Idee 527.                                                 


(Overgedrukt uit den Tydspiegel, van November 1860). Max Havelaar aan Multatuli. Waarde Multatuli! Neen, dat zal niet gaan... ik ben geen schryver: Te Brussel heb ik een man gekend, die steenen zaagde voor grafzerken. Hy zaagde acht uren daags, en dacht aan wat hy wilde. Ik ben jaloers op dien man, maar... een schryver ben ik niet. [1]

Men biedt my geld aan, zooveel voor 't vel. Hoe bedoelt men dit? Die steenzager ontving, meen ik, dertien franken voor een ‘volwassen’ zerk, en voor kinderzerkjes iets minder. Ook was er verschil in de betaling naar de soort van steen, en die hing weêr af van de maat der treurigheid. Ik voel wat ge denkt... gy meent dat de keus tusschen marmer en zandsteen bepaald wordt door den rykdom van den treurder? In zekeren zin, ja. Maar het gaat niet geheel door. Armen, byv. of de zoodanigen die den geheelen dag noodig hebben voor de zorg om in 't leven te blyven, mogen en kunnen niet treuren. Treuren is weelde. Waar getreurd wordt, is geld. Geld voor marmer of hardsteen.

Geld voor een buste of 'n kruis. Geld voor immortellen, haarschilderytjes, hoopvolle citaten uit de Schrift, of krullige bid-voor-de-ziels. De arme - zie er Walter Scott op na, in zyn Oudheidkenner - de arme heeft wel wat anders te doen, dan te treuren om 't verlies van broêr, zuster, vader, moeder of geliefde. De arme heeft geen broêr, geen geliefde. Hy heeft niets van dat alles. Hy heeft zyn leven te onderhouden, anders niet.

Het kind van den arme is een lastpost op 't budjet. De man, de vader, in 't gezin van den arme, is een blanke Javaan die jenever drinkt, en zaterdags zyn batig saldo komt storten. De moeder is een Amerikaansche naaimachine. Waar de vader sterft, zyn zeven gulden 's weeks verloren. Waar een kind bezwykt, is een pak kleêren over.

- Dâs en broekie fâ me broertje, weet-uwe, fâ me broêrtje dâ doot is. I-j-is ferléje week gesturreve-n-en leit op sint-entonies, weet-uwe.

Zoo zei dat jongetje. Ik had schik in zyn ephelkustieke n... maar dat hy zoo grootsch was op 't broekje van z'n broêr... dat hinderde my. Och, dat arme broêrtje zonder broek! en toch:

      Es muss doch ruhig sein,
 Da unter Gras und Blumen,
      Zu schlafen ganz allein!

Daar ziet ge weêr wat verzen zyn! Want, ga eens kyken op dat St. Antonie's kerkhof, en zoek er naar bloemen! Gy zult er hoogstens de gemeene bloemen vinden, die de natuur voor-niet geeft, maar beschaafde, fatsoenlyke, officieel-treurende bloemen vindt ge daar niet. Ik lieg ze er maar by, in myn liedjen, om de maat.

Wanneer gy nu een zerk bestelt by dien man te Brussel, denk er dan aan, hem uwe maat optegeven, anders blyft gy ongedekt, tot veertien dagen na 't weêrschryven. Ik verzeker u dat hy geen hand aan de zaag slaat, voor hy weet hoeveel plaats ge denkt intenemen.

- Nit woar, menier... 'k ên mut tuch wêten, uf dien hier loangk uf kurt ies?

En ik dan, Multatuli! Hoe kan ik weten wat de maat is van de ziel der heeren die myn geschryf bestellen? [2] En al wist ik die maat... ach, 't zou toch niet gaan! Ik ben geen schryver, en gy ook niet. Ik heb daar juist een recensie van uw boek gelezen, waarin veel waars voorkomt. Ik meen in de recensie. Men zegt daar onder anderen, dat het een misgeboorte is... nu bedoel ik uw boek, natuurlyk. De recensent, die ter-goeder-trouw schynt te gelooven dat gy slechts een boek hebt willen schryven, heeft groot gelyk het als zoodanig een misgeboorte te noemen. Ikzelf vergelyk het by een kalf met te veel staarten, en zonder kop. De recensent kon niet weten, of kon voorgeven niet te weten, dat er juist een kalf zonder kop of te veel staarten noodig was. De Memorie waarover ik u sprak in myn vorigen brief *  - ik zie, gy hebt die laten drukken, zeer goed! - dat stuk nu, was wèlgeboren, en heeft geen geluk gehad. De misgeboorte die gy voortbracht, het boek over de koffiveilingen, schynt beter in den smaak te vallen. Ik maak amende honorable voor de verwyten die ik u deed over uw verzen uitschryven, en uwe hevigheid. Gy hadt gelyk, voddery te geven waar voddery noodig was. De uitkomst heeft u gerechtvaardigd, want uw boek maakt fureur, en myn geschryf, zonder slechte verzen... helaas! * 

Maar... meen nu daarom niet, dat ge goed schryft. Er is geen enkel boek goed geschreven, en 't uwe het minst van al. Als ge verwacht, op die wyze iets duurzaam goeds tot stand te brengen, hebt gy gerekend buiten uw gebrek aan talent. Of liever gy vergeet dat een ziel zich niet openbaart in woorden, allerminst in gedrukte woorden. [3] Één slag op de tafel bewyst meer, bewerkt meer althans, dan duizend frazen. Cromwell was de welsprekendste man der wereld. Gy kent zyn redevoering: Neem weg die prullen! En hy nam die prullen weg.

Waar gy op 't gevoel werkt, zyt ge komediant. Of kunt gy ontkennen, dat ge by die aandoenlyke tirade - ik weet niet, waar - zyt opgestaan om uwe sigaar aantesteken? En waart ge niet innig verdrietig, by 't schetsen van dat koddig tafereel? Was er niet studie, in 't naast elkaêr leggen van ernst en luim, van schaterlach en traan?

O, meent ge, studie schaadt niet, studie is noodig, zonder studie ware er niets goeds voorttebrengen... toegestaan! Maar met studie ook niet. Zonder studie zyt ge slordig en dom. Met studie, gemaakt en tooneelächtig.

Als ik myn zin had, kwamen er geen andere boeken in de wereld, dan handleidingen tot de grondbeginselen van deze of gene wetenschap. Ja, vooräl grondbeginselen... verder komen we niet. Alleen boeken over de sciences exactes kunnen iets waard zyn. Wat daarbuiten gaat, is leugen. [4]

Zoudt ge wel gelooven, dat ik in veel dingen party-trek voor Droogstoppel? Jazelfs, ik zou den man hoogachten om vele zyner meeningen, als maar mocht verondersteld worden dat hy die te danken had aan redeneering, en ze niet aankleefde uit gebrek aan ziel.

Gy wilt dat ik schryven zal, en verzekert my dat de Tydspiegel zoo goed zal wezen myn geschryf optenemen. Eilieve, hoe zoudt gy staan te kyken, als men u zeide: ‘praat eens wat, daar is een man die naar u luisteren wil, hy zal u ruim beloonen voor uw moeite.’ Beproef dat eens, en zie in den spiegel, of ge er niet uitziet als de aanspreker tot wien men zeide: ‘spreek my eens aan?’

Zonder geheel te deelen in het gevoelen van hen die de uitvinding der boekdrukkunst een ramp noemen * moet ik toch bekennen dat die zoogenaamde kunst veel kwaads heeft te-weeg gebracht, vooräl sedert men van boekenschryver een beroep heeft gemaakt. [5] Men mag onderstellen van iemand die vóór die uitvinding iets voortbracht dat de moeite van 't op- of overschryven waardig werd gekeurd, dat hy werkelyk iets te zeggen had. De kans is grooter althans, dan nà Coster of Guttemberg. Maar sedert men het schryven heeft verheven - of verlaagd - tot een broodwinning, spreekt het vanzelf dat er om het lieve brood, gedurig iets moet geleverd worden van weinig gehalte. Ik wil eens de volgende berekening maken. Ik ben veertig jaar, en zou my kunnen bezig houden met schryven tot myn zeventigste. Dit geeft - tien vel druks in de maand gerekend - over dertig jaar, vierdehalf duizend vel, zegge: zes-en-vyftig-duizend octavo bladzyden, zegge: honderd-veertig boekdeelen. Daarvoor zou my worden uitbetaald... ik weet niet hoeveel duizend gulden. Welnu, ik moet betuigen dat al wat ik weet, te schryven is op een klein blaadje, en dat men een slechten koop sluiten zou, als men daarvoor een braspenning betaalde. [6]

Beschuldig my niet van hoogmoedige nederigheid, want myn oordeel over anderen is niet veel beter. Ik heb reeds gezegd dat ik niet spreek over boeken die exacte wetenschap behandelen, maar denk eens aan dezen of genen schryver van beroep, die fantazie-stukken heeft voortgebracht - liefst aan een veelschryver, van wien gy alle werken gelezen hebt - en ik vraag u wat ge derven zoudt, wanneer gy al dat geschryf niet gelezen hadt? Ik wil u terstond op de proef stellen... antwoord snel... zoek geen uitweg... wat hebt gy geleerd van Walter Scott?

Als ge nu voor my stondt, zou uw stamelen bewyzen dat ik gelyk heb.

- Walter Scott? Walter Scott? Ja... Walter Scott... hy is... hy heeft... hy schreef...

Juist! Gy weet het niet! Ge zoudt des-noods al zyn romans kunnen opzeggen uit het hoofd, maar gy stützt op de onverwachte vraag: wat hebt ge van hem geleerd?

Nu denkt ge my gevangen te hebben door de tegenwerping dat ikzelf zoo-even Walter Scott aanhaalde om te bewyzen dat de arme niet treurde.

