Idee 496.                                                 


Een grysaard de olympische spelen willende zien, kon geen zitplaats vinden. - Waar-i zoekende langs ging, werd hy bespot en uitgelachen over z'n verlegenheid. Eindelyk naby de plaats komende waar de Lacedaemoniers zaten, stonden alle kinderen en veel mannen op, en boden hem om-stryd hun plaatsen aan. Het geheel ‘Publiek’ der Grieken was getroffen door deze betamelyke wyze van handelen, en toonde, door algemeen handgeklap, hoe men daarmeê was ingenomen.

De grysaard zeide zeer bedroefd. ‘O Goden, men ziet wel dat alle Grieken weten wat betamelyk is, maar dat alleen die van Lacedaemon het betamelyke doen.’

Dit is eene vertelling die aan de schoolbanken herinnert, en aan 't ω ποποι waarover we altyd zoo'n pret hadden, omdat het zoo gek klonk, vonden we.

Maar by dat verschil tusschen handklappen en doen, is meer optemerken dan ons geleerd werd op de school, waar zooveel was, dat we niet leerden.

Myn: dus Wist ge 't? en de verdrietige opmerking van den ouden man, bevatten eene beschuldiging van oneerlykheid.

Ik laat nu daar, of men moet plaats-maken voor elken grysaard. Ik zeg neen. Ik ken veel personen die lang leefden, en dien ik het recht niet toeken een jong hondje te derangeeren.

Maar, eens aannemende dat het opstaan voor grysaards onvoorwaardelyk goed is, zoo-als de Grieken schynen gemeend te hebben, mochten zy die bleven zitten, niet door toejuiching zich meester maken van den schyn als-of ze hadden deelgenomen aan 't goede dat geschied was.

Niet te weten wat betaamt, is aftekeuren.

Dit wel te weten, en niet te doen, is erger. [1]

Maar 't ergst van al is, nà dat alles, zich door openlyke goedkeuring te willen doen doorgaan voor geestverwant van hen die 't betamelyke deden, - vóór ze wisten dat Grieken, en anderen, meer besef van deugd hadden, of hebben, in de handen dan in de harten.

Het ‘mooi vinden’ van den Havelaar is de rechtvaardiging myner verachting voor Publiek. [2]


[1] "Niet te weten wat betaamt, is aftekeuren. Dit wel te weten, en niet te doen, is erger."

Dit is natuurlijk waar, maar er ligt een heel gebruikelijke reden achter die niet bekend genoeg is en toegelicht wordt in mijn commentaar bij 423.


[2] "Het ‘mooi vinden’ van den Havelaar is de rechtvaardiging myner verachting voor Publiek."

Multatuli meende dit écht, maar geheel rationeel is het niet. Zijn overweging was dat wie de Max Havelaar mooi vond de maatschappij-kritische inhoud en het onrecht gedaan aan de Javanen en Eduard Douwes Dekker en familie niet serieus nam. Daar is iets van waar, maar M. vond de Max Havelaar zelf mooi, zoals blijkt uit z'n brieven aan zijn eerste vrouw gedurende en kort na het schrijven ervan.

Idee 496.