Idee 454                                                

 

Reeds in 131 heb ik gezegd, zoodra mogelyk alle buitenissigheden te willen laten rusten. [1] Er valt zooveel optemerken aan dingen die zyn, dat het waarlyk jammer schynt, studie ten koste te leggen aan dingen die niet zyn. Maar 't gekibbel over niet-bestaande zaken, is geen buitenïssigheid, en 't bestryden van den nadeeligen invloed der twisten over nietigheden, blyft noodig. (138, 414 - 437)

Wèl is 't zeker dat eenmaal de strijd over de ware natuur van Jezus, belachelyk zal voorkomen, pennewipperig en lapsiaansch [2], maar intusschen wordt die stryd gevoerd, en de ware belangen van 't menschdom lyden daaronder, zoo-als de school wordt verzuimd door 't knaapje dat den langsten weg zoekt tot korting van den tyd, en zich onder-weg ophoudt om te weten of 't hoen dat te-water vloog, een haan of 'n kip is.

Deze vergelyking is onjuist. Zo'n kind verwaarloost z'n tyd om iets te weten waarvan de kennis maar overbodig is. Wy menschen verwaarloozen tyd, kracht, alle waarde, om 't nasporen der eigenschappen van niets. [3]

Ik meng me nu-en-dan in den stryd, niet om daaraan deeltenemen, maar om, zoo-mogelijk, beide partyen wegtedringen van den akker waarop die stryd gevoerd wordt. 't Is me om winst of verlies der partyen niet te-doen, maar om wat ruimte voor 't opschietend graan dat zoo plomp vertreden wordt door de theologische vechtbazen.

Jezus maakte zulken goeden wyn’ (blz. 60,) goed, heeren, best! Het doet me genoegen voor hem en z'n tafelvrinden. Gebruikt gyzelf er van, zooveel u lust... benevelt u, zooveel u aanstaat... maar, eilieve... maakt niet myn broeders dronken, myn broeders, de Menschheid die te arbeiden heeft, en geen tyd tot uitvieren van wondergeloovige haarpyn.

Jezus zweette druppelen bloed... goed, heeren, my wèl, als gylieden dit noodig oordeelt tot heil uwer ziel... ik heb er niets tegen... mits ge slechts die vertellingen niet gebruikt als middel om bloed te doen zweeten door myn broeders: de Menschheid.

Jezus voer ten hemel... best, heeren, wy wenschen hem hartelyk goeie-reis, en zyn benieuwd, of-i Quirinus heeft ingehaald, die zeven eeuwen vóór hem langs denzelfden weg vertrok. Alles zeer goed... volgt hèm, hèn en de velen, die even wolkerig verdwenen... vliegt meê op, allemaal... indien soortelyke lichtheid u dringt tot zoo verheffende locomotie... maar och, laatmyn broeders omlaag, myn broeders: het Menschdom, dat werken moet op de velden beneden.

Jezus was half-god, kwart-god, heelemaal god... mooi, schoon, heerlyk, prachtig, al wat ge wilt! Verknoei, verdraai, vervorm, verbak en verkracht z'n natuur, zooveel maar eenigszins mogelyk is, of onmogelyk... maar, ik bid u - dat is: in naam der heilige waarheid, beveel ik u! - houdt op met verdraaien, verkrachten en verknoeien van de natuur myner broeders: van 't Menschdom.

Jezus was mensch, van gelyke beweging als wy... zegt ge? Welnu... misbruik dan niet zyn voorbeeld, als middel om myn broeders - de Menschheid! - te verderven, en te doemen tot redeloosheid, door uw liederlyk onderricht in onanie van de ziel. [4]

Precies m'n idee!’ zei domine Zaalberg, en hy heeft die preciesheid uitgebakken in zestien taartjes. (De godsdienst van Jezus en de moderne richting. Christelyke toespraken, enz.) [5]

Ik heb my voorgenomen dat baksel te analyseeren.

Onlangs sprekende over dit voornemen met iemand dien ik houd voor 'n eerlyken dienstknecht in den hof der waarheid, werd de meening geopperd, dat het streven van de ‘modernen’ niet zoo afkeurenswaardig was als ik beweerde. En, werd er gezegd, er was over dat onderwerp zekere brief geschreven, waarin men party-trok voor de eerlykheid, of voor de mogelykheid van eerlykheid, der nieuwmodische heeren. Ik vraagde of dat stuk gedrukt was? ‘Neen.’ Of ik 't mocht inzien, uitgeven en behandelen? ‘Ja.’

Ik acht het nuttig dit eerlyk stuk publiek te maken, wyl ik geloof dat veel weldenkenden - die echter niet juist denken, in dit geval (18) - daarin weêrklank zullen vinden van hùn oordeel over de nieuwerwetsche behandeling der theologische kwestie, en ik alzoo door de beantwoording van 't welmeenend schryven dat nu volgt, die kwestie afdoe op 't terrein, waar ze door de besten onder ons gebracht is.

Het stuk is gericht aan zekeren kerkeraad. Ik hoop dat de gemoedelyke toon die daarin heerscht, aangename afwisseling moge aanbieden, na al de bitterheid die er stroomde uit myn pen, voortgedreven als ze was en is door de indignatio van Juvenalis.

WelEerwaarde Heeren!
 
Ik heb met belangstelling de brochures gelezen, door UEerw. uitgegeven, als tegenhangers van Ds. A. Pierson's ‘Onverdraagzaamheid,’ doch na de lezing, voel ik mij genoopt het woord op te vatten, niet om in de bres te springen voor Ds. A. Pierson, aan wiens welversneden pen eigen verdediging beter is toevertrouwd, maar om, in het algemeen, een woord in te brengen ten gunste der liberale rigting.
Het meest pijnlijk heeft mij getroffen, de door Ds. Schwartz zoo onverholen uitgesproken beschuldiging van onöprechtheid. Het is mij niet ingevallen, Eerw. Heeren, aan UE. goede trouw te twijfelen. Ik weet dat gijl. voor uwe overtuiging, miskenning en vervolging hebt geoogst, ja, dat de Eerw. Schwartz zelfs in levensgevaar heeft verkeerd.
 *   Gij zijt in gemoede overtuigd, dat de Bijbel-boeken het reine, onvervalschte, woord van God bevatten, en dat de bij uwe kerken als grondslagen heerschende leerstellingen, overeenkomstig de Heilige Schrift, als de eenige ware uiting van den geest Gods zijn aan te zien. Maar waarom nu is volgens UEerw., anderer overtuiging van het tegendeel, niet ook ter goeder trouw? Toen gij, Eerw. Heer Schwartz, u van het kerkgenootschap, waartoe gij vroeger behoordet, hebt afgescheiden  †  , hebt ge toen, in de oogen uwer vroegere geloofsgenooten, niet ook eene: ‘doctrine étrange’ verkondigd, en heeft het u niet steeds onaangenaam moeten aandoen, wanneer uwe denkbeelden aan bijoogmerken werden toegeschreven, omdat die denkbeelden niet die van de meerderheid waren?
Maar hoe handelt nu de orthodoxie?
Niet zoodra treedt een Leeraar op, die na rijp onderzoek tot de overtuiging is gekomen, dat aan de traditie niet dat onvoorwaardelijk gezag moet worden toegeschreven, wat er tot nu toe aan gehecht werd, en die, even als gij, Eerw. Heeren, den moed zijner overtuiging heeft, en ze openlijk uitspreekt, of een anathema wordt geslingerd tegen zulken ‘loup dans la bergeríe du Seigneur.’ In Parijs is het Coquerel, in Haarlem Busken Huet, in Amsterdam Reville, in de kaapstad Colenzo, en is het nu niet wat sterk, om deze mannen van kwade trouw te beschuldigen, ja, te vragen: hoe het met hun geweten is overeen te brengen, dat zij als Predikanten den moed hebben om te verklaren, dat hunne overtuiging niet dezelfde is, als die in de kerkformules is vervat? Mijns inziens, zijn veeleer diegenen ter kwader trouw, die om aan de gemeente te behagen, anders spreken dan zij meenen.
Maar als, a priori, reeds ieder woord door eenen predikant gesproken, in strijd met de traditioneele formulieren, wordt aangemerkt als misbruik van positie, en als poging om de gemeente te verleiden (blz. 43 der brochure), dan is de beschuldiging toch zeer gegrond, dat met de orthodoxie niet valt te twisten, aangezien deze zegt: ‘Wij zien in Christus den weg, de waarheid, het leven,’ en het dus bij haar als eene ongerijmdheid wordt aangemerkt, om ook maar aan dwaling harerzijds te denken, daar zij andersdenkenden, apodiktisch, dwalenden noemt
 *   en zich dus, wel niet het monopolie van de wetenschap, maar toch dat der waarheid toeëigent, en het bij haar niet opkomt te gelooven, dat er, behalve háre overtuiging, nog eene andere, opregte, ter goeder trouw kan bestaan.
Wij willen niet eens tot uitersten overgaan. Tusschen de geloofsbelijdenissen bijv. der Hervormden, Evangelisch- of Hersteld-Lutherschen, Doopsgezinden, Remonstranten, de vrije Schotsche kerk, de gemeente onder 't Kruis, enz. bestaan verschillen, die mij, van mijn onverschillig standpunt, ondergeschikt voorkomen. Maar van het standpunt van UEerw, is geen dogma ondergeschikt. Ieder dogma toch is in uw oog, een wel niet onfeilbare, maar toch zoo goed mogelijk-geformuleerde uitdrukking van het wezen en den wil Gods. Nu kan de wil of het wezen Gods, u uit den aard der zaak niet meer of min ongeschikt voorkomen, en ieder onzer zal consequent moeten bekennen, dat de geloofs-belijdenis van ieders kerk, hèm voorkomt de meest juiste te zijn. Nu kunnen toch niet Hervormden en Remonstranten, Lutheranen en Mennonieten, alleen evenveel gelijk hebben, en volgens uwe eigene consequentiën, moet dus uitsluitend een van allen de objectieve waarheid hebben, en de andere gemeentere in dwaling verkeeren.
 *  
Wanneer iets nieuws geleerd wordt, in strijd met het oude, en dat nieuwe wordt, zooals bij Ds. Schwartz (blz. 23), zonder omstandigheden, doch ter goeder trouw, met den naam ‘nieuwerwetsche dwaling’ bestempeld, met welk regt mag zich dan Ds. Chantepie zoo afkeurend uitlaten over Leo X, die in Luther van zijn standpunt uit, ook slechts nieuwerwetsche dwalingen bestreed?
 †  
Er is nog iets. De orthodoxe is op een makkelijker en aangenamer standpunt geplaatst, dan de liberaal.
 §  
Géne behoeft slechts aantenemen, deze moet veel verwerpen. Géne meent gevonden te hebben, déze zoekt, en, wat vooral den liberaal in het nadeel stelt: de orthodoxe heeft zijn standpunt eerlijk, maar zonder slag of stoot, ingenomen. De liberaal heeft dikwijls eerst na hevigen zielestrijd, zijn standpunt verworven.
Of acht gij, bijv. den strijd gering, dien de Augustijner monnik had door te staan, eer hij Dr. Martinus Luther werd.
Het grootste voordeel van alles bestaat echter daarin voor den orthodoxe, dat hij (ieder in zijn eigen kerk) de (men vergeve mij het woord) ‘officiële’ waarheid heeft, en dat hunne predikanten zich altijd kunnen laten voorstaan op hun goed regt, om te verkondigen hetgeen zij voor waar aannemen, omdat het geschreven staat; terwijl de liberalen hunne geloofsovertuiging niet ongehinderd mogen uitspreken, waarvan voorbeelden te-over zijn, en waarvan ik reeds eenigen aanhaalde.
Ik verhef mij dan ook minder tegen het protesteeren der drie Ouderlingen, dan wel tegen de authorisatie, die zij daartoe uit hun beroepsbrief putteden. Wat nu aangaat de vraag, of de liberalen of de orthodoxen het rijkst en magtigst zijn, zoo moet ik hier eene zinsnede releveeren, die zóó hatelijk klinkt, dat zij U, Eerw. Heer Schwartz, zeker uws ondanks uit de pen is gevloeid. Ik bedoel de berekening dat, daar er 's jaars ƒ 24,000,000 aan jenever worden uitgegeven [6], de niet-orthodoxen rijker zijn, dan Ds. Pierson meent. Nu zal mij wel een ieder toegeven, dat de mindere klasse den meesten jenever drinkt, en dat die klasse door hare, uit den aard der zaak, niet wetenschappelijke opvoeding in zaken van kerkelijk gebied meest orthodox is, zoodat dan volgens eenvoudige logica, het argument zich tegen Ds. Schwartz zou keeren, en uit diens redeneering, (het zij zonder hatelyke bedoeling gezegd), zou blijken, dat de meeste jenever door orthodoxen werd gedronken. Ook de geijkte tirade over comedies en concerten, laat ik voor wat ze is.
Het is echter volkomen waar, dat het geld tot stichten van liefdadige instellingen, gaarne wordt gegeven aan de orthodoxie. Immers de orthodoxie is: de kerk, de officiële meening, en als zoodanig: corporatie. De liberalen staan buiten de kerk
 *   of zoo zij er in staan, dan is het alleen als de wolf in de schaapskooi, zij zijn uit den booze. Uit den aard der zaak, is de orthodoxie aristocratisch,  †   en telt dus de voornaamsten in den lande onder hare vanen en met hen, het zij tot hunne eer gezegd, het machtige, tot weldoen gaarne bereide, geld.
De liberale banier wordt doorgaands slechts opgestoken door de vrijmoedige leden der onafhankelijke, hoogere burgerklasse, die door eene beschaafde opvoeding in staat zijn, een betoog op wetenschappelijk gebied te volgen, en die zelfstandig genoeg zijn, om hunne meening te durven belijden.
Op blz. 20 en 21 beschuldigt Ds. Ch. Ds. P. van overmoed:
Wat zou u weerhouden, roept hij uit. Onze taal isoleert ons van het overige Europa. Buitenlandsche kritiek hebt gij niet te vreezen, en in het vaderland vormt gij eene coterie, die zich het wetenschappelijk monopolie heeft toegeëigend.’
Nog eens, ik ben niet zoo onbescheiden, om als verdediger van Ds. optetreden, maar, Eerw. Heer Chantepie, ik vraag u in gemoede, of E. Renan, of D.F. Strausz geene binnen- of buitenlandsche kritiek hadden te vreezen?
Of niet beiden, met vervolging, met ontzetting uit ambt en waardigheid zijn gestraft, voor hun moed? En of niet zij dus ook smaadheid hebben geleden, om hun geloofswille? Eindelijk, of die beiden in hùn vaderland ook eene côterie vormen van wetenschappelijk monopolie?

