Idee 510.                                                 


Wouter Pieterse redivivus. Groote verandering in de familie. Wouter's benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.

Ik denk dat jufvrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de Pietersens verhuisden op eenmaal naar 'n ‘fatsoenlyker’ buurt, en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze waren ‘op naaien geweest.’ Zulke dingen hooren by erfenissen, of by verhuizen ‘met verbetering.’ En er waren nog andere blyken. Leentje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord ‘gezeid’ te veranderen in: ‘gezegd’ want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, dat ‘de mevrouw van hier-naast’ zoo conjugeerde. Dus zou 't wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy 't al lang geweten had:

- Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. 't Is pla, moeder. Denkt uwe maar om plaats...

- Remplaats...

- Né moeder, pla... plas...

Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar 't zou moeielyk wezen, want er was juist ‘zoo'n gedoe over de militie’ en ze vertelde gaarne: ‘hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl... [1]

- Né, moeder, uwe remplaceert Laurens niet...

- Och, wat 'n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hier-naast gezeid heeft...

- Gezegd, moeder.

- Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: gezegd. Onthou 't nou, en laat ik 't nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus. [2]

Wouter had 'n jasje gekregen, met 'n kraagje zoo-als nu palfreniers dragen. De garricks hadden afgedaan, en cloaks waren er nog niet. 't Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote sprongen doen. *) En 't spreekt vanzelf, dat nu 't buisje boven den broek was geraakt. ‘'t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen gezegd, voor 'n jongen die al rymen kon.’ [3]

Want, dat Wouter rymen kon, vertelde men aan ieder die 't hooren wou. Eigenlyk was 't nog-al valsch, roem te oogsten van 'n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die 't verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.

Het huis Pieterse handelde hierin als veel natiën gewoon zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen op deugd of genie - och, ook dàt is één! - van mannen die men wreed en dom pennewipte toen ze ‘er by waren’ dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van 't denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z'n ‘kinderachtigheid.’ [4] Stoffel namelyk trok den neus op voor 't jongentje dat nog altyd zakjes naaide voor z'n griften, met 'n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, by gelegenheid eener kraam-historie in de buurt. Wouter had zonder fluisteren gevraagd: ‘wat het was?’ Nu... ‘zoo'n groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden.’

Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter's hart, en ook de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd haar gelaat toonen in de sterren, om 't kind aan z'n liefde te herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, àls hy werd aangedaan door dat onuitsprekelyk verlangen naar het goede... dan nog bestond Wouter's aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in 't onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. [5] Er bestond reeds in z'n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. [6] In den grooten droom dien 't kind droomde, was verwarring tusschen zyn en niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne fantazie die trouwens evenzeer werkelykheid was. [7] De kleuren der teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, na vergeefsch pogen om helder te zien in z'n eigen hart, voelde hy iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in, en onmachtig verdriet. Maar daar 't hem ontbrak aan de handigheid om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen, en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z'n gevoel.

Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig dat z'n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der Gracht, met 'n soort van eerbied.

Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van z'n eigen hart. [8]

Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. 't Was hem een pure revelatie.

't Mensch ‘had aanstaande week 'n oom jarig.’ En ze legde een staatsie-bezoek af by de Pietersen's, om te vragen of Wouter een ‘aardigheidje’ wou maken voor die gelegenheid. Ze had er 'n ons ulevellen voor over. **)

- Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig moet wezen, en dat m'n oom 'n weduwman is. ***)

Ziet u... dat moet-i er in brengen. En ik wou 't graag hebben op de wys van psalm 103, dan kan 't gezongen worden, want m'n oom heeft die psalm op 'n liertje.

De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo's lier. Ze meende zoo'n draaiding dat 'n jingelend geluid geeft. [9]

Jufvrouw Pieterse zou 't Wouter zeggen als-i van school kwam, maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. ‘Want, dat haatte ze als de dood... in 'n kind.’

Ik ook, als 't ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik 't zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen. [10]

- Heb je je les gekend, Wouter?

- Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist er maar negen.

- Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?

Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er van worden van iemand die niet weet hoe allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen?

*) Behalve zekere Ur-klanken die naar ik gis in alle talen bewaard bleven, vinden wy misschien nergens zoo duidelyk zekere betrekkelyke primitiviteit terug, als in de kleeding. Ik spreek nu niet van opschik, ofschoon ook daarin minder afwyking plaats heeft, dan men oppervlakkig denken zou. Halskettingen, oorhangers, versierde gordels, vingerringen, dit alles zal blyven bestaan, omdat het z'n oorsprong heeft in den vorm van ons lichaam.
Wat echter de eigenlyke kleeding aangaat, wys ik op de zeer korte en geleidelyke geschiedenis die 't gewaad van een Alfoer heeft te ondergaan, om te veranderen in een habit français, den hedendaagschen frak.
De bewoner der Menadosche binnenlanden bedekt gewoonlyk, en niet altyd zeer zorgvuldig, alleen de schaamdeelen. Hy is te onbedorven om van die zaken zooveel mysterie te maken als wy. Met dat toilet evenwel houdt hy zich niet voor gekleed, en die meening is vry gegrond. Ziehier nu, hoe hy zich wèl kleedt. 's Avends zit de gansche familie - of de familiën die tot een dapoor behooren, d.i. die onder één dak wonen, en gezamenlyk ééne stookplaats hebben - byeen, en houdt zich bezig met... kauwen van bamboe. De murwgebeten houtige vezel wordt tot 'n vry dikken draad inëengedraaid, en daarvan weeft men iets wat ik geen lap noemen mag, omdat het daartoe wat styf is. Nu, een plank is 't niet, dit is 't slapste wat ik er van zeggen kan. Zoo'n voorwerp is, naar ik gis, drie voet breed en acht voet lang. Juist in 't midden snydt onze kleerkauwer 'n gat van een voet middellyn, waardoor hy 't hoofd kan steken. Het gewaad is klaar, en de Alfoer volkomen tevreden. Zoodra z'n kleed hem in z'n arbeid of in 't gaan hindert, legt hy het af, en hy voelt alzoo geen behoefte daaraan iets te veranderen.
Elders evenwel werd die behoefte wel gevoeld. Het slingeren van zoo'n styven lap belemmerde het gaan. Men naaide daarom, beneden de oksels, de zyden aan elkander, en de hierdoor ontstaande armsgaten noodigden uit, daarin mouwen te zetten. Doch tevens werd nu 't aantrekken moeielyk. Men vond zich genoopt den voorkant doortesnyden. Toen slingerden de voorpanden. Vandaar eerst de gordel, toen de knoopen, weldra het opspelden, en ten-laatste het afsnyden van de schuinsche slippen. Deze radicale maatregel gaf 't aanzyn van den tegenwoordigen frak, op welks achterpanden nog altyd de knoopen staan, die vroeger tot het vasthouden der omgeslagen slippen van den vóórkant gebruikt werden.
In 't voorbygaan stip ik hier aan, dat in Europa de kleeding, wat de byzaken aangaat, zeer dikwyls gewyzigd werd naar militaire behoefte. Nog thans wordt een pet in 't Fransch casquette = helmpje genoemd, en de klep heet visière. Ook onze wyze van groeten dagteekent van de riddertyden. Het afzetten van den helm, désheaumer, en 't uittrekken van den - yzeren - handschoen waren blyken van vredelievende gezindheid.
Ik hoop eenmaal op dergelyke byzonderheden terug te komen, en die in-verband te brengen met Darwinismus. De thans geheel onnoodige knoopen op de achterpanden van een frak, hebben voor ieder die 491 begrypt dezelfde beteekenis als de tepels by mannelyke zoogdieren, en de rudera van kieuwen by wezens die van longen voorzien zyn. Alles wyst duidelyk op geleidelyke wording, die 't scheppen tot eene ongerymdheid maakt. Men ziet hieruit alweder hoe weinig er wordt opgelost door Darwin's natural selection. Roksknoopen paren niet. (1872) [11]

