Idee 519.                                                 


 Wouter's droom. *)

- Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat die jongen zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon. [1]

Ziehier de oorzaak waarom Wouter z'n broeder Laurens zoo onheusch bejegende.

 Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't Femke was?
 
 Wat stond zich de maan te vervelen,
     Dien avend in 't luchtruim alleen!
 De sterretjes waren verdwenen,
     Omdat zy te flikkerend schn.
  
 Het is voor zoo'n maan niet plezierig
     Alleen aan den hemel te staan.
 Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,
     En helpt het humeur... naar de maan.
  
 Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,
     En troostte wat smachtend gevoel,
 En hielp een paar dichters aan verzen,
     Maar bleef als die verzen zoo koel.
  
 Zy straalde wat hoop in de harten,
     En droogde in 't voorbygaan een traan,
 Maar 't mooist wordt ten-laatste vervelend...
     Ze had dit zoo vaak al gedaan.
  
 Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...
     Vervelend was al wat ze zag.
 Och, riep zy, als dt niet verandert,
     Dan neem ik als maan m'n ontslag.
  
 Ik sta als een gek hier te schynen...
     En schitter me kreupel en lam.
 Geen mensch die me 'r ooit voor bedankte,
     Of die er notitie van nam.
 Dat menschvolk is bitter ondankbaar!
     Voor 't zonnetje maakt men zich mooi,
 Hr opent men deuren en vensters...
     Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.
  
 Men moest daar beneden bedenken
     Dat 'k nooit van m'n overvloed scheen.
 Ikzelf sta in 't kryt by m'n zuster...
     Die leent me... sints Genesis n.
  
 't Is drukkend - vooral aan famielje -
     Zoo'n schuld van 'n eeuw of wat licht!
 Ik schrik als de zon me komt manen,
     En bleek wordt m'n mane-gezicht.
  
 Zoo pruilde op een avend het maantje,
     En dit had de nachtwind verstaan.
 Hy vondt dat ze recht had tot treuren,
     En was met haar droefheid begaan.
  
 En suizend begon hy te jagen
     Langs wegen en vaarten en wei:
 Hop... hop... al wat me kan, aan 't dansen,
     Wy geven de maan een party!
  
 Hop, hop... in de rondte... naar boven...
     Omlaag wer... omhoog wer... hop, hop!
 Daar dansten de bladen in de ronde,
     Of schuifelden voort in galop.
  
 Daar knakten de takken der boomen,
     En zeiden de stammen vaarwel,
 En zwierden als dansende spoken,
     En speelden een wonderlyk spel.
  
 Daar vlogen de pannen der daken,
     En namen hun deel aan het feest.
 De schoorsteenen bogen deemoedig,
     Als waren zy hoflu geweest.
  
 De molens vergaten het malen,
     En noodden de boomen ten dans,
 En walsten met hunne beminden
     Op muren en wallen en schans.
 
 Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...
     Dien weg uit... omlaag by de poort...
 Wat 'n aschlucht!... om 't even... vooruit maar!
     Hop, hop wer, en lustigjes... voort!
  
 Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't Femke was?
  
 Daar naderde joelend de bruiloft,
     En huppelde om 't slapende kind.
 Haar bleekgoed rees op van de zoden,
     En danste op muziek van den wind.
  
 Daar neigden de hemden potsierlyk,
     En boden elkar hun manchet.
 Daar danste een pudiek chemisetje
     Met 'n onderbroek een menuet.
  
 Daar lonkte de slaapmuts van passie,
     En maakte haar pluimpje zoo mooi.
 En drukte aan het fladderend jabootje
     Heel sentimenteelig de plooi.
  
 De zakdoeken werden zoo dartel,
     En waagden zich boven hun stand,
 En reikten aan nuffige kraagjes
     Hun opengewerkten rand.
  
 De slobkous, verliefd van complexie,
     Maakte aan een fichutje de cour,
 En sloot het verrukt in z'n knoopen,
     En zuchtte zoo innig: bonjour!
  
