Idee 528.                                                 


Ik schreef die parabel in 1860. En toen ik onlangs in 522 op eenmaal de geschiedenis van onsen Wouter afbrak, geschiedde dit, omdat ik op-nieuw de ondervinding had opgedaan, hoe weinig er valt te rekenen op daden, waar de begrippen van zedelykheid verdraaid zyn tot geloofsleer. Elken dag dien ik langer leef, geeft me nieuwe blyken dat godsdienst en deugd zaken zyn, die lynrecht tegen-over elkander staan. De pest van 't geloof uitteroeien, is de plicht van ieder die 't wel meent met de Menschheid. Maar nog bedervender dan ik vroeger meende, werkt die verfoeielyke goddienery. Zy verlamt zelfs het goede in wie er van verlost is, en 't schynt dat velen, na 't wegwerpen der zotternyen van het geloof, onder den invloed blyven van wat dat geloof mebracht: oneerlykheid, ontrouw, karakterloosheid. [1]

Zeker spreek ik tot het betere deel der natie. Het beetje moed dat er schynt noodig te zyn om m'n Ideen te lezen, geeft me recht tot deze onderstelling. Eilieve, wat moet ik denken van de rest? [2]

Doch neen, zy die me niet lezen, kunnen zich verschuilen achter onwetendheid. Zy hebben eenig recht hm te brommen, en wegteloopen uit den winkel waar menschen verkocht worden, die ze niet kennen. Maar hoe moet men oordeelen over 't gedeelte der natie, dat gaarne luistert naar de doffe eentoonige liedjes van wie meer deden dan zingen en fluiten? Is 't wreedheid, domheid, onkunde? Wat is het, o gy lezers myner Ideen? [3]

Moet ik 't u ng-eens zeggen dat ik geen schryver ben, geen kunstemaker, geen sprookjes verteller? Op hoeveel manieren reeds trachtte ik uw traag begrip optewekken tot erkenning, dat de opgang van myn geschryf geen gevolg is van byzonder talent, maar van de waarheid der zaken die ik medeelde? Hoelang zult ge blyven voortgaan u aantestellen - want ik kan niet gelooven dat ge op-den-duur niet beter weten zoudt - u te houden als-of ge my aanzaagt voor een schryver, voor een boekemaker? [4]

Dat ik goed schryf, is waar. Ik schryf zoo goed als de hartelyksche moeder gillen kan, by 't te-water vallen van haar kind.

Zeker, zker... ik schryf zeer goed! Zoo goed als Luther sprak, toen-i zyn overtuiging durfde stellen tegen-over de traditie der eeuwen.

Zeker, zker schryf ik goed! Zoo goed als Curtius sprak, en Van Speyk, en Cambronne en d'Assas, ofschoon ik die mannen nooit hoorde pryzen over hun byzondere welsprekendheid. Wat zy zeiden is bewaard gebleven, niet om de wyze waarop ze spraken, maar om de daden die ze verrichtten. Ik schryf zoo goed als ieder schryven zou, die de wereld intrad met een hart vol liefde, en verontwaardiging voelde over al de schelmery die deze wereld voor de meesten maakt tot een hel.

Dit nu neem ik u kwalyk, lezers myner Ideen, dat ge niet even verontwaardigd zyt als ik. [5]

O, alle schryvery zou weldra overbodig wezen, als ge myn pogingen even oprecht ondersteund hadt, als ik ze aanwendde. Zonder die ondersteuning, is me uw lof, en de opgang dien ik maak, een walg. [6]

Ik bn geen schryver, en wil 't niet wezen. Ik was een goed mensch, en zou dat gebleven zyn - want nu voel ik vaak meer bitterheid dan liefde, en 't smart me zoo! - ik zou goed gebleven zyn, goedig zelfs en zacht, indien ik niet l te weinig rechtvaardigen had gevonden in Sodom.

Wat hebt gy gedaan, gehandeld, geofferd, lezers myner Ideen sedert Mei 1860, den datum der verschyning van den Havelaar, dien ge zoo mooi vondt... godbetert! [7]

Ik zeide u daarin - en niemand durfde my tegenspreken - dat uwe lasthebbers in Indie u medeplichtig maakten aan schelmery op de ruimste schaal. Gy hebt toegelaten - en duldt het nog dagelyks - dat fortuinmakers zich den buit toeigenden, dien ik ontrukken wilde aan de handen der roovers. Een behoudend ministerie dat in allen geval minder brutaal en minder huichelachtig zondigde, dan 't tegenwoordige - werd en bleef vervangen door lieden van een valsch liberalisme. Daar zyn er, die zich bezighielden met het vergaren van schatten op den bloedakker van 't misdryf, ter-zelfder-tyd toen ik den stryd tegen de misdadigers aanging, en die later, met en dr 't aldus gewonnen goud, u hebben omgekocht om hem te belasten met het uitroeien der roovers.  *   Dacht men aan Vidocq, by zulke aanstelling? Luisterde men naar 't volks-spreekwoord, dat voorschryft dieven met dieven te vangen? Ik geloof het niet, lezers! Ik geloof dat er voor zulke verblinding geen redelyke grond bestaan kan, en dat men daarvan alleen de zeer onredelyke oorzaak kan vinden in de schittering van het goud. Zoo zoudt ge dus ook den vluggen Ephram belast hebben met het opzicht over den tempel? Hem die Jeshoeah nasloop, om by-de-hand te zyn als deze wer zou uitgaan:

 Ter zuiv'ring van Gods tempel, met een zweep...
 Om dan, met lichten tred en vlugge hand,
 Te grissen van het geld dat rollend wegstoof...

