Idee 514.                                                 


 Eerste hoofdstuk der historische bydragen.  *   [1]

Willem de Vyfde was een achterneef van den vader des vaderlands, en bekleedde alzoo krachtens zyne geboorte, de eervolle functie van vader. Ik heb hier niets tegen. Maar wat moet ik nu gelooven van dat vaderschap, als ik de Publicatie lees van 16 Januari 1795, die door 't ‘Committé revolutionnaire’ van Amsterdam werd aangeplakt? Hier is ze:

BRAAVE STADGENOTEN.

Uwe medeburgers:
 
Gregrorius Cruis.
Samuel Iperusz. Wiselius.
Isaac Jan Alexander Gogel.

Jacob Thoen.
Daniël van Laer.
Jurian Ondorp.
Eduard van der Sluis.
P.B. Duirvelt.
Joannes Willem van Hasselt.
Pierre Jean Baptiste Charles van der Aa.
 

Uitmakende uw Committé revolutionnaire, wenschen u met deze omwenteling, Heil en Broederschap.
 
Thans zyt gy door de edelmoedige hulp des Franschen volks, en het gepast gebruik dat gy van uwe eigene krachten gemaakt hebt, vry.
Gy verkrygt daardoor alle uwe Rechten, welke u gewelddadig ontvreemd waren, en waarop gy allen, wie gy ook zyn moogt, een gelyke aanspraak hebt.

GY ZYT VRY! GY ZYT GELYK!

Uwe overheerschers zyn reeds door ons van hunne posten ontslagen. Zy zyn gevlugt, of schuwen thans het licht!
Opdat nu de noodzakelyke bestiering uwer belangens in deze stad, met de minste verwarring by voorraad zou kunnen voortgaan, tot dat het volk in staat gesteld wordt eene eigene regeringsvorm te kunnen verkiezen, bieden wy u op den voet der vrye Franschen, tot uwe Provisionele Representanten de volgende medeburgers aan - in vertrouwen dat Gy onze ernstige pogingen zult goedkeuren, en verwagten, dat Gy, zo er iemand onder mogt zyn, welke algemeen mishaagt, uwe afkeuring zult te kennen geven.
 
                              Nicolaas van Staphorst, koopman.
                              Jan Pietersse, koopman.
                              Adrianus Pompeus van Leyden.
                              Guilliemus (sic) Titsingh, koopman.
                              Isaac van Eys.
                              Willem van der Vuurst.
                              Jacob Teysset, Junior.
                              Jan Willem Irhoven van Dam, advokaat.
                              Salomon Bos, winkelier.
                              George Hendrik de Wilde, koopman.
                              Hermanus ten Kate, dito.
                              Karel d'Amour.
                              Hendrik van Gastrop, advocaat.
                              Rutger Jan Schimmelpenning (ning: sic) advokaat.
                              Nicolaas Breukelaar, horologiemaker.
                              Gerard van de Zoo, cassier.
                              David van Aken, koopman.
                              Jacob Luden Hendriks, dito.
                              Matthys van Maurik.
                              Jan Goldberg, assuradeur.
                              Jan van Lang, koopman.
 
Vindt gy, onze medeburgers, dat wy, uit u aller naam, de volmagt van dezen uwen en onzen vertegenwoordigers teekenen? - Om in den naam van 't Volk van Amsteldam, al datgene te verrigten wat de tydsomstandigheden zullen vereischen?
‘Wy wien alleen het algemeene heil ter harte gaat, wenschen u geluk met uwe Provisionele Vertegenwoordigers! Op uwe burgertrouw en Vaderlandsliefde staat makende, verwachten wy dat gy allen zult medewerken om Eensgezindheid, Rust en Orde te helpen handhaven. Weet ook dat de vrye Franschen, onze vrienden, alle ongeregeldheid en mishandeling af keuren... Dat Deugd en Braafheid! dan by ons allen steeds de ordre van den dag zy. [2]

  Broederschap.  [3]                   
uit naam van het Committé revolutionnaire,
P.J.B.C. van der Aa.             

 Amsteldam, den 19 January
eerste dag der Hollandsche Vryheid.

Wie spraken hier onwaarheid, de ‘medeburgers’ die de heeren en meesters van gister ‘lichtschuwende overheerschers’ noemen, of de dominees die den vorigen dag hun god hadden gesmeekt, al die ‘vaderen’ van stad en land genadig te beschermen?

Het is opmerkelyk dat onder al die namen die te Amsterdam werden op den voorgrond gesteld, slechts een - die van Schimmelpenninck - eenige vermaardheid heeft verkregen. Toen, als nu, schynen de middelmatigheden opgeld gedaan te hebben. [4]

Wy willen nu eens een ander stuk inzien. Het is van 20 Januari 1795, en van fransche redactie, maar 't hollandsch staat er naast, als in Femke's boekje. 't Zou zoo jammer geweest zyn, als de ongeleerde gemeente verstoken ware gebleven van al de waarheden die 't bevat.

Amsteldam, den 1e van Pluviose van 't 3e jaar van de eene en onverdeelbare Fransche Republiek.
 
De vertegenwoordigers van 't Fransche
volk, gezonden by de legers van 't Noor-
den, en van Sambre en Maas.

 
aan 't                
 
BATAAFSCHE VOLK.               


 
De Dwingelandy tegen de vryheid der Volken saêmgespannen, kondigde ons den Oorlog aan, en ondernam ons te onderdrukken.
‘Een weêrspannige stadhouder (un statthouder rebelle) had zig meester gemaakt van Uw Gouvernement. Hy trad in de goddelooze vereeniging der Dwingelanden, en vormde met hun het zinnelooze besluit van een groot Volk onder te brengen.
‘Uw bloed, uwe schatten, wierden verkwist tot deze misdadige onderneeming.