 Daar walste een bretel met een vestje,
     Een kindersok met een servet,
 En 't windje gaf lustig de maat aan,
     En maakte geen eind aan de pret.
  
 En warrelde vroolyk daartusschen,
     En joeg alles rond op de baan...
 En suisde: hop, hop... vos dames...
     Wy geven een bal aan den maan!
  
 Daar zat een slapend meisje in 't gras...of 't Femke was?
 
 En dichter en dichter gedrongen,
     Sprong alles om 't slapende kind...
 Daar fladderden wild haar de lokken
     Omhoog, op muziek van den wind...
  
 En glimlach... n zucht... en daar stond ze!
     En ylings... de stoet nam haar me,
 En droeg haar... o hemel...

- Femke... Femke!

- Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan...

Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarme dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.

Het huis Pieterse vergaderde voor Wouter's bed. Daar was de edele stamvrouw, gehuld in 't eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na 't verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als 'n ongekeurde vorstin van Hessen. **) Myntje heette nu Mina, en wie haar pleizier wo doen, sprak de a uit als een e. Dat gaf zoo'n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette Petr. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.

Hyzelf kwam ook voor 't licht, en verbaasde zelfs z'n moeder die zooveel van hem wachtte, door z'n deftigheid in gang en houding.

- Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.

- O, moeder, moeder... Femke!

- De jongen is gek, was 't eenstemmig oordeel der Pietersens.

En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.

- Ze zouden haar wegdragen... al draaiende... altyd in de rondte... en ze sloot zich aan den rook die opstygt... opstygt... dochter van de zon, beslis... hier is Telasco... neen, sterven zult gy niet, Emma, Aztalpa... Femke, o god, blyf, blyf... ik zal op de bleek passen... ik zal de hinde schieten... blyf, Femke, blyf... een weduwnaar met god... samen door de ivoren poort... daar gaat ze wer... alln... omhoog... Omikron, blyf!

- Als we eens den domine lieten roepen? vraagde de moeder, aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft... of beide.

En voor 't eerst van z'n leven misschien, had Stoffel een goede gedachte:

- Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig is... Wouter is ziek.

Zoo was het. De arme jongen was aangetast door 'n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzame invloed had op Wouter's gemoed. [2] Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van 't kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot 'r groote verbazing, dat men z'n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging, genot noodig is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Dat straffen - met of zonder Heer dan - niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter...

- Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier heeft eene bruine beer om z'n hals... [3]

Ja, juist! zoo'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, dan zou 't gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in 't geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.

- Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter er was. Ga 't haar eens zeggen, Sertrude... dat Woutertje ziek is, meen ik... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny... er moet toch zout wezen... en maak 'n praatje... 't is niet om te praten, weetje... je weet, ik hou niet van praterigheid... 't is maar, weetje, om te weten of de menschen 't gezien hebben? En jy, Petr, denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i werkomt, want 't is m'n 'n man... zoo'n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet... maar ik ben benieuwd of ze 't gezien hebben in de komeny.

Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter's ziekte. Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. Alas, poor mankind!

*) Sedert lang had ik my voorgenomen, by de eerste gelegenheid dat ik 'n vers begin, de beschuldiging te behandelen, die door Vlaamsche letterkundigen tegen ons Hollanders is ingebracht, dat we geen verstand hebben van prosodie.
De noot die ik hiertoe gereed maakte, werd te uitvoerig, en daarom bepaal ik my tot 'n vriendschappelyken groet aan den flinken Julius Vuylsteke, en de erkentenis dat inderdaad het woord hofbouwgrond geen dactylus is. Maar... is dit de eisch wel? Behoort er niet liever gevraagd te worden of wij, die nu eenmaal gewoon zijn onze verzen te doen afhangen van de hoeveelheid der sylben, en niet van de - zeer vaak conventioneele waarde - ons over spondoen, dactylen, trochoen, tribrachen, en hoe die dingen verder heeten mogen, moeten bekommeren? In zekeren zin hebben wy slechts met de harmonie tusschen klemtoon en verscadans te doen. Dat evenwel ons verwaarloozen van de uitspreekwaarde aanleiding geeft tot groote onwelluidendheid, stem ik toe. De eerste regel bijv. van 't zevende couplot in 't versje dat nu volgt, was schandelyk onuitsprekelyk, maar dit vloeit niet voort uit prosodische oorzaken, doch uit de smakelooze opeenhooping van consonanten, ook in de sylben die, prosodisch-gesproken, 't recht hadden zich 'n beetje breed voortedoen. Ik verander daarom 't schandlyk uit vorige editin, in bitter, en meen hiermee iets verbeterd te hebben, schoon die woorden in de prosodie van gelyke waarde zyn. Of liever, hieruit blykt juist, dat we eigenlyk met die prosodie niet te maken hebben.
De stomme e in bitter zou immers altyd kort blyven, al werd ze - wat nu hier 't geval niet is - door een op dat woord volgende medeklinker, eene vocalis ante duo consonantes? Maar, beste Vuylsteke, is de sop de kool wel waard? (1872)