Zoudt ge dien Ephram benoemd hebben tot wachter in den tempel?

Niet drtoe schreef ik den Havelaar, lezer. Niet daartoe gaf ik u den Vry-Arbeid, waaruit ge zoo duidelyk kondet zien - als ge hadt willen zien - hoe men u bedroog sedert jaren. Niet drtoe schreef ik de Minnebrieven, lezer, een boek dat eenmaal tegen u zal getuigen, wanneer men vr-af genoeg wezen zal (122) om te begrypen hoe daarin een geheele menschenziel is geteekend, met wat ze omvatten kn, van de breikous af tot Sirius toe! Wanneer men eenmaal hoog genoeg zal staan om die brieven te lezen, als een afdruk van aandoeningen, en niet als een gemaakt boek! Niet drtoe eindelyk, gaf ik u de Ideen, die Times van m'n ziel, die ge zaagt geboren worden in den Vry-Arbeid, en die ge zoo gaarne leest, niet waar, vooral wanneer ik - gedwongen door den humor der waarheid - koddige vertellingen geef, die gy gretig aanhoort en toejuicht, om ze te gebruiken als voorwendsel tot het voorbyzien van al de smart die daarnaast ligt. [8] Niet ik legde den polichinel op de schouders van den martelaar. (159) Dat doet de ryke lieve grillige wreede Natuur, en 't pleit niet voor uw smaak, lezers, dat uw hand zich by-voorkeur uitstrekt naar de articles de Paris, in een winkel waar voorwerpen van ernstiger beteekenis worden aangeboden.

Is 't u mogelyk, de parabel over Luther en z'n gezellen in den heldenwinkel, overtezetten in dagelyksche nuchtere waarheid?

Welnu, ik vraag u, waarme heb ik verdiend, dat ik u, als Chresos in de Minnebrieven, liedjes moet voorzingen, na gehandeld te hebben als ik deed?

Hoogmoed? Voor den honderdsten keer, ik bn hoogmoedig, en zelfs neemt m'n hoogmoed toe, naarmate ik meer let op wat ik dagelyks om my zie. Zorgt gy dat er wat meer hoogte kome om my heen, dan zal ik me laag en klein voelen misschien - en ik zou dat terstond erkennen - maar by de laagte die me nu omgeeft, kn ik niet anders dan gelooven zeer hoog te staan. [9]

Is 't waar of is 't niet waar, dat ik geheel alleen staande, myn plicht durfde vervullen daarginder, toen alles meheulde met het onrecht?

Is 't waar, of is 't nietwaar, dat de natie welker eer ik verdedigen wilde, my lafhartig verliet, na wat onbegeerde en niet ter-zake dienende toejuiching over m'n geschryf?

Is 't waar, of is 't niet waar, dat door uwe lauwheid, door uw gebrek aan moed, de plaats die my toekwam, thans wordt ingenomen door allerlei wezens die omhoog vielen uit gebrek aan zwaarte? [10]

De plaats die my toekwam? Zeker! Niet om mynentwil, maar om uwentwille. My kan men niet verhoogen, daar ikzelf den rang nam, dien niemand my betwist, en waarboven geen rang te begeven valt door Natie of Koning. [11] Maar om uwentwille hadt ge niet moeten dulden, dat een zwerm fortuinmakers de vruchten plukte uit den hof, dien ik zuiveren wilde van onkruid. Ik geloof dat my de taak toekwam, nu toevertrouwd aan wezens die ik in staat van beschuldiging stelde. [12] En als men nu ook weder deze bewering mocht verdraaien, door hieruit te besluiten dat eerzucht de prikkel was die my dreef, antwoord ik met de vraag: waarom dan iemand die zoo eerzuchtig was, jaren wachtte voor hy optrad? Het was niet dan myns-ondanks en gedwongen, dat ik de tusschenkomst der Natie inriep. Dit blykt uit de datums.

Eerzucht? Ja, om goed te doen! Ik voelde de eerzucht om eenige honderden schelmen te straffen, hun 't onrechtvaardig verkregen goud aftenemen, of hen te doen boeten voor wat er door anderen werd misdreven onder hunne toelating. Gewone eerzucht, ambtsbejag, zou bespottelyk wezen in Nederland, waar we dagelyks de nietigste personen zien omhoog tillen, en op zetels plaatsen, die ingenomen moesten worden door mannen van bekwaamheid en karakter. [13]

Het doet me leed, dat ik genoodzaakt was dien Duymaer van Twist onsterfelyk te maken.  *   Maar nu dit eenmaal zoo is zal ik hem nog-eens noemen, om een voorbeeld te geven, wien men eert in Nederland. Die man is dezer dagen gekozen tot lid van de Eerste-Kamer! Meent ge dat er eerzucht - in gewonen zin - kan bestaan, in een land waar zulke ongerymdheid mogelyk is? Waarom antwoordt die man niet? Ik noemde hem herhaaldelyk by-name, niet omdat hy 't meest misdeed - daartoe is hy te onbeduidend - maar om hem te dwingen tot verantwoording of schuldbekentenis.