‘'t Lot der wapenen heeft aan de Regtvaardigheid van onze zaak beantwoord, en onze overwinnende legers zyn op uw grondgebied getrokken.
‘Bataven, wy konden niet denken, dat gylieden tot dit gruwelyk bestaan medepligtig waart. Onze vyanden zyn ook de uwen.
‘Het bloed der Stichters van de Republiek der vereenigde Provintiën vloeit nog in uwe aderen, en in 't midden der gruwelen des Oorlogs hielden wy niet op, Ulieden aantemerken als onze vrienden en bondgenooten.
‘'t Is op dien voet dat wy thans in 't midden van U zyn. Wy brengen geen schrik, maar 't vertrouwen.
‘'t Is maar weinig jaren geleden dat een trotsch Overwinnaar U wetten voorschreef. Wy geven U de vryheid weder.
‘Wy komen niet by U om U onder 't juk te brengen; de Fransche natie zal uwe onafhankelykheid eerbiedigen. De legers van de Fransche Republiek zullen de strengste krygstucht oeffenen.
‘Alle baldadigheden, alle buitensporigheden tegen de Inwoonders, zullen strenglyk gestraft worden.
‘De veiligheid van personen en goederen zal worden gehandhaafd.
‘De vrye godsdienstoeffening zal ongestoord blyven.
‘De wetten, gewoontens, en gebruiken zullen vooralsnog gehandhaafd worden.
‘Het Bataafsche volk, gebruik makende van zyn oppergezag, zal alleen kunnen veranderen of verbeteren de Inrigting van zyne Regeering.
 
Gillet.
Bellegarde.
J.B. Lacoste.
Joubert.
Portier, (de l'Oise.)

Maar, zegt men misschien, dit was Fransche-Republiek's waarheid. Een hollandsche Publicatie van 3 Februari 1795 drukt het zegel op de ideën van den dag. Daarby worden te-niet gedaan alle sedert de laatste acht jaren tegen de patriotten geslagen vonnissen in zake van staatkundig geloof. De aanhef is aldus:

VRYHEID. GELYKHEID. BROEDERSCHAP.
 Publicatie.

Alzo door de inkomst der Fransche troupes in den lande van Holland, het volk van Holland bevryd is geworden van de slaverny, waaronder hetzelve door het meer en meer voortkruipend wetteloos gezag van den stadhouder, reeds voor den jare 1787 heimelyk gebragt was, en welke vooral in dat jaar door het geweldadig middel van Pruissischen Legermacht opentlyk, ten behoeve van den geweezen stadhouder Willem de Vyfden en de zynen ten troon gevoerd is geweest en zig daarop tot aan den tyde van deeze gelukkige Omwending van Zaaken gehandhaafd heeft, met Onderdrukking en Verongelyking van een meenigte Ingezeetenen van den Lande van Holland, waare liefhebbers van haar Vaderland, die om Woorden, Advysen, Daaden in zig zelve niet misdaadig, maar op zyn ergst genomen alleen voortgesprooten uit een verschil van gevoelens over de bepalingen van het destyds stadhouderlyk gezag, op Regterlyke vonnissen, alsmede door zogenaamde politique Uitzettingen, van hunne Vuur- en haardsteeden, en van hunne Vrouw en Kinderen afgescheurd, en uit hunne kostwinningen verjaagd; aan armoede en allerhande ellende en ongemak overgeleverd zyn geweest... enz.

Ja, enz.! want het ding is zeer lankdradig, en 't schynt dat de officieele redactie van die dagen weinig toegaf aan wat we nu te lezen krygen uit den Haag. [5]

In een stuk van 4 Maart 95 wordt geklaagd: ‘dat eenige kwalykgezinde of door kwaadwilligen misleyde Ingezetenen’ de orde storen door 't vertoonen van Oranje-teekenen, het aanheffen van oproerkreten, en 't verspreiden van valsche berichten. Ja, die ‘kwaadwilligen’ vergaten zich zoo vèr, dat ze zelfs durfden doelen op een tegen-omwenteling. En, staat er, zulke ‘wanordres’ kunnen niet gedoogd worden...

Natuurlyk, wie baas is, wil baas blyven, en wat daartegen strydt is uit den booze. [6] In deze Publicatie, die ik hier niet mag invoegen, omdat ze te lang is, wordt het roepen van ‘oranje-boven’ bedreigd met ‘strenge geesseling en daarop volgende gevangenis van vyf jaren, en daarnà bannissement uit deze provincie.’ [7]

Zoo'n geesseling duurt maar weinige minuten. Die straf kan dus toegepast zyn. Maar vyf jaar gevangenis? En daarnà bannissement? Och, de waarheid van 4 Maart 95 duurde zoo lang niet, evenmin als de waarheid geduurd had, die weinige dagen vroeger op 't kussen zat.

Welgezinden...kwalykgezinden... die woorden veranderen telkens van beteekenis. [8] Vandaag was Oranje-boven een klaar bewys van diepe verdorvenheid. Morgen zou men infaam zyn door Oranje-beneden. Want men meene niet, dat er by zulke gelegenheden slechts spraak is van politieke verdeeldheid. O neen, in de Publicatie die ik aanhaalde, worden de andersdenkenden flinkweg: misdadigen genoemd. [9]

Ook zou 't verkeerd wezen, te gelooven dat alleen de Patriotten het privilegie hadden van lankdradige publicaties, en van 't oordeel over deugd of ondeugd. Maar toch heerscht er een andere geest in de staatsstukken van den Oranje-kant. Men ziet dat de opstellers gewoon waren aan bureau-werk, en beter den officiëelen leugentoon wisten aantenemen. In de meeste publicatiën van die zyde wordt vermaand om toch niet, uit overdreven yver voor de belangen van het huis van Oranje, de andersdenkenden te beleedigen of te mishandelen. Er moest uit die stukken, door een glimp van inschikkelykheid, blyken dat de prinsgezinden 't sterkst waren, wat toch niet waar was. Want in '87 moesten de Pruissen hun te-hulp komen, en in '95 lagen ze onder. De patriotten liegen brutaal en plomp, als menschen die voor 't eerst liegen. De orangisten spreken bedaarde fatsoenlyke ministeriëele onwaarheid.

De patriot liegt als een boer. De orangist als 'n kommies. De stadhuiswoorden van de stadhouderlyke party rieken naar de kanselary. Die der patriotten naar winkel en werkplaats. Maar, beschouwd op den afstand van zeventig, tachtig jaren, wekt aan beide zyden de taal die toen de officiëele waarheid heette te verkondigen, onze diepe verachting. [10]

Het spreekt vanzelf, dat er twee Nederlandsche goden waren in die dagen. Eén die de Pruissen in 't land hielp, en Willem den V op den zetel, één die dezen zetel omwierp en aan de Franschen den weg wees over de rivieren. Later daagden er meer goden op. Er was er een die Louis Napoleon beschermde. Deze god maakte plaats voor den: dieu des armées van den Keizer, die weer op zyn beurt het veld van Leipzig en Waterloo moest ruimen aan de privaat-goden van Rusland, Pruissen, Engeland, Nederland, Reuss-Schleitz, Katzenellebogen, enz.

