Idee 484.                                                 



Honig? Zoetigheid? Heb ik zoeten honig verzameld en gegeven, in de laatste bladen? Was 't niet alsem, veeler?

Ja, bitterheid... omdat het moest. Is 't myn schuld?

Kan ik het helpen, dat er zoo veel gifplanten opschieten, om my heen? Planten die uitgerukt moeten worden met den wortel, als 't mogelyk is... op 't gevaar af, beschuldigd te worden, van lust in uitrukken?

Is de landman die den akker zuivert of tracht te zuiveren van onkruid, een vriend van dat onkruid?

En als-i de uitgetrokken stoppels verzamelt en tot bossen bindt, om die te verbranden, ligt er dan wreedheid in zyn yver?

Is niet veel-eer z'n vernietigings-oorlog tegen woekerplant en onkruid, blyk van betamelyke zorg voor 't graan.

Is niet stryd tegen dwaling stryd vr waarheid? Oorlog tegen 't kwaad, bescherming van het goede? [1]

Zoo meen ik.

En wie zich, door 't nalezen der 100e en volgende bladzyden (uitgaaf 1866) van myn Vry-Arbeid tot getuige maakt van den stond waarop myn gemoed werd bevrucht met de Ideen, zal inzien dat ik niet anders schryven kn, niet anders schryven mg. [2]

Toch verlang ikzelf naar iets liefelyks. Maar we hebben geen keus van indruk. Ik wil u daarvan een verdrietig voorbeeld medeelen.

Eenige dagen geleden, na myne middagwandeling thuiskomende, meende ik gereed te zyn tot opschryven van de vertellingen over Wouter, die Fancy my had voorgezegd. Voor ik m'n kamer bereikte, ontmoette my een vriend die me vraagde:

- Zou 't wr zyn?....

- Wt?

- Dat eten van levende dieren, op de kermis?

Er was namelyk daarover vroeger gesproken als iets onmogelyks, iets ongerymds. 't Zou 'n goochelary wezen... een kunstje... een grap, meenden wy.

- Ik wil 't weten! riepen wy te-gelyk.

En we gingen naar den focus van 't melankoliek pleizier des volks, naar de Botermarkt.

- Dr in die tent moet het zyn... ls 't waar is!

Ja, daar moest het zyn. Want boven die kermistent was 'n zeil gespannen, waarop iemand had getracht een wilde te schilderen. 't Had ook 'n Inca kunnen verbeelden, of Montezuma. Het levensgroot portret had een duif in de hand. En voor de tent stonden manden met duiven. In een dezer korven was een konyn...

Nog veinsde ik hoop dat er gegoocheld zou worden! En by 't passeeren van die arme dieren, mompelde ik een gebed om vergiffenis voor 't binnengaan. Ik ben student in menschkunde, zei ik zacht tot het konyntje, en daarom moet ik wel, arm dier!

Myn vriend en ik traden binnen. De vertooning zou terstond beginnen. Ja, natuurlyk! Waarom zou men langer wachten? De tent was immers vol, eivol!

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Welnu, 't ws zoo! Wat we zagen, wat we ondergingen, wat we gevoelden, ga ik voorby. Ik zou 't beschryven onzedelyk vinden, en ik kan het niet!

Dt had men niet gedacht van myne pen? En ikzelf dacht het niet. Maar waarlyk, myn moed schiet te-kort by die afzichtelykheid!

Myn vriend en ik beiden, voelden ons onwel. En my was 't, tot op dit oogenblik toe, onmogelyk opteschryven wat Fancy my had voorgezegd over Wouter.

Maar wel heb ik den volgenden morgen deze beide brieven geschreven:

Amsterdam, 15 September 1864.
 
Den Weledelgestrengen Heer Hoofd-Kommissaris van Politie te Amsterdam
 
Weledelgestrenge Heer! Ik beschouw het als myn burgerplicht U.W.E.G. opmerkzaam te maken op een feit dat by gelegenheid der kermis hier-ter-stede, elken dag plaats heeft, en dat, myns inziens, ten-rechte behoort te worden gerangschikt onder de rubriek: attentat aux moeurs.
Een zoogenaamde wilde verslindt ten aanzien van kermisgasten - die voor hun genoegen uit-zyn - levende dieren. Onder 't publiek dat z'n tent bezoekt, zyn kinderen.
Ik ben overtuigd, mynheer de Hoofd-Kommissaris, dat ik geen woord behoef toetevoegen aan deze mededeeling, om U.W.E.G. te moveeren ten-spoedigste een eind te maken aan zulke grove, barbaarsche schending der wetten van goeden smaak, van gevoel, van publieke zedelykheid.
Ik heb de eer, enz.

Amsterdam, 15 September 1864.
 
Den Hoogedelgestrengen Heer Officier van Justitie by de Arrondissements-Regtbank te Amsterdam.
 
Hoogedelgestrenge Heer! Waarschynlyk ten-overvloede, geef ik my de eer, U.H.E.G. hierby aantebieden afschrift van een biljet, dat ik zoo-even de vryheid nam te richten tot den Heer Hoofd-kommissaris van Politie.
U.H.E.G. beleefdelyk verzoekende, deze myne handeling alleen toeteschryven aan myne begeerte, om in den kring myner vermogens metewerken tot het goede, heb ik de eer, enz.