**) Met den naam ulevellen duidt men in Holland zekere suikertabletjes aan, die in België, meen ik, caramellen genoemd worden, waarschynlyk ten-rechte carmellen of carmeliten, naar de kloosterorde die zich met het maken van die dingen voorbereidde tot het eeuwig leven.
Met Frits op blz. 4 van den Havelaar, geloof ik dat men, als 't er wat op aan kwam, uhlenfeldtjes zou behooren te schryven, omdat volgens de traditie, het gebruik van zulke suikerplaatjes door zekeren Uhlenfeldt - ik meen dat hy Deensch gezant in den Haag was - zou ingevoerd zyn. Ziedaar alzoo een diplomaat die z'n naam op onschuldige wys heeft weten te vereeuwigen. Zoetigheid zy zyner assche... neen, vloek over dien man!
Tot de eigenaardigheid dier pastilles behoort dat ze in papier gewikkeld, en van een devies voorzien zyn. In myne kindsheid reeds ging dit gebruik voor zeer oud door, en 't bestaat nog. Dis-moi comment tu t'amuses, je te dirai... wat de Nederlandsche verzemakery is. Deze industrie bestaat voor 'n groot deel in 't opzamelen en samenlymen van die Uhlenfeldt-poëzie. Daarom trok ik zooeven m'n zegen in. (1872)
 
***) Een oom jarig hebben... een weduwman... ik zal immers myn Vlaamschen lezers niet behoeven te verzekeren dat deze en dergelyke uitdrukkingen amsterdamismen zyn, uit de regioenen van Burgerstand, III, 7, a of b, Pp? Weduwman = homo of vir viduus is overigens zoo kwaad niet.
Het doet my leed, niet altyd juist te weten wèlke woorden of uitdrukkingen den Vlaamschen lezer vreemd zyn. Gaarne zoude ik daarvan telkens eene verklaring geven, maar 'k ben bevreesd dingen uitteleggen die geen uitlegging behoeven. Er is in die cis- en citra-Moerdyksche idiotismen iets zeer eigenaardigs. Wanneer ik naga hoeveel uitdrukkingen van Vlaamsche schryvers in Holland niet begrepen, of met afkeuring vreemd worden gevonden, moet ik vreezen dat ook myn geschryf voor de Vlamingen soms onverstaanbaar is. Deze gedachte is my zeer onaangenaam, vooral daar ik erken dat er van onze Zuidelyke stamverwanten veel kan geleerd worden. Van de tien Hollanders zyn er negen die Conscience een middelmatig schryver vinden, omdat hy iemand de oogen ten hemel doet ‘sturen’. [12] Sturen namelyk heeft in Holland: behalve als scheepsterm, sedert 'n paarhonderd jaar by-uitsluiting de beteekenis van expédier. Nu, verba, valent usu, als men slechts ruimte genoeg van blik behoudt, om te begrypen dat eene ons ongewone uitdrukking correct kan zyn, en dat het onbesuisd afkeuren, bekrompen is. [13] (1872)

[1] "ze vertelde gaarne: ‘hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl...":

Juffrouw Pieterse heeft het hier over het afkopen van militaire dienst en pocht op haar financiële status.


[2] "- Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: gezegd. Onthou 't nou, en laat ik 't nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus."

Hier doet de gebruikelijke deugdzaamheid haar gebruikelijke werk: Een ander opdragen wat men zelf zou moeten kunnen en doen, naar eigen zeggen.


[3] "dat nu 't buisje boven den broek was geraakt."

We zijn aangeland in "Wouter Pieterse redivivus" en er zijn diverse veranderingen: Verhuizing van de hele familie naar een betere buurt en voor Wouter vooruitgang in z'n maatschappelijke status - want toen we hem leerden kennen leed hij nog onder het besef zo'n klein kind te zijn dat hij z'n buisje onder de broek moest dragen.