Maar we zyn nog zoo ver niet. Wy zyn in volle republiek, en ik zal voortgaan met het aanhalen van eenige uittreksels uit de staatsstukken dier dagen. De kommentaar blyft grootendeels overgelaten aan den scherpzinnigen lezer. [11]

Proclamatie der provisionele Repraesentanten van het volk van Holland. 4 Maart '95
 
...Dat sedert den jare 1787 tot het tydstip toe, dat de Fransche wapenen door het zigtbaar bestel der goddelyke Voorzienigheid begunstigd, het volk van Nederland in staat hebben gesteld om aan het vorig willekeurig bestier een einde te maken...

Hoe rymt die vroomheid met de vroomheid van twintig jaren vroeger, of twintig jaar daarna? Streed die god onder fransche vlag? Onder bataafsche-republieksvlag? Was hy orangist? Dominees, gy die u aanmatigt iets te weten van dien god, gy die u een bezoldigd beroep maakt van 't verkondigen zyner begeerte, zegt gylieden my eens: wanneer loogt ge? Loogt ge in den Oranjetyd? In den patriottentyd? In den franschen tyd? Of loogt ge na Waterloo? Diende uw god in 't leger van de Pruissen, toen ze Wilhelmine kwamen wreken in '87, of was hy in dienst der Franschen van '95? Zyn wy republikeinsch geworden mèt god, of tégen god? Werden wy Fransch, Bataafsch, weer Fransch, en Nederlandsch eindelyk, mèt uwen god of tègen uwen god? Komt, antwoordt eens, dominees!

Ik heb recht tot die vragen. Want zie, in een andere Proclamatie van die dagen lees ik weer dat god republikein was, en toch had Prins Willem hem, weinige jaren vroeger, tot volbloed orangist benoemd. En zóó werd hy ook gekwalificeerd door professer Oosterzee, in November 1863. Er moet een eind komen aan die weifelende gods-politiek. Dat gedurig veranderen van party schaadt aan z'n reputatie. Men zou 't zelfs kwalyk nemen in een minister, die toch nog 'n soort van vrybrief schynt te hebben tot karakterloosheid.

Ik lees in de Proclamatie die ik hier bedoelde, dat ‘de zoo heuchelyke ommezwaai der zaaken in deze landen, duidelyk door de Goddelyke Voorzienigheid is bestuurd’ en iets dergelyks is er te vinden in alle stukken van dien tyd. De ‘Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden’ vertellen - onder aanroeping van God, altyd - dat het vorig bestuur onder de prinsen van Oranje, beneden kritiek was. Ik vraag, hoe 't kwam, dat die patriotische god dat dan niet vroeger had verbeterd? Het komt me voor, dat men er iets aan hebben moest, met zoo'n god gealliëerd te zyn, en dat de geloovers niet zoo zeker van hun zaak zyn als ze voorgeven. Altans ze halen er hun bondgenoot eerst dan by, als de boêl verknoeid is. God is een soort van wonderdokter, die geroepen wordt als de fatsoenlyke geneesheer den patient heeft opgegeven. ‘Baat het niet, 't schaadt toch niet’ zegt het volk, en ondanks alle vrome praat bewyst het z'n ongeloof, door eerst dàn van god te speken, als de verstandige middelen tot herstel zyn uitgeput (pag. 387, III.)

Ja, 't Oranjebestuur was heel slecht geweest, zeiden de ‘Staaten Generaal’ en zy verklaarden daarom dat de regten van den mensch onbestaanbaar waren met het handhaven der ‘persoon of van het huys des Princen van Orange’ in de minste waardigheid.

Wat 'n geluk voor dien ‘prince’ en dat ‘huys’ dat zy een eigen god hadden, die hun later al die waardigheden - en meer - zou teruggeven, met behulp van Wellington, Blücher, en nog een paar heeren.

Er wordt in die Proclamatie van uitsluiting, veel gesproken over de ‘Regten van den mensch.’ [12] Misschien zal ik eenmaal dat stuk in z'n geheel uitgeven, en wie dan klagen mocht, na de lezing niet veel wyzer te zyn geworden omtrent menschenrecht, verwys ik naar het doel waarmede ik deze stukken behandel: de aantooning namelyk hoe men ten-allen-tyde frazen heeft gegeven voor iets degelyks. [13] Dit nu zal elk lezer erkennen by 't in-zien der documenten uit de tyden onzer grootouders, maar niet zoo duidelyk blykt deze waarheid by 't beoordeelen der zaken die naderby zyn. De staatsstukken van onzen tyd zullen eenmaal worden ontleed van verre, en dan zal er blyken of wy zooveel verstandiger waren dan 't voorgeslacht. Ik beweer dat byv. de relazen der Kamerzittingen van onze dagen, aanleiding geven tot dieper schaamte, dan de dolste Publicatie van '95. Ik noemde de patriotsche leugens boersch en grof... welnu, de haagsche onwaarheden van tegenwoordig, zyn nietig, klein, subtiel. In '95 heerschte de vermetelheid der onkunde, thans hebben wy met lafhartige middelmatigheid te doen. Men durfde vroeger leugens verkondigen. In onze dagen heeft men den moed niet tot het zeggen van de waarheid. En wat talent aangaat... och, dat zal wel nagenoeg hetzelfde zyn. [14]

Alweder blykt er kort na de revolutie, dat de god die Nederland hielp omwentelen, moeite had zich in z'n nieuwe politieke positie staande te houden. Althans ik vind in een stuk van de Amsterdamsche Regeering (6 April 1795) een premie uitgeloofd van ‘drie Duizend Guldens van twintig stuivers Hollands ieder’ aan dengeen die zal weten te vertellen: wie ‘laatstleden woensdag, den 1n April, op verschillende wyzen een beginsel van oproer heeft aan den dag gelegd.’

