Idee 512.                                                 


Wouter's eerste les in verzemakery, en z'n 1001e in nederigheid. Belangryke ontmoeting van 'n waschvrouw en haar dochter. Onderricht in 't alleen zaligmakend geloof.

De opdracht om 'n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem voor iets aanzag. Hy had z vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit iets worden zou... [1] dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die z'n moeder en bror in 't werk stelden, om hem te doen gelooven dat de heele commissie eigenlyk een straf was voor z'n onkunde in de namen van bergen. Ja, zei Stoffel:

- Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en staande regels...

- H? vroeg Wouter.

- Wel zeker... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je dat niet geleerd? Of heb je wer niet opgelet? Kyk... zoo!

En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar 't lukte niet.

- Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter: hoog, omhoog, het hart naar boven... dat 's liggend, zieje. En: hier beneden is het niet... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...

- Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.

- Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang wezen.

- En je krygt ulevellen... en als je 'r niet me terecht kunt, zei de moeder, vraag dan maar aan Stoffel.

- Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt. 't Is heel makkelyk...

Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei, en schreef er op. Maar mooi was 't niet. Ook kon-i maar niet verder komen dan: Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar...

Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden slee op z'n grift, en 't grift tot gruis... maar och, 't ging niet. Hy was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide: dat er van dien jongen nooit iets komen zou. [2]

Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staande regels waren? En daar zy 't ook niet wist, besloot hy morgen eens wer te probeeren. Misschien zou 't dan beter gaan. Dit vond Leentje ook.

- My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert voor jufvrouw Laps... want ik heb gezeid dat je 't kon... en de man is jarig woensdag over acht dagen... dus veel tyd heb je niet.

Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter te schreien.

- Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker iets verloren. [3]

- Heb je wat verloren, jonge-heer?

Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat herkende. 't Deed hem denken aan Fancy.

- O, nu is alles goed... nu gy daar zyt! Ik heb zoo naar u verlangd...

- Naar my, jonge-heer?

- Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde... maar nu weet ik het: O, zeg het my toch spoedig... wat staande regels zyn, en hoe ik m'n vers moet maken?

Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op 't gras, keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.

- Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.

En daarop haalde ze uit 'n klein huisjen in de buurt, wat water dat ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het voorkomen en in de wyze van doen van 't meisje, dat hy zich tot haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, dat al veel was. [4]

Femke wees Wouter 'n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet.

Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezig-hielden met haar bleek.

- Misschien kan ik je wel helpen, jonge-heer... zei de moeder, want m'n man heeft 'n aangetrouwden neef die wwenaar is...

- Ja, jufvrouw... maar de liggende regels? En er moet van God inkomen.

- Precies, jonge-heer. Och, 't is 'n heele historie. Z'n vrouw was m'n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof goed... leg 'n steentjen op die asseldoekies  *   Femke, anders waaien ze weg... ja, jonge-heer, 't is 'n heel ding met zoo'n bleek, je heb 'r geen begrip van, zoo'n ding als 't is... nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze goed aan, want - dat zal je ook wel weten, jonge-heer - als 'n mensch z'n godsdienst niet doet, is er niet veel aan, maar hy... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de sloot... maar hy gaf er niet om, en zei dat 't allemaal gekheid was... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd... 't was pater Jansen die 'r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen... hy loopt altyd met zoo'n zwart stokkie, en raakt er nooit me aan den grond...

De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op 't omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die vertelling zou nerkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.

- Nu, 't was pater Jansen die 'r bediende. En toen m'n mans neef dat zag... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op... ja, toen-i zag dat 'n mensch toch niet sterft als 'n stom beest, toen had-i 'r weet van, en naderhand heeft-i z'n paschen gehouden net als 'n ander... en toen-i verleden jaar z'n been brak, want hy is schilder    , weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuivers van de armen gehad... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook 'n wwenaar in m'n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer, want ik heb 't noodig.

Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen in 't gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te roepen als 'r kwajongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.

- Ben je wer beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.

- O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal te-pas brengen in m'n vers.

Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op 't denkbeeld komen, dat Wouter moed noodig had om z'n gebrek aan begrip te erkennen. We zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin berusten. [5] En 't gedurig waarnemen van die berusting in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid waarme wy meenen alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde over algemeene toejuiching, den indruk onderzoeken dien z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen veronderstelde. [6] De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken. [7]

Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z'n vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.

- Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regels even lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan... want dat heeft m'n bror gezegd, die zelf schoolmeester is.

Femke peinsde, en op-eens:

- Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.

- Ach neen...

- Nu, 't doet er niet toe, riep ze, 't hollandsch staat er naast... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?

Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.

Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in 't diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe daarme optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had 'n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z'n dame tydig was wergekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde wer - voor 't eerst in langen tyd - dat prinselyke waarme hy Leentje eens zoo verschrikt had. Z'n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel, van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.

- O Fancy... Fancy... sterven voor u... sterven met zulk een kus op de lippen! [8]

Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, hy had lust in ongelyken stryd.

En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in 't bezit van de rouerie, die de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy voelde Wouter's ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die ridderlykheid beloonen kon.

- Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide handen, en kuste hem wer, en nog-eens nog-eens... op 'n wyze alsof ze 't meer gedaan had. Wat toch niet waar was. [9]

En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan. Misschien zal 't je helpen voor je tante...

- Ze is m'n tante niet, antwoordde Wouter, maar 't boekje wil ik wel zien.

Hy legde 't op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, grooter dan hy, had den arm om z'n hals geslagen, en wees hem met de andere hand wat bv lezen moest. Een lieve schildery!  *  

- Zie, die regels zyn even lang, zei 't meisje.

- Ach ja... maar ze rymen niet.

En Wouter las:

 Allerreinste moeder,
 Allerzuiverste moeder,
 Ongeschonden moeder,
 Onbevlekte moeder,
 Machtige maagd,
 Goedertierene maagd,
 Getrouwe maagd,
 Geestelyk vat,
 Eerwaardig vat,
 Schoon vat van devotie,
 Geestelyke roos,
 Toren van David,
 Ivoren toren,
 Deur des hemels...

- Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er niets van.

Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip. [10] Maar nu ze door Wouter's onnoozelheid in mor gesteld werd, reden te geven van haar geloof, bemerkte zy voor 't eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde schaamte hierover, en sloeg 't boekje dicht.

- Maar ken je dan 't geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.

- Z niet, zei Wouter. Ik heb 't anders geleerd.

- Maar je gelooft toch aan Jezus?

- O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en torens. Hoort dat by 't geloof?

- Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.

- Z? Maria? Ja, dan weet ik het.

- En 't vagevuur?

- Daar weet ik niet van.

- En de biecht?

- Gut n... [11]

- Maar hoe maak jelui 't dan?

- Hoe meenje dat, Femke?

- Wel... om zalig te worden.

- Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel te komen?

- Wel zeker. Daarom is 't te doen, en dat kan niet zonder de Heilige maagd, en zonder zoo'n boekje. Wilje dat ik je 't geloof leer, Wouter? Dan komen we samen in den hemel.

Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:

- God schiep de wereld...

- Wat deed hy vr dien tyd, Femke?  *  [12]

- Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer goed te maken... dat is lang geleden...

- Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z'n geboorte. [13]

Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan van den ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van 't geloof, al was het dan volgens Femke 't ware niet.

- Nu, Jezus heeft de menschen wer goed gemaakt, en als je nu goed bidt uit zoo'n boekje, dan word je zalig. Begryp je 't nu, Wouter?

- Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?

- Wel, dat is zoo'n benaming van de Heilige Maagd. 't Is by-voorbeeld alsof je... pater tegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...

Femke zocht een voorbeeld.

...daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?

- Wel... ik zeg: moeder.

- Juist. Maar hoe noemt haar een ander?

- Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.

- Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men roept: jufvrouw Pieterse! dan is het, dat ze luisteren zal, en zoo wil ivoren poort zeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is 't te doen.

- Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk... een maagd?

Femke kleurde.

- Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...

- Ik? vroeg Wouter verbaasd.

- Wel neen, malle jongen... 't moet een meisje wezen.

- Ben jy een maagd?

- Wel zeker...

Femke sprak de zuivere waarheid.

- Wel zeker... omdat ik niet getrouwd ben.

- Maar Maria was toch getrouwd... en Jezus was haar kindje.