Gij zult die vragen ontkennend moeten beantwoorden.
En nu vraag ik verder: Wanneer alzoo noch eer, noch voordeel, die Heeren heeft bewogen... Wat dan? Immers niets dan hunne overtuiging? En is het nu een onredelijke eisch, wanneer de liberalen aan de orthodoxen, die zooveel op hen vooruithebben, vragen: ‘Gij bekent verdraagzaam te zijn op Godsdienstig gebied...welnu, weest het ook op kerkelijk gebied. Bestrijdt onze leer, gelijk wij de uwe bestrijden. Maar gunt ons het regt van bestaan. Loochent niet zoo apodiktisch, ook maar de mogelijkheid van waarheid onzer overtuiging.’
En hoe is die vraag nu, en vroeger, beantwoord? Moeten wij herinneren, hoe reeds Arminianen en Gomaristen in het, nauwelijks van gewetensdwang bevrijde vaderland, elkander bestreden? En hoe de strijd eindigde met een dogmatische beslissing op hoog bevel? Wat men den Spanjaard met het zwaard in de vuist had afgedwongen, werd den broeder geweigerd. En het is smartelijk, maar waar, in onze dagen is het niets beter.
Elke leer, anders dan die der traditie, elk kritisch onderzoek naar de bronnen van den Bijbel, wordt verketterd. Alle deugd en zedelijkheid aan de liberale rigting ontzegd. ‘Blinde leidslieden, adderengebroedsel, gij zelf gaat niet in het koningrijk, en belet anderen daarin te komen.’ Deze text, klaarblijkelijk tegen ‘huichelaars’ gerigt, wordt toegepast op de liberale ‘dwalenden’ waarmede gij ‘diep medelijden’ hebt. Het is dus zeker dat de liberalen dwalen?... De orthodoxie zegt het en... zij moet het weten. Hoe laag moet gij niet nederzien op niet-Protestanten, Roomschen, Joden, Turken en Heidenen.
De liberalen kunt gij altijd nog beschouwen als gevallen Engelen, maar wat moet uw oordeel zijn over lieden, die in alle opregtheid, zonder twijfelingen, en met ijver en nauwgezette naleving eene leer omhelzen, zoo geheel anders dan de uwe, en nog wel eene kerkelijke leer. (De heidenen natuurlijk uitgezonderd.)
Dat gij hen als verdoemden beschouwt, wien het uw pligt is te redden van den eeuwigen dood, bewijzen uw zendelingen, die ik eer, maar waarmede ik niet sympathiseer. Maar gelooven U. welEerw. in gemoede, dat het eeuwige geluk of ongeluk van eenen mensch afhankelijk is van zijn opvatting, van verwerping of aannemen van leerstellingen? Ik acht ieder even hoog, onverschillig hoe hij over erfzonde, verzoening, of voldoening door het bloed des kruises, de drieëenheid, de sacramenten, enz. denkt, mits: hij blijke ter goeder trouw te zijn.
 *   [7]
En dit is zoo grievend voor de liberalen, dat de orthodoxen hen, om hunne dogmatische opvatting achting ontzeggen, en hen verketteren. Gij zegt dat Jezus nooit tegen dogmatische dwalingen heeft geijverd, omdat de Israëliten, door droevige ondervinding geleerd, sedert den terugkeer uit de Babylonische gevangenschap, geen valsche goden hadden gezocht, en dat het dus niet noodig was te ijveren, tegen dwalingen die niet bestonden.

Maar gijl. geeft daardoor bijna toe, dat Jezus geene dogma's heeft gecreëerd, en dat de leerstellige opvatting van Jezus woorden dus feilbaar menschen-werk is.
Als godgeleerden zal het u niet onbekend zijn, hoe hoofdzakelijk op de Kerkvergadering van Nicea, over den bijbelschen canon is beslist, en, tenzij gijl. aanneemt, dat ook die kerkvaders den Heiligen geest hadden ontvangen, dan is, over het al of niet zijn van Gods woord, bij meerderheid van menschelijke stemmen besloten!
Gij zult op elk wetenschappelijk gebied, iederen mensch het regt toekennen, ons door eigen onderzoek naar de waarheid te trachten, en zelfstandig te zijn. Maar op kerkelijk, of liever theologisch gebied wilt gij de reden gevangen nemen, onder het geloof. Dat is: ieders geest is vrij op elk gebied, maar op godsdienstig gebied moest ieders geest zich bukken onder het gewigt der objectieve waarheid, die wij verkondigen, en die wij alleen bezitten.’  [8]
Die eisch is te zwaar. Op die grondslagen kunnen wij geen vredes-conferentie houden.
Maar trots de oorlogsverklaring van Ds. Chanterie, bieden wij u de broederhand, en vragen u als grondslag voor de onder-handeling: weest niet zoo exclusief, maar weest liefderijk. Bestraft ons, waar wij het niet zijn, maar laat het einde van den strijd wezen, dat wij allen onze harten gevangen geven onder het gebod:
Hebt God lief boven alles, en den naaste als uzelven. [9]

Daar is iets beminnelyks in dit stuk van 'n leek, die 't geloof niet wil opgeven aan de oprechtheid der half-denkers. En wellicht heeft hy ten-deele gelyk. Misschien zyn er onder de ‘modernen’ - wat 'n woord! - die ter-goeder-trouw hun weg gaan, in de meening dat die weg leidt tot waarheid. [10]

En gewis oordeelt de leek juist, dáárin, dat het den orthodoxen niet voegt, ieder voetstoots te veroordeelen, die den moed had aftewijken van hùn geloof.  *   Die gemoedelyke aandrift om party-te-trekken voor de mogelykkeid van eerlyke nasporing der waarheid, in hen die daartoe een anderen weg kozen dan den gewonen, trof my. En als de schryver van den brief dien ik meêdeelde, inderdaad is, zooals schynt te blyken uit dat schryven, dan geloof ik dat hy welhaast, om ná te staan aan ‘het koninkryk der hemelen’ niet zal behoeven te kiezen tusschen oud of nieuw, tusschen orthodox, liberaal of modern... maar dat-i, zonder aansluiting aan eenige richting, dat koninkryk weldra zal vinden in z'n eigen hart.

Want: geloof in 't goede, is goed. Vertrouwen op adel, is adel. Streven naar waarheid, is waarheid. (276. 443) [11]

Verder dan dát, kunnen wy 't niet brengen. (1) [12]

En, gelukkig! Het menschdom is als 'n kind dat voor z'n pleizier reist, en wiens vermaak een eind neemt by 't aankomen. Het stoppen aan de station: waarheid, zou die waarheid terstond doen veranderen in leugen. Want ophouden van beweging is dood, en dus onmogelyk, ongerymd, onwaar, juist omdat het zyn uit beweging bestaat, beweging is. [13]

Maar dit alles is hier de vraag niet. De vraag is niet of ieder 't recht heeft zyn weg te kiezen, op de groote reis naar waarheid... de vraag is: of 't geoorloofd zy, voortegeven dát men waarheid zoekt, wanneer die voorgevers à la recherche zyn van iets anders?

Jezus nam zyne beelden waar hy ze vond, en dezelfde vryheid nemende, kom ik terug op de vergelyking met 'n spoorweg. Het staat iedere directie vry, hare treinen te doen loopen waarheen ze goedvindt. Maar 't staat haar niet vry, reizigers aantewerven voor 'n toertje rechts, als ze inderdaad van plan is hen links-uit te sturen.

Wy zullen zien, of de moderne domine Zaalberg ons brengt naar de plaats, die gedrukt staat op z'n biljetten.

Misschien zal, na dat onderzoek, deze en gene liever op eigen beenen wandelen - wat ik trouwens aanraad in elk geval, ook op ander terrein [14] - dan zich toetevertrouwen aan een conducteur, die belooft zuid- en noord-op te sturen te-gelyker-tyd. Zoo'n trein kan nooit te-recht komen. Het gemiddelde van richtingen voert te-water of naar de pool, waar we niet wezen moeten. (120)

Er worden in de stukken, die Zaalberg heeft gepubliceerd, veel zaken by den waren naam genoemd. En - dit in 't voorbygaan - er komen daarin genoeg blyken van talent voor, om te doen betreuren dat de man z'n gaven niet beter besteedt, dan over het geheel genomen, 't geval is. Maar we hebben niet met het talent van den heer Zaalberg te-doen. Hy werd nooit - als de nietige schryver dien we ter-loops behandelden in ons vorig nummer - benoemd tot iets uitstekends, en er valt dus ditmaal niet te decanoniseeren. Bovendien, er zyn inderdaad zeer schoone stukken in Zaalberg's werk. 't Geheel is slordig.

Men weet reeds dat we hier bedoelen de zestien preken, verhandelingen of voordrachten, die onlangs verschenen, en die hy getiteld heeft: ‘de Godsdienst van Jezus en de moderne richting.

Die titel-zelf is zéér modern. La France et la Pologne... Le Pape et la Diplomatie... La Sainte Bible et Mr. Renan... le ceci et le sela... het dit en de dat... de dàt en het dit... datten en ditten... kort-om:

‘Ik kan u verzekeren, dame, dat die kleur veel gevraagd wordt, tegenwoordig...

Zoo spreekt 'n goed-afgerichte winkeljufvrouw, als ze zich wil afhelpen van 'n verschoten lapje.

En de dame, die geloovig luistert naar zulke praatjes, heeft kans heel modern gefopt te worden. Want... al wàs er veel vraag naar die kleur, en al was ze niet verflenst, dit bewyst nog niet, dat zulk blauw, geel of groen voegen zou aan háár.

Ik ben redelyk oplettend, en vooral op de zoogenaamde kleinigheden die aan velen de moeite van 't bestudeeren niet waard schynen, en juist daarom zeer dikwyls iets verklappen, wat verborgen blyven zou, als men 't zocht in de vermeend belangryke zaken die wèl overdacht zyn. Welnu, domine Zaalberg's keus van den titel - iets van ondergeschikt belang, meent ge - geeft my, in zekeren zin, den sleutel tot de fabriek waarin zyn boek gemaakt is. Dat kunstelend moderniseeren van iets ouds, is niet zonder beteekenis, en ik geloof waarlyk - wanneer ik 'n boek te schryven had, als tegenhanger - dat ook ik me nu byna zou verleid voelen door de mode, en onwillekeurig dat boek een naam geven, als byv... ‘de nieuwerwetsche pasteibakkers en... 't een of ander, dat ik nu nog niet weet, maar dat me wel zal te-binnen schieten voor ik tot het schryven van zoo'n boek overga.

Ja, Zaalberg zegt veel wáárs. Daar ik nog altyd verkeer in m'n verhandelings-bui, zal ik dàt kortelyk aantoonen in de eerste plaats.

ten tweede, zullen wy onderzoeken, of dat zeggen van iets waars, in dit geval de waarheid is? Daartoe hebben wy acht te geven: op andere zaken, die hy evenzeer als waarheid geeft, op den toon van z'n spreken, zyne wyze van uitdrukking, op de plaats waar-i z'n meening verkondigt, en op nog een en ander meer. We zullen vervolgens:

ten derde, by benadering oordeelen: of de éénige eerlyke waarheid gediend wordt, door 't zeggen van iets waars op de wyze van Zaalberg. En daarby zullen we tevens misschien gelegenheid vinden, tot antwoorden op dien brief aan den orthodoxen kerkeraad.