Die onbekende oproer-beginselaars worden ‘kwalykgezinden en onverlaaten‘ genoemd, en de ‘naam of naamen van aanbrenger of aanbrengers zullen worden gesecreteerd.’ Nu, dit was lief van de Amsterdamsche Regeering. Er ligt iets aandoenlyks in die vertrouwelykheid tusschen 't stadsbestuur dat ƒ 3000 wil cadeau geven aan 'n gemeen sujet, en den ‘braaven’ burger die geld verdient door 't verklikken van den medeburger die 't eerst Oranje boven had geroepen.

De stad moet ryk geweest zyn, meent ge, dat zy zoo hoogen prys kon betalen voor zoo'n leelyke dienst? O neen, de stad was niet ryk. Vier weken vroeger had zy de negotiatie opengesteld eener vrywillige leening van acht millioen. Daarin staat uitdrukkelyk dat deze som binnen eene maand moest gestort zyn, op poene van gedwongen heffing.

't Geld was dus schaars. Maar er was genoeg in kas, om bespieding en verraad te betalen. Welk 'n zedelykheid!

In de proclamatie van 1 Juni 1795 wordt gedecreteerd dat de provisioneele Representanten van Holland ‘op Woensdag den 17n Juny, zich en corps zullen begeeven naar eene openbaare plaats, om den God van Hemel en Aarde te danken voor zyne Zegeningen aan dit vrygeworden Gemeenebest beweezen.’

Weêr durf ik dat stuk niet in z'n geheel geven, omdat het te lang is. Een paar uittreksels:

Wierden onder het voorig bestuur onze keetens vaster gesmeed door eene Alliantie met dat trotsch Engelsch Gouvernement, het-welk steeds ondankbaar was aan den edelmoedigen, zoo dikwerf door deeze Republicq aan de Britsche natie verleenden bijstand, en hetwelk overal de vrijheid als hare mededingster vervolgt; door eene Alliantie waarbij men de belangens van eenige weinigen en niet van de natie had in het oog gehouden, gelijk de rampzalige gevolgen, helaas! van rondom deeze verschrikkelijke waarheid bevestigen: thans is onze vrijheid bevestigd door een verbond hetwelk naar de belangens der twee Volken berekend is, en welks daarstelling, zonder eenige vreemde tusschenkomst, van Gouvernement tot Gouvernement het verheven kenmerk van broederschap heeft gedragen, waarbij de Alliantien der Koningen zoo koud zijn. Dat volk is onze bondgenoot geworden, hetwelk immer getoond heeft ons gemeenebest te beminnen, en na zelf zijn ketens verbroken te hebben, ons het ijzeren juk heeft helpen afwerpen; in één woord dat groot volk bij hetwelk uit eene onwrikbare vrijheidsliefde die voortreffelijke daden zijn gebooren, voor welker glans de oogen van Slaven schemeren, en die voor hen fabelen en hersenschimmen zijn. Gij weet het, volk van Holland, toen de Franschen hunne ketens verbraken, wierden die welke wij droegen, ons ligter, en bij ieder hunner voorspoeden, was het of wij in het land der slavernij een zuiverder lucht inademden.
Ook deden de namen van vrijheid en gelijkheid welke onder hen weergalmden, welras de vorige Bestierderen, die zoo klein in hunne gewaande grootheid waren, verbleeken, en ras, gedienstig, aan den wenk van eenen stadhouder die meester van zijne meesters wilde zijn, en wiens heerschzucht, gevoed door eene trotsche vrouw, hem naauwer verbond aan vreemde hoven dan aan 't Vaderland dat hem voedde, riepen zij ontsteld: te Wapen, te Wapen, laat ons mede tegen dat volk opstaan hetwelk zoo stout is, vrij te willen zijn; laat ons mede die weêrspannigen helpen vernielen, eer het verschrikkelijk licht dat zij verspreiden ook henendringe door de donkere sluier welke onze misdadige staatkunde voor het oog des Volks bedekt.’
Maar de God die onze Vader, niet onze tyran is...

Nu ja, die god schynt patriot geweest te zyn. Wat verder zeggen de heeren Representanten, dat de verjaagde stadhouder:

in een leugenachtig manifest zijn looze staatkunde bedekte onder het masker van groote trouw, regtvaardigheid en maatschappelijke orde, en trachtte met bloemen den weg te bedekken, waarlangs men het volk tot den afgrond leidde...

...het is in den mond der republikeinen dat de waarheid, van waar zy ook moge verbannen zijn, haar laatste schuilplaats zou moeten vinden...

Deze heele Proclamatie is zeer gezwollen, en toont aan dat de patriotten hadden omgezien naar mannen van ‘talent,’ naar ‘schryvers,’ naar stukkenmakers’.

Grappig is de klacht tegen 't vorig bestuur, dat het ‘den eerdienst van God tot een staatkundig spel verlaagde.’

...met verontwaardiging en smart zagen wij Hem bij zoodanige en andere gelegenheden (nam.: by dank- en bededagen) van den predikstoel als een wreker, of als een weldadig Vader aan het oog des volks vertoonen, naar gelang der oogmerken welke bereikt moesten worden, ja uit deeze zelfde Raadzaal (in den Haag) zoodanige ongerijmde schilderij van hem opgehangen, dat indien dezelve waarheid gehad hadden (sicgehad’) de deugdzame vaderlander tot niets minder zou gebragt geweest zijn, dan tot den verschrikkelyken wensch, dat die dus afschilderde God, niet bestaan mogt. (‘afschilderdesic.)

Verre van die brave Patriotten zulke snoodheid! Neen, God mocht niet meêdoen. God moest neutraal blyven. God was buiten spel, constitutioneel, onschendbaar... precies als 'n koning. En om daarvan een voorbeeld te geven, bepalen de representanten dat ze ‘aanstaanden Woensdag’ in 't publiek dien God zullen bedanken voor 't genotene, en ‘nieuwe Zegeningen van zyne liefde voor dit Gemeenebest afsmeeken.’