- Dit is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom heet ze ivoren poort. Begrypje 't nu, Wouter? [14]

Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje me te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets bedorven werd aan Femke's zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit, dikwyls wertekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze 't aan pastoor Jansen vragen. Dan kon Wouter heel gauw     zoo knap worden als de beste.

Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met dat meisje, dat geheimzinnige boekje, 't zaligworden, zyn gevecht met de bleekverstoorders, alles warde zich doorn met de gedachte aan 't vers dat-i maken moest. En - zonderling! - ook scheen er verband tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit had hem dan ook werhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die z'n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by 't kort begrip van Femke's theologie. Hy zou begrepen hebben dat haar weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn onbestuurd gevoel veranderde alles van zin. [15] Thuiskomende bladerde hy in Stoffel's boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen. [16]

Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich 't niet-zyn niet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op 'n onmogelykheid, of afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ne onbekende: de oorzaak van het zyn. [17]

- Meester Pennewip heeft 'n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was... zou dt ook de reden zyn dat Slachterskeesje... neen, ik wil niet afdwalen. Die oude heer Pennewip moet ook 'n vader gehad hebben... en die weer... en die ook... en die weer... ja altyd... maar wie is de eerste Pennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben, vr er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog geen varken was?

En waar is 't eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of 't eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit? [18]

En God? Toen hy aan 't scheppen ging, moest hy toch een wil gehad hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er niets van, en zou 't toch zoo graag willen weten.

Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht is door alle wysgeeren. 't Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een begin te denken. [19] En als veel anderen - ouder, maar niet veel wyzer dan hy - wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy 't weten, dacht-i...

Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken. [20]

En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten betalen als-of 't wysheid geweest ware. [21]

Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust ware geweest over den afloop van 't vers, dat nog altyd niet op stapel stond. Als dt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die zachte lippen. En van de stem, waarme ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen...

- Zou zy 't wezen... Omikron? dacht hy. [22]

*  Zegge: okseldoekjes. Het zyn de vierhoekige stukjes lynwaad die aan de onderzyde der armsgaten, op 'n wyze die de speling van 't bewegen toelaat, de mouwen verbinden met het hemd. Hoe in casu zulke lapjes op eigen gelegenheid werden te-bleek gelegd...
Ik gis dat de auteur 't woord assel heeft willen plaatsen, om een bewys te geven hoe aandachtig hy 't volksdialect bestudeerde. (1872)

   Schilder, amsterdamisme voor verwer.

*  Voor 't byna ondenkbaar geval, dat onze schilders een oogenblikje tyd vonden, na 't afwerken van hun heiligen, binnenhuizen, stillevens of den eeuwigen: n heer met n hond en n haas, ben ik zoo vry hun myn Woutertjen allereerbiedigst aantebevelen. Ik weet wel dat het gewaagd is, by den Lucullischen rykdom aan denkbeelden, waarvan onze schildery-tentoonstellingen getuigenis geven, op de behandeling van een nieuw onderwerp aantedringen, maar 't kn eens zyn, dat de weelderige inspiratie van richting veranderde. Nu voor alsdan geef ik den heeren kennis, dat Femken een Amelander kap draagt. Quaeritur: hoe komen de vrouwen van dat eiland, aan een hoofdtooisel dat meer met het Noordhollandsche uit de buurt van Alkmaar, dan met het Friesche overeenstemt? [23] (1872)

*  Femke wist niet te antwoorden op deze onnoozele vraag, en Wouter drong niet op verklaring aan. Ik evenwel stel aan de theologen dezelfde vraag, en dring wel aan op antwoord. Men zie over die vrscheppings-periode, 564 en 565. (1872)

 Ik betwyfel of myn Vlaamsche lezers het woord gauw kennen. De beteekenis in gemeenzaam hollandsch, is: vlug, snel, spoedig. Geheel in afwyking van anderen die gauwdief afleiden van gauw, houd ik ons gauw voor 'n aanduiding van den spoed en de behendigheid waarme een gauwdief steelt. Dit woord namelyk is 't hoogduitsche gaudieb, a highwayman, un voleur de grand chemin. De beteekenis van dit gau, heeft oorspronkelyk niets te maken met spoed. 't Spreekt vanzelf dat in-allen-geval die w overcompleet is: drie u's naast elkander! Onze taalmeesters houden daarvan. Van honved, de benaming der Hongaarsche militie, later scheldwoord als lansknecht {lansquenet) schobbejak en pandoer, maken zy: hondsvot. Dit rehabiliteert de jufvrouw van den koekbakker, die clairvoyance tot kleer van jansen omknoeide. Ik vraag 'n professoraat in de letteren voor die dame. (1872)