Die schuldbekentenis hebben wy. Zyn stamelen in de Tweede-Kamer, waar-i verklaarde dat hy wel wat zou kunnen zeggen, maar 't liever niet deed, wyl men hem voor partydig houden zou, zal dan toch nu, na vier jaar wachtens  *   wel als zoodanig kunnen worden aangenomen. En nog heden wil ik hem te-woordstaan, als hy den stryd durft aannemen. Ng vraag ik hem, of ik in den Havelaar al dan niet de waarheid heb gezegd? Ng vraag ik hem, of de bewysstukken valsch waren, die ik hem toezond by myn brief van Januari 1858?     Ng vraag ik, welke fout er is in myne berekening, dat er Duizend Millioen werden gestolen onder zyn bestuur?   [14]

Nog vraag ik antwoord op dat alles. Maar ik wenschte dat te ontvangen, openlyk, zoo-als de aanklacht was. Ik vorder dat-i - hy, en de velen die belang hebben by 't smoren van de waarheid - ik vorder dat men ophoude te antwoorden op de wyze van Schmoel in 't kruislied. Dit moge nu, sedert de verovering van Jakarta, de Nederlandsche wyze van stryden zyn, edel of ridderlyk is zy niet, en ik protesteer tegen 't gebruik van zulke wapenen. Die taktiek moest nu uit zyn, vind ik, en u, lezers myner Ideen, verwyt ik dat ge jaren lang die taktiek hebt geduld. [15] De myne daartegen-over was koele verachting, of meermalen spot. Ik mocht verachten en spotten, wyl ikzelf de verongelykte was, maar waarlyk, ik zou 't niet zoolang geduld hebben, als ik slechts toeschouwer ware geweest, en in een ander het recht verkracht had gezien, of moedig zelfffer zoo onwaardig bevuild met slyk.

Kwam het dan nooit in u op, lezers, dat men al zeer velen moet in den weg staan om zoo algemeen te worden aangevallen? Begreept gy niet, hoe de wraak van Schmoel - en welke wraak! - bewyst dat de zweepslagen juist-troffen, toen ze hem verjaagden uit den tempel, als een hond?

Heeft het u nooit bevreemd, dat ieder wien ik aanklaag, zwygt als een betrapte dief, en in-stede van verantwoording, my lastert, als-of myn voorgegeven verdorvenheid een vrybrief wezen kon voor de misdadigers die ik aanklaagde? En schaamt ge u niet, vier jaren lang u te hebben laten bezighouden met baker-vertellingen, waar spraak had behooren te zyn van feiten?

Ik deelde feiten me. Drop vraag ik antwoord, of als men op-den-duur niet antwoorden durft, dan roep ik uwe hulp in, lezers, om de lafhartige schelmen te verjagen, wier rustig bezit van onverdiend genot, de schande is van ieder die 't zwygend of werkeloos aanziet. [16]

Ik ben gewoon te schryven naar den indruk van 't oogenblik. Die gewoonte schynt zoo kwaad niet, wyl ik daaraan te danken heb een - trouwens niet begeerd - roempje van talent. Doch tevens kost my die gewoonte veel, want ze brengt me, dat ontstemming me sprakeloos maakt. [17]

Ik corrigeerde dezer dagen den herdruk van: Wys my de plaats, van de Minnebrieven, en van andere dingen die sedert lang waren uitverkocht. Die arbeid - correctie is een arbeid, dr hoort talent toe, waarachtig! - die bezigheid stoorde my, en bedierf myn indrukken. Hoe, dacht ik telkens, dt schreef ik in 1861, 62, en nog is die toestand onveranderd? Ook die uiting myner ziel was te-vergeefs? Ook dt bewys bleek krachteloos tegenover onwil en traagheid? Zeker, ik zie geen kans nu duidelyker te schryven, nu vuriger te zoeken naar waarheid, nu ernstiger aantedringen op recht! En wanneer het toen niet gebaat heeft, zal 't dan thans baten, nu ik door eenige jaren lydens langer, voorzeker niet krachtiger ben geworden van bevatting, niet helderder van inzicht, niet scherper van uitdrukking?  *  

Ik moest neen zeggen op die vragen, lezers! Moedeloos en bitter wierp ik na 521, de Wouter-geschiedenis ter-zyde, en dwong my de popee te vergeten, waarin ik u den stryd schetsen wilde van het goede in den mensch tegen de boosheid, den reuzenstryd van ware heilige pozie tegen 't leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft. [18] En ik nam my voor, u toeteroepen: voleindigt gyzelf de schets die ik begon, of zoekt daarvoor mannen van talent - zoo-als ge dat noemt! - en betaalt ze daarvoor, en beproeft of 't mogelyk is, voor uw geld de afwerking te verkrygen, van de schildery die ik opzette zonder talent, en gedreven alleen door een hart dat waarheid zoekt.