Ik heb nog vergeten te zeggen dat er in dit staatsstuk wordt verzekerd dat:

de naam: Vrijheid, na den naam van God, in dit land de meest gekende, en de meest geëerbiedigde zal zijn, en als de voornaamste schat, meer genoemd zal worden dan die van vader, zoon en echtgenoot. [15]

De styl der leugenstukken van dien tyd werd met den dag, bloemiger, kunstiger. De mannen van ‘talent’ kwamen voor den dag, en raakten in dienst van stad en land. Of, juister misschien, de mannen van 't schootsvel begonnen vertrouwd te worden met de pen. Er schynt vraag geweest te zyn naar frazen. In een proclamatie der Amsterdamsche regeering van 13 Juni, wordt gesproken van ‘het wimpelvoerend Y,’ en over ‘de deugd die bloozen zou, als 't volk zich overgaf aan wangedrag, zedeloosheid of - let op den climax - onbescheid.’ [16]

Het Amsterdamsch bestuur schryft zelfs voor, hoe men zich kleeden moet:

Bevallige tooij, door nette eenvouwigheid, dat cieraad van onze vaders en moeders, bestuurd, zal de zoonen en dochteren der vrijheid op het heerlijkst onderscheiden van die Slaaven en Slavinnen, welke welëer door hunnen opschik voor den Oranjen Afgod, zich zelven en de menschheid ontëerden. [17]

Ik begryp niet recht, hoe dan die vaders en moeders - de ‘slaaven en slavinnen’ die zich toch altyd gekleed hadden naar modeplaatjes uit den tyd der slaverny - hun ‘tooy’ hadden kunnen ‘besturen door nette eenvouwigheid.’ Men ziet, het talent der officiëele frazen-leveranciers liet te wenschen over.

Maar ze leerden vlytig aan. Als staal volgt hier een prachtig stuk. De kommies die 't gemaakt heeft, was prévôt of maître d'armes op de pen. Ik erken echter dat de man heden-ten-dage niet zou kunnen voldoen. Er zyn nieuwe bottes uitgevonden. In 1796 loog men door versiering, tegenwoordig door afleiding. Toen maakte men a tot: AAAaAAA... tot 'n soort van klankguirlande. Nu spreekt men de a uit, als: b of x, en zet er een droog gezicht by. Er was minder scherpzinnigheid noodig, om de stukken van '95 en '96 terugtebrengen tot de wezenlyke onwaarde, dan thans om allerlei doorgravings- en spoorwegknoeiery te ontdekken in gedesävoueerd ‘liberalisme’ en om te weten dat het woord kadaster  *   eigenlyk beduidt: bedrog, mishandeling, afpersing, roof en moord. Tegen den tyd dat ons geslacht zal geleerd hebben de licentiae politicae der haagsche heeren te vertalen in wat waarheid... och, ‘de olifant, de koning, of zyzelf zullen dan wel dood zyn.’ En er zyn buitenplaatsen waar men rusten kan.

VRIJHEID, GELIJKHEID, BROEDERSCHAP.
Proclamatie.

Gecommitteerden van het Provintiaal Bestuur van Holland. Aan de Burgerij der Stad Amsterdam;
 
Heil en Broederschap!

Het aanzienlijk, het magtig Amsterdam, die schoone Paerel aan Neêrlandsch Kroon - die steun van 's Lands Welvaert, Vermogen en Vrijheid, heeft binnen zijne muuren noodlottige gebeurtenissen gezien, die zijnen roem bevlekken, de pijlers van zijnen welvaart hebben doen schudden, en het Hart van den waaren Vaderlander van weedom doen krimpen. - Eerbied voor het gezag, ontzag voor de Wet, bedaarde zucht voor het gemeen belang, en ondergeschiktheid aan het oordeel en beleid van een verlichten Raad, door het Volk verkoozen, en met de macht des Volks bekleed, hebben plaats gemaakt voor het toomeloos hollen van ziedende driften, van heiligschennend oproer, van raazende muitzucht. - Binnen deze muuren van het agtste waereldwonder is het Heiligdom der Wet handdadig aangevallen, en de Majesteit des Volks opentlijk en geweldig geschonden, de Wet verkracht en het Recht vertrapt geworden. - Baldaadigen overweldigden den Zetel der Wetgeving: daar Burgertrouw of Burgermoed scheenen te faalen: En de overweldígde Arm der Gerechtigheid zeeg, ontzenuwd en moedeloos, met een gebrooken Zwaard op het verscheurde Wetboek neder!
Amstels Burgeren! erkent aan dit akelig Tafreel, door nachttoortsen verlicht, de gevaaren van uwen toestand! uwe Raden en Rechters, aan de woede ontkomen, bragten radeloos en met bevende lippen dien kommerlijken toestand in den Vaderlijken schoot der Hoogstgeconstitueerde Macht van Holland; Zij kwamen dien met gegronde en bittere klachten vertrouwelijk schetsen, en lieten aan Haar de middelen over, om 's Lands belang in Amsterdam te redden. [18]
Die Vergadering, verbaasd en ontzet, en gloeiende van verontwaardiging, bloosde van schaamte over de bedreeve spoorloosheden, voor de Eer van den Patriottischen Naam: - Handhaafster van Wet en Recht, gevoelde Zij al het gewicht van haaren Plicht; Zij beloofde herstel en bescherming, besloot en werkte; Zij benoemde ons uit haar midden, om haare bevelen uit te voeren; en Wij, getrouw aan de verplichting, ons door het Volk van Holland in onze benoeming opgedragen, en bij onzen gedaanen Eed erkend en beloofd, mogten ons aan dezen hoogstonaangenamen, ja, gevaarlijken last niet onttrekken.
De Vergadering voorzag in onze veiligheid, door ons de middelen in handen te stellen, welken hare bevelen kracht konden geven: met het gezag des gantschen Volks bekleed, vermogten wij onze Persoonen aan geene beledigingen bloot stellen, waardoor de Oppermacht des Volks zou geschonden zijn geworden: Neen, wij konden ons niet waagen te midden in het oproer! Hoe! zouden wij zonder bescherming verschenen zijn in eene regeringloze Stad, daar de Wet gehoond en zonder bescherming gebleven was! - Burgers! beantwoordt dit zelven: - wij kwamen, ja omstuwd met eene gewapende macht, en onze voorhoeden waren reeds binnen uwe poorten, niet met den trotsch van Dwingelanden, of om Medeburgers te onderdrukken; maar om de Wet te doen spreeken, en onverlaaten te doen bukken voor den algemeenen wil; uwe verbijstering stelde U buiten staat, om dit onderscheid te gevoelen; - de opstand binnen uwe muuren bleef in kracht, en uwe overmande Raad zond bezendingen, om ons den optocht te doen staaken: hunne krachtigste beweegredenen waren de sterkste bewijzen van een nieuwe schuld, en een (te recht verdagt) voorgeven van hersteld gezag; maar zij schilderden ons met ontzettende trekken het onberaaden opzet van een geweldadige tegenstand, die ijsselykheden ten gevolge konden hebben.
Voorstanders van de Eene en Onverdeelbare Republiek erkenden dan niet eens de werkelijke Eenheid van Holland; in eene enkele Gemeente zou tegenstand geboden zijn aan de Troupes van het geheele Bataafsche Volk! - men waagde het, deeze onderneming te rangschikken bij die van eenen Willem den 2den, en van eenen Ferdinand van Brunswijk.
Misleide Burgers! is dit uwe verlichting, wat zal dan uwe vrijheid zijn? - waandet gij uwe vrijheid te verdedigen, door misdadigen te beschermen?
Genoeg, wij deinsden terug op het enkel denkbeeld van onschuldig, van verbijsterd Burgerbloed te doen stroomen, en, daar geen gevaar ons konde keeren, werden wij door uw belang ontwapend: wij mochten, wij wilden U op dezen toets niet stellen, die de nagedachtenis dezer gebeurtenis in de geschiedenissen zou gebrandtekend, en mogelijk uwen welvaart den hartäder afgestooken hebben.
Ziet daar, Burgers! genoeg, om ons gedrag te beoordeelen, en U te doen gevoelen, wat gij van ons te wagten hebt: wij komen nu ongewapend tot U, om onzen Last te volbrengen, onder de toevallige beveiliging van eene onzijdige macht, die de rust en orde verzeekerd: wij komen uwe Wetgeving herstellen in haare Eer en Gezag, het Recht in werking brengen tegen de schuldigen, en uwe rust voor het vervolg te verzeekeren; En, zo wij ons in het onderzoek van het gebeurde mengen, zal het zijn, om te zekerder de Wet tegen den verleider te wenden, en de misleide werktuigen te spaaren.
Amstels Burgers! keert dan weder onder de Wet, beschermt als voorheen, het Publiek gezag, en bedaart de gisting der gemoederen; - Laat rust, orde en veiligheid onder U heerschen, als weleer; Laaten dezen uwen vrijheidsboom omringen, omdat onder zijne schaduw, welvaart en vermogen tot U wederkeeren, en de bezorgde vreemdeling, gerust op de soliditeit van uwe Beurs, en op de zekerheid van uwe Bank, gewaarborgd door de Hollandsche trouw, niet aarzele, zijne schatten in uwen schoot te blijven storten: Zoo gaat het den Koopman, en dan ook den Arbeidzaamen, wel! En, zo gij moedig de wapenen aangrijpt, zo zij het dan, ter verdediging van Vaderland en Vrijheid, en tot handhaving der Wet: En Amsterdam is, als weleer, het Cieraad van Nederland, het Puikjuweel der Steden.
 