**) De in 1866 verjaagde Keurvorst van Hessen is morganatisch gehuwd met de gewezen vrouw van een officier dien hy met een som gelds tot scheiding bewogen had. Zy heet Gertrude, en werd zoo wel door haar gemaal, als in de wandeling door 't Volk, Trttchen genoemd. Zy en haar kinderen dragen de titels van Frstinn en Prinsen van Hanau. De huiselyke geschiedenis der Hessen-Casselsche vorsten is, voor en na 't koninkryk Westfalen, buitengewoon... zonderling. En ook de korte regeering van Jerme past, wat Chronique scandaleuse aangaat, vry wel in 't lystje van het Casselsche hof.
Het verjagen der kleine vorsten is waarschynlyk een vooruitgang, doch men zou zich vergissen in de meening dat het veranderen van hofstaatjes in presidentschappen, onvoorwaardelyk gunstig werkt op de belangen des Volks. Er zyn maren by, als altoos. Er bestond zeer dikwyls tusschen die kleine potentaatjes en hunne onderdanen, iets hartelyks, dat thans in de uitbreiding der dorre ambtenary, geheel is ondergegaan. Ik hoop hierop eens terugtekomen. (1872)


[1] "- Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat die jongen zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon."

Het was toen nog gebruikelijk om jonge kinderen in n bed te laten slapen, vanwaar dat knijpen.


[2] "De arme jongen was aangetast door 'n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzame invloed had op Wouter's gemoed."

Men had in de 19e eeuw veel last van "zinkings". De Multatuli Encyclopedie verklaart "zinkings" als "een volgens oude volksopvatting pijnlijke aandoening in enig lichaamsdeel als gevolg van kwade vochten".

Multatuli zelf had, volgens z'n tweede vrouw, in 1872 last van "zinkings" in z'n tanden, en trok ze er regelmatig eigenhandig uit.

Wat betreft "de geneesheer die hem behandelde": Hier horen we later in Wouter's geschiedenis meer van. Na Femke en haar moeder zijn dit de eerste behoorlijke en intelligente mensen waarmee Wouter omgang krijgt - want n van de dingen die men uit "Woutertje Pieterse" kan leren is dat de doorsnee Amsterdammer toen dom of onbehoorlijk was en een aansteller, zoals juffrouw Pieterse in dit idee illustreert.


[3] "- Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier heeft eene bruine beer om z'n hals..."

En hier hebben we emblemen voor de door bijna iedereen gehanteerde Gronden voor Waarachtig Geloof: Een autoriteit met erkende tekenen van autoriteit, geheel bestaand uit leeg vertoon van hoge sociale status - al is dat lege vertoon op zichzelf nodig om als dokter of andere autoriteit maatschappelijk te kunnen functioneren.

Maar dit zijn de gronden op basis waarvan de juffrouwen Pieterse en hun soortgenoten (talloos veel miljoenen) hun geloof en overtuiging kiezen - en ook de gronden waarop democratische verkiezingen gevoerd worden. (Zie 516)

Idee 519.