Zeker, ik heb dit gedaan omdat ik ongelyk had in die bewering. De arme treurt wèl. Ik haalde Walter Scott aan, omdat ik het tooneeltjen aan 't strand, waar die arme visschersweduw haar netten herstelt, zoo lief geschetst vind... zóó lief, dat ik me liet verleiden tot wáár-vinden van de pikante leugen, die de schryver vastknoopt aan die verscheurde netten. Zie 't eens na, of liever... doe wat beters.

Een schryver - iemand die van schryven een beroep maakt - spreekt, zonder dat hy iets te zeggen heeft. Hy levert uitdrukkingen, waar geen indruk is. Hy weerkaatst beelden die niet bestaan. Hy jaagt op pikante tegenstellingen, en moet daaraan de waarheid opofferen. Jazelfs, indien toevalliger-wyze de waarheid pikant is - zoo als hier-en-daar in uw boek - dan nog mag hy die niet geven zoo als ze is, eenvoudig en kort. Hy moet ze rekken op 't Prokrustus-bed van den uitgever die staat-maakt op zooveel kopy. Hy moet haar kleuren, opsieren, aankleeden... dat is, met één woord, hy moet haar tot leugen maken. [7]

Al het schoone dat Jezus gezegd heeft, zou geen half vel druks vullen! [8]

Ik deed eens een reis met een fransch schip. De bevelhebber, een zeer wetenschappelyk man, had uitgebreide correspondentie te voeren met geleerde genootschappen, en hy gebruikte daartoe een zyner scheepsofficieren, die eigenlyk geen zeer goede opleiding gehad had - de man lag gedurig overhoop met Noël et Chapsal - maar die zich byzonder duidelyk wist uittedrukken. Ik sprak eens met dien man over styl, en vooral over zyn styl, die naar myn inzien uitstekend was.

- Mais... c'est tout simple. Avant de commencer, je me demande ce que j'ai à dire.

Ziedaar, geloof ik, de heele taktiek van een goed stylist. Maar... daaruit volgt tevens, dat er weinig te schryven valt, want: on n'a pas toujours quelque chose à dire! *

En wanneer ge nu aan dezen taktiek-regel de meeste boeken toetst, zult ge met my instemmen dat er weinig boeken goed geschreven zyn. Wat doet byv. die steenzager in myn brief? Of dacht ik er aan, dat ik zoo spoedig een voorbeeld zou noodig hebben van slecht schryven?

Wie zich toelegt op goed schryven, kan nooit veel voor den dag brengen. Ziehier myn tegenwoordigen epistel teruggebracht tot den eenvoudigsten - d.i. tot den besten - vorm. [9]

Waarde Multatuli! Ik kan niet schryven.
M.H.

Maar dan gelooft men 't niet. En men zou gelyk hebben my niet te gelooven, als ik zoo schreef. Men wil omhaal, voorrede, tusschenrede, narede, alles tegen de rede, en zonder reden. Van wien is ook weêr die aardige satire op veelschryvery en breedsprakigheid, naar aanleiding eener advertentie op den dood van een koekbakker? Daarin waren oorspronkelyk vermeld: ouderdom, aard en duur der ziekte, geloofsbelydenis, gronden van troost voor de nablyvenden, voornemens over rouwen of niet rouwen, en ik weet niet wat al meer. Jazelfs de Openbaring van Johannes was er by gehaald. Een flink vriend zette de schaar er in, en de advertentie kwam ten-laatste neêr op:

Jan... zóó, is dood.
De weduw blyft koekbakken.

Dat nu de Oprechte-Haarlemmer zoo-iets niet prettig vindt, begryp ik. *  Maar de belangen van den Haarlemmer zyn niet altyd in overeenstemming met het algemeen belang en den goeden smaak, en dan moet de Haarlemmer wyken, dunkt my. Als die flinke vriend by my kwam met zyn schaar, kreeg de Tydspiegel geen kopy.

Ik zie 't u aan dat ge beschaamd zyt over uwe bedremmeldheid van zoo-even, toen ik u vraagde wat gy geleerd bidt van Walter Scott. Gy hebt nu een antwoord bedacht. Ziehier:

- De opgave is niet altijd, en niet alléén, iets te leeren. Die lectuur heeft myn schoonheidsgevoel ontwikkeld...

Uwe bewering is verwaand, en - wat meer zegt - onwaar.

Ge zyt immers een Nederlander? Een Amsterdammer zelfs, geloof ik. Welnu, dan wil ik eens dat ontwikkelde schoonheidsgevoel van naby bezien, en neem gemakshalve al uw stadgenooten by elkaêr. Zij allen hebben Walter Scott gelezen, en Notre Dame de Paris, en Frederika Bremer en Grandisson, en den braven Hendrik...

Gylieden ademt dampen in van vuil water... het ziet zwart. [10] Toch zyn er in uw stad, schryvers die verzen maken, waarin kristalbeekjes eeuwige liefde ruischen... of murmelen, ik weet het niet. Als er verband is tusschen helderheid van water, en liefde - wat ik niet ontken: al het schoone is verwant - dan ben ik zoo vry een evenredig verband te zoeken tusschen modder en hatelykheid. Gylieden vat dit verband niet: gebrek aan schoonheidsgevoel.

Uwe straten zyn krom, benauwd en morsig. Uwe dochters loopen over die straat. Dit hindert u niet: gebrek aan schoonheidsgevoel.

Gy gaat uit met uwe vrouw. 't Is mooi weêr. De kleine moet in de lucht, en de bonne volgt u met het kindje. Neen... ge laat de bonne voorgaan, om haar in 't oog te houden, want ge ziet graag den kleine dien ze draagt. Ook is 't noodig het dienstmeisje te waarschuwen van-tyd tot-tyd, voor aanrollende rytuigen, kruiwagens en gedrang...

- Steun het hoofdje wat! roept uwe vrouw, en ze heeft gelyk. Want die kleine kop is wat zwaar voor 't halsje... en dan die schokken van den tred...

- Op-zy... op-zy... myn hemel!

Ja, op-zy! Op-zy voor een handkar. Op-zy voor een kar vol jonge kalveren, op- en naast- en door-elkaêr gesmeten, met de koppen log heen-en-weer slingerend over den scherpen kant van de kar...

Die kalven zijn zoo oud als uw kind, en men gaat ze slachten.

Dit hindert u niet: gebrek aan schoonheidsgevoel. [11]

Ik heb lust u een kleine geschiedenis te verhalen, en sla over wat ik zou te zeggen hebben over vele zaken die ge dagelyks waarneemt, en die uw schoonheidsgevoel moesten kwetsen, als alles waar was, wat gy beweert omtrent die lectuur. Ik zou u kunnen spreken over vochtige kelderholen, suikerbroodige dames, bedelaars in lompen, kraampjes en uitstallingen tusschen de inspringende hoeken uwer kerken, advertentiën in de couranten over specifieke geneesmiddelen, opgeschikte vrouwspersonen die u aanroepen, walgelyke inrichtingen voor... ik zoek een fatsoenlyk woord... kort-om, ik had een gansche kyriëlle gereed om u naar 't hoofd te werpen, maar gy komt er goed af. Ziehier alleen die kleine geschiedenis.

Ik wandelde met háár. Hebt ge verstand van liefhebben? O, antwoord niet te snel! Er zyn er weinig die 't recht hebben hartelyk ja te zeggen op die vraag. Ze was myn ideaal, myn blyde boodschap. Tine zou ditmaal ongelyk gehad hebben, zy die altyd zegt dat de kleur der voorwerpen die ik zie, veelal maar 'n weerschyn is van myne kleur. [12]

Fanny - ik noemde haar Fancy - begreep me zoo goed.

Nooit vraagde zy: hoe leeft ge toch? Hoe betaalt gy de huur van uw kamer? Wat eet gy? Zy vergat dat alles, als-of ze ikzelf was. En ook ik zag in haar geen persoon van vleesch en been, met spieren, pezen, zenuwen... geen aangevuld skelet. Maar 't duurde niet lang, gy heeren met uw schoonheidsgevoel!

We spraken - neen, spreken deden we niet - we dachten samen aan onsterfelykheid en wederzien. Ik heb u vaak gezegd dat ik niets weet. Maar op dien avend - alleen met myn fancy - meende ik wat te weten. Althans het kwam my ongerymd voor, dat ik ooit Fanny of myn fancy zou verliezen. Was zy niet ik? Dachten en leden wy niet samen? Was myn voortbestaan mogelyk zonder het hare? Wat zou er overblyven van myzelf, zonder fancy? En kon zy vergaan? Neen, neen, duizendmaal neen... ik geloofde!

Voor een spekslachterswinkel hingen twee varkens. Ze hingen daar, opengespalkt, bloederig en nog bloedend, nog rookend. De gespleten kop van het grootste stuitte op de vuile straat, en boog zich ter-zyde met pynlyke wending...

O Multatuli, lach niet! Ik zou vloeken wie er om lacht... dat varken kuste het kleinere dat naast hem hing! Ik heb het gezien! Zóó had ik Fanny gekust! Ernstig, weemoedig, treurig, met gebogen hoofd... zóó had ik Fanny gekust!

En toen ik haar aan 't hart drukte, ik, dwaas, die meende dat ik een engel omhelsde, zonder vleesch of been... een engel, die gedachte is, en gevoel, en liefde, alles in geest alleen... o, toen had ik iets omärmd, als 't arme dier dat daar hing, en dat uit zyn gekneusd lyk zoo luid tot my sprak:

- Ook ik heb geademd, geloopen, gespeeld. Ik heb, als gy, begeerd, gevreesd, genoten. Ik had lief naar gaven en vermogen... zie wat ze gemaakt hebben van myne liefde naast my! Zie in my, en beschouw uwe liefde van-binnen!