Amsterdam, den 28 Mey 1796, het Tweede Jaar der Bataafsche Vrijheid
 
M. Temminck.
Ads. Hartevelt.
R. Van den Bosch.
D. Van Aken Hendz.
J. de Jongh van Heedikhuyzen.
C.J. van Brakel.
C. van Foreest.

Is dit niet een prachtig stuk? Is 't niet een kostbare bydrage tot 'n verzameling van officiëele effectleugens? Bedenk, lezer, dat zoo'n vod toch eenmaal met quasi-ernst is afgekondigd, en dat het hier-en-daar door een welwillend burger met wezenlyken ernst gelezen is. Is 't niet verdrietig? [19]


 *  Ik ben bereid ieder belangstellende inzage te geven van de onwraakbare stukken, waaruit ik de mededeelingen die nu volgen zullen, geput heb. Ik meen dat ze kurieus zyn. (1864)

 *  Met de Kadaster-kwestie namelyk heeft de minister Franssen van de Putte de Kamer bezig gehouden. Sedert een tal van jaren weet elke minister een topic optedringen, waardoor de hoofdzaak wordt op-zy geschoven. En geen lid der Kamer komt tegen dat gegoochel op! Niemand zegt: dát, dát, dát is de vraag niet. De vraag is: of er in Indië onder oogluiking van ons gezag, wordt geplunderd en gemoord? In de noot op blz. 56 van Specialiteiten, die over dit onderwerp handelt, heb ik verzuimd melding te maken van het laatstgebruikt afleidingsmiddel. Dat was de reorganisatie der Preanger regentschappen. Het schynt nu uitgediend te hebben, en is weer in den doofpot. Wat er thans aan de beurt ligt, zal de tyd leeren. Die van de Putte is weer minister! (1872)


[1] "Eerste hoofdstuk der historische bydragen."

Hier begint een tamelijk lang Idee met een aantal interessante stukken uit en over Nederlandse geschiedenis.

Multatuli wil aantonen dat de geschiedenis gewoonlijk slecht geschreven wordt. Wellicht is dat waar, maar wat M. feitelijk aantoont is iets anders en interessanters: Dat in de geschiedenis - terwijl deze aan het geschiedenis is, en dus nog niet het omderwerp van geschiedkundigen is - vrijwel altijd de waan van de dag heerst, en dat die waan actief gecultiveerd wordt uit partijbelang en persoonlijk belang en bestaat uit leugens, misleiding, propaganda en desinformatie - altijd, overal, onder ieder maatschappelijk regime.

De drie fundamentele redenen zijn dat

  • mensen feitelijk sociale zoogdieren zijn die in horden leven waar trouw aan de horde en de leiders van de horden een fundamentele voorwaarde is erbij te mogen horen (zie: De ideologische aap)

  • de grote meerderheid van de mensen is niet in staat behoorlijk rationeel na te denken en zich zelfstandig redelijk en rechtvaardig te gedragen, en is uit domheid en onwetendheid gedwongen de waan van de dag te volgen (zie: 107, 423)

  • er zijn maar heel weinig zelfstandige menselijke individuen die de moed opbrengen naar hun eigen individuele normen te oordelen, denken en doen (zie: 73, 74). Multatuli was zo iemand en ik ook, en dat verklaart een deel van mijn interesse in hem.

Zijn de meningen die ik opvoer radikaal, misanthropisch, élitair?