't Is wel mogelyk, dat ik onder 't schryven m'n preek anders inricht dan ik hier voorstelde. In dat geval verzoek ik m'n lezers myne schets te veranderen naar goeddunken... of zelf de preek te maken, waartoe ieder in-staat zal zyn die opgelet heeft hoe ik 't ding niet maak.

Zaalberg zegt dat ten-allen-tyde ieder die wat nieuws verkondigde, is beschuldigd van ‘beroering.’

‘Toen Elia nieuw godsdienstig leven in Israël kwam opwekken, voerde Achab hem op zekeren dag toe: Zijt gij daar, beroerder Israëls? Doch Elia antwoordde: ‘niet ik heb Israël beroerd, maar gij en het huis uws vaders!
Toen Luther het diep vervallen Christendom herscheppen wilde, weêrgalmde gansch Europa van den kreet: Hij beroert de kerk. En 't waren voor een goed deel zeer welmeenende en vrome menschen die dat zeiden. Niet enkel monniken en priesters riepen: Anathema! maar ook achtbare godgeleerden. Godvruchtige moeders, en zelfs zachte jonkvrouwen maakten het teeken des kruises, en zeiden: Anathema.
Maar wat spreek ik van Elia en Luther, daar ik van Jezus te spreken heb? Hij kwam Israëls godsdienst tot wereldgodsdienst hervormen, en wat was zijne ontvangst? Zij zeiden: ‘Hij beroert het volk!’
En wat bewijst dit nu? Op zich zelf nog niets voor de moderne rigting; maar toch zóóveel, dat alle godsdienstige hervorming van oudsher als rustverstoring begroet is. De waardigheidsbekleeders der kerk verklaren plegtig dat zij geërgerd zijn. De heerschende godgeleerdheid doet de nieuwe denkbeelden in den ban. Vrome zielen heffen klagelijke klagten aan. Het volk grijpt ligt naar slijk en steenen...

Precies! En niet het volk alleen. Ik kan betuigen dat Zaalberg hier niets gezegd heeft dan waarheid, al zeide hy alles niet. Hy zweeg nog van laster en verdachtmaking, die onder beschaafde volkeren zoo byzonder geschikt zyn om 't ‘slyk en de steenen’ der onbeschaafden te vervangen met voordeel.

Iets verder vraagt onze domine, hoe de bybel voorziet in de behoeften des geestes van den armen daglooner die 's avonds vermoeid thuis komt.

‘Moet hij beginnen met Genesis, en voortgaan tot de Openbaring toe. Zal hij avond aan avond uit Leviticus in 't lezen van de kleeding, spijs- en offergeboden der priesterschap Israëls, den troost zijns levens zoeken? Moet hij zijne tong vermoeien door 't leezen...

Alle goeie geesten... Zaalberg! Hebben we geen overbodig-hedens genoeg in onze spelling? Sedert lang doe ik m'n best, wat ballast over boord te gooien - om ruimte te winnen, voor, lading, weetge - en daar begint gy nu te léézen! Wat ik u bidden mag, schryf een zeventiende preek, om den Volke te verkondigen dat ge tot die spelling niet waart gedrééven door den geest. Anders kryygen wyy weldraa ooveral die duupliicaat-onnoodigheedens. Er zouden veel schoone gedachten zyn uitte-drukken met de letters die nu in elk boek zeer overcompletelyk de plaats innemen van gedachten. [15]

Moet hij zijn tong vermoeien door 't leezen van vele hoofdstukken, uit Genesis en Numeri, uit Jozua en Regteren, uit Esra en Kronijken, met bijna niet dan reeksen van onuitsprekelijke namen gevuld? Zou ook Ezechiel, denkt gij, door die moeder worden verstaan, of Zacharia uitgelegd aan 't kind, door den vermoeiden vader? Dan ga ik ook eens luisteren, als hij den Romer-brief verklaart, en na 't geschrift van Judas nu eindelyk ook het laatste boek, die verborgenheid der Openbaring opent. Voorwaar, gij wordt wel zuur verdiend, gij dagelijksch brood der godsdienst...

‘... maar als men nu aan dat boek der boeken gebonden wordt, zooals mijn orthodoxe meester wil, gebonden in gedachten en overtuiging, in woord en gevoel, in leer en leven, waar is dan nu, mijn Jezus! de zachtheid van uw juk, - de ligtheid van uwen last?...

Neen, 't is me onmogelyk my te houden aan verdeeling van Zaalberg's schryven in wáár of onwáár, en misschien toon ik myn: ‘wat te bewyzen was’ het duidelykst aan, juist door die onmogelykheid. Straks zal ik andere regels aanhalen, waaronder ieder denker gaarne z'n naam zetten zal, al ware het dan ook niet de noot: ‘dat wisten we al lang!’ Maar nu... die klacht over de onvoedzaamheid des bybels... lezer, zoudt ge 't kunnen geloven dat er op dezelfde bladzy waar de arme drommel beklaagd wordt, die z'n zuur-verdiend dagelyksch brood der godsdienst moet gaêren uit de verborgen openbaring des bybels, woorden worden gelezen, als deze:

‘Want dat stichtelijk gebruik des bijbels zal voortduren, zoolang er godsdienst op aarde is: zelf reik ik immers daartoe den bijbel aan de armen uit...

Arme armen! [16]

‘... en in mijn laatste uur moge op dit dierbare heerlijk boek mijn matte hoofd nog rusten...

Daarop volgt onmiddelyk de reeds aangehaalde zin: ‘Maar als men nu aan dat boek der boeken gebonden wordt’ enz. Dus, 't mag wèl gebruikt worden als kussen voor een mat hoofd - och, 't hoofd dat zoo makkelyk waar en onwaar te-gelyk herbergt, hoeft niet te worden voorgesteld als zoo byzonder mat! - Wèl als kussen alzoo kan men den bybel gebruiken - straks zult ge zien dat hy er pis-que-pendre van zegt - maar als band schynt hy niet te deugen. Men kan er op rusten, maar als voeding is het: ‘zuurverdiend brood.’ Dàt noem ik: ménager la chèvre et le chou...

Kom-aan, dit spreekwoord helpt me van myn preek af. Geit èn kool sparen! Ik wist wel, dat ik niet in-staat was tot preeken, en eens-voor-al, lezer, als ik u dreig met zoo-iets, denk dan maar dat ik driftig was, en 't zoo kwaad niet meende. M'n heele preek komt nu neêr op 'n paar staaltjes van: wat de geit krygt, en: wat kool is.

Kool:

‘Zegt niet: Verbindtenis! van alles waarvan dit volk zegt: 't is eene verbindtenis! En vreest hunne vreeze niet, en wordt niet verschrikt. (Jesaias VIII, vs. 12.)

‘Gy nu, zwanger wordende jonkvrouw, uw kind zult gij mogen noemen: Immanuel - God met ons. - Ja waarlijk: ‘Immanuel - God is met ons’ - roept de ziener uit. Want alzoo heeft Jehovah tot mij gezegd, met een sterke hand...

Hier schynt Jehovah doofstom. Precies m'n idee! Maar ik geef de kool in haar geheel, en heb geen tyd elk blaadje te verlezen. Alleen moet ik betuigen dat ik 't indecent en geloovig-onbeschoft vind, 'n jonkvrouw lastig te vallen met praatjes, terwyl ze bezig is met zwanger worden.

‘En is 't niet al te veel van uwe lippen gevergd’ - misselijk! -‘komt, bidt dan nu zingende met mij en voor mij:

 Och/ dat Uw Geest den leeraar sterf/
 het zegel zette op al zijn werf/ ... enz. 't vervolg in 394.

Nu iets voor de geit:

‘Van dat kind’ - namelijk: van de moderne godsdienstige richting - ‘ging echter de vorige eeuw reeds zwanger, en gelijk elke groote hervorming, had ook dit verschijnsel voor lang zijn herauten en wegbereiders...

Die uitgescholden werden door de Zaalbergen.

‘Bij de reuzenontwikkeling van wetenschap en beschaving, werd, vooral sedert de laatste helft der vorige eeuw, bij het denkend gedeelte der Christenheid, de breuk tusschen de wereldbeschouwing der schrift, en die des nieuwen tijds, hoe langer zoo grooter. De platte aarde des Bijbels moest voor den aardbol der nieuwere wetenschap wijken...

Ja, en de platte hemel ook.

‘Het scheppingsverhaal van Genesis week voor de ontdekkingen der natuuronderzoekers in den schoot der aarde, waarin de Almagtige Schepper met eigen hand, in mergel en steenkoollagen, in versteende planten en dieren, eene gansch andere geschiedenis der aardsche schepping beschreef, dan de dichter van Genesis kende.’

Hier heeft de geit reden tot klachte. Er is te-veel voor de kool gedaan. Die ‘eigen hand des Almagtigen Scheppers’ is, geologisch gesproken, onzin. Ook passen die mergel en steenkool en versteende planten, in 'n scheppingsverhaal, als 't nieuwe paleis voor volksvlyt in Tacitus' boekjen over de Germanen. De geit klaagt dat de domine zich 'n eeuw of wat vergist... misschien, ja waarschynlyk: millioenen eeuwen. [17] Versteende planten, enz. zyn, om nu de taal van den dag te spreken, zeer modern. Dit kan een kind begrypen. Er moet al veel gebeurd zyn na zoo'n dusgenaamde Schepping - een heel onwetenschappelyk woord! - voor er wouden bestonden. Veel meer nog, voor ze overgingen in steenkool

Hoe grappig dikwyls de uitkomst is, als men wetenschap en geloof wil door-elkaêr knoeien, kan men zien in 't schoolboekjen over de natuurkunde van Van den Burg, waarin de deftige opmerking wordt gemaakt ‘dat het ys des winters de rivieren vloeibaar houdt.’ Sakkerloot... als er dus géén ys was... zouden ze bevriezen, dat is klaar! 

Vervolg: geit:

‘Waar was de hemeltent des ouden Hemelkonings, nu de reuzenkijker der sterrekunde in dien uitgespannen hemel een eindelooze wereld van zonnen en starren, in nevelvlekken starrehoopen, in stippen zonnestelsels deed vinden?

Ja waar was nu die tent? Dat is de vraag. En Zaalberg, die de oude tent wegredeneert, en toch blyft volhouden dat er een tent is, moest ons dat ding kunnen wyzen. Wie er my naar vraagt, verwys ik naar 424.

‘Maar wáar was nu ook het doodenrijk van Israël, die schoof in de diepte der aarde, en wáar nu het vuur van den helschen poel, en wáar nu, bij 't verdwijnen van dezen, de satan met zijne engelen des afgronds?

Ik denk dat ze moderne katechiseermeesters geworden zyn.

‘En wáar zoo veel, zoo ontzaggelijk veel, dat bij de geheel andere natuur- en wereldbeschouwing der oude Oosterlingen, in hunne verbeelding het aanzijn kreeg? Genoeg, de gansche voorstelling van Israël omtrent God en de wereld, hing natuurlijk zamen met de heerschende zienswijze dier tijden, omtrent zigtbare dingen...

Juist. Maar ik vind dit nog makkelyker te vergeven, dan 't borduren van tafereeltjes over onzichtbare dingen, zoo-als wy straks zullen aanhalen onder de rubriek: kool.

‘De gansche bijbelsche godgeleerdheid was een kind van 't Oostersche denken en voelen...

Toch legt men matte westersche hoofden... ter ruste op dat oostersche kind!

‘...een gebouw, opgetrokken op een grondslag die by 't licht der nieuwe wetenschap wegzinken moest in 't niet...

Tòch reikt men dien weggezonken grondslag... aan de armen uit!

Geit:

‘Wat baatte voor een tijd het wanhopig gekunstel om de Schriftuur wat natuurlijk, en de natuur wat Schriftuurlijk te maken?

Wat dit baatte? Wel, 't gaf een middel aan de hand om geit en kool beiden te behouden. Om geloofd te worden door de vromen, en niet àl te erg geminächt door de verstandigen. Hoe kunt gy vragen, Zaalberg, welke baat er te vinden is by ‘wanhopig gekunstel?

Voor de geit:

‘Nu wil de orthodoxie dat wij onze moedertaal een weinig verleeren, om te bidden in de tale van Kanaän.

Kool:

‘... Jonkvrouw, als gij moeder zult worden, noem dan uw kind Immanuel! Neen, neen, zegt de schare, verschrikt en bewogen. noem het veelëer Ikabod, - weg is de eere! Verbindtenis, verbindtenis. Ziet, de Syriers rusten op Efraïm. De fondamenten worden omvergestooten. Jeruzalem zal vallen. De tempel stort in...

Voor iemand die z'n moedertaal niet wil verleeren voor de ‘taele Kanaäns’ vind ik dit nog al wel.

‘En waarom dan toch, gij zeer verschrikte menigte?...

Dat is, waarom al die bereddering in den Haag, over den naam die 'n onbekende jufvrouw zou geven aan een kind dat nog niet eens geboren was? Eilieve, als 't nu eens 'n meisje was? Wat dunkt u van Ikabodina? Of Immanuella? Maar ik beken dat ik volstrekt niet aan namen hecht. Voor myn deel mag 't kind, dat domine Zaalberg introduceeren wil by z'n haagsche gemeente, heel ouwerwets Grietje heeten, als ze maar geen moderne nonsense vertelt.