[4] "Jazelfs, ik ben niet vreemd van 't denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z'n ‘kinderachtigheid.’ "

Maar waarin dan? Dichten? Wonderkinderen plegen uit te blinken in zaken als wiskunde, muziek, schaken. Wouter wist van deze dingen vrijwel niets. Het vergaat wonderkinderen trouwens meestal slecht. Zie de autobiografie van Norbert Wiener, in twee delen ("Prodigy" en "I am a mathematician", ook voor korte vermeldingen van het droeve lot van andere wonderkinderen.) Zie ook 74.


[5] "dan wel in 't onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen."

Freud was een bewonderaar van Multatuli, en ik ben geen bewonderaar van Freud, die veel stellige onzin in de wereld heeft gebracht omwille van z'n carrière en renommée. Hoe het zij: Aan het "onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen." geloof ik niet, want deze komen mij voor als niet-herinnerde herinneringen. 


[6] "Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne fantazie die trouwens evenzeer werkelykheid was. "

In deze positie verkeert ieder mens.


[7] "Er bestond reeds in z'n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis"

Hier leren we dat Wouter ondertussen twaalf is en wordt iets opgemerkt over kinderlijke beleving dat waar is en waarvan ik niet weet of het ooit serieus onderzocht is: Wat het wereld- en mens-beeld van kinderen is als ze zich eerlijk uitspreken en zich niet proberen te conformeren aan wat ze onderwezen is en hoe dat wereld- en mens-beeld verschilt van volwassenen.  


[8] "Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van z'n eigen hart."

Maar dit lijkt me voor alle kinderen te gelden. Waarom dat zo moet zijn is een interessante vraag. Een voor de hand liggende reden is dat ze te weinig weten van hun eigen vermogens en die van anderen.


[9] "Ze meende zoo'n draaiding dat 'n jingelend geluid geeft." Het Radio Veronica substituut van anno 1800, compleet met jingles! Ik vind het jammer dat ik niet weet hoe dit eruit zag, maar veronderstel dat ik me gelukkig mag prijzen niet aan het geluid blootgesteld te zijn.


[10] "Jufvrouw Pieterse zou 't Wouter zeggen als-i van school kwam, maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. ‘Want, dat haatte ze als de dood... in 'n kind.’ Ik ook, als 't ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik 't zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen."

De skandinaviërs kennen sinds 1948 de wet van Jante: "Du skal ikke tenke at du er noen" = "Je hebt niet het recht te denken dat je iemand bent", wat het skandinavisch equivalent is van "Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg."


[11] "Men ziet hieruit alweder hoe weinig er wordt opgelost door Darwin's natural selection. Roksknoopen paren niet."

Maar daar gaat Darwin's theorie dan ook niet over.


[12] "Van de tien Hollanders zyn er negen die Conscience een middelmatig schryver vinden, omdat hy iemand de oogen ten hemel doet ‘sturen’. "

Conscience was een tijdgenoot van Multatuli en een Vlaamse nationalist. Ik las zijn "De Leeuw van Vlaanderen" voor m'n 10e en was af en toe wat bevreemd over het Nederlands. Wat me echter aanzienlijk meer bevreemdde dan het enigszins ongebruikelijke Nederlands was het volgende sentiment, dat voor Conscience vanzelf sprak en de hoogste lof verdiende: "Al wat Walsch is valsch is. Slaat dood!"

Dit is een uitstekend voorbeeld van totalitairisme.


[13] "Nu, verba, valent usu, als men slechts ruimte genoeg van blik behoudt, om te begrypen dat eene ons ongewone uitdrukking correct kan zyn, en dat het onbesuisd afkeuren, bekrompen is."

Wel, om te beginnen zie 509. Vervolgens de reden om deze passage eruit te ligten: Zoals wel vaker is M. hier zijn tijd vele jaren vooruit, want Wittgenstein hing zo'n zeventig jaren later een hele filosofie op aan
verba, valent usu. Hiermee wil ik niet zeggen dat M. dit allemaal voorzag - dat deed hij ook niet - maar wel dat M. in tal van filosofische problemen een helderder inzicht had dan z'n tijdgenoten die in dat vak specialiseerden, enkelingen als Peirce uitgezonderd.

Idee 510.