En er kwam een hond, die lekte aan 't druipende bloed dat zich marmerde in den modder.

En er gingen meisjes voorby, die lachten. [13]

Maar toen ik afscheid nam van fancy, noemdehaar Fanny, zoo-als ze thuis genoemd wordt door haar ouders en broeders, die haar waren naam niet kennen. Ik had m'n fancy verloren voor langen tyd.

Ach, als ge werkelyk gelooft dat romans ‘en zulke dingen’ gunstig werken op schoonheidsgevoel, leg dan wat geld by-een met uwe vrienden, koop een groote, groote, collectie van die boeken, en zend ze aan de heeren die de stad uwer inwoning besturen.

Nog iets. Laat het voortaan by vonnissen tegen doodslagers en geweldenaars, eens-voor-al gelden als verlichtende omstandigheid: dat de beklaagde is opgegroeid in een stad, waar men, door het tentoonstellen van opengehakte natuurgenooten, zich beyverd heeft hem, van der jeugd af, gemeenzaam te maken met bloedstorting. [14]

Nu weer over schryven gesproken. Ziehier hoe ik, volgens de les van dien franschen officier, de geschiedenis van 't geslachte varken had moeten vertellen:

Eenig artikel. Er moeten abattoirs worden opgericht buiten de stad.

Maar zou 't gebaat hebben? Waarlyk niet! Fanny moet er by, en de onsterfelykheid... Fancy in 't eind.

Dit is wansmaak. Zeker! Mag ik daaraan toegeven? Gy deedt het in uw boek, en met goed gevolg  *   dit moet ik erkennen, maar 't walgt my.

Wat er voorvalt tusschen my en fancy, behoort my. Ik kan dat niet weggeven - niet verkoopen althans - zonder onkuisheid.

't Is waar... zóóveel voor 't vel...

Maar begrypt ge niet, dat dan ook de veile deern in haar goed recht wezen zou, als zy zóóveel lonken geeft voor zooveel geld?

't Is voor hare moeder misschien. Ze onderhoudt haar broertjes met 'r walgelyke winst. Dit is mogelyk, en dan is zy - engel of niet, maar diep gevallen zéker - de weldoende engel van haar gezin... al doet ze niet wel.

Flauwe woordspeling... ik lyk wel een Franschman. O, als gy de brieven laast, die ik aan Fanny schreef, vóór dat arme varken! Die brieven waren oprecht. Er was geest in, gevoel, vuur, en dat alles met eenvoud. Haar had ik lief, et j'avais toujours quelque chose à lui dire!

Maar brieven als aan Fanny kan ik u niet geven. Kan 't meisje dat zich verkoopt, u den glimlach geven, dien ze lachte vóór zy wist dat er wat te verdienen was met zoo'n lach?

De schoonste regel die misschien ooit geschreven is - gy zult vreemd opzien - staat in het duitsche versje, dat gy uit myn pak hebt gehaald. Niet ik had dien regel geschreven. Hy is van kleinen Max, een kind van vyf jaar.

- Moeder, als ik groot ben, zal ik u zoo liefhebben, dat ik u een ster kan geven. [15]

Ga er eens toe zitten, en schryf eene verhandeling over de liefde. Beproef of gy in honderdduizend regels iets kunt voortbrengen, dat zóóveel zegt over de kracht van liefhebben? En zeg nu niet: hoe komt een kind daaraan? Juist een kind heeft veel grooter kans, iets goeds te zeggen dan... een schryver. Het behoeft er de Schrift niet op natezien, om te voelen dat de liefde alle dingen overwint.

Ik zal u een ander voorbeeld geven van goed schryven. Er was onlangs kermis te Amsterdam... neen, vrees niet, er komt niets in van de Westermarkt. Gy weet dat ik veel van muziek houd. Muziek is my een ware behoefte, en meermalen offerde ik myn middagmaal op, om een concert bytewonen. Maar in myn smaak ben ik burgerlyk. Bravourstukken bevallen my niet, en een vol orkest doet me zeer. Ik loop groote kunstenaars uit den weg, en toen ik eens, half gedwongen, Winlawsky hoorde, wekte hy maar ééne gedachte in my op: wat zou die man met z'n snelvingerigheid een carrière hebben gemaakt als zakkeroller.

Ik kan niet goed beschryven hoe de muziek wezen moet om my te behagen. En al kon ik dit, dan nog zou ik my daarvoor wachten, om niet door alle dilettanten te worden uitgemaakt voor een barbaar. Maar sommige meesters zouden my vriendelyk toeknikken. Met zang gaat het my even zoo. Een nietige romance zal my treffen, maar ik blyf koud by veel kunstig geluid. Koud is het woord niet, want ik heb altyd innig medelyden met de menschen die hun klanken moeten uitpersen met zooveel moeite. Myn eenige indruk by zulke gelegenheid is: arm schaap, ik schenk u die noot. Want ik kan geen evenmensch zien lyden zonder smart te voelen, wat met andere woorden zeggen wil, dat ik pyn in de keel voel by moeielyke muziek. 't Is waar dat het publiek gewoonlyk gekomen is, juist om de noot te hooren, die ik 't mensch schenken wilde... maar ik blyf er by, dat het een zonderlinge smaak is, de vox humana eerst dan schoon te vinden, als ze toonen voortbrengt, die men veel gemakkelyker en goedkooper kan halen uit een dwarsfluitje.

Ik was in 't Odéon [16], waar een talryk gezelschap kermiszangers alle avenden een talryk publiek lokte, meestal ‘buitenmenschen’ zoo-als de Amsterdammers iemand noemen, die ‘meisje’ zegt voor ‘meissie.’ Fatsoenlyke Amsterdammers met hunne meissies gaan in kermistyd niet naar 't Odéon, dat ze dan ook - fatsoenshalve zeker - Oodeon noemen. Ja toch, jongelui... dat kan er even door.

Veel schoons werd er niet uitgevoerd. Men hoorde daar chansons comiques, burlesque scènes, heterogene potpourri's, saemgelapte mozaïk-brokken met geüsurpeerden rang van ‘fantaisie’ gerangeerde meesterstukken... kortöm, het was een kermisvermaak. En zie, daar zongen twee meisjes waarop ik niet eens acht had gegeven - want mooi waren ze niet - eene romance, die my trof. Ik stond achter in de zaal, en kon dus de woorden niet verstaan, maar voelde my liefelyk aangedaan door de melodie welke my iets vertelde van minneklacht en vroolykheid, van zang en dood, van hartstocht en van rust. Later heb ik my kunnen overtuigen dat ik goed verstaan had, en me niet bedroog als byv. Bolivar, die de sentimenteele pastorale van zyn vriend den armen student gebruikte - en met succes! - als een stormmarsch...

In 't voorbygaan: wat al leugen in de muziek! George in de Dame blanche, zingt zyn heele ciel naar den kelder, en het fille chère! van Eleasar, in de Juive, is een perfecte melodie voor een drinkliedje, hoe platter hoe liever. Zing 't maar eens, en neem er een glas by, en waggel een beetje:

 Laat ons drinken,
 Laat ons klinken,
 Laat ons vro... ho... ho... lyk zyn!

Men kan er de jenever uit proeven, en volgens den tekst van de opera zou het toch kokende olie moeten wezen. Och, Multatuli, waarom hebt ge Droogstoppel laten stikken? Wat had hy met zyn nuchter verstand nog veel goeds kunnen uitrichten. Ik houd van dien man.

Welnu, in 't Odéon bedroog ik me ditmaal ausnahmsweise niet. [17] Al de aandoeningen die de melodie der romance in my opwekte, had de dichter waarlyk neergelegd in de woorden. Er was ditmaal inderdaad overeenstemming tusschen die twee zusters in Apollo: poëzie en muziek, toon en gedachte.

Maar... er waren nog meer punten van overeenstemming. De meisjes zongen niet kunstig. Ze waren niet schoon, en maar povertjes gekleed. Wel had de oudste een gevoelvolle of gevoelwekkende alt ten geschenke gekregen van de natuur, maar dit was ook byna alles. De jongste had aan de natuur weinig te danken, en aan haren muziekmeester niets, naar 't me voorkwam. Het gebeurde dan ook dikwyls, dat zy door hare zuster bestraffend werd aangezien met een blik, die zeide: lieve Bertha, hoe zal 't gaan met onze ouders en onze broêrtjes, als je niet beter leert zingen?

Wánt - dit vernam ik later - die gemeene kermismeiden zongen voor hare ouders.

Al dat gebrekkige, dat onschoone, dat onopgeschikte, harmonïëerde met de romance, die geen opschik gedoogde. Hier is ze:

 Zwei Nachtigallen sangen
     In einem Gartenraum;
 Auf hoher Tanne die Eine,
     Die andere auf blühendem Baum.
  
 Das Lied der Einen war freudig,
     War glühender Liebeskusz...
 Das lied der Andren war traurig,
     Wie schmelzender Wehmuth ergusz.
  
 Vom Blüthen-Baume steigt Jubel
     Melodisch im lautem Klang...
 Von der Tanne wallte hernieder
     Der Klage seufzender Sang.
  
 Und lauter wurde das Jauchsen,
     Und lauter wurde der Schmerz...
 Da brach die Wonne der Einen,
     Die Wehmuth der Andren das Herz.
  
 Da sanken die Nachtigallen
     Hinab in den Gartenraum,
 Und trauernde Zweige neigte
     Ueber beide der blühende Baum.
  
 Und deckte mit fallenden Blüthen
     Die Herzen so fruh verblüht...
 Und es rauschten die Tannenzweige
     Den Sängern ein Schlummerlied.