Een hart dat waarheid zoekt? Ja! Weten, beminnen, geven... [19]

't is alles verwant. Ik kon niet voortschryven aan Wouter's geschiedenis, omdat ik u niet lief had na de lauwheid waarme gy aanzaagt hoe ik gemarteld werd in ongelyken stryd. Ik kon niet voortschryven, omdat ik, overheerscht door bitterheid, niet meer wist hoe zich een menschenhart ontwikkelt met een kracht die de wanden uitzet der al te nauwe omgeving. Ik kon niet voortschryven eindelyk, omdat ik, verontwaardigd, geen aandrang voelde tot geven.

En trok ik me terug in myzelf, en zocht wat afleiding - grof van smaak en zedeloos als ik ben - in wiskunstige oefeningen, myn liefste pozie. Zoo'n lyn, zoo'n hoek, zoo'n cirkel, zoo'n inhoud... dat alles bedriegt niet. Telkens knikt me de lieve Natuur toe, uit haar tempel der waarheid, als wilde zy zeggen: ziet ge wel, hoe ik altyd, overal, in alles, myzelf gelyk blyf? Zoek maar, zoek maar... nergens vindt gy de minste afwyking van myn onveranderlyke wetten, voorgeschreven door de Noodzakelykheid. Maar ge zyt my daarvoor noch aanbidding schuldig, noch dank, want ik zou niet anders kunnen wezen dan ik ben. Ook ben ik niet aldus om uwentwil, noch om-den-wille van iemand of iets... Ik ben die is, en was, en wezen zal, de eeuwige onmstootelyke waarheid.  *  

Zoo hoorde ik de Natuur spreken, en het verzachtte m'n indrukken. Niet genoeg evenwel, om eenige noten te kunnen binnen houden, die nu de nieuwe uitgave bezwaren van: Wys my de plaats, van de Japansche gesprekken, van de Minnebrieven, en van 't bundeltje Verspreide Stukken dat dezer dagen verschenen is.

Maar eindelyk toch herstelde ik my genoeg, om nog-eens te trachten u optewekken uit den slaap waarin gy zyt neergezonken. Nog-eens wil ik nasporen of dan de Waarheid alleen in lynen of hoeveelheden zich openbaart, en of ze, wl gezocht, niet tevens zou te vinden zyn in de harten der menschen. Intusschen zal ik voortgaan, als-of ik niet wanhoopte... [20]


 *  Een indische rykworder is minister van Kolonin. Schaamt u dan toch eens eindelyk, Nederlanders! (1872)

 *  Deze spyt is te grooter, omdat ik inzie hoe 't nageslacht zich vergissen zal in de beoordeeling van myn wrevel tegen dien man. Op meer gepasten afstand geplaatst dan de tydgenoot, zal het den toestand onzer Maatschappy beter dan deze overzien, en myne party kiezen in den ongelyken stryd dien ik daartegen voer. Doch juist de hoogere opvatting van myn streven, zal het gedurig aanvallen van een onbeduidend individu als Van Twist, doen voorkomen als 'n kleingeestigheid. De heer Mr. Albertus Jacobus van Twist is inderdaad een al te onklassisch element in m'n werken, en hy verdient niet, naast Wouter, Havelaar of zelfs... naast Droogstoppel in leven te blyven.
Nageslacht, ik kn niet anders! Ook de naam van Verres is immers vereeuwigd? Ik spreek sans comparaison, want ik houd Van Twist voor onschuldig aan uitzuigery voor eigen rekening. Zelfs hiertoe was de kleinburgerlyke man te ordinair, te traag, te schuw. Zyn oneerlykheid was van voorzichtiger aard. Hy zag 't oogluikend, gemakshalve aan, dat anderen zich waagden aan de mogelyke gevolgen van diefstal, en bepaalde zich heel veilig tot het wederrechtelyk achterhouden van een zeer groot deel der inkomsten, die den Onderkoning van Insulinde ter bestryding van representatiekosten zyn toegelegd. Met dien spaarpenning heeft-i zich 'n plaats in de Eerste-Kamer weten te verschaffen. En de natie vindt dat goed! [21]
Wie later den toestand van ons arm Volk bestudeert, mag zich niet te hoog stellen, om aftedalen tot de oorzaken van onzen achteruitgang, die juist voor een groot deel aan 't dulden van personen als Van Twist te wyten is. Eene aandachtige lezing van Bosscha's Beschouwingen over onze binnen- en buitenlandsche verhoudingen, gaf my het Een-en-ander over Pr. en Ned. in de pen, waarin ik den noodlottigen invloed geschetst heb, van wezens als waartoe ook die Van Twist behoort. Bovendien, hy is de persoon die Havelaars pogingen verydelde. Hy vond het laaghartig zwygsysteem uit, waarme men my trachtte te smoren. Hy is - met z'n fatsoen, geloof, grondbezit, vry-arbeids-liberalismus en Eerste-Kamerlidmaatschap - de natuurlyke vertegenwoordiger van de verkeerdheden die ons ten-gronde richten. Die man is de deftige man by-uitnemendheid, en dit zy myne verontschuldiging voor de overigens zonderlinge verheffing van zyne Excellentie tot iets wezenlyks. (1872)

 *  Dit wachten op antwoord duurt thans ruim elf jaren! Dat die ellendeling zwygt, is natuurlyk. Hy durft niet spreken. Ik vraag echter, wat men te denken hebbe van eene Natie die met dat zwygen genoegen neemt? (1872)

   Brief aan den G.G. in ruste. (Zie: Verspreide Stukken).