Na aldus gevraagd te hebben, waarom de gemeente te 's Gravenhage zoo verschrikt is over die keuze van 'n naam, en over al de dingen die 'r gebeurden met Jeruzalem, met de fondamenten, met den tempel, met de Syriërs en met Efraïm, komt er weêr iets voor de geit:

‘Omdat het nu blijkt dat de godgeleerdheid der kerk sedert eeuwen van verkeerde voorstellingen heeft geleefd, en het vuur der wetenschap nu al dat hout, dat stroo en die stoppelen verteert?
't Is waar, het blijkt nu dat de geest der kerkhervorming twee eeuwen lang is miskend...

Hier raken we aan de koolzy. Want daarin ligt iets, of de klok van 't verstand op de groote kerk te Dordrecht, nog juist liep in 1618. Er is hier waarlyk kunst in 't mengen van de bestanddeelen. Men is in twyfel of papaver of arsenicum de overhand heeft.

Geit:

‘Het blijkt nu... dat de Schriften des ouden en des nieuwen verbonds, een anderen oorsprong hadden, dan het kerkgeloof dacht. Dat... de boeken van Mozes eerst duizend jaren na Mozes afgewerkt, en de Evangeliën, in hunnen tegenwoordigen vorm, eerst na den dood der apostelen...

Halt: Apostelen staat er. Dit hoort weer by de kool.

‘...eerst na den dood der Apostelen, en dus niet door oor- en ooggetuigen geschreven zijn. Dat Paulus anders dacht, dan Petrus en Jakobus, en dat de ware geschiedenis van Jezus, even als het leven van alle heroën der oude menschheid...

Lees: der jonge of jongere mensheid...

‘...omkleed is met het bekoorlijk tooverwaas der legendedichting, der poezij, der verbeelding. Dat, en zooveel meer is gebleken, geboekstaafd, bewezen. Met dit alles heeft de oude theologie haren doodsteek ontvangen...

Met uw verlof: domine Zaalberg. Die oude theologie is springlevend, en heeft juist zoo-even daarvan een bewys gegeven, door 't bywonen van een gemaskerd bal waarop ze door weinigen herkend is. Maar ik ben ondeugend genoeg haar te verklappen. Ze draagt een ‘modern’ manteltje over 'n arlekyns-pak dat saêmgelapt is uit steenkool, geloof, halve wetenschap, onbekende jonkvrouwen die op 't bevallen staan, Ikabods, natuuronkunde en... allerlei.

Kool:

‘Ik wil u onderwijzen, van stuk tot stuk, en zegt alleen niet ‘Verbindtenis!’ want bij God, dat is zoo niet...

Het woord ‘verbindtenis’ schynt in de een of andere taal een vieze beteekenis te hebben. Altans Zaalberg wordt telkens boos, als-i er aan denkt. Misschien beduidt het kritiek.

‘Genoeg, breekt gijlieden dezen tempel af, door niet te dulden dat hij vernieuwd en gereinigd worde, zij’ - de moderne godsdienst, geloof ik - ‘die gij van tempelschennis beschuldigt, zij zal u in den naam van Jezus binnen drie dagen een anderen bouwen, die niet met menschenhanden gemaakt is, een nieuwen tempel van geloof, van hoop en van liefde, een tempel des Heiligen Geestes, waarvan de oneindigheid de omtrek... en altijd, altijd weder, Jezus Christus de levende hoeksteen, en 't beeld van den Gekruiste de glorie zal zijn.’

Dus die ‘moderne’ tempel komt in de plaats van de tent die door de ‘wetenschap’ was weggeredeneerd. De nieuwe tempel heeft, volgens Zaalberg, tot ‘koepeldak’... den blaauwen hemel. Tot ‘vloer’... de met bloemen bezaaide aarde...

Och, er wordt nog veel meer verteld over de constructie van dien tempel, maar ik heb geen lust het nateschryven, omdat ik denk aan al de arme drommels, die 't zoo hongerig en koud hebben op dien vloer, en wien die blaauwe hemel zoo guur is! Geen platter proza dan valsche poezie, o Zaalberg! En... meen niet, echte poëzie te vinden buiten de waarheid. (263) Er valt niet te tempelen. Het Volk heeft honger. De éénig-noodige tempel op 't oogenblik, is een goede niet al te dure restaurant.

Vervolg kool:

‘Mijne vrienden in Christus!’

Dat wil zeggen: in 't geheel geen vrienden. Precies als: ‘God weet het’ beduidt: niemand weet het. ‘God alleen kan helpen:’ er is geen hulp. [18]

Ik heb voor deze opvatting een bondgenoot in Wamba, den nar van Cedric den Sakser, uit den Ivanhoe. De zeer fatsoenlyk-godsdienstige Walter Scott verklapt daar een geheim uit de school van 't geloof. Ik vergeef u... als christinne... zegt Rowena tot Rebekka, 't edel jodenkind, dat toch vooral wat gif van 't waar geloof moest meêslikken by 't innemen van de andere vergeving. ‘Als christin - roept Wamba, de nar, dien de schryver meer oprechtheid meêdeelt dan hyzelf den moed had te bezitten - als christin? Nu, dan mag ze oppassen!’ Het doet denken aan de geestig-menschkundige saillie uit den Gilblas: On nous reconcilia, nous nous embrassâmes, et depuis ce temps nous sommes ennemis mortels.

Ik verhaal of betoog zelden iets nieuws. Ieder wist wat ik zeg, of altans, ieder voelde het. Veelal had men slechts verzuimd dat gevoel te rangschikken tot gedachte, tot meening. (267) Ik vraag 't u, lezer, zoudt ge ooit iemand voor uw vriend hebben gehouden, die u naderde met de betuiging: Ik ben uw vriend... in Christus? Is dit niet iets als: neef... van-adams-wege, dat is: géén neef?

Kool:

Verdraagt mij een weinig in mijne onwijsheid...

Deze wensch van domine Zaalberg is niet volstrekt onverklaarbaar. Doch 't is de vraag niet, of de haagsche gemeente zyne onwysheid zal verdragen. De vraag is, of ze moet voortgaan hem daarvoor te betalen als-of 't wysheid ware.

‘De heerlijke zon der godsdienst breekt hare stralen in zeventigmaal zeven kleuren, en iedere reine traan van 't menschenoog glinstert gelijk een dauwdrop op de bloemen in dat eeuwige licht. Daarom zeg ik met Paulus...

Wat-i nu met dien Paulus zegt, is me waarlyk geheel onverschillig. Ik vraag maar of 't niet al te bescheiden is, alle kennis der taal van Kanaän te loochenen, wanneer men zulke monster-prismatische blyken geeft dat idioom vlot te spreken, als 'n geboren Kananiter?

Vervolg kool:

De wettige zonen der Hervorming, en erfgenamen in de regte lijn van Jezus Christus, den Genius der Godsdienst, dat zijn wij, dat moeten wij zijn, strijdende den strijd des geloofs...

Hoe rymt dat geloof met de steenkool? Hoe, die strydende stryd voor iets zeer onwetenschappelyks, met de wetenschap?

...‘zoekende naar de toekomende stad, grijpende naar 't eeuwige leven. Maar dan, ook iederen dag ons gedompeld...

Hu!

‘...tot zevenmaal toe ons gedompeld...

Vreeselyk! Men moet zelf van Kanaän wezen, om niet te schrikken.

‘...in het bad der wedergeboorte, en der vernieuwing des geestes. Dan mogen wij gaan tot de levenden...

Lezer, ik raad u een Kanaänitische grammaire te koopen, als ge 'r prys op stelt te weten wat domine Zaalberg zoo-al weet te zeggen in een taal die hy beweert niet te verstaan. Dan, na al dat baden, mag men dus gaan tot de levenden, en...

‘...en zegenend zien ons de stervenden aan...

Waarom toch? Omdat men zich zevenmaal gebaad heeft?

‘...en tusschen de dooden en levenden in, staan we...

Alweêr vraag ik: waaròm toch?

‘...en heffen de oogen op...

Lieve hemel... dáárvoor zoo'n bereddering te maken! Maar ik erken, dat het volgende moeielyker is, en wel zeven dompelbaden waard:

‘... en profeteren de hope der heerlijkheid, de ééne kudde onder éénen Herder...

Dat centralisatie-begrip schynt iets aanlokkelyks te hebben. Ik vind beter dat het arme vee zich wat verspreidt. Één wei is zoo spoedig kaal gegeten. Maar nu 't vervolg van dat profeteeren:

‘... de toekomst waarin God in allen, maar dan ook allen alles zal zijn.

My wèl. Ik hoop dat dan met-een 't vleesch wat goedkooper wordt, anders heeft de arme- en middelklasse bitter-weinig aan al die veranderingen.

Vervolg kool:

‘Maar al ware 't mogelijk dat bijna allen heengingen, door zooveel ‘goddeloosheid’ verschrikt, en dat er bij al de invloeden die hier ter stede werken...

De onderstreeping is van Zaalberg. Welke invloeden zouden dit toch zyn? Zou de antichrist in 't spel wezen? Die personage hoort by zulke praatjes. Nu, al bleef er, na dat heengaan en door die invloeden:

‘... slechts een schamel kuddeken over...

Let op, hoe 't echt-kanaänitisch zalf-dialect zich openbaart in de diminutiva. Bed, beddeken. Kind, kindekes. Kudde, kuddeken.

Nu, al bleef er dan maar een klein troepjes over - maar zeer weinigen namelyk die geologie kunnen gebruiken in geloof, of geloovery in scheikunde - zie, dan nòg zou Zaalberg:

‘...vast verzekerd van de toekomst aan deze wedergeboorte des Christendoms, ook in ons midden bereid, vol moed het Pinksteren beiden, het Pinksteren met zijn 3000 nieuwe gedoopten, gedoopten - zij 't niet door mij, dan door anderen en beteren, - maar gedoopten in deze rigting met heiligen geest en met vuur.’

Nu weer iets voor de geit:

‘... Eischt nu de zaligheid van mij, dat ik elk wonderverhaal der Schrift geloof? Moet ik, die uit Gods Schepping weet, dat deze aarde door allerlei gedaantewisseling heen, in millioenen jaren haar tegenwoordig gelaat ontving, met Genesis gelooven, dat God in zes dagen de wereld schiep, en op den laatsten werkdag rustte? Moet ik, die zeker weet, dat de zon nooit om de aarde voer, nu toch ter zaligheid gelooven, dat op de stem van Josua de zonne stilstond in Gibeon, en de maan in 't dal van Ajalon? Moet ik, die van Jezus heb geleerd....

Daar is wat koligs in.

‘...ik die van Jezus heb geleerd in God den eeuwigen geest te eeren, nu toch gelooven, dat God in zigtbare gestalte verschenen is, en uit den hemel nederkwam om Babels toren te zien. Kan ik geen geloovige zijn, zonder te gelooven...

Neen, domine Zaalberg, ziehier de heele zaak door uzelf genoemd by den waren naam. Zóó is het! Gy kunt geen geloovige zyn, zonder te gelooven.

‘...zonder te gelooven, dat Eva uit Adam's rib gemaakt werd, terwijl die Adam sliep? Dat Cherubim met vlammenden zwaarde den armen mensch terugdreven van den boom des levens, den Nu verboden boom? Dat de Engelen, die zonen Gods, de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren, en uit haar schoot een geslacht van reuzen verwekten, geweldige mannen, mannen van name? Dat Noach in ééne ark, van alle, alle dieren van lucht en land, een paar, of zeven paar vergaderde en voedde, den ganschen 12 maanden langen zondvloed door? Dat de Heere God in Abram's tente kwam, en Sarai's koeken at?...

Neen, domine Zaalberg, gy kunt geen geloovige zyn, zonder dat alles te gelooven. Gy hebt, gelyk ieder, het recht al die vertellingen wegtewerpen in den hoek waar ge, op zestien-, achttienjarigen leeftyd, de bakersprookjes uwer kindsheid wegwierpt, maar ge hebt niet het recht, jongeling en kind te-gelyk, man en jongeling te-gelyk te willen zyn. Ge moogt niet voortgaan u een geloovige te blyven noemen, de voordeelen te blyven genieten die er verbonden zyn aan dien titel, en ter-zelfder-tyd openlyk verklaren dat ge niet gelooft.

Uw vraag: ‘Kan ik geen geloovige zyn zonder te gelooven dàt... dàt... dàt?’ enz. is 'n theologische zelfmoord, en 't eenvoudig: neen! dat ieder moet uitspreken op die vraag, is een korte maar vry krachtige lykrede op het graf uwer dominees-eerlykheid.