Ik zal er geen noten by schryven, zoo-als gy myn vriend Droogstoppel laat doen op dat ‘ding’ van Heine. Ik zeg dat het lief is, en wie anders meent, is zelf niet lief. [18]

Ik drong door de menschen heen, en vraagde aan de meisjes of ik 't lied mocht zien, dat zy gezongen hadden.

- Wy hebben het niet hier, mynheer. Maar als ge zoo goed wilt wezen morgen weêr te komen, zullen wy het u geven. Wy zullen... myne zuster zal het voor u uitschryven. Niet waar Bertha?

- Recht gern, zei Bertha die nog een kind was.

De oudste kermismeid die jong was, maar geen kind meer, scheen te gevoelen dat de ‘kleine Bertha’ dat ding voor my moest uitschryven, en niet zy.

Ik kende de gemeene duitsche meisjes te goed, om verwonderd te wezen over die kieschheid. Gy weet, Multatuli, hoe ik eenmaal rondzwierf met die Silesische zangersfamilie... och, 't heeft my zwei Thaler boete gekost: omdat ik ‘keinen Gewerbschein’ had. Wat lachte Anna, die my das Lied der Thräne uitschreef met dubbel onderstreept laatste woord: auf wiedersehn! Gy, die u Multatuli noemt, ge hadt eens haar guitar moeten dragen!

Maar dien avend in 't Odéon, was ik ontevreden over Riekchen's aanbieding om die nachtegaals-elegie voor my te laten uitschryven. Zóó had ik 't niet bedoeld.

Dat komt er van, als men zich inlaat met gemeen volk. Primo: ik moest nu den volgenden avend terugkomen, wat anders myn voornemen niet was. Secundo: door het aannemen van 't my toegezegd afschrift, laadde ik 'n soort van verplichting op my. Ge weet dat zulke menschen niets voor-niet doen. Tertio: ik kwam daardoor in eene relatie, die... die... kortom, 't is niet goed eene kapelsteeg in te gaan.

Maar ik was den volgenden avend in 't Odéon. Bertha wenkte my en gaf me 't beloofde.

Toen maakte ik twee verzen, 't ééne ‘heel grappig’ en 't andere ‘met godsdienst’ voor een paar dames, die my daarom hadden gevraagd, om hare ouweluî te verrassen by den aanstaanden zilveren bruiloft. Ziehier hoe dat toeging.

- Niet waar, meneer, uwe is ommers meneer Havelaar -

had de meid gevraagd, die me scheen optewachten op den stoep van een huis waar ik vaak voorbyging

- mevrouw wou uwe zoo graag es spreke, en de jonge-jufvrouw ook...

Ce que c'est que la gloire... och arm!

Toen die beide dames my hare wenschen hadden voorgedragen, verwees ik ze naar Onstee of Schenkman. Maar... let nu eens op, hoe de menschelyke lotgevallen in elkaêr grypen.

Na het aannemen van de romance, was ik aan die gemeene kermismeiden iets schuldig. Gy weet dat ik... niet zeer ryk ben. Ik meldde my aan by de mevrouw die een ‘godsdienstig’ vers noodig had. Het zusje, dat een ‘grappig’ gedicht wenschte, was present.

Ah... m'nheer Havelaar!

Ik zag rond, en ja... op de étagère stond nog de flakon die me by 't eerste bezoek was in 't oog gevallen. Het was een langelys, gemonteerd met zilver:

- Mevrouw... ge behoeft niet naar Onstee te gaan.

- O, dat is heerlyk, riep ze, wilt gy het doen? Maar... godsdienst... weet u... véél godsdienst!

- En 't myne grappig... heel grappig! riep de kleine.

Ik stond in 't midden van de kamer. De twee zusters ter-weerszyde. Ik voelde een lieve hand op elken schouder. De meid, die my had binnengeloodst by 't eerste bezoek, stond in de geopende deur. Ze had iets triumfeerends in haar blik, als riep ze: dien god heb ik gemachineerd!

't Was een treffend tooneel, Multatuli!

- Mevrouw, ge zult uw vers hebben!

- Goddank! En wat veel...

- Godsdienst. Vol godsdienst, Mevrouw! Uwe ouders zullen schreien over al de godsdienst.

- En ik, m'nheer Havelaar, ik?

- Jufvrouw, ge zult uw vers hebben!

- En grappig?

- Vol grappen. Uwe ouders zullen schateren over de grappen, de lieve menschen!

Ik kende ze niet.

- Heerlyk, heerlyk! riepen beiden, en de handen verlieten myn schouders om te klappen...

Maar... zei ik op een graftoon... 

Schrik!

... maar... op één voorwaarde...

- O spreek, spreek... wat wilt ge?

De kleine meid stak haar lief dom gezichtje toe. Die meisjes meenen altyd dat het om een kus te doen is, alsof 't leven een pandspelletje ware. Mevrouw keerde zich ietwat af, maar niet veel. Ik weet niet wat aanlokkender is . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

- En nu, mevrouw, een ernstig woord: ge zyt met uw tweeën...

- Ja, ik en...

Een blik op 't zusje.

- Juist. En deze flakon?

Ik nam de langelys.

- Is die flakon ook gepaard?

- Gepaard?

Ja... ik moet er twee hebben. Twee, niet hetzelfde, maar op elkaêr gelykend. Niet even groot, maar samen een stel uitmakend. Niet gelyk gebloemd, maar beide aardig, lief, elegant. Er moet harmonie wezen door 't verschil, symmetrie door afwyking, overeenstemming door onderscheid. Mevrouw, ik moet twee flakons hebben, tot elkander in rede, als gy tot uwe zuster... als langelyzen tot pieterselie!  *  

Zoo sprak ik. En myn rede had indruk gemaakt. Zy zeiden iets als: ‘pieterselie of sterven!’ [19] en ik ging naar huis om de verzen te maken.

Den volgenden dag - ik bedoel natuurlyk den volgenden avend, want het geheim van de verrassing moest bewaard blyven - sloop ik het huis in, met myn godsdienst en myn grappen, en verliet het - na wat pandspel - met twee flakons. By 't uitlaten, vraagde my de meid om een brief op rym, voor iemand die tydelyk in het Kamp te Millingen logeerde...

Multatuli, wat hebt ge van my gemaakt!

Ik pakte de twee flakons in een reglement op den garnizoensdienst, schreef er een kort briefje by, met een paar taalfouten - bah, die kermismeiden! - en gaf een-en-ander den knecht in 't Odéon ter bezorging. Deze zocht my op in de zaal, en zeide.

- De jufvrouwen laten u bedanken, en zullen u schryven.

Daar heb je 't al, dacht ik. Verzen gemaakt, pandspel, flakons met zilveren dop... en waarom dat alles? Om er af te zyn. En zie... nu ben ik er niet af!

Ik verwachtte een briefje als: Waarde Heer! Wy wonen in de... zóó-straat, nummer zóóveel. Of althans iets dat de strekking had om de relatie aantehouden met iemand die zulke fraaie geschenken gaf. 't Is waar, de pieterselie was wat verbakken, en de langelys waggelde. Ook was 't monteersel vry dun. Maar had ik dat alles dan niet duur genoeg betaald? Was de straf niet zwaar genoeg? Twee verzen... en welke verzen, lieve hemel! En 't pandspel? En Millingen? Foei, foei... had ik dàt verdiend? Ik zat in angst voor den volgenden avend, en toch... wegblyven durfde ik niet. Zy zouden in-staat zyn my optewachten, nateroepen, te dagvaarden...

De knecht gaf me werkelyk den volgenden avend een briefje. Ik heb u een voorbeeld beloofd hoe men goed schryft... ziehier:

Sehr geëhrter Herr!
 
Mit groszem Vergnügen empfingen wir Ihr schönes Geschenk. Wir sagen Ihnen unsern herzlichsten Dank: aber um so mehr Freude macht es uns, da wir in einigen Tagen Holland verlassen werden, und Ihr liebes Geschenk für uns nur eine angenehme Erinnerung bleiben wird.
 
Achtungsvoll grüszen,
Riekchen und Bertha L.

Ik noem dat briefje schoon, Multatuli! * 

Toen heb ik de meisjes opgezocht, en ik voelde me zeer vereerd, dat ze my wilden ontvangen. Twee dagen daarna begeleidde ik haar naar de spoor, en by 't afscheid heb ik ze hartelyk gezoend. Wie 't afkeurt, keur ik af.

Den volgenden nacht droomde ik, dat ge my een vischhaak in 't hart hadt geslagen - zoo-als ge wel meer doet - en daarby zongt ge een liedje op de scheepswyze van: ho... ho... hoi... hoi! By elken hoi een ruk. De tekst van uw zang was: ko... ko... kopy... py!

Ik schreef naar Keulen:

Lieve meisjes! Daar gy getoond hebt zoo uitmuntend omtegaan met de pen, en myn innige vriend Multatuli... ai!
Daar gy getoond hebt zoo uitnemend uwe gedachten in korte woorden te kunnen uiten, en myn zeer waarde Multat... ai!
Kortom, daar gy bewezen hebt de kunst te verstaan, de meest delicate zaken samen te vatten in weinig regels, en de heer Mult... ai!
Zoo verzoek ik u... ai!... om kopy... ai!... voor den Tydspiegel... ai!
 
Ik heb de eer te zyn... ai!

Voor ik wakker werd, ontving ik het volgende antwoord:

Sehr verëhrter Herr!
 
Wir sind nicht gewohn zu schreiben, wenn wir nichts zu sagen haben.
 
Hochachtungsvoll... enz.

Beste Mul, riep ik... verlos me van uw vischhaak!

Max Havelaar.

Arme Max, dat zal ik doen. Ik vertel zelf liever een paar geschiedenissen, die ik eens gehoord heb... van m'n baker.

Eerste geschiedenis. (Toen ik heel klein was.)