   Minnebrieven, 6e druk, blz. 139.

 *  Den indruk dien nu - zeven jaren later alweer! - het nalezen myner werken, by de correctie voor de nieuwe uitgaaf, op my maakt, ga ik voorby. Het is al te bitter! (1872)

 *  Ter nadere verklaring van dit godsbegrip zonder god, lette men op de meermalen aangehaalde stukken in den IIIn bundel, over de Schepping, en de eeuwige waarheid van het Zyn, die evenmin een begin kan gehad hebben, als ze afhankelyk wezen kon van de willekeur eens Scheppers. Zonderling blyft het, dat men tegenwoordig vry algemeen de onmogelijkheid der vernietiging van de stof begrypt, en toch vasthoudt aan 't even ongerymde scheppen uit niets. [22] Het spreekt overigens vanzelf, dat de hier-en-daar verspreide beschouwingen over dit onderwerp, in nauw verband met elkander staan. Zie byv. 164 en volgende nummers. (1872)


[1] "omdat ik op-nieuw de ondervinding had opgedaan, hoe weinig er valt te rekenen op daden, waar de begrippen van zedelykheid verdraaid zyn tot geloofsleer. Elken dag dien ik langer leef, geeft me nieuwe blyken dat godsdienst en deugd zaken zyn, die lynrecht tegen-over elkander staan. De pest van 't geloof uitteroeien, is de plicht van ieder die 't wel meent met de Menschheid. Maar nog bedervender dan ik vroeger meende, werkt die verfoeielyke goddienery. Zy verlamt zelfs het goede in wie er van verlost is, en 't schynt dat velen, na 't wegwerpen der zotternyen van het geloof, onder den invloed blyven van wat dat geloof mebracht: oneerlykheid, ontrouw, karakterloosheid."

We zijn aangeland bij een tamelijk lang en bitter idee waarin Multatuli ingaat op de verschillen tussen hemzelf en anderen. Het kan beschouwd worden als een vervolg op de Ideen 399 - 404 in bundel 1.

M. geeft hier feitelijk als verklaring voor de door hem zo veelvuldig ondervonden Nederlandse "oneerlykheid, ontrouw, karakterloosheid." de invloed van de godsdienst op het karakter van de Nederlanders.

Ikzelf gis anders en bitterder: De grote meerderheid der mensen, inclusief Nederlanders, is niet in staat zelfstandig als individu te oordelen, denken en doen, uit welbegrepen eigen intellectuele en morele zwakte, en probeert zichzelf in leven en buiten problemen te houden door vrijwel voortdurend in vrijwel alles te doen alsof ie een braaf aangepast normaal persoon is. Zie 74, 136, 276 en 107, 423 en 447.

En de reden daar weer van is uiteindelijk Socratisch: Gebrek aan verstandelijke vermogens.


[2] "Zeker spreek ik tot het betere deel der natie. Het beetje moed dat er schynt noodig te zyn om m'n Ideen te lezen, geeft me recht tot deze onderstelling. Eilieve, wat moet ik denken van de rest?"

Weinig goeds, lijkt me, maar dat is niet erg terzake.

Laten we eens zien tot welk "betere deel der natie" M. zich feitelijk richtte:

In de eerste plaats: Tot de gegoede burgerij en middenstand, feitelijk samen niet meer dan hooguit 10% van de toen levende Nederlandse volwassenen. In de tweede plaats: Tot de welwillende en nadenkende minderheid daarvan, feitelijk een klein percentage van die 10%. In de derde plaats: In werkelijkheid tot een kleine groep van enkele honderden regelmatige lezers: Het getal der abonnees op de Ideen was in 1874, volgens opgave van M.s uitgever Funke .... 700. En deze waren verspreid over heel Nederland en kenden elkaar overwegend niet. (Zie verder M.'s Nawoord bij Ideen 3.)


[3] "Maar hoe moet men oordeelen over 't gedeelte der natie, dat gaarne luistert naar de doffe eentoonige liedjes van wie meer deden dan zingen en fluiten? Is 't wreedheid, domheid, onkunde? Wat is het, o gy lezers myner Ideen?"

Het lijkt me - zie [1] en [2] - vooral onvermogen, althans wat betreft de "lezers myner Ideen". Zelfs als we aannemen dat die paar honderd door heel Nederland verspreide en elkaar overwegend onbekende welwillende lezers van M.'s Ideen het geheel met hem eens waren: Wat konden ze feitelijk persoonlijk doen?


[4] "Moet ik 't u ng-eens zeggen dat ik geen schryver ben, geen kunstemaker, geen sprookjes verteller? Op hoeveel manieren reeds trachtte ik uw traag begrip optewekken tot erkenning, dat de opgang van myn geschryf geen gevolg is van byzonder talent, maar van de waarheid der zaken die ik medeelde? Hoelang zult ge blyven voortgaan u aantestellen - want ik kan niet gelooven dat ge op-den-duur niet beter weten zoudt - u te houden als-of ge my aanzaagt voor een schryver, voor een boekemaker?"