Ik herinner me uit een grieksch leesboekjen, eene vertelling van 'n Sybariet die kramp of buikpyn kreeg als-i zag werken. Ik ben geen Sybariet, zie gaarne arbeiden, en ikzelf werk graag. Maar ik moet bekennen sybaritische kramp te voelen, by 't aanschouwen van de moeite die Zaalberg zich geeft om, niet-geloovende toch geloovig te blyven, en den titel te blyven behouden na 't verwerpen van de dáád die aanspraak geeft op dien titel. Ik heb geen lust de zestien preeken geheel te ontleden, en geef dit werk als 'n aardige taak op, aan jongeren die meer tyd hebben. 't Is niet moeielyk. Alleen 'n beetje vervelend en omslachtig, omdat in Zaalberg's werk de zorg om 't geitje te sparen, hier-en-daar zoo dooreen gekluwd is met de begeerte om vooral de kool niet te verliezen, dat er soms oplettendheid noodig is, tot nauwkeurig onderscheiden en afhaspelen.

Ik denk dat men my - na de staaltjes die ik aanhaalde uit slechts de eerste twee preeken - zal gelooven, wanneer ik betuig dat ik met gemak een groot aantal voorbeelden daarvan zou kunnen by-een brengen, als ik my de moeite getroostte, al de stukken te analyseeren. Maar dit hoeft niet. Wie naar waarheid zoekt, zal m'n opmerking ten-volle bevestigd vinden, ook zonder verdere aanwyzing van myn kant. En dit geeft my ruimte tot andere beschouwingen.

De teksten! Eilieve, hoe rymt het niet-gelooven, het wegwerpen van den bybel, als boek van gezag, met die lange preeken òver stukken uit dien bybel? Hoe brengt men 't minachten der tale Kanaäns overeen met de behandeling van brokstukken, zóó kanaänitisch, dat Langendyk's Kamacho - ‘jae, miester Jochem-zelf’ - zeggen zou, dat: ‘hongt noch kat het niet verstaen kan!’

Ik vraag u, wat heeft iemand die niet gelooft, te maken met dingen als: ‘Ikabod?’ Wat heeft de Haagsche gemeente - ‘die ontsteld is in een tweetal gestalten... zoo staat er - wat heeft zy te maken met: Jeruzalem, bevende voor Rezin, en voor Pekach, den zoon van Remalja?’ Nog-eens, het stáát er zoo. Wat beduidt de dubbele tekst van preek IV, Lukas XXIV: 50-52 en Handel. I: 9-12 in welke gezegd wordt: ‘En het geschiedde... dat hy... werd opgenomen in den hemel... en ‘Als hy dit gezegd had, werd hy opgenomen... en een wolk nam hem weg van voor hunne oogen... wat beduiden die teksten in een preek, waarin voorkomt: ‘Lieve Gemeente, ik geloof Niet dat Jezus van den Olyfberg zigtbaar ten hemel is opgevaren, evenmin als ik aan de opstanding van zyn lichaam gelooven kan?’ Waarachtig, zoo staat er. Wat beduidt het preeken over Mark. I: 14, 15 (‘de tyd is vervuld, en het koningryk Gods is naby; bekeert u, en gelooft het Evangelie’) als men zoo-even heeft aangetoond dat er niet te rekenen valt op de echtheid van al die vertellingen? Want, dat stáát er. Wat is de bedoeling van den tekst over die tongen van vuur, over den Heiligen Geest, over dat spreken van allerlei talen (Hand. II: 1-4) in een preek die betoogt dat deze dingen heel anders geschied zyn, dan de ‘lieve gemeente’ tot-nog-toe geloofde? Want, dat stáát er. Waartoe dient de tekst: ‘Zoo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbygegaan... enz. (2 Cor. V: 17- VI: 2)? ‘Waartoe: ‘Zalig zyn de armen van geest... enz. (Matt. V: 3-12)? Ik vraag: waartoe dienen die, en zulke teksten uit den bybel waaraan men niet gelooft? Want, voor de laatste maal, dat stáát er! [19]

Voor ik antwoord op die vragen - want ik meen daarop te kunnen antwoorden, moet ik nog even terugkomen op Zaalberg's oordeel over dien bybel, opdat ook de lezer zich gedrongen voele tot de vraag: waarom preekt hy dan uit dat boek? Zaalberg spreekt, en wy beamen:

... ‘Is dat nu - de bijbel, namelijk - O God, mijn God! Uw woord, uw eigen, heilig woord?
Gij - nam.: de gemeente - beklaagt mij? Gij prijst welgelukzalig de kinderkens die alles gelooven, en de mannen, die hun verstand onder de gehoorzaamheid des geloofs gevangen geven. Ei, dan stel ik mij nu op dat standpunt uws geloofs, en zwijge dus van al die bovennatuurlijke verhalen, te meer, daar ik er later opzettelijk van spreken moet. Ik onderwerp mijn denken voor een wijle aan uw geloof, maar ik bid u, wàt moet ik nu gelooven? Daar zijn in die 66 gewijde boeken zoo vreeselijk veel tegenstrijdigheden, berigten, die elkander tegenspreken, meeningen, die elkaêr weêrleggen. Gij, veel geloovende, wàt moet ik nu gelooven? Met het eene stuk uit Genesis, dat het Abram was, die zijne Sarai bij Abimelech, den koning van Gerar, voor zijne zuster uitgaf, of met een ander stuk uit datzelfde boek, dat Isaäk het deed met Rebekka? Met het eene blad van Samuel, dat David reeds voor Saul de harp bespeeld had, eer hij den Goliath dooden kwam, of met het andere blad, dat Saul hem toen voor 't eerst ontmoette? Met de Koningen, dat David door God werd opgewekt om zijn volk te tellen, of met de Kronijken dat het niet God, maar Satan was, door wien hij werd aangepord? Met Job, dat Satan in den raad des hemels zit, of met Johannes, dat hij den afgrond bewoont? Met den een, dat God niet liegen kan, of met den anderen, dat hij Mozes leerde Pharao om den tuin te leiden, en de Egyptenaars door bedrog te berooven? Met Mattheus, dat Jozef en Maria met het kind Jezus uit Bethlehem twee jaren lang naar Egypte weken, of met Lukas, dat zij na den veertigsten dag onmiddellijk wederkeerden naar Nazareth? Met Mattheus, dat beide de kwaaddoeners Jezus lasterden, of met Lukas, dat de een hem gezegend heeft? Met de drie eerste Evangeliën, dat Petrus den Heer bij Kajaphasverloochende, of met het vierde, dat het reeds vroeger bij Annas heeft plaats gehad? Met de drie eersten, dat Jezus juist op het Paaschfeest gekruist is, of met den vierden, dat Jezus niet op, maar vóór het feest is gestorven? Met Markus, dat Jezus reeds op den dag der verrijzenis werd opgenomen in den hemel, of met Lukas, dat hij eerst op den veertigsten dag ten Hemel voer?...
Moet ik nog verder gaan? De stof vloeit er voor over, en zoo gij u van de geschiedenis tot de leer wilt wenden, dan ga ik u even dringend vragen: Moet ik met den 109den psalm mijnen vijand ijselijk vloeken, of met Jezus mijn vijanden zegenen? Moet ik met Job, en menigen psalm, de onsterfelijkheid ontkennen, of naar het Evangelie des N.V. op eeuwig leven hopen? Moet ik met Paulus alle spijzen geoorloofd achten, of met Jakobus mij van bloed en 't gestikte onthouden? Moet ik met Jakobus de regtvaardigheid zoeken in de werken, of met Paulus alleen in 't geloof? Moet ik met 1 Petri gelooven, dat de wereld reeds 18 eeuwen geleden vergaan zou, of met 2 Petri, dat zij na de eerste eeuw nog wel een tijd kon voortbestaan?
Ik vraag niet meer. Ja toch, nog even dit eene: In de geschiedenis verwart gij u, de geloofsleer spant u strikken; en hoe staat gij nu met de zedeleer, gij strenge wachters op Sion? Gij geeft mij eenen Bijbel als 't Woord van God, en nu zal ik niet alleen alles en alles gelooven moeten, maar nog veel meer, dat woord ook doen. Och! gij die anderen leert te gehoorzamen, waarom gehoorzaamt gij zelf dan niet? Dat woord gebiedt de heiliging van den 7den dag der week, en nergens spreekt dat woord van Zondagswijding. Toch arbeidt gij op Zaturdag en houdt op Zondag rust. Dat woord gebiedt aan de vrouw haar hoofd bedekt te houden, en aan jonge weduwen niet aan hertrouwen te denken. En nogthans verheugt gij u met de jonge weduw-bruid, en vieren uwe dochteren met ongedekten hoofde de bruiloft mede. En als u de Prediker in datzelfde boek gebiedt: ‘Wees niet al te regtvaardig! en houd u niet al te wijs!’ gij, die in elk woord der Schrift Gods Woord wilt vinden, wat klaagt gij dan nog als de menschen jegens u niet al te regtvaardig en eerlijk zijn?
De orthodoxie maakt moede, en ik wil rust. Gij mannen van het midden, die, ofschoon te vrij om orthodox te zijn, ons nogthans toeroept: ‘Och! wordt toch niet modern!’ zoo bid ik u dan nu, edele mannen! zegt gij mij, wat de waarheid is! Wat moet ik nu zeker vasthouden, om veilig in 't geloof te staan? In twee dingen zijt gij 't dan toch eens, te weten, dat gij 't oneens met de regtzinnigen zijt, en allen de moderne rigting schuwt. Tegen de eerste verklaart gij, dat Gods Woord niet de Schrift zelve is, tegen de laatste waarschuwt gij, omdat zij 't Schriftgezag ontkent. Maar wat is dan in die Schrift nu wèl, wat niet Gods Woord? Behoef ik niet alles voor waar te houden, en mag ik nog minder aan alles twijfelen, zeg dan nu kort en bondig, hoever moet het geloof, hoever slechts twijfel gaan? Eilacij! gaat gij twisten? Gij zoudt mij zekerheid en ruste geven, en zóóveel hoofden, zóóveel zinnen in uwen geëerden kring. A gaat één mijlpaal ver, en schudt het hoofd om B, die tot den tweeden voortschrydt. B vindt A vrij bekrompen, maar waarschuwt C voor den derden paal. En C die 't met de angsten van A en B niet vinden kans, vindt D zeer roekeloos, omdat hij tot den vierden gaat. Hier is er een, die bij 't verhaal der Evangelisten omtrent de verschijning vanMozes en Elia op den bergkruin zweert, maar intusschen de verschijning van Satan in Judea's woestijn, door de drie zelfde Evangelisten niet minder uitvoerig beschreven, als onhistorisch ter zijde schuift. Daar is een ander, die de stemmen uit den hemel betwijfelt, maar in 't geloof aan Engelverschijningen een hoofdstuk der godsdienst ziet. Ginds is een derde, die wonder bij wonder natuurlijk verklaart, maar onderwijl in toorn ontsteekt, wanneer een ander dat doet met iets, waaraan hij nog als wonder vasthoudt. Iets verder beroept zich iemand op 't gezag der Apostelen, als getuigen van 's Heeren herleving, maar wraakt datzelfde gezag, als zij, en dat nog veelvuldiger, de zigtbare wederkomst des Heeren verkondigen. Dat de Hebreërbrief niet van Paulus, maar misschien van Apollos is, wordt met nadruk gezegd door een man, die erg vertoornd is, omdat een ander aan den Johanneïschen oorsprong van 't vierde Evangelie twijfelt. En onder die verdeelden staat een man, ondenkbaar tegen zich zelven verdeeld, waar hij met Paulus woord: ‘Indien er geene opstanding der dooden is, zoo is ook Christus niet opgewekt!’ tot heftig wordens toe de geestelijke opvatting der opstanding van Jezus bestrijdt, en op datzelfde oogenblik de, in hetzelfde vers door Paulus als noodzakelijk met die van Christus zamenhangende gepredikte, opstanding der dooden zelf in geestelijken zin verklaart!

Dus Zaalberg preêkt, doceert, vermaant, troost, helpt, steunt, profeteert, enz. uit een boek waarin alles, of byna alles tegenstrydigheid is. Waarom?

Komaan, er moet antwoord wezen op die vraag!

Welnu, ik meen dit antwoord te vinden in de slotsom der berekening van den pasteibakker die den ouden vorm gaf aan z'n nieuw baksel, omdat-i wist hoe menschen die taartjes - en preêken! - gebruiken, smaak putten uit gewoonte.

Als bewys voor die meening, verzoek ik u te letten op het slot van Zaalberg's preêken. Hy laat z'n klanten altyd vertrekken met 'n naklank van ouwerwetsche godzaligheid in de ooren, een galm van den geloovigen voortyd. Wilt ge een paar staaltjes? Ziehier:

‘...en riep de nu verschrikte menigte, als altyd oordeelende naar het uiterlijk aanzien, dan triomfantelijk uit: “waar is toch nu hun God!” O moeder! die mij uw kind blijft toevertrouwen, nog zou ik goedsmoeds, ja nog zoude ik ook dàn geloovig tot u en uw jongsken’ - hollandsch: jongetje, mannetje, kereltje. Zie de opmerking over de Kanaänitische diminutiva - ‘ tot u en uw jongsken zeggen: ‘Immanuel - God met ons.’

Hebt gy gelet op dat: ‘ook dàn geloovig’ op 't eind van 'n preêk, van dezelfde preêk waarin hy uitdrukkelyk verteld heeft niet te gelooven?