Het kan me niet zoveel schelen zolang ze maar feitelijk gefundeerd, rationeel beredeneerd en door middel van kennis geïnformeerd zijn - en de talloos vele gruwelgeschiedenissen uit de 20ste eeuw (miljoenen zinloze doden in de Eerste Wereldoorlog; tientallen miljoenen in concentratie-kampen in Hitler's Duitsland en Stalin's Rusland; moord op miljoenen joden in de Tweede Wereldoorlog; gruwelijke oorlogen in Korea, Vietnam, Cambodja; vele tientallen dictaturen en grote hongersnoden; burgeroorlogen in vele landen etc. etc. - alles in weerwil van het feit dat de technologische mogelijkheden en noodzakelijke begrippen om dit alles te vermijden al die tijd bestonden) geven mijn meningen een empirisch fundament dat moeilijk te weerleggen of bestrijden is.

Hier zijn als verder perspectief enkele citaten uit de 19e eeuw van Amerikaanse verlichte staatsmannen, geciteerd naar Jared Diamond's uitstekende "The Third Chimpanzee" p. 308-309, waar de geïnteresseerde lezer meer dergelijke citaten kan vinden. Het betreft "de roodhuiden" uit de Verenigde Staten, en ik citeer drie Amerikaanse presidenten, allen ongetwijfeld beschaafd, intelligent en humaan in tal van opzichten:

"President George Washington. "The immediate objectives are the total destruction and devastation of their settlements. It will be essential to ruin their crops in the ground and prevent their planting more."

President Thomas Jefferson. "This unfortunate race, whom we had been taking so much pains to save and to civilize have by their unexpected desertion and ferocious barbarities justified extermination and now await our decision on their fate."

President Andrew Jackson. "They have neither the intelligence, the industry, the moral habits, nor the desire of improvement which are essential to any favorable change in their condition. Established in the midst of another and superior race, and without appreciating the causes of their inferiority or seeking to control them, they must necessarily yield to the force of circumstances and ere long disappear."

Tot zover mijn geschiedkundige citaten van - zoals ik zei - een drietal ongetwijfeld beschaafde, intelligente en humane presidenten van de Verenigde Staten uit de recente geschiedenis. Voor een kort review van Jared Diamond's "The Third Chimpanzee" zie mijn Introduction to Politics, dat ook overige achtergrond literatuur biedt.

En we kunnen nu beginnen aan Multatuli's citaten uit de Nederlandse recente geschiedenis.


[2] "Weet ook dat de vrye Franschen, onze vrienden, alle ongeregeldheid en mishandeling af keuren... Dat Deugd en Braafheid! dan by ons allen steeds de ordre van den dag zy. "

Op mij maakt dit toch vooral de indruk van een verhulde en totalitaire bedreiging met mishandeling van wie "onze vrienden" "de vrye Franschen" niet aanstaat.


[3] "  Broederschap. "

Ik haal dit eruit en haal ook maar de volgende frases uit dit stuk aan: "BRAAVE STADGENOTEN." en "GY ZYT VRY! GY ZYT GELYK!" om duidelijk te maken dat dit proza uit de Franse revolutie-school van 1789 stamt, die gevoerd werd onder de banier "Vrijheid! Gelijkheid! Broederschap!", en daar iets over op te merken. Voor achtergrond verwijs ik naar het uitstekende "The French Revolution" van Pernoud en Flaissier, dat uit rapporten van tijdgenoten bestaat.

De leus "Vrijheid! Gelijkheid! Broederschap!" mag nobel en menslievend klinken maar is feitelijk onzin van 't soort dat M. in dit idee probeert aan te tonen. Immers: Geen weldenkend mens is voor onbeperkte ongeconditioneerde vrijheid of gelijkheid van alle mensen en geen weldenkend mens gelooft in werkelijke broederschap met alle mensen. Zie 155.


[4] "Het is opmerkelyk dat onder al die namen die te Amsterdam werden op den voorgrond gesteld, slechts een - die van Schimmelpenninck - eenige vermaardheid heeft verkregen. Toen, als nu, schynen de middelmatigheden opgeld gedaan te hebben."

Ja, maar mij dunkt dat dit vrijwel altijd en vrijwel overal het geval is. Er zijn heel weinig werkelijk bijzondere mensen die evident en natuurlijk uitsteken boven de hen omgevende medemensen (minder dan 1 op de 10.000); hun talenten zijn gewoonlijk niet van het soort dat hen tot natuurlijke maatschappelijke leiders maakt àls ze dat al zouden willen; en wie werkelijk bijzonder is op een terrein dat niet tot kunst of vermaak dient (muziek, schaken) of dat maar zeer weinigen direkt raakt (wiskunde) loopt een groot risico door z'n menselijke omgeving vervolgd te worden vanwege z'n afwijkendheid, zogenaamd in z'n eigen belang.


[5] "Ja, enz.! want het ding is zeer lankdradig, en 't schynt dat de officieele redactie van die dagen weinig toegaf aan wat we nu te lezen krygen uit den Haag."

Het proza dat de Nederlandse burger ontvangt van Haagse bestuurders is nog steeds gruwelijk en vrijwel totaal onleesbaar want geschreven in een bijzonder jargon vol bureaucratische termen, eufemismes, lelijke kunstfrases, opzettelijke onduidelijkheden en juridische kromtaal.


[6] "Natuurlyk, wie baas is, wil baas blyven, en wat daartegen strydt is uit den booze."

Ja, hier hebben we een feitelijk veel motiverender beginsel dan alle politieke leuzen in dienst van dit beginsel: "wie baas is, wil baas blyven". Zie Machiavelli voor hoe men dat doet. (Kortweg: Door leugen, bedrog van volgelingen; door intrige tegen andere ambitieuze machtszoekers; en door geweld en moord gericht tegen tegenstanders).

Waarom mensen dit willen is trouwens een interessante vraag, aangezien het feitelijk werk van bazen zelden interessant is. Een fundamentele reden is kennelijk weer het sociaal zoogdier zijn: Wie in een horde leeft is gedwongen volgeling of leider te zijn, en de zeer grote meerderheid van mensen vindt het aangenaam dat er naar hen opgekeken wordt.


[7] "In deze Publicatie, die ik hier niet mag invoegen, omdat ze te lang is, wordt het roepen van ‘oranje-boven’ bedreigd met ‘strenge geesseling en daarop volgende gevangenis van vyf jaren, en daarnà bannissement uit deze provincie.’"