Dit is toch vooral bitterheid. En het is eerder omgekeerd: Het "geschryf" van M. was gefundeerd op "byzonder talent" dat hem in staat stelde "waarheid der zaken" te onderkennen en - met grote moed bovendien - mee te delen in bijzonder fraai Nederlands.

Bovendien was M. schrijver en boekenmaker, al is het geheel waar dat hij, anders dan vrijwel alle schrijvers, geen opgang zocht als schrijver, en zijn schrijftalent in dienst stelde van zijn plannen als maatschappelijk hervormer - die mislukten door gebrek aan medestanders.


[5] "Dit nu neem ik u kwalyk, lezers myner Ideen, dat ge niet even verontwaardigd zyt als ik."

Ikzelf neem aan dat de "lezers myner Ideen" (maar zie [2] voor hoe weinig dat feitelijk waren) in meerderheid niet veel minder verontwaardigd waren dan Multatuli. Maar verontwaardiging alleen is onvoldoende om tot doelbewust handelen te komen, en nog minder als de verontwaardigde ziet dat hij een tamelijk zeldzame en individuele uitzondering is tussen talloos veel miljoenen die fwel profiteren van de misstanden die M. kritiseerde fwel daar onverschillig voor waren.


[6] "O, alle schryvery zou weldra overbodig wezen, als ge myn pogingen even oprecht ondersteund hadt, als ik ze aanwendde. Zonder die ondersteuning, is me uw lof, en de opgang dien ik maak, een walg."

Dit is ongetwijfeld gemeend en de voornaamste reden dat M. rond 1874 feitelijk ophield met schrijven voor publiek. Alleen: Multatuli vond eenvoudig te weinig medestanders in Nederland om de steun te vinden die nodig was om z'n plannen en wensen te vervullen. Zie [2].


[7] "Wat hebt gy gedaan, gehandeld, geofferd, lezers myner Ideen sedert Mei 1860, den datum der verschyning van den Havelaar, dien ge zoo mooi vondt... godbetert!"

Maar wat konden ze doen behalve de Ideen lezen? Gegeven de radikale kritiek op zeer veel misstanden die M. aan de kaak stelde in de Ideen kan het antwoord alleen zijn: Een maatschappelijke revolutie maken. Daarvoor was het aantal van M.'s aanhangers en bewonderaars echter veel te klein en hun individuele macht, status en rijkdom veel te gering.


[8] "Niet drtoe eindelyk, gaf ik u de Ideen, die Times van m'n ziel, die ge zaagt geboren worden in den Vry-Arbeid, en die ge zoo gaarne leest, niet waar, vooral wanneer ik - gedwongen door den humor der waarheid - koddige vertellingen geef, die gy gretig aanhoort en toejuicht, om ze te gebruiken als voorwendsel tot het voorbyzien van al de smart die daarnaast ligt."

Ook voornamelijk bitterheid. En wie opgang zoekt met Ideen zal in de eerste plaats dusdanig moeten schrijven dat anderen hem willen lezen.


[9] "Hoogmoed? Voor den honderdsten keer, ik bn hoogmoedig, en zelfs neemt m'n hoogmoed toe, naarmate ik meer let op wat ik dagelyks om my zie. Zorgt gy dat er wat meer hoogte kome om my heen, dan zal ik me laag en klein voelen misschien - en ik zou dat terstond erkennen - maar by de laagte die me nu omgeeft, kn ik niet anders dan gelooven zeer hoog te staan."

Dit lijkt me zowel waar als terecht, maar het is zeer moeilijk te begrijpen en aanvaarden voor wie niet zelf hoogmoedig is. Zie eerst 220 - 223.

Laat ik nog eens proberen uit te leggen waarom dit zo is:

Wie werkelijk beter na kan denken of werkelijk uiterlijk fraaier is dan de zeer grote meerderheid weet dit van zichzelf en weet dit gewoonlijk vanaf z'n puberteit of adolescentie. En wie niet werkelijk beter na kan denken of niet werkelijk uiterlijk fraaier is dan de zeer grote meerderheid weet dit k van zichzelf en weet dit gewoonlijk k vanaf z'n puberteit of adolescentie.

Nu is de mens een sociaal zoogdier en sociale zoogdieren houden elkaar in een rangorde en pikorde door afgunst en egosme, en door iedereen te proberen te nivelleren tot het niveau van de doorsnee. Lees nu 107.


[10] "Is 't waar of is 't niet waar, dat ik geheel alleen staande, myn plicht durfde vervullen daarginder, toen alles meheulde met het onrecht?
Is 't waar, of is 't nietwaar, dat de natie welker eer ik verdedigen wilde, my lafhartig verliet, na wat onbegeerde en niet ter-zake dienende toejuiching over m'n geschryf?
Is 't waar, of is 't niet waar, dat door uwe lauwheid, door uw gebrek aan moed, de plaats die my toekwam, thans wordt ingenomen door allerlei wezens die omhoog vielen uit gebrek aan zwaarte?
"

Dit alles lijkt me meer waar dan niet, maar toch niet geheel terecht en ook niet bijzonder realistisch:

Eerste vraag: Ja, maar M. stond niet "geheel alleen". Ook in Nederlands-Indi waren er Nederlandse ambtenaren die het meer wel dan niet met hem eens waren, en M. werd actief ondersteund door z'n vrouw en geholpen door enkelen van deze ambtenaren.

