorgangers bewys geven van de levenskracht hunner stellingen. Zien de heeren niet in, dat hun zwygen zeer compremettant is voor 't Geloof?


Zie eerst mijn opmerkingen bij 530.

Wat betreft "Toch heb ik dit naar ik meen, in 't vorig nummer gedaan": Niet strikt, want zoals bij 530 uiteengezet moet M. daarvoor een door hem onuitgesproken aanname maken, en beweerde bewijzen die onuitgesproken aannames veronderstellen zijn geen volledige bewijzen. 

Vervolgens: Als die onuitgesproken aanname expliciet gemaakt wordt dan is de konklusie niet dat God onmogelijk kan bestaan, maar alleen dat de aanname van een God een extra hypothese is, terwijl het aannemen van extra hypothesen onwenselijk is.

Maar M. heeft in dit IDEE meer gelijk dan niet, vooral omdat er zo bijzonder vaak sprake van is geweest door Godsgelovers dat ze een bewijs zouden hebben voor het bestaan van een God.

Geen van die bewijzen houdt steek, of preciezer:

De zeer weinige bewijzen die wel steek houden bewijzen helemaal niets dat enigermate lijkt op de goden uit de theologie of de goden waar godsgelovers in geloven, voor vrezen, en met bidden en kerkgang hopen gunstig te stemmen.

Bovendien is het gewoonlijk zo - bijv. bij Aquinas - dat het weinige dat wel strikt bewezen wordt (uit zekere aannames, die niet hoeven gelden, maar dat laat ik hier terzijde), bijv. iets als "er was een begin van alles dat is" zodra dat bewezen is onmiddellijk, en zonder enig bewijs, wordt voorzien van alle attributen die God gewoonlijk heeft (oneindig, almachtig, alwetend, goed, persoonlijk).

Het is dus in beginsel heel terecht om gepretendeerde bewijzen te weerleggen.

Maar het fundamentele probleem blijft dat de zeer grote meerderheid van de godsgelovers, hoezeer ze ook beweren ge´nteresseerd te zijn in bewijzen, in rationele argumentatie, en in consistentie van hun geloof met wetenschap, feitelijk niet geinteresseerd is in rationele argumentatie, maar in wensdenkerij met een schijn van redelijkheid.

En tegen wensdenkerij staat rationele argumentatie machteloos: Wensdenkerij kan alleen effectief bestreden worden (zonder wapengeweld) door de wensdenkers persoonlijk belachelijk te maken in hun wensdenkerij, door erop te wijzen dat ze voor hun favoriete geloof hele andere argumenten laten gelden dan voor alle andere zaken, zodat ze ofwel met twee maten meten, wat oneerlijk is, ofwel dom zijn.

 

Idee 531.