[1] "De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem voor iets aanzag. Hy had z vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit iets worden zou... "

Rond 1945 schreef de Deens-Noorse auteur Axel Sandemose de ontwikkelingsgeschiedenis van een jongetje dat Jante heet, waarin hij de volgende wet van Jante formuleerde, die daarna in Scandinavi heel bekend werd:

Du skal ikke tenke at du er noen!

Vertaald: Je mag niet denken dat je iemand bent! Het Nederlands hiervoor is:

Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg

(zie 155) en het verschil tussen Skandinavi en Nederland is dat de Skandinavirs zich schamen voor hetzelfde door-en-door totalitaire en nivellerende sentiment dat de Nederlanders al eeuwen met trots uitdragen, in de beste Patagonische pygmeen-traditie.


[2] "Hy was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide: dat er van dien jongen nooit iets komen zou. "

We mogen aannemen dat dit ook autobiografisch is. M. maakte de Latijnse school - het toenmalig gymnasium - niet af en het is niet onaannemelijk dat hij naar Nederlands Indi werd gestuurd door z'n ouders bij gebrek aan beter alternatief een redelijk betaalde baan te krijgen. M's twee oudere broers slaagden er wel in hun opleiding af te maken en werden resp. domine en stuurman.


[3] "- Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker iets verloren."

De aandachtige lezer van "Woutertje Pieterse" krijgt daarin een portretten-galerij voor ogen van Nederlanders waar heel weinig goeds en zeer veel doms en huichelachtigs in te vinden is. Er zijn maar een paar uitzonderingen en hier zijn we aangekomen bij twee daarvan: Vrouw Claus en haar dochter Femke. (De anderen: De familie Holsma en pater Jansen met Stijntje, waarvan later sprake zal zijn.)

Er zijn verschillende manieren om "Woutertje Pieterse" te begrijpen, waarvan "Bildungsroman" in de zin van "de ontwikkelingsgeschiedenis van kind tot volwassene" de makkelijkste en meest voor de hand liggende is. Gezien Multatuli's behandeling van z'n onderwerp is het echter zinnig het hele verhaal - vooral - als een lange satire op Nederland en Nederlanders te beschouwen.


[4] "al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, dat al veel was."

Voor wie het niet opviel: "Femke" betekent "vrouwtje".


[5] "We zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin berusten."

Daar is iets van waar, maar ik vrees dat het gewoonlijk neerkomt op: Ze zijn zo traag in het denken dat het voor hen gewoon is niet te begrijpen. Hier komt bij dat de meeste mensen menen de dingen te begrijpen die ze kunnen benoemen door het benoemen en door zich aan te sluiten bij wat "men" daarover zegt.


[6] "Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde over algemeene toejuiching, den indruk onderzoeken dien z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen veronderstelde."

Ja, dat is ook mijn ervaring. Anders gezegd: Iedereen leest uit zichzelf in het proza van anderen - en wie weinig in zich heeft kan dus weinig begrijpen van de weinigen die veel in zich hebben. Kortom: het bekende "Als een aap in een spiegel kijkt, kijkt een aap terug" is van toepassing.


[7] "De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken."

Zeker in Nederland waar hoge premies op gewoonheid, middelmatigheid en conformisme staan.


[8] "- O Fancy... Fancy... sterven voor u... sterven met zulk een kus op de lippen!"

Voor een amper twaalfjarig Protestants jongetje levend rond 1810, opgevoed in benepen fatsoen, is dit een zeer ongeloofwaardige uitroep. Maar zie 405 - 412 in Ideen 1,


[9] "- Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide handen, en kuste hem wer, en nog-eens nog-eens... op 'n wyze alsof ze 't meer gedaan had. Wat toch niet waar was."