Ziehier een ander slot:

‘Is er zulk een godsdienst? Ja, en zij is geen nieuwe, maar de vernieuwing der oude. De wedergeboorte der eenmaal in Palestina geborene. De wederkomst in den geest van Jezus met zijn liefelijk, vertroostend, goddelijk woord: ‘komt herwaarts’ enz.

Zóó oudmodisch-klinkend eindigt alweder de preêk, waarin nota bene de woorden voorkomen: ‘Maar als men nu aan dat boek der boeken gebonden wordt, zooals myn orthodoxe meester wil, gebonden in gedachte en overtuiging, in woord en gevoel, in leer en leven, waar is dan nu, myn Jezus, de zachtheid van uw juk, de ligtheid van uw last?

Ja dàt vraag ik ook, en vooral vraag ik door welk wonder op eenmaal die last zoo licht is geworden, en dat juk zoo zacht, by het einde van de preêk?

Ander slot:

‘Ja, bovennatuurlijk of natuurlijk van oorsprong, godsdienst is ons leven...

Die vrye keus tusschen natuur en onnatuur is handig. Wie daarmeê niet tevreden de kerk verlaat, noem ik lastig.

‘...godsdienst is ons leven...

Ik vind dat er veel ànder dringend werk is. 't Is waar, dat daarby geen dominees kunnen gebruikt worden.

‘...godsdienst is ons leven, en dat leven in God, is leven uit God.’

In... uit? Komaan, nog 'n paar voorzetsels... en zie verder de dicht-oefeningen van Klaasje van der Gracht, met z'n spiegel-kroon-balansen. Ook m'n bakerpreêk kan gevoegelyk dienen als vervolg. [20]

‘O God, mijn God...

Lezer, 't staat er zoo. Als dat gegòd u verveelt, 't is myn schuld niet. Bedenk dat ik bezig ben u den Klank te laten hooren, waarmeê de preêken eindigen. Daarom is 't hier te doen. Straks zal u blyken wat daarvan het zeer moderne doel is.

‘O God, mijn God, ik zoek u in den dageraad...

Hier wordt niet bedoeld het tydschrift. Zaalberg zegt uitdrukkelyk dat hy met de mannen die daar-aan meêwerken niets te maken heeft. Ik vind het nog-al ondankbaar, zoo te spreken over personen die de waarheden al byna vergeten hebben, welke Zaalberg nu pas begint te leeren, en die hy verkoopt als ‘peeren uit zyn tuin.’ (269) Hy zoekt God in den morgenstond. Waarom? Het is om den klank der finale.

‘Mijne ziele dorst naar U.

Let op: ziel...E. Die E is 't etiket van 't zalfpotje.

‘Des avonds is mijn hart onrustig, tot dat het in U ruste’ - rust...E! - ‘vindt. Zie, Eeuwige, hier zijn wij, wij strekken de armen uit, en zeggen met Jezus: Vader!... onze Vader!

Alweêr gaat de gemeente naar huis, met iets als de oude stichting. Een ander slot:

‘Al raden wij ook vruchteloos naar de onzienlijke wereld, wij gevoelen haar nabijheid, wij genieten hare geuren...

Hoe zoo'n valsche poëzie in 't zotte loopt? Wat blykt er uit die fraze? Dat de neus der geloovers beter ingericht is dan hunne oogen of hun verstand. Ze ruiken wat ze niet kunnen raden of zien.

't Heeft iets van de honden.

Nonsense, zegt ge. Juist. Maar er is Klank noodig. Na 't ‘genieten van die geuren’ zien wy:

‘van den Olijfberg des geloofs naar het nieuw Jeruzalem op.’

De man gelooft niet, maar zoodra er spraak is van een ‘olyfberg’ - een klinkend woord - van 'n geloof berg met olyven alzoo, verandert de zaak. [21]

‘En wij staan daar niet alleen. Met de gemeente van achttien eeuwen vereenigd, zien wij uit alle geslachten der menschheid de nieuwe geloovigen opklimmen. Zij dringen om ons heen. De twaalve’ - v...E! ‘worden twaalfmaal twaalf duizenden. De menschheid verzamelt zich. In alle talen en tongen klinkt daar het hemelvaartslied der groote gemeente, en U, o Vader der geesten, U zij de heerlijkheid in die gemeente, door Christus Jezus’ - niet: Jez. Chr. Er is zalving noodig! - ‘in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.’

Ander slot:

‘O dag van Pinksteren! word in ons vervuld! Breek heen door de nevelen des tijds, breek door, gij groote en doorluchtige dag des Heeren... en och, of al het volk van God profeten ware...

We zouden parterre maken, als ieder meespeelt?

‘...dat God Zijnen Geest op allen gaf!’

Ik vind dat elke ouwerwetsche domine zoo kan eindigen zonder z'n allerkromste rechtzinnigheid te schenden. Een ander slot:

‘Gemeente des levenden Gods! Verhef u en zeg met tongen als van vuur: ‘Al zou de zon veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, de groote en doorluchtige dag des Heeren komt.’
‘En wat dan, zoolang die dag nog beidt, wat zal ons geschieden? Wat ons en onzen kinderen, bij de teekenen die de aarde beroeren kunnen?
‘Een iegelijk...

Let wel: ‘een iegelijk.’ Kanaänitisch, voor: ieder!

‘...Een iegelijk die den naam des Heeren aanroept, zal zalig worden.’

Onze vriend Hellenbroek, de bedienaar des H. Evangeliums te Rotterdam, wiens ‘Voorbeeld der godlyke waarheden’ voor me ligt, zou 't niet beter kunnen zeggen. En domine Schwartz, die door den Geest - en door verhooging van tractement, denk ik - naar Londen geleid is, ook niet. Ander slot:

‘Zoo waarachtig God leeft en uwe ziele’ - l...E! - ‘leeft, een biddend leven is een onsterfelijk leven, 't geloof in God de ontdekker der nieuwe wereld...

Ik weet wel dat Zaalberg hier niet doelt op Columbus of Amerika... maar 't is moeielyk te zeggen wat-i wèl bedoelt. Nu, dit doet er niet toe. 't Is nu alleen om Klank te doen.

‘...der nieuwe wereld, het sterfbed der vromen eene poorte des hemels en de laatste gebeds-troost een gezigt van het vaderland.’

Ander slot:

‘O, zalig wie van de bergen komen...

Blykens 't voorafgaande, wordt hier bedoeld ‘de berg der zaligheden’ - heden, sic. Ik had dus ongelyk in 387 - ‘de berg des gebeds, de kruisberg Golgotha.’ 't Is opmerkelyk, hoe Zaalberg telkens met bergen in de weer is. De meesten zyner preêken eindigen op 'n berg. Dit is de gewone valsche poëzie van menschen die 'n vlak land bewonen en weinig gereisd hebben. Een berg... hoog... dicht by de lucht... by den hemel... dat moet mooi zyn!  *  

‘Zalig wie van de bergen komen. Met God verzoend zijnde, hebben zij eeuwigen vrede. Ja, en indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel...

Als 't waar is, wou ik dat de oude stumpert die my m'n ontbyt brengt, in Christus raakte. Ja, en ik-zelf ook. Want m'n oogen hebben vernieuwing noodig, na 't lezen van die preêken vooral.

‘...een nieuw schepsel. Het oude is voorbijgegaan. Ziet, het is alles nieuw geworden. Amen.’

O, Camphuizen! O, Lodenstein! O, Hellendoorn! O, Schwarz! En nu - tot slot van al die sloten - dit nog:

‘En vast verzekerd van den kostbaren geschiedkundigen kern der Evangeliën...

Ei... vast verzekerd? En niet gelooven toch?... Maar, genoeg kommentaar. Men leze dit slot van de VIIIe preek aandachtig, en vergelyke den toon, den klank, den galm, het dialekt van Kanaän dat we daarin waarnemen, met de voorgewende moderne verlichtheid van onzen preekheer, of wel - dit komt over-een uit - men vergelyke z'n wetenschap ‘welker vuur al dat hout, en al die stoppels der oude theologie verteerd heeft’ met de onverteerde en onverteerbare stoppels die hy hier z'n gemeente meê naar-huis geeft:

‘En vast verzekerd van den kostbaren, geschiedkundigen kern der Evangeliën, en onder den doorzigtigen sluijer der overlevering, den waren Jezus van Galilea en Jeruzalem, den bode van Gods vaderliefde, den Heiland van armen en zondaren, den stichter der ware Godsdienst, den lijder vol heerlijkheid erkennende, buigen wij onze knie eerbiedig, voor dien Gekruisten Koning der menschheid. Van Hem gelooven wij al wat goed is. Aan Hem kennen wij toe al wat verheven is. In Hem aanschouwen wij het ideaal van ons eigen leven, en dien oversten Leidsman tot zaligheid, dien Voleinder des geloofs, met innige liefde aanhangende, zeggen wij met de drie eerste Evangeliën: deze Jezus is de Christus, de Zaligmaker der wereld! En met het vierde: Hij is het Licht der wereld, het Brood des Levens, de Goede Herder, de Ware Wijnstok, de Deur der Schapen, de Weg, de Waarheid en het Leven, ja de Zoon van God, en de Opstanding en het Leven der menschheid.’

Zóó staat er... oef! Ik vraag verlof tot ademhalen.

Het einde van elke preêk alzoo, en de teksten van die preêken zyn Kanaanitisch. Dàt wilde ik aantoonen.

En nu keer ik my tot den welmeenenden leek die zoo gaarne wilde blyven gelooven aan de mogelykheid van oprechtheid, en vraag hem of dit kàn worden toegeschreven aan toeval? Of 't een toeval wezen kan, dat de kop en de staart overal moeten worden gerangschikt onder de rubriek: kool, en dat er slechts een gedeelte van 't overige gegeven wordt aan 't arme geitje?

Zonder talent is Zaalberg niet. Hy bezit altans het talent der klanken. Ik bedoel hiermeê niet, dat ik al z'n klanken even mooi vinden zou. Dit zy verre. Maar er zyn blyken genoeg dat onze preêker, die 't onzichtbaar koninkryk der Hemelen laat ruiken door de geloovigen, dat koninkryk zou doen vinden op 't geluid af, als hèm de taak ware te-beurt gevallen, burgers, boeren, en buitenluî binnen te roepen. Zoo heeft ieder z'n specialiteit, en ieder kiest een byzonder zintuig tot bondgenoot in 't geven van den indruk die later gelden moet als opinie. (267)

Nu is de theologiae doctor Zaalberg voldoend geschoold om den schoolregel te kennen - ditmaal trouwens gebazeerd op de Natuur - dat het zwaartepunt eener verhandeling, van een betoog, of van 'n preek, behoort te liggen: in het slot. Daarin vat men te-zamen, men resumeert de denkbeelden die men wenschte te verbreiden, de overtuiging welke men in anderen trachtte overtegieten.

Men kan de natuurlyke toepassing van dezen regel vinden by elke gelegenheid waar iets betoogd, beweerd of bewezen wordt. In de wiskunde - de schoone logika met cyfers en lynen, de plastiek der waarheid - is altyd het ‘quod demonstrandum erat’ de zegenspraak waarmeê de bevredigde waarheidzoeker de kerk van 't gezond verstand verlaat. [22]

Wat is nu by Zaalberg de thesis? Welk denkbeeld vervulde hem by 't zestienvoudig ‘optreden?’ Van welken aard was de gloed die hem verteerde? 

Die thesis, dat hoofddenkbeeld, die gloed was: ongeloovig, kritisch, skeptiek, modern...

Indien een vriend hem gevraagd had: wat gaat ge doen? zou hy, onvoorbereid moetende antwoorden, gezegd hebben: ‘ik ga hun vertellen dat die oude sprookjes ònwaar zyn.’ Ja, zelfs voorbereid, hy zegt dit in z'n preêken.

Die aandrift beheerschte Zaalberg, en volgens de wetten der Natuur - ditmaal tevens de regelen der School - had hy telkens z'n gemeente moeten laten vertrekken, onder den indruk van ontevredenheid met vorige leer.

Dit doet hy niet! En ik vraag u, of er dus niet studie ligt - 'n leelyke studie! - in dat overmatig bezalven van de staartjes zyner preeken?

Ja... en van de koppen ook. Tekst en slot zyn overal onmodern. De arme leek die 't verstand heeft in z'n ooren, komt tevreden thuis, en zegt aan vrienden en buren: ‘Die domine Zaalberg is zoo slecht niet als ze zeggen, want hy heeft gesproken van Immanuel, van Ikabod, van Christus-Jezus, den Zoon van God, van goede herders, van ware wynstokken en van schapendeuren... precies als 't behoort in 'n fatsoenlyke preek. De man is belasterd.’

Ik bewys niet gaarne. Liever wek ik op tot onderzoek en nadenken, opdat ieder-zelf de bewyzen vinde. Ik geef u na al het opgemerkte in overweging de preeken van domine Z. te toetsen aan wat ik zeide, en ben overtuigd dat gy, als ik, de vermoeienis van dien Sybariet zult leeren kennen.