Piet Hein had veel bygewoond, en veel geleden. Hy was koksmaat geweest, en matroos, had meêgeënterd en meêgevochten. Jazelfs had hy kousen gebreid. om zyn vader in 't leven te houden, toen deze, als hy, krygsgevangen was op de engelsche pontons. De arme jongen had zich overal, by elke gelegenheid, dapper gedragen. Maar... als hy, ontslagen uit gevangenschap, of terugkeerend van een krygstocht, weêr aan wal stapte in 't vaderland, groette niemand den flinken Piet Hein.

Later werd hy admiraal. Hy kon 't niet helpen dat-i zoo lang leefde, en had genoeg zyn best gedaan, om 't nooit zoover te brengen. En zie, daar komt een konvooi spaansche schepen hem verzoeken om de eer door hem genomen te worden. Uit goedhartigheid - misschien wel uit vrees voor onaangenaamheden - neemt hy 't aanbod aan, en brengt die schepen, met wat er op en in was, behouden in 't vaderland.

Toen werd Piet Hein door dat vaderland bevorderd tot held. Maar hy schudde 't hoofd over die promotie. *

Tweede geschiedenis. (Toen ik een beetje grooter was.)

Een alchymist verstond de kunst, afgestorvenen in 't leven terug te roepen. Ik bezocht hem, en vond in zyn kabinet vele personen, die ik lang dood waande, en van wier terugkeer ik nooit gehoord had. Ik zag daar Luther, Cambronne, Van Speyk, Curtius en d'Assas. [20]

Myn vriend de Alchymist versmaadde uit kieschheid het goudmaken, en zette een zoölogie-winkel op, met een écriteau: spécialité d'hommes. Een groote man verzocht zyn assortiment te zien. Die man heette: Publiek.

- Ik recommandeer u dezen heer, zei 't winkelmeisje. Hy alleen nam het op tegen de grootste macht der aarde... tegen het Pausdom. 't Is de echte Luther, mynheer, en niet duur...

- Hm! zei m'nheer Publiek

- Dezen Van Speyk kan ik u laten voor weinig geld... 't is renaissance van oude helden. Hy ‘deed meer  *   zoo als ge weet - hy offerde zyn leven, en stierf met roem...

- Hm! zei m'nheer Publiek.

- En zie dit exemplaar eens, mijnheer, - keer je wat om, Cambronne! - Het is Cambronne van de garde, die zich niet overgaf.  †   De prijs staat er op, 't is te geef...

- Hm! zei m'nheer Publiek.

- En hoe bevalt u deze? Het is d'Assas, die z'n leven gaf, om z'n kameraden te redden... ge weet wel, 't regiment Auvergne, in den veldtocht van Hanover... schandekoop!

- Hm! zei m'nheer Publiek.

- Geef den ouden Curtius eens aan. Bezie dezen Curtius, m'nheer... hy is een beetje beschadigd. Hy heeft lang in een diep gat gelegen... m'nheer zal dat wel weten. Ik laat hem u beneden fabrieksprys...

- Hm! zei m'nheer Publiek, kocht niets, stapte in zyn wagen, en reed weg. 's Avends vertelde hy in alle gezelschappen dat er niets byzonders te-koop was in den winkel van myn vriend, den alchymist.

Deze werd mager, en begon byna berouw te krygen over z'n kieschheid, die hem belette goud te maken.

Toen kwam er in 't huis daarnaast een nieuwe buurman wonen, een koopman in vlasvinken. Hy bracht den menschenfabrikant een bezoek, en vraagde naar de nering.

- Wat hebt ge hier al zoo?

- Wat oude helden, zuchtte de goudmaker, maar 't gaat niet!

- Wat is er dat voor een?

- Hy waagde zyn leven te Worms, voor z'n overtuiging...

- Poeh! Je moet eens in mijn winkel komen. En deze?

- Hy liet zich in de lucht springen voor de eer zyner vlag...

- Poeh! Kom mijn vinken eens hooren. En deze?

- Hy wilde liever sterven dan de oude garde gevangen zien.

- Poeh! Ik heb er een die iö vivat zingt, en Herz, mein Herz. Wat heeft deze gedaan?

- Hy gaf z'n leven voor z'n broeders.

- Poeh! In een tredmolentje heb ik een oude kanarie, zonder slagpennen. Zy loopt, loopt... den ganschen dag, en fluit: en avant, marchons! Kom eens kyken. Wat deed die vyfde?

- Hy offerde zich op voor z'n vaderland.

- Gekheid! Kan hy niet wat zingen?

- Ach neen!

- Of spreken?

- Misschien... Heidaar, Curtius!

Curtius sprak. Luther sprak. Van Speyk, Cambronne, d'Assas spraken. Maar ze spraken, als geesten gewoon zyn, spookachtig, dof, eentoonig. Ook scheen ieder maar één fraze te kunnen uiten.

Ik geef u een vink per stuk, zei de vogelman. En de koop was gesloten.

Hy nam het vyftal meê naar zyn winkel, en stak het de oogen uit. Publiek, die 's avends daar langs wandelde, werd aangenaam verrast, toen hy onder 't gefluit en gepiep der andere blinde zangers, duidelyk het kwintet onderscheidde:

- Het Fatum eischt een kostbaar offer... Ziet-hier my, Curtius, romeinsch ridder... burgers, vaartwel... het noodlot is verzoend!

- Auvergne, à moi.

- Jongen, berg je lyf!

- La garde meurt, mais ne se rend pas! 

- Al waren er zoovele duivels als pannen op de daken, ik ga! Hier sta ik, God helpe my!

Publiek kocht nu 't vyftal... maar zonder kooien. De tyden zyn slecht.  #  


 *  Brief aan den Heer Duymaer van Twist, oud-Gouverneur Generaal van N.I. Deze Memorie is herhaaldelyk gepubliceerd en o.a. opgenomen in de Verspreide Stukken, thans verkrygbaar by G.L. Funke te Amsterdam. (1872)

 †  De verzen in den Havelaar zyn niet allen éven slecht, doch dat ding uit Sjaalman's jeugd had wel ongedrukt mogen blyven. Het riekt naar de Muzen-almanakken van 't jaar '30. Heel lang na die periode is 't dan ook niet vervaardigd. Iets dergelyks heb ik van de Bruid daarboven te zeggen, schoon dat stuk toch altyd op z'n minst genomen zoo goed is, als de meeste andere voortbrengselen uit de larmoyante school, waartoe het, helaas, behoort. Men zal 't my toch niet euvel duiden, dat ik dertig jaren geleden, my nog niet had losgescheurd van alle litterarische tradities? Indien de Bruid daarboven verschenen en opgevoerd ware, terstond nadat ik dat stuk schreef, zou 't ‘zeer mooi’ gevonden zyn. En dat is by velen wier smaak eenigszins nágaat, nog thans het geval. Ook is dat stuk, nu eenmaal 't vervelend genre aannemende, niet geheel onverdienstelyk. De dialoog byv. is goed, en dat is meer dan men zeggen kan van velen zyner tydgenooten en opvolgers. De hoofdfout blyft in myn oog: dat het tot eene school behoort, welke dan ook. Zulke dingen kunnen nooit andere waarde hebben, dan als bydragen tot de kermis van den ‘levensgang des auteurs’ om met Mr. J.R. Thorbecke te spreken. (1872)
Onder de correctie. Na 't schryven dezer noot, is De Bruid daarboven op-nieuw herdrukt. Ik heb er een narede by geschreven, waarnaar ik verwys. (1872)

 *  De boekdrukkunst is niet uitgevonden. In 't begin der 15e eeuw begon zich de weetlust hier en daar te ontwikkelen in genoegzame mate, om 't versneld reproduceeren van geschriften tot een winstgevend beroep te maken. De stryd tusschen Maintz en Haarlem is duitenplatery. De zoogenaamde geleerden die zich bezighielden met onderzoek naar persoon, plaats of natie, welke de kinderachtige eer zouden hebben, iets te hebben uitgevonden wat ieder wist, bedrogen 't volk dat hun geleerdheid betaalde. Maar opmerkelyk is 't, hoe dat volk bedrogen worden wil. Ieder heeft toch afdrukken gezien van romeinsche, grieksche, egyptische zegels? En zonder die zegels, ieder zal toch wel eens afdrukken van vuile handen of bemodderd schoeisel hebben waargenomen? Doch ook buiten dat alles... een beetje nadenken! Men schynt, om die belangryke kwestie uittemaken, gewacht te hebben op de komst van den man die niet geacht was, en geen witte haren had: ‘lieve menschen, de heilige Dionyius werd noch te Haarlem geboren, noch te Mainz... hy was doodeenvoudig een overal opschietend voortbrengsel van de behoefte dier tyden.’ (Vrye-Arbeid, blz. 96, uitgaaf 1866.) Wat al wysheid is er uitgekraamd over die nonsense-kwestie! (1865)

 *  Dit is onjuist. Das volle Menschenleben is oneindig, en levert den denker altyd overvloedig stof tot opmerkingen, ja zóóveel dat men daarby telkens herinnerd wordt aan het laatste vers van 't Evangelie van Johannes. 't Gebeurt echter vaak dat men zich niet uiten kan, òf omdat de aanwezige bouwstoffen niet behoorlyk zyn gerangschikt (464) òf om redenen van materiëelen aard; òf... uit moedeloosheid! Het leven van den artist beweegt zich in een cyclus van inspanning, overspanning en afmatting. Publiek moest hem z'n taak niet verzwaren door al de vischachtige domheid. Zie daar over III. blz. 99, (1872)