Tweede vraag: Tja. Een ding als "de natie" is geestloos, emotieloos, waardenloos en normloos - het is een abstractie. Een "natie" kan dus niet "lafhartig" zijn en bovendien was de meerderheid van de Nederlandse ambtenaren en bestuurders en de meerderheid van M.'s mede-Nederlanders het niet en nooit met M. eens, over vrijwel alles - behalve dat M. inderdaad heel mooi Nederlands kon schrijven.

Derde vraag: Nee. Wat M. bedoelde met "de plaats die my toekwam" is iets als: Leider in Nederlands-Indi als gouverneur-generaal of in Nederland als minister-president. Nu, hier kan men heel realistisch opmerken dat zelfs als men meent dat M. een dergelijke rol verdiende op basis van z'n grote talenten en grote moed hij eenvoudig veel te weinig medestanders kon vinden om hem een dergelijke plaats te geven.


[11] "De plaats die my toekwam? Zeker! Niet om mynentwil, maar om uwentwille. My kan men niet verhoogen, daar ikzelf den rang nam, dien niemand my betwist, en waarboven geen rang te begeven valt door Natie of Koning."

Met "daar ikzelf den rang nam, dien niemand my betwist" bedoelt M.: Het zijn van een genie. Zie 74 en 77. Een fundamenteel probleem hier is echter dat genien zelden of nooit maatschappelijk leider worden en daar dan ook zelden of nooit geschikt voor zijn: Het leiden van grote groepen mensen vergt een ander soort karakter en andere vaardigheden dan het vinden van belangrijke ideen of maken van grote kunst. (De politieke leiders die zichzelf aanprezen of lieten aanprezen als genie - Lenin, Stalin, Mao, Kim Il Sung, Ceausescu, om eens wat 20ste eeuwse voorbeelden te noemen - waren stuk voor stuk geen genien maar dictators en handige politieke intriganten. En werkelijke intellectuele genien in de 20ste eeuw - Einstein, Von Neumann, Feynman, Turing, Gdel, Erds - hadden nauwelijks of geen politieke invloed of status. En inderdaad gingen de meeste van deze erkende genien - desalniettemin - voor nogal vreemde (bijzondere, eigenaardige, gekke, moeilijke) individuen door.)


[12] "Ik geloof dat my de taak toekwam, nu toevertrouwd aan wezens die ik in staat van beschuldiging stelde."

Dit lijkt me een fundamentele misvatting van M. om redenen geschetst in [1], [2] en [11].


[13] "Gewone eerzucht, ambtsbejag, zou bespottelyk wezen in Nederland, waar we dagelyks de nietigste personen zien omhoog tillen, en op zetels plaatsen, die ingenomen moesten worden door mannen van bekwaamheid en karakter."

Misschien, maar "eerzucht, ambtsbejag" zijn niet of nauwelijks rationele motieven: Zowel de bekwame en karaktervolle mensen als de onbekwame en karakterloze mensen hebben eerzucht en zoeken baantjes, macht en status.

In dit verband: De beste manier om bekwame bestuurders te krijgen bestaat in vergelijkende examens. Wie velen wil leiden zou moeten aantonen daar redelijk objectief toe in staat te zijn door bewezen bekwaamheden en karakter, en niet door talenten als volksmenner or irrelevanties als een fraai uiterlijk. En reden waarom het Chinese keizerrijk zo lang in stand kon blijven is dat het in stand gehouden werd door mandarijnen - hoge bestuursambtenaren -  die zorgvuldig geselecteerd waren op intellectueel vermogen middels vergelijkende examens.


[14] "En nog heden wil ik hem te-woordstaan, als hy den stryd durft aannemen. Ng vraag ik hem, of ik in den Havelaar al dan niet de waarheid heb gezegd? Ng vraag ik hem, of de bewysstukken valsch waren, die ik hem toezond by myn brief van Januari 1858?     Ng vraag ik, welke fout er is in myne berekening, dat er Duizend Millioen werden gestolen onder zyn bestuur?  "

Duymaer van Twist antwoordde nooit, ongetwijfeld om persoonlijke problemen te ontgaan. Hij had echter eenvoudig, waarachtig en Machiavellistisch kunnen antwoorden in de volgende zin, al was ook dat niet in overeenstemming met zijn persoonlijke belang of dat van Nederland geweest:

Waarde Multatuli! Het is een misvatting dat een koloniale natie als Nederland z'n kolonien kan exploiteren tot nationaal voordeel zonder uitbuiting, bedrog en diefstal op grote schaal. Mensen zijn nu eenmaal in meerderheid zo, en koloniale regimes ook. Ik heb vele miljoenen voor Nederland en Nederlanders helpen verdienen. U heeft de morele rechtmatigheid van die verdiensten bestreden. Wel, in het Nederland waarin u en ik leven gaat, zoals u heel goed weet, het batig saldo altijd vr de moraal. Dit komt u onrechtvaardig en karakterloos voor - maar het is de kurk waarop Nederland drijft. Aangezien ik inderdaad geen genie ben heb ik mijn plicht als doorsnee Nederlander gedaan door bij te dragen aan Nederlandse rijkdom ten koste van de Javaan. Aangezien u wel een genie bent heeft u uw plicht als genie gedaan door Don Quichotterie ten behoeve van de Javaan. De geschiedenis - en mijn Nederlands handelsvolk - zal u aantonen hoe gewild genien en Don Quichots in Nederland zijn. Hoogachtend, enz.