En voor een 14 16 jarig Katholiek meisje levend rond 1810, ongetwijfeld ook opgevoed in benepen fatsoen, is dit een behoorlijk ongeloofwaardige handeling, zeker met een 12-jarig Protestants jongetje.


[10] "Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip."

Zoals het miljoenen verging, hele levens lang, met het lezen in Bijbel, Koran etc. Dit wanbegrijp gekoesterd als begrip heeft ook een reden die veel met hoogmoed (220 - 223) heeft te maken, of beter: Met het gewone gebrek daaraan. Gewone lezers van filosofie en theologie menen namelijk enerszijds, en terecht, dat zij zelf in het geheel niets bijzonders zijn, maar anderszijds dat zij heel wel in staat zijn te oordelen over het bijzondere proza van buitengewone mensen. Hoe doen ze dat? Gewoonlijk door een beroep op autoriteiten: De lokale autoriteiten beweren dat dit of dat (als: Bijbel, Koran, Marx, you name it - neem bijvoorbeeld Oosterhuis (394)) zo buitengewoon bijzonder prachtig diepzinnig wijs en goedertieren is dat eenieder er waarachtig door gesticht wordt die er kennis van heeft. Men slaat het prozaisch prachtig open en leest iets als (waarachtig citaat!):

"Deze geboren vreemdeling op vijandelijke bodem getogen, tenzij van fonkelende zonen, neven, uitgelezen schonen, toont hij zijn wonden spreekt zijn woorden deze dichter zonder landstaal deze blanke zwarte blanke oudere broer van miljoenen deze geboren koning.

Zwart als git wordt het licht - loodzwaar hangen de wolken - iedere helling te steil, ach olijven je smaakt me niet meer: dat is hem overkomen."

Wie durft hier gearriveerd - als welwillend doorsnee-lezer en middelmatig denker, voorgelicht door lokale autoriteiten, en gewillig het goede te doen en het ware te geloven - nog te beweren dat dit slaande waanzin is of in ieder geval z'n begripsvermogen ver ontstijgt?
 


[11] " - En 't vagevuur? - Daar weet ik niet van. - En de biecht? - Gut n..."

Hier vernemen we een paar fundamentele leerstellige en praktische verschillen tussen Katholieken en Protestanten.


[12] " - God schiep de wereld... - Wat deed hy vr dien tyd, Femke?"

Zoals we hieronder zullen zien in M.'s tekst doet Wouter zich hier naever voor dan hij was.


[13] "Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z'n geboorte."

Dit is ongetwijfeld een opzettelijk door M. verkozen kinderlijke manier van verwoorden, en het is in diverse opzichten niet waar. Voorzover ik weet is uitgerekend dat de historische Jezus vier jaar voor het in de huidige tijdrekening veronderstelde jaar 0 geboren, en het hele begrip 0 werd pas ca. 1250 ingevoerd in het Westen. 


[14] "Dit is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom heet ze ivoren poort. Begrypje 't nu, Wouter?"

Dit is een fraai voorbeeld van het gebruiken van leeg woordgebruik - klanken - in plaats van waarachtige begrippen.


[15] "Hy zou begrepen hebben dat haar weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn onbestuurd gevoel veranderde alles van zin."

Maar dit begrijp ik niet, althans waar het om "weten" gaat, want zowel Wouter als Femke wisten niets van de vragen waar ze het hier over hebben. Ik wil echter aannemen dat M. bedoelde dat Femke's begripsvermogen geringer was dan dat van Wouter, en dat zou hem inderdaad duidelijk zijn geworden uit tal van vragen die zij niet en hij wel stelde over dezelfde onderwerpen.


[16] "Wouter voelde neiging tot zweven, en z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen."

Dit is een sleutelzin in "Woutertje Pieterse". Zie ook 74 en 261.


[17] "om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ne onbekende: de oorzaak van het zyn."

Zie hieronder voor wat theologie. Op deze plaats verdient het opgemerkt dat dit een goed voorbeeld is van een zinledige vraag, omdat de oorzaak van wat is of was alleen iets kan zijn wat is of was, zodat de oorzaak van wat is niet gezocht kan worden buiten wat is.


[18] "En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit?"