En nu de martelary van domine Zaalberg! Heeft de man z'n overtuiging geboet met armoede? Heeft-i vrouw en kind zien hongeren, omdat hy waarheid verkondigde? Is-i gesteenigd, verbrand, gevierendeeld?

O Zaalberg, ge kunt nog langen tyd moderne liederen zingen op kanaänitische melodie, voor gy weten zult wat het zeggen wil, overgeleverd te zyn aan 't geloofsgericht der Nederlandsche Droogstoppels! Zelfs 't weinige dat Jezus leed, en Huss, en zoo vélen die maar stierven, hebt ge niet ondervonden. [23] Gy haalt Huss aan, gy spreekt van Galileï als om de gemeente optewekken tot medegevoel voor uw leed, als om te wyzen op den moed dien hy noodig had, om... niet de waarheid te zeggen. Tot het ondergaan uwer kansen op marteling, o Zaalberg, leende ik zonder angst m'n kleinen Max uit, als ik maar zeker was dat ik hem weêrkreeg zonder zalf, zalving, bezalving, zalvery... hoe het heet?

En dan uw nuffig désavoueeren en neus-optrekken by 't aanhalen der mannen van den Dageraad!

O Zaalberg, onder deze mannen zyn er, die ten-koste hunner dierbaarste belangen - hoort ge! - waarheid verkondigden, lang voor gy school gingt, en toen ge nog niet eenmaal op 't denkbeeld waart gekomen, dat er andere waarheid bestond, dan die ge - tot ‘nà den broek over 't buisje’ - te leen kreegt van uw baker!

En moogt ge nu, inziende dat er verandering zal komen in ‘den geest die ons regeert,’ moogt ge nu de vonkjes die gy slaat, doen voorkomen als flambouwen? De takjes die ge aandraagt, als een woud? De kleine dagtaak die ge verricht hebt, als een levensarbeid? Uw kinderwimpeltje, als een legervaan? Uw onmoedig laf geschipper, als heldhaftigheid?

Moogt ge uw twee linker-handschoenen uitventen als 'n paar? (2)

Moogt gy steenkool mengen onder uw theologie, om deze te doen gelyken op wetenschap? Ikaboddery en hemelsche schapedeuren onder uw wetenschap, om ze te doen lyken op geloof?

En vooral, moogt ge u aanstellen als-of gy de banier der Waarheid opstaakt, gy, in dienst en soldy der Kerk, gy die met vleermuizige voorzichtigheid uw heil zoekt juist by de grootste vyandin van het Ware, by Halfheid? (140 volgg. 179, 271, 276)

Moogt gy dat alles?

Gyzelf lokt uit tot beslissing dier vragen. Als wist ge, dat hierin 't criterium ligt uwer officiëele dominees-eerlykheid, legt ge uzelf - en ons - de formule voor, die wy nog-eens, als de eenvoudigste vorm waarin de kwestie kan worden voorgesteld, herhalen:

Ge vraagt telkens: ‘ben ik geen geloovige, omdat ik niet geloof... dàt... dàt... en dàt?’ (Preek II.)

Dáárop, en op al de vragen die ik stelde zoo-even, is maar één antwoord mogelyk: Neen!

Dit eenvoudige neen is uw vonnis o, Zaalberg. En tevens is 't een antwoord op den brief van onzen welwillenden leek.  *


 *  De heer Schwartz trachtte gelyk z'n plicht was de Joden te Amsterdam te bekeeren. Een jodenknaap van zyn kant overdreef z'n plicht, en trachtte den straatprediker met een dolk te vermoorden.
Eenigen tyd daarna werd de heer Schwartz tot predikant te Londen beroepen. Daarvan sprekende, zeg ik ergens: hy nam die beroeping aan, waarschynlyk gedreven door den geest Gods en... door verhooging van tractement. Deze uitdrukking schynt in-stryd met de hoogachting welke ik erken schuldig te zyn aan iemand die in levensgevaar verkondigt wat hy voor waar houdt. Myn oordeel daarover blykt voldoende uit blz. 137 vlgg. III, octavo uitgaaf.
Hoe die plichtsvervulling van den heer Schwartz te rymen is met het courtiseeren van den mammon, moge hyzelf verantwoorden. Juist na dien moord-aanslag immers, bleek er meer dan ooit, dat de Joden te Amsterdam behoefte hadden aan 't Evangelium dat alle zedelyke kwalen geneest. Een waarheid is 't, dat by 't verplaatsen van dominees, slechts zeer zelden de Geest Gods de voorkeur geeft aan vermindering van tractement, iets wat my, met het oog op de volslagen onwaarde vals aardsch slyk, allerzonderlingst voorkomt. (1872).
 
 †  De heer Schwartz is namelyk van geboorte een Israëliet. (1872)

 *  Van hun standpunt zeer terecht. In dit voetstoots veroordeelen van andersdenkenden ligt juist het raison d'être van de orthodoxie, en tevens is dit een criterium van hare oprechtheid. Een rechtzinnige die my iets minder toewenscht dan de hel, is 'n ellendeling. Wie in 't bezit is van rechtstreeksche - lieve lezer, vroeger schreef ik regtstreekse, zie me nu die orthodoxe spelling eens aan! - wie direkte berichten van God ontvangt, moet zich houden aan z'n lastgever. Schipperen, modderen, transigeeren, is kwade trouw jegens z'n principaal. Leven de orthodoxen!
Of liever, weg met hen! Want zie, ook zy, de Hervormers der XVIe eeuw, wierpen wat weg en hielden wat aan, ook zy speelden in hun tyd de moderniseerings-komedie. Leven de katholieken!
Of liever, weg met hen! Want zie, ook zy geneeren zich niet om nu-en-dan naar bevind van zaken wat te geven en te nemen, niet zonder ietwat voorkeur voor 't laatste...
Weg alzoo met de goddienery, en leve het gezond verstand! (1872) [24]

 *  Wel zeker! waartoe zou eene openbaring dienen, als men daarna nog in twyfel bleef? (1872)
 
*  De mieux en mieux! Al dat ‘afkeurend uitlaten’ is vice versa volkomen gegrond, en dit is een natuurlyk gevolg van 't wederzydsche geschipper. Geopenbaarde zaken behoorden onwederlegbaar duidelyk... geopenbaard te zyn. Het legio meeningen en opvattingen bewyst doodeenvoudig dat er niets geopenbaard is. (1872)
 
 §  Dit blyft slechts waar, zoolang de liberaal niet... liberaal is, niet inderdaad vryzinnig. Dat het standpunt van iemand die leugens halveert om ze tot waarheid te maken, niet gemakkelyk is, spreekt vanzelf. Halfheid leidt tot valsche positie. (1872)
 
 *  Hier moet ik den welmeenenden leek tegenspreken. De zoogenaamd-liberalen hebben zich zeer orthodoxelyk een officieel erkend plaatsje weten te veroveren, en beginnen ook in finantiëelen invloed met de ouwerwetsche staats- en fatsoenskerk te wedyveren. Er is te voorzien dat zy weldra voor-goed op 't kussen zullen komen. Niet de modernen worden door de officiëele wereld in den ban gedaan, het zyn slechts de radicale vrydenkers die niet ongesmaad met hun gevoelens voor den dag kunnen komen. (1872)
 
 †  De welmeenende leek is hier in schynbare tegenspraak met zichzelf, daar hy in de vorige alinea juist de allerlaagste klasse 't meest orthodox noemt. Er bestaat misschien hier onnauwkeurigheid in de uitdrukkingen, doch wáár is het dat de steil-bybelsche rechtzinnigheid zoowel in de hoogste standen als by het grauw in eere is. Wat daartusschen ligt, is gewoonlyk uit den moderne. Ik heb daarop menigmaal gewezen, byv. in het slot van 521. (1872)

 *  Precies m'n idee! Doch juist daarom moet die goede trouw onderzocht worden. En dat doe ik in 't volgend stuk. (1872)

 * Met verwyzing naar de noot op blz. 151, trek ik deze woorden in. De orthodoxen mógen geen genoegen nemen met modieuse verandering. Sit ut est, aut non sit! (1872)

 *  Ik zeg daarover iets in de Millioenen-Studien.

* Wie de aanmerking maken mocht, dat ik in dit stuk slechts de onoprechtheid der moderne begrippen van domine Zaalberg heb aangetoond, en niet die der moderne richting in het algemeen, passe myne wyze van behandeling op andere studie-exemplaren toe. Ik ben overtuigd dat men overal tot dezelfde slotsom zal geraken. Dat ik Zaalberg liet poseeren, geschiedde omdat hy een der meest geruchtmakende apostelen van 't nieuwe theologische snufje geweest is. Ook Meyboom wordt door sommigen op den voorgrond geplaatst. Dezen bedacht ik met 'n paar woorden in 271 en 435. Inconsequentien als die van Renan behandelde ik in 139, 140, 141, 142. Zie bovendien over dezen kunstemaker, de noot by 482. Dat die man opgang maakt in 't onwetende Frankryk - waar de vodjes van Dumas fils worden aangenomen als wysgeerige orakelspreuken - laat zich begrypen - maar dat ook elders, in Duitschland en in Holland, sommigen zich tevreden toonen met zulk geknoei... 't is ergerlyk! Men voelt zich verlegen met z'n brood, in landen waar zulke pasteitjes aftrek vinden. (1872)


[1] "Reeds in 131 heb ik gezegd, zoodra mogelyk alle buitenissigheden te willen laten rusten."

Hier begint weer een lang idee. Na lange ideen over de positie van de vrouw en i.h.b. de ongehuwde moeder, de toestand van de Nederlandse maatschappij, en de kwaliteiten van leidende Nederlandse politici is dit er één over de godsdienst en de menselijke - intellectuele, morele, artistieke - kwaliteiten van predikanten.

Zoals M. zelf aangeeft - "(138, 414 - 437)" - is dit bepaald niet z'n eerste idee tegen de godsdienst of tegen de predikanten, priesters en dominees. Hij vond het nodig omdat hij de godsdienst zag als één van de voornaamste vijanden van een goede samenleving en bovendien als kwalijke onzin. Vandaar zijn term "buitenissigheden".

Ik ben het met M.'s kritiek op de godsdienst eens, afgezien van wat kleine puntjes van kritiek hier en daar, en ook ik ben een atheïst. Mijn redenen zijn ook soortgelijk, en komen kort gezegd hier op neer.

Wie nooit van een olifant, giraffe of nijlpaard heeft gehoord en in Nederland is opgegroeid, zal waarschijnlijk geneigd zijn wanneer hij beschrijvingen van dergelijke dieren hoort ze op één hoop te gooien met griffioenen en zeemeerminnen: Fabeldieren, meneer! Daar staat tegenover dat wie tegenover zo'n dier staat al z'n ongeloof moet verliezen. Nu, ik heb evidente fabels gehoord over een almachtig alwetend oneindig goed wezen dat alles gemaakt zou hebben, en moet konkluderen dat zelfs als de fabels waarheid bevatten ze ook veel onwaarheden bevatten, terwijl dat almachtige alwetende oneindige goede wezen nooit de vriendelijkheid of behoorlijkheid had enige glimp van empirisch bewijs voor z'n bestaan te geven - aan mij, die gezocht, gelezen en gedacht heeft.

Exit god, godsdienst, en exit priesters en predikanten, wat mij betreft en wat Multatuli betreft (zie zijn "Gebed van de onwetende"). Maar de grote meerderheid van de mensen gelooft in een god, zelfs als ze niet kerkelijk zijn: Anno 2002 verklaart maar 5 a 7% van de volwassen Nederlanders desgevraagd atheïst te zijn. En toch kan hun relevante kennis - van filosofie, wetenschap, theologie wat mij betreft - in vrijwel alle gevallen nihil geacht worden, zodat het kennelijk een kwestie van verstand is.

Daarbij komt dat de ware gelover héél anders in elkaar steekt dan Multatuli of dan ik. Hier is een toepasselijk citaat van de katholieke heilige St. Bernard van Clairveaux. Ik citeer uit "The Western Mystical Tradition", ed. Katsaros and Kaplan, p. 196):

"I say with confidence that the blessed and Eternal Trinity, which I do not understand, I believe in, and thus hold by faith that which I do not grasp with the understanding."

Of zoals een eerdere kerkvader dit uitdrukte: "Credo quia absurdum" = "ik geloof het omdat het absurd is" (met als onderliggende overweging: Was het niet absurd dan had ik geen geloof nodig).

Hoe het zij: Dit vaste vertrouwen op iets onbegrijpelijks is het intellectuele fundament van zeer slimme religieuze voorgangers - en van zeer talrijke brandstapels, martelingen en vervolgingen, van mensen die niet vonden dat ze absurditeiten moesten geloven of zich niet konden brengen tot het "hold by faith that which I do not grasp with the understanding." 