 *  Voor m'n Vlaamsche lezers hierover de volgende opmerkingen. De Opregte Haarlemsche Courant is een der oudste bladen van Europa en dus van de wereld, ja, ik meen: het oudste. Men voelt iets als eerbied, by de gedachte dat onze voorouders uit die courant de overwinningen van De Ruyter vernamen. Hare oprichting dagteekent van 8 Januari 1656. Sedert tweehonderd en veertien jaren alzoo, houdt zy 't Nederlandsch Publiek op de hoogte of laagte der gebeurtenissen van den dag, en - dit vooral is eigenaardig - zy is niet meer met den tyd meêgegaan, dan volstrekt noodig was om hare populariteit te behouden. Ze polemiseert niet, en geeft slechts berichten waarvan de verantwoordelykheid op anderen valt. De thesis ware verdedigbaar, dat er in dat blad nooit eene onwaarheid geschreven is, tenzy men die zoeke in de advertenties. De Haarlemmer beweert niet, dat Parys in Frankryk ligt. Hoogstens zou de Courant mededeelen dat zoo'n meening door dezen of genen wordt verkondigd. Haar program is kleurloosheid, of om 't jargon van den dag te spreken: objectiviteit. Of ze hieraan stipt voldoet, mag betwyfeld worden, en misschien is dit onmogelyk. By beperkte ruimte immers, eene keuze moetende doen tusschen zeer veel berichten en redeneeringen van anderen, spreekt het vanzelf dat die keuze zich richt naar de meer of mindere sympathie met de zienswyze der schryvers van wien zy iets overneemt. In het overzicht der Pers van den dag, byv. wordt misschien eene onëvenredig groote plaats ingeruimd aan de orthodoxe stukken die de heer Groen van Prinsterer ten-beste geeft, terwyl zy van publicatîen die eene andere richting volgen - van mynen arbeid byv. - geen melding maakt. Maar... dit laatste doen nu eenmaal de andere bladen ook niet, eene handelwyze die in de noot op 482 eenigszins wordt toegelicht.
Hoe dit zy, zelf redeneeren doet de Haarlemmer Courant niet. Ik erken dat myn oordeel over deze methode, sedert de laatste twintig jaren eenigszins gewyzigd is. Vroeger zou ik misschien een blad geminacht hebben, dat niet eens te beschikken had over den toch zoo goedkoopen pluralis majestatis, die in de hoofdartikelen der andere Couranten zoo'n belangwekkende rol speelt.
Na 't intiem kennis maken met al de wyen en onsjes die - sedert de afschaffing van 't zegel vooräl - gelyk paddestoelen opschieten, lees ik met zekere dankbaarheid de Courant die my eenvoudig vertelt wat er gebeurd is, en de toepassing of beoordeeling daarvan welwillend overlaat aan myzelf. (338)
De Haarlemsche Courant is voorts in goed Hollandsch geschreven, en gewoonlyk goed onderricht. In zeer veel kringen geniet zy eene populariteit waaruit de wyen en onzen haar niet kunnen verdringen. Voor duizende burgerlyk-deftige huisgezinnen is zy nog altyd, gelyk in de dagen van De Ruyter: de Krant. Men heeft kunnen opmerken dat ik haar by Pennewip's klassificatie-systeem, als onderscheidend kenteeken heb aangevoerd.
Dat ze, by en door dit alles, zich verheugt in een soort van monopolie voor advertenties, spreekt vanzelf. Een echte Hollander is niet ter-dege geboren, getrouwd of dood, voor hy als zoodanig vermeld staat in de Opregte Haarlemsche Courant. (1872)

 *  Volstrekt niet. De toestand van den Javaan is ellendiger dan ooit. Een valsch liberalisme heeft de plaats ingenomen van 't behoud. De fouten zyn bewaard, en we hebben de huichelary er by gekregen. Men duldt als minister een man, wiens eenige aanbeveling was, dat hy nog sneller dan anderen, ryk werd door Javanen-arbeid, en onlangs heeft die fortuinmaker ‘ampel geconfereerd over het tegengaan van misbruiken’ met oud-raden van Indie, en oud-residenten! Juist dus met de soort lieden die door Havelaar in staat van beschuldiging zyn gesteld.
Dat de Nederlanders niet vatbaar zyn voor eenvoudige taal, is waar. Maar dat men ze tot iets goeds zoude kunnen bewegen door speculatie op hun wansmaak, is niet waar. Het nationaal geweten is geld, geld en geld. En toch is 't uurwerk van dat geweten in wanörde. Begrypt men niet, dat er schade zal voortvloeien uit het benoemen tot minister, van een man die zulke goede zaken deed? Het maakt den Javaan wakker, en geeft hem al te duidelyke inzage in de geld-moraal van Nederland. (1865)
 
Weder noteer ik hier, dat heden - 25 Augustus '72 - na eenige chassez-croisez vare ‘liberaal’ en ‘behoudend’ dezelfde man voor den tweeden keer aan het hoofd staat van Koloniën. Aan hem draagt de Natie de taak op ‘misbruiken’ uitteroeien! Zal men dan nooit inzien dat er geen grooter misbruik kan bestaan dan zoo'n benoeming? Ook in de Kamer heeft de man zooveel kwaads gesticht, als eenigszins mogelyk was. In z'n herhaalde discussiën met den heer Wintgens, pronkte hy met ‘speciaalkennis van Indische zaken’ op eene wyze die duidelyk aantoont, hoe weinig de kamerleden - die 't zonder protest aanhoorden - geprofiteerd hebben van den hun in den Spectator gegeven wenk: dat er uit myne ‘Duizend-en-een Hoofdstukken over Specialiteiten’ voor hen iets te leeren viel. (1872)

 *  Voor de onïngewyden diene, dat ‘pieterselie’ de benaming is, voor zekere soort van bloemsel op Chineesch porselein. ‘Langelyzen’ zijn de vaatjes en pulletjes waarop uitgerekte jufvrouwen staan. Ik was niet geleerd genoeg dit te weten, maar verneem het van myn hospita die een zoon in Indië, en dus grondig verstand heeft van oostersche zaken. (1860)

 *  Deze gevolgtrekking zou niets beteekenen, als de vertelling verzonnen was. Welnu, ze is wáár. Ook de historie der beide verzen is vry nauwkeurig gecopiëerd naar m'n doorgaand model: de werkelijkheid.
Schryverig gelogen is slechts 't verband tusschen die twee aventuurtjes. Ik had me van de naïve dames, die haar ouwelui ‘godsdienstig’ en ‘grappig’ wilden verrassen, geene belooning bedongen, maar kocht heel eenvoudig de flakons by 'n uitdrager, en liet ze monteeren by 'n zilversmid in de Kalverstraat, die 't zich nog wel herinneren zal.
Het zou me veel waard zijn, lezers te hebben, die in-staat warende kiesche fynheid in 't briefje dier beide meisjes op te merken. Maar... als ik zùlke lezers had, zou er véél anders zyn. Dan ware ook byv. een Fransen v.d. Putte geen minister van Koloniën!
Och, 't is zoo verdrietig, schryver te zyn in een land waar men niet lezen kan! (1872)

 *  Men heeft my op bespottelyke wys geprezen over 't schryven van een boekje, doch mijne handelingen te Lebak worden niet aangeroerd. Al ligge de oorzaak hiervan duidelyk voor oogen, ik neem hiermeê geen genoegen, en schud het hoofd als Piet Hein. Dat men, om my recht te doen, vele anderen in staat van beschuldiging zou moeten stellen, is waar. Zoolang Regeering en Natie daartoe den moed niet hebben, blyf ik Mr. Publiek verachten - de mooivinders van den Havelaar 't meest! - en ik ben zoo vry te gelooven dat de nu in den tekst volgende parabel, myne stemming te-dien aanzien volkomen wettigt. (1872)

 *  In een der volksliederen van '30, eindigde elk couplet - nadat daarin met zekere minachting op antieke heldendaden gewezen was - met het refrein:
 Van Speijk deed meer, hij offerde zijn leven,
 Hij stierf met roem voor Vorst en Vaderland!

't Spreekt vanzelf dat het gezongen werd op de wijs van te souviens-tu. Dit is voor zulke dingen de rigueur.
Myne geringschatting der verzemakery à la Helmers, met het obligaat: ‘Wat bralt ge o Romers’ enz. mag niet leiden tot de meening dat ik laag nederzie op daden als die van Van Speyk. Juist in tegenstelling met al de hedendaagsche niet-overwinnaars en in-leven blyvers, hecht ik er aan, myn eerbied voor dien man openlyk te betuigen. De officieren der flotille op de Schelde hadden onderling hun woord van eer verpand, zich niet overtegeven. De edele jongen deed wat hy beloofd had. We moesten 't recht hebben dit zeer eenvoudig te vinden, maar... met het oog op den toestand onzer Maatschappy, hebben wy dit recht niet! Of Nederland zoo'n offer waard was, is 'n andere vraag. Men zie hierover: Een-en-ander over Pruisen, enz. blz. 93. (1872)

 †  Zoo zei 't winkelmeisje. Straks meer daarvan. (1872)

 #  Een paar opmerkingen over de vyf historische zinsneden in onzen tekst, die zich al terstond inkrimpen tot vier, daar we ons by de fabel van Curtius niet behoeven optehouden.
Wie zich de gewoonte eigen maakte, de Geschiedenis te beschouwen met kritischen blik, wie zich toelegde op de kunst om te lezen tusschen de regels die byna overal getuigenis geven òf van mythische voorstelling en valsch opgevatte poëzie, òf van tafellikkende opschroevery, òf van dynastieke leugens in usum delphini, òf van een tot dolzinnigheid aangehitst patriotismus, òf van kleingeestige zelfverheffing van natiën en partyen, òf van de veilheid der schryvers... hy komt tot de treurige slotsom dat er slechts zeer, zéér weinig inderdaad schoone bladzyden voorkomen in de annalen der Menschheid. ‘Bladzyden’ is te veel gezegd. Men kan de zinsneden tellen.
 