Wat my later blykt gevolgd te zyn op deze brieven, zal ik zoodra mogelyk medeelen. En daarby zal ik tevens antwoorden op de vragen eener lieve hollandsche schryfster in Frankryk, over 't juist begrip van het woord: Zedelykheid.  #  

#  Dit laatste is nog altyd in de pen. (noot by 423) [3] Wat die barbaarsheid op de Kermis aangaat, ik wil gelooven dat ze nu heeft opgehouden, vooral omdat ik herhaaldelyk gelezen heb dat men in andere landen zulke vertonning verboden heeft. Zeker is het dat myne pogingen in September 1864 vruchteloos bleven. De tent van den wilde werd niet gesloten. Misschien vonden de betrokken ambtenaren het vreemd, dat men zich met hun zaken bemoeide. In geen land is 't begrip van burgerzin, burgerplicht en burgerrecht zoo weinig ontwikkeld als in Nederland. [4] Hierom dan ook is onze constitutie een onding. (189, 190)
Zonderling is het, dat stadsbesturen die de kermissen willen afschaffen wegens de onzedelykheid waartoe zy aanleiding geven, zulke gruwelen geduld hebben. Altyd de oude geschiedenis van kemelen en muggen! (1872)


[1] "Is niet stryd tegen dwaling stryd vr waarheid? Oorlog tegen 't kwaad, bescherming van het goede?"

Nu ja, maar daarover zal iedereen het wel eens zijn. Waar mensen het over oneens zijn is wat waarheid en dwaling zijn, en welke dwalingen bestrijding behoeven.


[2] "En wie zich, door 't nalezen der 100e en volgende bladzyden (uitgaaf 1866) van myn Vry-Arbeid tot getuige maakt van den stond waarop myn gemoed werd bevrucht met de Ideen, zal inzien dat ik niet anders schryven kn, niet anders schryven mg. "

Zie eerst de conceptie van de Ideen. En wat betreft "zal inzien dat ik niet anders schryven kn": Multatuli leed vrijwel zeker aan een vorm van manische depressiviteit (zoals overigens buitenproportioneel veel kunstenaars) en had kennelijk een manische bui of in ieder geval een behoorlijke stemming nodig om te kunnen schrijven voor publiek. Hij heeft feitelijk ook maar een jaar of twee als schrijver geschreven, namelijk van 1872 tot 1874, en ook dit was minder uit vrije wil dan uit overmacht, en omdat hij de verbazingwekkende Funke had gevonden als uitgever, die groot begrip voor hem had en een bijzonder tactisch en hard werkend mens was.

Multatuli beschouwde zichzelf dan ook niet als schrijver, en beschouwde zijn schrijven vooral als middel om recht te krijgen voor zichzelf en voor de Javanen, en om veel van hem niet beviel in Holland te pogen te veranderen.


[3] "En daarby zal ik tevens antwoorden op de vragen eener lieve hollandsche schryfster in Frankryk, over 't juist begrip van het woord: Zedelykheid. Dit laatste is nog altyd in de pen. (noot by 423)"

En het is daar voor eeuwig in gebleven, helaas. Wie zich tot 423 wendt vindt een antwoord van mij, dat in ieder geval drie deugden heeft die ongebruikelijk zijn in verhandelingen over : Het is helder en het vermijdt geen moeilijke vragen. Bovendien is het enigermate origineel wat betreft de veel beweerde relativiteit van goed en kwaad (die indien waar het leven zoveel makkelijker en aangenamer en beter zou maken voor geboren collaborateurs, beulen en sadisten).


[4] "In geen land is 't begrip van burgerzin, burgerplicht en burgerrecht zoo weinig ontwikkeld als in Nederland."

Ik heb die indruk ook, al ben ik 130 jaar later dan Multatuli geboren, zij het in dezelfde stad als hij, in hetzelfde land. Waardoor zou dit toch komen? Is het mijn en zijn pessimisme of misanthropie betrefffende het genus Neerlandicus - dat we in ieder geval goed kennen in veel van z'n manifestaties? Is het de prijs die een mens moet betalen voor het voorrecht een bijzonder goed verstand te hebben: Niet begrepen te worden, veel anders ingericht te willen zien in de maatschappij en de omgang van mensen, en niet onder de indruk te zijn van de grote meerderheid? Zijn Nederlanders vergeleken met andere Europeanen a-socialer, voorzien van minder Zivilcourage en van aanzienlijk meer schijnheiligheid en onverschilligheid (vermomd als "tolerantie")?

Van alles wat, neem ik aan - maar de doorsnee-Nederlander die zo graag aan z'n chauvinisme wil toegeven en hoog wil opgeven van de uitnemende voortreffelijkheid, tolerantie, universele gelijkwaardigheid, en overig Neerlands fraais moet bedenken dat zowel Multatuli als ik behoorlijk wat meer van de wereld gezien hebben dan de meeste Nederlanders. We spreken dus niet alleen vanuit een ongenformeerd Nederlands perspectief op Nederlandse pracht.

Idee 484.