Multatuli en voor mij komen dergelijke stellingsnames kwalijk absurd voor en zowel evidente wensdenkerij als onwaarachtig en als volkomen krankzinnige of kwaadwillige redenen andersdenkenden te vervolgen vanwege hun anders denken. Immers: U bent geheel vrij om uw eigen onbegrepen en onbegrijpelijke ficties te koesteren en behoort dit recht te hebben, en dat niet omdat u gelijk zou hebben maar omdat zeer veel dat menselijk en goed is geïnspireerd is door dwaling. Maar waar uw geloof feitelijk neerkomt op het willen martelen of vermoorden van andersdenkenden verdient u opgesloten te worden als gestoord.


[2] "Wèl is 't zeker dat eenmaal de strijd over de ware natuur van Jezus, belachelyk zal voorkomen, pennewipperig en lapsiaansch".

Ik betwijfel het, althans zolang het gemiddelde menselijke intellectuele niveau is wat het de laatste 25 eeuwen kennelijk was. Zoals ik opmerk in de vorige noot: Anno 2002 zijn er in Nederland ca. 5% van de volwassenen atheïst. De rest verkiest iets te geloven dat de meerderheid van de mensen als een niet door hen geloofde vorm van godsdienstwaanzin moet voorkomen, en doet dat in de zeer grote meerderheid van de gevallen niet op basis van kennis maar van emotie.


[3] "Wy menschen verwaarloozen tyd, kracht, alle waarde, om 't nasporen der eigenschappen van niets."

Ja, daar komt het op neer, ook volgens de gelovers van andere geloven, want de grote meerderheid der gelovers zweert bij het eigen geloof en houdt de andere voor vals.

Trouwens, voor wie scherpzinnig is: De wetenschap jaagt ook allerlei dromen en illusies na, inderdaad. Maar met dit verschil dat het onderwerp van de wetenschap, zeg: Hoe werkt de werkelijkheid? inderdaad handtastelijk bestaat, en het onderwerp van de theologie puur fictie is, en door theologen gepresenteerd wordt als onkenbaar en onbegrijpelijk, en alleen vatbaar voor mensen door evident onzinnige aannames te maken (al dan niet bedreigd door waarachtige gelovers met martelkamers, brandstapels en overige instrumenten des geloofs).


[4] "door uw liederlyk onderricht in onanie van de ziel."

Het door M. in de voorgaande alinea's gestelde is niet geheel consistent, o.a. omdat "Menschheid" ook predikanten en priesters omvat. Dat verder daargelaten: Een uitdrukking als de hier geciteerde toont weer eens aan hoe bijzonder scherp M. durfde te schrijven anno 1865, want wie zich anno 2002 op deze wijze tot Neerlandse politieke of religieuze voorgangers zou richten zou vanwege z'n taalgebruik in moeilijkheden komen. De Here Jezus mocht vrijmoedig van "adderengebroedsel" spreken, maar wie 'm dat nadoet krijgt problemen in christelijke naties als de Neerlandse.


[5] "hy heeft die preciesheid uitgebakken in zestien taartjes"

Dit slaat op het vorige idee.


[6] "daar er 's jaars ƒ 24,000,000 aan jenever worden uitgegeven"

Dit is een interessant gegeven in verband met idee 451.


[7] "Maar gelooven U. welEerw. in gemoede, dat het eeuwige geluk of ongeluk van eenen mensch afhankelijk is van zijn opvatting, van verwerping of aannemen van leerstellingen? Ik acht ieder even hoog, onverschillig hoe hij over erfzonde, verzoening, of voldoening door het bloed des kruises, de drieëenheid, de sacramenten, enz. denkt, mits: hij blijke ter goeder trouw te zijn."

Dit klinkt behoorlijk Multatuliaans. Maar ik ben het er niet mee eens: Veel mensen hebben geheel ter goeder trouw bijzonder schadelijke ideeën gepraktiseerd, in ieder geval ten koste van anderen en vaak ten koste van zichzelf.


[8] "Gij zult op elk wetenschappelijk gebied, iederen mensch het regt toekennen, ons door eigen onderzoek naar de waarheid te trachten, en zelfstandig te zijn. Maar op kerkelijk, of liever theologisch gebied wilt gij de reden gevangen nemen, onder het geloof. Dat is: ieders geest is vrij op elk gebied, maar op godsdienstig gebied moest ieders geest zich bukken onder het gewigt der objectieve waarheid, die wij verkondigen, en die wij alleen bezitten.’ "

Zo gaat dat en dit is wat totalitair is: "moest ieders geest zich bukken onder het gewigt der objectieve waarheid, die wij verkondigen, en die wij alleen bezitten."


[9] "Hebt God lief boven alles, en den naaste als uzelven."

Dit is geen bijzonder geschikte instructie om geluk mee te verwerven of goed mee te doen. Immers: God is een onbegrijpelijk mysterie of een fictie, en het de naaste lief hebben als u zelf is maar weinigen en gegeven, en ook dat maar af en toe, en voor enkelen, en meestal met nogal wat voorbehoud, dat vaak terecht blijkt, was het alleen omdat wederkerigheid en rechtvaardigheid werkelijk moeilijk zijn. 


[10] "Misschien zyn er onder de ‘modernen’ - wat 'n woord! - die ter-goeder-trouw hun weg gaan, in de meening dat die weg leidt tot waarheid."

Maar het dilemma blijft: Gezien de vele absurditeiten, inconsistenties, onwaarheden en wensgedachten die ze uitdragen zijn het ofwel eerlijke maar domme en schadelijke mensen ofwel oneerlijke slimme en schadelijke mensen. Want wie wanbegrippen uitdraagt als waarheid misleidt en schaadt.


[11] "Want: geloof in 't goede, is goed. Vertrouwen op adel, is adel. Streven naar waarheid, is waarheid."

Dit is te vatten als voorbeelden van 'Weeg daden naar bedoelingen en vermogens', maar is onvoldoende. Alleen goede bedoelingen, zelfs gepaard met het vermogen er naar te handelen, is niet genoeg.


[12] "Verder dan dát, kunnen wy 't niet brengen. (1)"

Nee, dit is ook niet zo: Zie mijn commentaar bij 1. Wat wel waar is (!) en bovendien belangrijk is het tegengaan van totalitairisme (zie [8]).

Eén manier om dit kort en helder te formuleren, zonder zich te verstrikken in allerlei kennistheoretische problemen is: Iedereen behoort het recht te hebben zijn eigen mening uit te dragen - zodat iedereen het recht behoort te hebben de mening van een ander af te wijzen, met argumenten te bestrijden, en belachelijk te maken.

En een manier om een deel uit te drukken van waar M. hier en in 1 op doelt is: Alle gedachte waarheid is deel van een context van veronderstellingen. Deze stelsels van aannames waarbinnen gedachte waarheden functioneren geven ze een betekenis en een kleur - zelfs als de waarheden eenvoudige makkelijk te verifiëren feiten zijn. Bovendien:

Er zijn zowel verifieerbare feiten als empirisch testbare theorieën. Het voert te ver het verschil tussen deze twee volledig te verhelderen, maar kortweg: Er zijn beweringen waarvoor bekende procedures zijn waarmee vastgesteld kan worden - voor en door iedereen die de procedures kent en begrijpt - of de beweringen waar of onwaar zijn. De beweringen die in deze zin waar zijn betreffen verifieerbare feiten en het toepassen van dergelijke procedures om de waarheid of onwaarheid van een bewering vast te stellen heet empirisch testen van een bewering. En er zijn stelsels van beweringen die méér impliceren dan alleen op enig moment verifieerbare feiten, die overigens voor zover bekend en empirisch getest alleen verifieerbare feiten impliceren en daarnaast gewoonlijk allerlei beweringen over toekomst en verleden en beweringen over structuren impliceren, die niet (volledig) empirisch getest kunnen worden, en getest moeten worden via hun logische implicaties. De beweringen die in deze zin testbaar zijn vormen empirisch testbare theorieën.

Daarbij: Alle empirische kennis is onvolledig. Want volledige kennis van het hele universum, in al z'n aspecten en vormen en in volledig detail is voor een menselijk brein onmogelijk. Daar staat echter tegenover: Partiële kennis van zeer veel zaken en structuren is heel wel mogelijk voor een menselijk brein en succesvolle partiële kennis kan worden uitgedrukt door technologische toepassingen ervan, die mensen helpen hun wensen te bevredigen.

Wie hier meer van wil weten - en het betreft de logische fundamenten van de menselijke kennis - verwijs ik naar de logica sectie van mijn website. En het verdient opgemerkt te worden dat de kennis van deze logische fundamenten ook een deel vormen van zowel de redenen als het fundament van een rechtsstaat.


[13] "Het stoppen aan de station: waarheid, zou die waarheid terstond doen veranderen in leugen. Want ophouden van beweging is dood, en dus onmogelyk, ongerymd, onwaar, juist omdat het zyn uit beweging bestaat, beweging is."

Hier wordt wat is verward met kennis van wat is. Zoals kort uiteengezet in [12] zijn er wel degelijk verifieerbare feiten, geverifieerde onwaarheden, en meer of minder waarschijnlijke theorieën, waar de waarschijnlijkheid afhangt van de waarschijnlijkheden van door de theorieën geïmpliceerde beweringen.

Wie hier meer van wil weten verwijs ik naar de logica sectie van mijn website.


[14] "Misschien zal, na dat onderzoek, deze en gene liever op eigen beenen wandelen - wat ik trouwens aanraad in elk geval, ook op ander terrein".

Ik ook, maar ik ben niet blind voor het feit dat de meeste mensen, als sociale dieren, geboren volgelingen zijn.


[15] "Er zouden veel schoone gedachten zyn uitte-drukken met de letters die nu in elk boek zeer overcompletelyk de plaats innemen van gedachten."

Dit is ongetwijfeld waar. In dit verband, hoewel zeer terzijde: De Joden en Arabieren schrijven hun talen zonder klinkers - n t blkt dt dt n t ndrlnds gwnlk k mkklk gt zndr tt vl msvrstndn t ldn. Op de HBS schreef ik diktaten (als dit kon) voor het gemak met strepen voor klinkers, dus -n h-t bl-kt d-t d-t -n t n-d-rl-nds g-w-nl-k g-t z-nd-r t-t v-l m-sv-rst-nd-n t- l-d-n. Dit ging namelijk veel sneller.


[16] 'Want dat stichtelijk gebruik des bijbels zal voortduren, zoolang er godsdienst op aarde is: zelf reik ik immers daartoe den bijbel aan de armen uit...'  Arme armen!

Wie wil weten hoe arm de arme armen in die tijd waren beschouwe het budget van Klaas Ris. En Ris had werk!


[17] "De geit klaagt dat de domine zich 'n eeuw of wat vergist... misschien, ja waarschynlyk: millioenen eeuwen. "

De Engelse bisschop Usher rekende rond 1600 aan de hand van de bijbel uit dat God's schepping had plaats gevonden op 4 october 4004 voor Christus. Of hij ook wist te berekenen op welk uur weet ik niet.


[18] "Precies als: ‘God weet het’ beduidt: niemand weet het. ‘God alleen kan helpen:’ er is geen hulp."

Daar komt het inderdaad gewoonlijk op neer.


 [19] "Ik vraag: waartoe dienen die, en zulke teksten uit den bybel waaraan men niet gelooft? Want, voor de laatste maal, dat stáát er! "

Het antwoord van de dominees dat in de 20ste eeuw ad nauseam werd uitgespannen was: Dat zijn metaforen. Wat je niet letterlijk kunt nemen noem je overdrachtelijk en verzint er een interpretatie bij.


[20] "Ook m'n bakerpreêk kan gevoegelyk dienen als vervolg."

Deze is te vinden in 393, waar ook moderne Neerlandse opperwawelaar Oosterhuis wordt besproken.


[21] "De man gelooft niet, maar zoodra er spraak is van een ‘olyfberg’ - een klinkend woord - van 'n geloof berg met olyven alzoo, verandert de zaak. "

De olijven herinneren weer aan Oosterhuis: 393. Het hele femelende Zaalberg proza trouwens, al was Zaalberg's Nederlands beter. Zelfs femelaars en wawelaars hebben een stijl.


[22] "het ‘quod demonstrandum erat"

ken ik alleen in de vorm "quod erat demonstrandum" (al doet de woordvolgorde er nauwelijks toe in het Latijn).


[23] "Zelfs 't weinige dat Jezus leed, en Huss, en zoo vélen die maar stierven, hebt ge niet ondervonden."

Wat is weinig? Hus - Tsjechisch religieus hervormer - werd levend verbrand.


[24] "Weg alzoo met de goddienery, en leve het gezond verstand!"

Dit is natuurlijk de kern van de zaak. Ik prijs de Heer dat Hij mij - als Hij bestaat, wat ik niet geloof - een atheïstische opvoeding gaf en een helder verstand. Het valt mij ook erg moeilijk theologisch proza als van Zaalberg serieus te nemen en erg moeilijk te geloven dat wie dit uitdroeg werkelijk geloofde wat hij zei. Dit laatste is ongetwijfeld een tekortkoming want er zijn intelligente waarachtige gelovers geweest (Augustinus, Aquinas, Pascal om me te beperken tot een drietal dat ik werkelijk gelezen heb). Ik kan dat alleen verklaren door hun godsdienstige opvoeding. Vandaar mijn blijdschap dat deze mij bespaard is gebleven.

Idee 454