Om dan te beginnen met Luther. De nood van dien welgedanen monnik was zoo groot niet, als uit z'n te-hulp roepen van God zou moeten worden opgemaakt. Hy bestreed Roomschen invloed in 't Heilige Roomsche Ryk, en vond dus steun by 'n groot deel der machtigste vazallen van dat Ryk, wier politiek meêbracht het Protestantisme te gebruiken als machine de guerre tegen den Keizer, tegen wien men in opstand was. Ook elders was de zoogenaamde Godsdienst slechts voorwendsel. De hoofdrol in zulke zaken werd daar, als immer, gespeeld door staatkundig eigenbelang. Zoo is ook byv. uit contemporaine stukken te bewyzen, dat het machtig huis der Guisen lang geweifeld heeft, of het de party der Hugenoten of van de Kerk omhelzen zou. De vraag was, of er meer kans bestond, de familie van Navarre te overschaduwen door zich daarnaast te plaatsen, of daartegen-over? Hoe hun tegenstanders van hùnnen kant over de godsdienst dachten, blykt uit den overgang van Henri IV tot het Katholicismus. En nog dagelyks immers zien wy prinsessen, zonder de minste tegenstribbeling de geloovery aannemen van 't Land waar ze huwen. Geïmporteerde Koningen laten hun kroost opgroeien in de Staatskerk. De kinderen van Leopold I zyn Katholiek. Die van George van Griekenland worden op z'n orthodox-grieksch opgebracht. Wel dwaas is het alzoo, by zooveel bewyzen voor het tegendeel, nog waarde te hechten aan godsdienstige beginselen in Staatkunde. Dat ook Luther's dryven samenviel met groote politieke belangen, wordt door den uitslag bewezen. Geestelykheid en Keizer beide hadden kort te voren aan z'n voorlooper Johannes Huss getoond wat ze gaarne met Luther zouden hebben gedaan, als ze gedurfd hadden. Het is te veronderstellen, dat Luther wist op welke invloeden hy rekenen kon, en dat alzoo zyne dapperheid iets minder te beduiden beeft, dan liefhebbers van klinkende frazen aangenaam is. Heeft hy inderdaad die fraze gesproken? Ze komt my nog-al tooneelächtig voor, en eenigszins gearrangeerd. By analogie met andere onwaarheden, waarmeê historieschryvers ons foppen, is eenige twyfel niet ongeoorloofd.
 
By analogie? Ja. Want ziehier twee andere historische gezegden die zonder den minsten twyfel tot het gebied der verdichting behooren. Wie heeft den uitroep vand'Assas overgebracht tot het nageslacht? Men kan niet veronderstellen, dat de vyandelyke soldaten, die hem als enfant perdu ontmoetten en afmaakten, zich hebben verledigd tot het en scène zetten van z'n dood. Krygs- en andere roem is gewoonlyk van binnenlandsch fabrikaat. Het Auvergne, à moi! blykt vervaardigd te zyn voor 'n boulevard-drama. Een soldaat die op eenigen afstand van z'n kameraden overvallen wordt door den vyand, roept om hulp, en maakt dus alarm. Dit is natuurlyk. Maar niet natuurlyk is het, dan zoo'n geroep het dramatisch resultaat wezen zou van een stryd tusschen zelfbehoud en plicht. Er ontbreekt een hoofdëlement in de fabel over d'Assas: de toestemming van den vyand tot het plaatsen der romantiekery. Heeft d'Assas, toen hy den vyand gewaar werd, gewacht met het uiten van z'n alarmkreet, tot na 't voorstel om door zwygen zyn leven te redden? Dan verwaarloosde hy z'n plicht op schandelyke wyze, neen op zonderlinge wys, want het terstond roepen lag in de natuur der zaak. En nog iets. Het doel des vyands blykt geweest te zyn, de kameraden van d'Assas in stilte te naderen. Zou ooit 'n patrouille den uitslag van zoo'n poging laten af hangen van 't antwoord op een voorstel? Immers neen. Men overvalt, en doodt sans phrase. Er is by zoo'n gelegenheid geen tyd voor komedie. Dat d'Assas den gewonen krygsroep van z'n regiment geuit heeft, neem ik als waarschynlyk aan, doch 't was een kreet van schrik, en geen beredeneerd blyk van opofferende heldhaftigheid.
 
Veel erger nog is 't met het ‘woord’ van Cambronne gesteld. Ieder weet, dat het bekende en afgezaagde la garde meurt et ne se rend pas, niet door hem gesproken is. Die woorden komen voor in een chauvinistisch drama, dat kort na de Restauratie te Parys werd opgevoerd. De auteur van dat stuk wilde Cambronneten-tooneele voeren, en zocht naar een gepaste uitdrukking ter vervanging van den al te soldatesken term, waarin die held z'n afkeer van ‘overgeven’ zou hebben aan den dag gelegd. Met collaboratie werd de tirade: la garde meurt enz. gefabriceerd. Op dit oogenblik zyn my de namen van auteur en noodhulp ontschoten, doch ik verbind my die later optegeven, gelyk ook den titel van 't bedoeld stuk.
La garde meurt alzoo, et ne se rend pas! Deze tooneelfraze maakte meer effect dan ze verdiende. Zoo'n ridderlyk klinkende uitdrukking immers, had wel eens de bedoeling - of althans de strekking - kunnen hebben, den vyand te bewegen tot edelmoedigheid, terwyl integendeel het ruwe woord dat zy fatsoenshalve verving, alle kans op genadige behandeling uitsloot.
 
De theatrale namaak, hoe klinkend ook, was dus eigenlyk minder mooi dan de origineele tekst... zou geweest zyn.
Want - och arm! - ook die tekst is leugen! Indien Cambronne het telkens door my vermeden wóord gesproken heeft, moet hy dit zeer voorzichtig binnen'smonds gedaan hebben. Als 'n echte vechtman namelyk, spaarde hy zyn dierbaar leven voor het vaderland: hy gaf zich over met z'n garde!
Ja waarlyk:

 Van Speyk deed méér! Hij offerde zyn leven,
                En stierf met roem...


Eerbied voor Van Speyk! Het doet er weinig toe, of 't woord waarmeê hy den scheepsjongen Weyler toeriep zich te redden, niet kan gerangschikt worden onder de uitdrukkingen waarvan de - overigens toch niet zoo byzonder preutsche - Clio, by-voorkeur gebruik maakt. De veile muze der Historie heeft het recht niet, kieskeurig te zyn op klanken, zy die doorgaande zoo onzedelyk ten-behoeve van machthebbers, mode en partybelang, de feiten verdraait. Gelukkig dat haar pruderie in dit geval, niets bederven kon. Wat ook de edele Van Speyk in-plaats van 't geboekstaafde: jongen, berg je lyf! moge gezegd hebben, de op die waarschuwing volgende daad stempelde elke uitdrukking, ook den grofsten matrozenterm, tot 'n verheven woord. Het is niet vereerend voor den lezer, dat ik hem geen hoogheid genoeg toeken, om zonder fatsoensrilling den klank in letters te zien, die geadeld werd door 't gebruik dat Van Speyk daarvan maakte. Hoe aandoenlyk, op dàt oogenblik nog aan redding van dien jongen te denken!
 
Ziedaar nu vyf frazen verdampt tot ééne daad. En - nog-al opmerkelyk! - juist de ééne daad die den toets der historische kritiek kan doorstaan, ging vergezeld van eene uitdrukking die voor Historie en Salon niet fatsoenlyk genoeg is. Dit geeft te denken!
In-godsnaam! Myn parabel over den alchymist is er niet minder om. Mr. Publiek die de daden geen aandacht waard keurde, liep met de frazen weg, en gelóóft dus aan die frazen. Ik heb alzoo recht tot den eisch dat hy de strekking myner vertelling begrype. Gaat dit boven 't peil zyner bevatting, dan diene het volgend nummer tot opscherping van z'n oordeel. Arm volgend nummer, ik draag u daar een ondankbare taak op! (1872)
 


[1] "(Overgedrukt uit den Tydspiegel, van November 1860). Max Havelaar aan Multatuli. Waarde Multatuli! Neen, dat zal niet gaan... ik ben geen schryver: Te Brussel heb ik een man gekend, die steenen zaagde voor grafzerken. Hy zaagde acht uren daags, en dacht aan wat hy wilde. Ik ben jaloers op dien man, maar... een schryver ben ik niet."

Het Idee waar we bij aangeland zijn is - als ik 't wel heb - de eerste publicatie van M. na de "Max Havelaar", die in Mei 1860 uitkwam. We zien in dit idee "Max Havelaar" een brief schrijven aan Multatuli, die een boek schreef over Max Havelaar, dat eigenlijk ging over Eduard Douwes Dekker.

Ik vermoed dat dit ook de eerste keer is dat de op dat moment zeer succesvolle schrijver Multatuli z'n publiek vertelt dat hij, of althans Max Havelaar, "geen schryver" is. M. dacht daar zelf eerder en later getuige z'n veel later gepubliceerde brieven niet éénduidig hetzelfde over, maar het was wel z'n voornaamste houding tegen zijn schrijversschap.

Hij schreef en publiceerde om eerherstel te verkrijgen, en om z'n ideeën bekend te maken en de maatschappij te hervormen. Hij schreef niet om rijk of bekend te worden en vond de meeste schrijvers aanstellers die feitelijk lang zo goed niet konden schrijven als hij.


[2] "En ik dan, Multatuli! Hoe kan ik weten wat de maat is van de ziel der heeren die myn geschryf bestellen?"

Ja, dat is moeilijk. Roorda van Eysinga zei er ruim tien jaar later dit van: "Gij hebt de fout van de meeste keur-naturen. Gij wilt, dat zij denken en gevoelen gelijk Gij."