Het bekende kip-of-ei probleem in een andere vorm. Het bekende probleem kan opgelost worden door de overweging dat er geen kippen zijn die niet uit eieren ontstaan, en wel eieren die niet uit kippen ontstaan. Wouter's probleem kan overeenkomstig aangevat worden: Geen pitten of appels zonder bomen, wel bomen zonder appels met pitten. (Mijn reden om dit uit te schrijven is dat zoveel mensen beweren dat dit onoplosbare problemen zijn. Ik had mijn oplossing van het kip-of-ei probleem al op of voor Wouter's hier in M.'s tekst aangenomen leeftijd.)


[19] "'t Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een begin te denken."

En wel omdat er vele zogenaamde godsbewijzen gevoerd zijn op basis van deze veronderstelling. Zie bijv. Aquinas' Summa Theologica (heel scherpzinnig - zolang er geen sprake is van geloofszaken). Daarvan sprekend: Een andere vreemde eigenschappen van dergelijke godsbewijzen is dat de meeste die ik gelezen heb neerkomen op deze vorm: "Alles heeft een oorzaak. "Dus" moet er een eerste oorzaak zijn. "Dus" dit is God. (Prijs de Heer, etc.)". Dit is vreemd geredeneerd, want de eerste aanname is om te beginnen hoogst twijfelachtig (zeker als toeval bestaat). Maar dat daargelaten: Het eerste "dus" geldt niet omdat ALS alles een oorzaak heeft het voor de hand liggender is om te konkluderen: En daarmee zijn er geen eerste oorzaken. Het tweede "dus" is - zo mogelijk - nog vreemder: Hoezo moet de eerste oorzaak, als ie dan zou bestaan, per se god of goddelijk zijn?

Maar ... de lezer die dit niet verveelt kan verder met Leibniz.


[20] "Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken."

Multatuli had heel weinig op met de meeste filosofen, maar het is me niet duidelijk hoeveel kennis hij van filosofen had. Ik ben bang dat hij velen beoordeelde aan de hand van samenvattingen door anderen, maar dergelijke samenvattingen kunnen niet veel scherpzinniger zijn dan de samenvatters, zeker wanneer deze de denker die ze behandelen niet citeren maar in hun eigen woorden weergeven.

Hoe het zij: Ik heb zowel Plato als Kant gelezen (de eerste zelfs volledig, hoewel niet in het Grieks) en ikzelf vind Plato bijzonder scherpzinnig en buitengewoon goed schrijvend, al is het overgrote deel van wat bij beweerde (bijna 400 jaar voor Christus schrijvend, door mij bijna 2500 jaar later beoordeeld, with the benefit of much hindsight) onzin. Maar een grote deugd van Plato is dat hij kwesties niet uit de weg ging en uitstekend logisch kon redeneren, als hij wilde. Van Kant heb ik een veel geringer dunk, onmodieus als dat mag zijn onder academische filosofen, en mijn hoofdbezwaar is weer niet dat ik zijn stelsel overwegend onzin vind, al is ook dat zo, maar dat hij zich buitengewoon slecht uitdrukte en niet echt goed logisch kon redeneren. (Wie dit behoorlijk scherp en in fraai Duits uitgelegd wil zien raadplege Schopenhauer: Anhang bij band 1 van "Die Welt als Wille und Vorstellung" - "Kritik der Kantischen Philosophie".)


[21] "En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten betalen als-of 't wysheid geweest ware."

Kant was professor, ontving salaris, en schreef bijzonder laf klinkende zeer vleiende voorwoorden gericht aan de Koning van Pruisen in zijn filosofische werk. Maar Plato vond het onnet geld voor filosofie-onderwijs te vragen, en hoefde dat ook niet, want kwam uit een welvarende familie.


[22] Voor Omikron zie 407.


[23] "Nu voor alsdan geef ik den heeren kennis, dat Femken een Amelander kap draagt. Quaeritur: hoe komen de vrouwen van dat eiland, aan een hoofdtooisel dat meer met het Noordhollandsche uit de buurt van Alkmaar, dan met het Friesche overeenstemt?"

De Nederlandse schilders voelden zich niet aangesproken naar mijn weten. Hoe het zij: Multatuli's vader en moeder waren afkomstig van Ameland - en op de gestelde vraag weet ik het antwoord niet.

Idee 512.