[15] "Dit moge nu, sedert de verovering van Jakarta, de Nederlandsche wyze van stryden zyn, edel of ridderlyk is zy niet, en ik protesteer tegen 't gebruik van zulke wapenen. Die taktiek moest nu uit zyn, vind ik, en u, lezers myner Ideen, verwyt ik dat ge jaren lang die taktiek hebt geduld."

Als ik het goed heb werd Jakarta ingenomen door de Hollanders mede doordat ze hun tegenstanders met stront bombardeerden. Het bittere voor M. is dat wat telt in de wereld vrijwel altijd de overwinnaars zijn en niet de middelen waarmee ze overwinnen.


[16] "Ik deelde feiten me. Drop vraag ik antwoord, of als men op-den-duur niet antwoorden durft, dan roep ik uwe hulp in, lezers, om de lafhartige schelmen te verjagen, wier rustig bezit van onverdiend genot, de schande is van ieder die 't zwygend of werkeloos aanziet."

Een probleem voor M. wat betreft "Ik deelde feiten me." is dat de "Max Havelaar" in feite gepubliceerd werd als roman, met gefingeerde personen, waarin bovendien door Van Lennep alle plaatsnamen vervangen waren door puntjes.


[17] "Ik ben gewoon te schryven naar den indruk van 't oogenblik. Die gewoonte schynt zoo kwaad niet, wyl ik daaraan te danken heb een - trouwens niet begeerd - roempje van talent. Doch tevens kost my die gewoonte veel, want ze brengt me, dat ontstemming me sprakeloos maakt."

Dit is aanmerkelijk letterlijker waar en minder pose dan het uit de pen van een ander zou zijn. In feite lijkt M.'s aanleg voor bipolaire depressiviteit een belangrijke rol in z'n feitelijk schrijversschap gespeeld te hebben. Zie 112, 284, 404, 446.


[18] "Moedeloos en bitter wierp ik na 521, de Wouter-geschiedenis ter-zyde, en dwong my de popee te vergeten, waarin ik u den stryd schetsen wilde van het goede in den mensch tegen de boosheid, den reuzenstryd van ware heilige pozie tegen 't leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft."

Zie [17] voor wat achtergrond bij "Moedeloos en bitter". Verder zie de conceptie van de Ideen. Het fundamentele onderliggende probleem is dat "den reuzenstryd van ware heilige pozie tegen 't leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft." altijd gevoerd is door zeldzame individuen temidden van de grote meerderheid van onverschillige conformisten en egosten waar "de wereld" uit bestaat.


[19] "Een hart dat waarheid zoekt? Ja! Weten, beminnen, geven... "

Maar voor de grote meerderheid lag en ligt het anders: Hun harten zoeken geen waarheid maar gerespecteerde leugen; ze willen niet weten maar zoeken een maatschappelijk aangepast geloof, en niet anderen beminnen maar zelf genieten van de voordelen die het zijn van een fatsoenlijk doorsnee-burger biedt, en niet geven maar een zo groot mogelijk deel van de maatschappelijke rijkdom en macht krijgen.


[20] "Maar eindelyk toch herstelde ik my genoeg, om nog-eens te trachten u optewekken uit den slaap waarin gy zyt neergezonken. Nog-eens wil ik nasporen of dan de Waarheid alleen in lynen of hoeveelheden zich openbaart, en of ze, wl gezocht, niet tevens zou te vinden zyn in de harten der menschen. Intusschen zal ik voortgaan, als-of ik niet wanhoopte..."

Zie de vorige opmerking.


[21] "Ik spreek sans comparaison, want ik houd Van Twist voor onschuldig aan uitzuigery voor eigen rekening. Zelfs hiertoe was de kleinburgerlyke man te ordinair, te traag, te schuw. Zyn oneerlykheid was van voorzichtiger aard. Hy zag 't oogluikend, gemakshalve aan, dat anderen zich waagden aan de mogelyke gevolgen van diefstal, en bepaalde zich heel veilig tot het wederrechtelyk achterhouden van een zeer groot deel der inkomsten, die den Onderkoning van Insulinde ter bestryding van representatiekosten zyn toegelegd. Met dien spaarpenning heeft-i zich 'n plaats in de Eerste-Kamer weten te verschaffen. En de natie vindt dat goed!"

Wel, zie [14].


[22] "Zonderling blyft het, dat men tegenwoordig vry algemeen de onmogelijkheid der vernietiging van de stof begrypt, en toch vasthoudt aan 't even ongerymde scheppen uit niets."

Ja, dit is juist. Mr dan de aanname dat er iets is waarin mensen leven, voelen en denken en dat ze in staat zijn althans enigermate te begrijpen is niet nodig.

Idee 528.