[3] "Maar... meen nu daarom niet, dat ge goed schryft. Er is geen enkel boek goed geschreven, en 't uwe het minst van al. Als ge verwacht, op die wyze iets duurzaam goeds tot stand te brengen, hebt gy gerekend buiten uw gebrek aan talent. Of liever gy vergeet dat een ziel zich niet openbaart in woorden, allerminst in gedrukte woorden."

Dit kwam uit, al geloof ik het meeste niet wat ik hier citeer: Er zijn weinig goed geschreven boeken; "Max Havelaar" was goed geschreven maar niet zo goed als latere boeken van Multatul; en natuurlijk kan gedrukt proza wel effectief ideeën overdragen.


[4] "Als ik myn zin had, kwamen er geen andere boeken in de wereld, dan handleidingen tot de grondbeginselen van deze of gene wetenschap. Ja, vooräl grondbeginselen... verder komen we niet. Alleen boeken over de sciences exactes kunnen iets waard zyn. Wat daarbuiten gaat, is leugen."

Wat hier geciteerd wordt en wat M. in de voorgaande alineaas in z'n tekst schrijft ligt tamelijk dicht bij wat hij werkelijk meende (in meer gedeprimeerde buien, in ieder geval).


[5] "Zonder geheel te deelen in het gevoelen van hen die de uitvinding der boekdrukkunst een ramp noemen * moet ik toch bekennen dat die zoogenaamde kunst veel kwaads heeft te-weeg gebracht, vooräl sedert men van boekenschryver een beroep heeft gemaakt."

Ja, maar dat ligt toch voornamelijk aan het feit dat al dat goed genoeg is om gebruikt te worden ook misbruikt kan worden.


[6] "Welnu, ik moet betuigen dat al wat ik weet, te schryven is op een klein blaadje, en dat men een slechten koop sluiten zou, als men daarvoor een braspenning betaalde."

M. mocht dit later graag herhalen, met aanzienlijke bitterheid. Ik maak twee opmerkingen, waarvan de eerste slaat op M.'s berekening over wat hij had kunnen schrijven in 30 jaar: "zegge: zes-en-vyftig-duizend octavo bladzyden, zegge: honderd-veertig boekdeelen"

I. In feite zijn de VW tamelijk veel tekst, namelijk 25 behoorlijk stevige delen dundruk. Dit bestaat uit M. 7 delen zelf gepubliceerde tekst (alleen gruwelijk slecht uitgegeven in de VW) plus 18 delen "Brieven en documenten", voor het grootste deel ook van M.'s hand.

II. Mij dunkt dat "al wat ik weet, te schryven is op een klein blaadje" niet waar kan zijn. De domste mens die kan lezen en schrijven kan ongelimiteerd rekenkundige en taalkundige waarheden neerpennen, al zullen de meeste daarvan oninteressant zijn. En wie in staat is z'n eigen levensgeschiedenis te vertellen én dat kan in behoorlijk proza heeft veel te vertellen.

En hoe het zij met kennis en waarheid: Het meeste dat geschreven wordt dat geen welbewuste fictie is en wel enigermate zinnig, is welbewuste gissing.


[7] "Een schryver - iemand die van schryven een beroep maakt - spreekt, zonder dat hy iets te zeggen heeft. Hy levert uitdrukkingen, waar geen indruk is. Hy weerkaatst beelden die niet bestaan. Hy jaagt op pikante tegenstellingen, en moet daaraan de waarheid opofferen. Jazelfs, indien toevalliger-wyze de waarheid pikant is - zoo als hier-en-daar in uw boek - dan nog mag hy die niet geven zoo als ze is, eenvoudig en kort. Hy moet ze rekken op 't Prokrustus-bed van den uitgever die staat-maakt op zooveel kopy. Hy moet haar kleuren, opsieren, aankleeden... dat is, met één woord, hy moet haar tot leugen maken."

Dit geeft ongetwijfeld weer wat M. gewoonlijk dacht. Afgezien van slechte schrijvers, aanstellers, journalisten etc. en toegevende dat dit de grote meerderheid zijn van de schrijvenden: M. verliest hier het doel van kunst uit het oog, dat in de eerste plaats vermaak is, en ook het middel van kunst: Welbewuste fantasie. (Bovendien: Een fraaie vrouw die zich kleurt, opsiert en aankleedt maakt zich daardoor en daarmee nog niet tot levende leugen, en kan dat laatste bovendien zijn geheel zonder enige opschik.)


[8] "Al het schoone dat Jezus gezegd heeft, zou geen half vel druks vullen!"

Zie 63.


[9] "Wie zich toelegt op goed schryven, kan nooit veel voor den dag brengen. Ziehier myn tegenwoordigen epistel teruggebracht tot den eenvoudigsten - d.i. tot den besten - vorm."

Nee, dat geloof ik niet. Wat ik wel geloof is dat maar heel weinig mensen goed kunnen schrijven en dat maar heel weinig mensen goed kunnen denken, en dus nog minder mensen zowel goed kunnen denken als goed kunnen schrijven (en gelegenheid krijgen, en erin slagen hun talent te gebruiken, en gepubliceerd te worden, en gelezen, en begrepen ...).

Ook is de eenvoudigste vorm niet automatisch de beste al is het omgekeerde wel waar: De ingewikkeldste vorm is nooit de beste.

Er zijn overigens twee eenvoudige kenmerken voor goede schrijven: Wat goed geschreven is klinkt alsof het goed gesproken is en bevat memorabele uitspraken. Wie niet epigrammatisch kan schrijven in schijnbare spreektaal kan niet werkelijk goed schrijven.


[10] "Gylieden ademt dampen in van vuil water... het ziet zwart."

Weer relevante informatie over Amsterdam (zie 126 en 308) ook voor de transvestiete rattenkenner 't Hart (zie 522).


[11] "Dit hindert u niet: gebrek aan schoonheidsgevoel."

M. heeft in de passage waar dit uit geciteerd heeft meer gelijk dan niet, maar 't heeft minder met schoonheidsgevoel dan verstand te maken. De meeste mensen zien tal van alledaagse gruwelijkheden, zotheden, domheden en onzin niet omdat ze niet in staat zijn de verschillende gegevens die ze in hun hoofd meedragen op het juiste moment zinnig met elkaar te combineren.


[12] "Ik wandelde met háár. Hebt ge verstand van liefhebben? O, antwoord niet te snel! Er zyn er weinig die 't recht hebben hartelyk ja te zeggen op die vraag. Ze was myn ideaal, myn blyde boodschap. Tine zou ditmaal ongelyk gehad hebben, zy die altyd zegt dat de kleur der voorwerpen die ik zie, veelal maar 'n weerschyn is van myne kleur."

Ik heb dit eerder geciteerd, in 508. Hier merk ik alleen op dat de geschiedenis die volgt fraai verteld wordt en dat de dame in kwestie waarschijnlijker dan niet Sietske Abrahamsz was.


[13] "En er kwam een hond, die lekte aan 't druipende bloed dat zich marmerde in den modder. En er gingen meisjes voorby, die lachten."

Dit betreft een geschiedenis die in Amsterdam speelt, toen er nog geen abattoirs waren. In 't tegenwoordige Amsterdam, rond 2002, zijn er wel slachthuizen - en ook slagers als de onsterfelijke Siem van de Gragt op de Elandsgracht, die zichzelf jarenlang bewierrookte met boven z'n slagerswinkel het opschrift "de diervriendelijke slager" omkranst door lachende biggetjes. Tegenwoordig doet hij in "biologisch vlees". Zie verder [11].


[14] "dat de beklaagde is opgegroeid in een stad, waar men, door het tentoonstellen van opengehakte natuurgenooten, zich beyverd heeft hem, van der jeugd af, gemeenzaam te maken met bloedstorting."

Ook dit slaat vooral op Amsterdam, waar ook ik opgegroeid ben. Ik ligt het eruit om aan te tonen dat ook wat betreft "opengehakte natuurgenooten" M. z'n tijd ver vooruit was én om op te merken dat de jeugd die tegenwoordig opgroeit in Amsterdam dat doet in een stad waar B&W zich al een generatie beijverd hebben drugshandelaars rijk te maken en de levende lijken van hun slachtoffers al die tijd vrij over straat mochten lopen.

[15] "- Moeder, als ik groot ben, zal ik u zoo liefhebben, dat ik u een ster kan geven. "

Volgens de VW is dit historisch waar, en een uitspraak van Eduard Douwes Dekker Jr., geciteerd in een brief van M.'s eerste vrouw aan M.


[16] "Ik was in 't Odéon"

Als dit het gebouw is waar "Odéon" opstond in m'n jeugd is er nu - 2002 - een moskee in gevestigd. "'t Kan verkeren". (Opmerking 2005: Nee, het betreft een ander gebouw in Amsterdam van dezelfde naam, heb ik ondertussen uitgevonden uit Van der Meulen's Multatuli-biografie.)


[17] "Welnu, in 't Odéon bedroog ik me ditmaal ausnahmsweise niet."

M. in een bui van zelfkennis.


[18] "Ik zeg dat het lief is, en wie anders meent, is zelf niet lief. "

Ik vind 't sentimenteel, al zit er een Heinisch luchtje aan.


[19] "Zy zeiden iets als: ‘pieterselie of sterven!’ "

Dit doet mij denken aan de kreet "de dood of de gladiolen", maar ik niet geloven dat de laatste kreet teruggaat tot de 19e eeuw.


[20] "Luther, Cambronne, Van Speyk, Curtius en d'Assas"

Geschiedkundig nootje: Allen welbekende helden (toen geschiedenis nog een schoolvak was en op scholen nog wat onderwezen werd), met welbekende uitspraken die later door M. geciteerd worden.

Idee 527.