Multatuli merkt hier zelf het e.e.a. over op dat geheel terecht is. Ik selecteer deze passage om te laten zien dat er in de 200 jaren die verstreken zijn sinds deze publicatie toch iets verbeterd is: Dergelijke draconische straffen voor dergelijke kleine vermeende vergrijpen spreken niet meer vanzelf.


[8] "Welgezinden...kwalykgezinden... die woorden veranderen telkens van beteekenis."

Ja, maar hier ligt een fundamenteel probleem waar ik op in ga onder 423: Iedereen wil "het goede" - maar "het goede" van ieder mens is wat de wensen van deze mens bevredigt. Wie dus beweert "het goede" te willen en na te streven zegt feitelijk helemaal niets. Dit is trouwens ook een probleem voor Multatuli's positie, getuige bijv. 242.


[9] "O neen, in de Publicatie die ik aanhaalde, worden de andersdenkenden flinkweg: misdadigen genoemd."

Maar zo gaat het feitelijk bijna altijd: Zie [1], [6] en [8] en de daar gegeven links.


[10] "Maar, beschouwd op den afstand van zeventig, tachtig jaren, wekt aan beide zyden de taal die toen de officiëele waarheid heette te verkondigen, onze diepe verachting."

Ja, dit is meer waar dan niet, afgezien van "onze diepe verachting" (want - zie [1] - misschien is medelijden meer op z'n plaats: "Heer vergeef hen want ze weten niet wat ze doen"). De fundamentele reden dat van een afstand gezien de waan van de dag van weleer nogal evident waan van de dag is omdat de indertijd bestaande belangen en partijen niet langer bestaan.


[11] "De kommentaar blyft grootendeels overgelaten aan den scherpzinnigen lezer."

Wel, ik doe m'n best, dunkt me.


[12] "Er wordt in die Proclamatie van uitsluiting, veel gesproken over de ‘Regten van den mensch.’ "

Ik haal dit eruit om erop te wijzen dat het begrip mensenrechten een produkt is van de Franse revolutie. Er is sinds 1948 een interessante codificatie van dit begrip door de Verenigde Naties. Het is de moeite waard op te merken dat ook deze rechten van de mens vrijwel nergens op de wereld voor de meerderheid overwegend gehandhaafd worden. Zie ook mijn volgende opmerking.


[13] "Misschien zal ik eenmaal dat stuk in z'n geheel uitgeven, en wie dan klagen mocht, na de lezing niet veel wyzer te zyn geworden omtrent menschenrecht, verwys ik naar het doel waarmede ik deze stukken behandel: de aantooning namelyk hoe men ten-allen-tyde frazen heeft gegeven voor iets degelyks."

Zie eerst [12]. Vervolgens: In ieder geval sinds 1948 zijn mensenrechten geen lege frase meer, en dat niet omdat ze gehandhaafd worden maar omdat een groot aantal vertegenwoordigers van een groot aantal regeringen het eens werden over de inhoud van het begrip "mensenrechten".

Dat dit er tot nu toe niet toe geleid heeft dat deze mensenrechten in de meeste landen voor de grote meerderheid gehandhaafd worden maakt dergelijke rechten nog niet belachelijk of inhoudsloos: Iedere norm en iedere wet heeft alleen zin om afgekondigd te worden als norm of wet als ze zowel gebroken als gehandhaafd kan worden.

En het is van aanzienlijk menselijk moreel belang dat er althans op verbaal en intellectueel niveau een vrij algemeen aanvaarde codifcatie is van wat ieder mens in iedere maatschappij toe zou moeten komen als grondrecht. Zie 423.


[14] "In '95 heerschte de vermetelheid der onkunde, thans hebben wy met lafhartige middelmatigheid te doen. Men durfde vroeger leugens verkondigen. In onze dagen heeft men den moed niet tot het zeggen van de waarheid. En wat talent aangaat... och, dat zal wel nagenoeg hetzelfde zyn."

Ikzelf denk dat mensen al minstens 2500 jaren overal overwegend soortgelijk zijn. De reden dat de leugens van vroeger veel meer opvallen dan de leugens van nu is dat de belangen en partijen en propaganda van vroeger vervluchtigd zijn, terwijl het proza van vroeger behouden is. Zie ook [1].


[15] "de naam: Vrijheid, na den naam van God, in dit land de meest gekende, en de meest geëerbiedigde zal zijn, en als de voornaamste schat, meer genoemd zal worden dan die van vader, zoon en echtgenoot."

Hier is zo'n typisch voorbeeld van pure politieke wensdenkerij.


[16] "In een proclamatie der Amsterdamsche regeering van 13 Juni, wordt gesproken van ‘het wimpelvoerend Y,’ en over ‘de deugd die bloozen zou, als 't volk zich overgaf aan wangedrag, zedeloosheid of - let op den climax - onbescheid.’ "

Dit laatste lijkt me toch nogal typisch Neerlands: De grootste ondeugd in Neerland bestaat sinds eeuwen in individuen die zich erop laten voorstaan niet zo dom en karakterloos te zijn als de nivellerende Neerlandse doorsnee.


[17] "Het Amsterdamsch bestuur schryft zelfs voor, hoe men zich kleeden moet:

Bevallige tooij, door nette eenvouwigheid, dat cieraad van onze vaders en moeders, bestuurd, zal de zoonen en dochteren der vrijheid op het heerlijkst onderscheiden van die Slaaven en Slavinnen, welke welëer door hunnen opschik voor den Oranjen Afgod, zich zelven en de menschheid ontëerden. "

Dit is weer in de allergruwelijkste - maar onder mensen zeer wijd verbreide en feitelijk populaire - totalitaire tradities. Wie iets als dit sentiment in het Nederland van 2003 in nogal zuivere, fanatieke en echt menselijk-al-te-menselijke vorm wil zien beschouwe voetbalsupporters.


[18] ... "om 's Lands belang in Amsterdam te redden."

De hele alinea gruwelproza waar dit het eind van vormt is de moeite van het doorlezen waard.


[19] "Is dit niet een prachtig stuk? Is 't niet een kostbare bydrage tot 'n verzameling van officiëele effectleugens? Bedenk, lezer, dat zoo'n vod toch eenmaal met quasi-ernst is afgekondigd, en dat het hier-en-daar door een welwillend burger met wezenlyken ernst gelezen is. Is 't niet verdrietig?"

Ja, maar zie [1].

Idee 514.