Idee 451                                                

 

O, er zyn veel voogden - en ouders! - die verdienen zouden te recht te staan voor de chambre ardente te Zwol. Hoe zou 't de regeering van den Nederlandschen Staat maken, als zy eens werd opgeroepen zich te zuiveren van den blaam dat ze schuldig is aan verwaarloozing en mishandeling van pupillen en stiefkinderen?

Om nu niet te spreken van Indië, hoe is 't gesteld met z'n eigen kind, met het Nederlandsche Volk? [1]

Dit willen we eens nagaan, en als handleiding daartoe, acht ik 't goed hier een brief te publiceeren, dien ik voor weinig maanden schreef, en waarop me byval ten-deel viel. 't Zal misschien nuttig wezen dien byval optewekken in grooter kring, opdat er kracht ontsta door vereeniging.  

Den Haag, 19 Januari 1864. *) [2]

Amice! Wy hebben meermalen, en vooral in den laatsten tyd, al pratende ons bezig gehouden met de publieke zaak. Dat praten is spreken geworden, en uit dat spreken is zekere stemming voortgevloeid, die ons dringt verder te gaan, en 't niet te laten blyven by spreken. Handelen dus, werkzaam zyn, iets doen, dat is de aandrift die sedert weken en maanden ons vervult, en meermalen stuiten we alleen op de vraag: hoe? Als 't waar is, dat alle beginselen moeielyk zyn, dan verklaar ik dezen brief voor een moeielyk werk, want myn voornemen is hem te maken tot punt van uitgang, altans dit te beproeven. Ik zal schryven zonder veel inspanning - opmerking en studie is 't schryven voorafgegaan - losweg en als pratende, met dit verschil alleen tusschen myn tegenwoordig schryven en vroeger gesprek, dat het u mogelyk wordt door het meêdeelen van deze blaadjes, dezen en genen deelgenoot te maken van onze inzichten. En daarom noem ik dit schryven een punt van uitgang, wyl het u in de gelegenheid zal stellen te onderzoeken, of wy dan zoo geheel alleen staan met onze meening: [3]

I. Dat er aan 't welzyn des Volks veel ontbreekt.
II. Dat dit voor een groot deel is toeteschryven aan verkeerdheden in de Staatsinrichting.

Na deze beide punten te hebben behandeld, wil ik my bezighouden met het onderzoeken van de vraag: welke middelen daartoe zouden moeten aangewend worden.  *   Doch ik herhaal hier dat dit schryven inderdaad het eerste middel is. Gelukt het u namelyk, door 't meêdeelen van deze bladzyden, sommigen te bewegen tot aansluiting aan onze voornemens, dan volgt de verdere loop der zaak vanzelf. Zoo niet, dan is 't moeielyker. Want publiciteit is... kracht, ja, maar kracht voor de toekomst alleen. Publiek is niemand. Publiek gelooft, neemt aan, juicht toe of verwerpt, beschimpt en verdoemt... maar: toegejuicht of veroordeeld, men blyft even ver als vóór Publiek's meening.  †   [4]

Eén persoon die uit hartelijke overtuiging steunt of tegenwerkt, weegt zwaarder in de schaal die overslaat naar slagen of mislukken, dan 't gemiddelde van al de stemmen die elkaêr vice-versa vernietigen. Wanneer het u of my gelukte eenige personen byeen te brengen, die ernstig het goede willen, is er meer gewonnen dan by algemeene toejuiching, die krachteloos wordt juist dóór hare algemeenheid.

Ik wil een voorbeeld aanhalen van die onmacht der publieke opinie, in tegenoverstelling van de macht die kan worden uitgeoefend door een individu.

Stel u voor, dat ge een accoord hadt gemaakt met 'n koetsier, om u te vervoeren van Arnhem naar Amsterdam. Ge betaalt hem vooruit. Naby Utrecht blyft hy staan met z'n rytuig. Waarom, doet nu niet ter zake: hy wil dat zoo. Hy bekommert er zich niet om, of gy haast hebt, of 't u onaangenaam is, langer dan noodig te vertoeven in z'n rytuig, hy heeft in zyn belang, of vermeend belang, zich 't recht aangematigd u te doen wachten. Naby Amsterdam vertoont-i dezelfde komedie nog-eens, en arrogeert zich zelfs 't recht u optesluiten in z'n wagen, zoolang hy verkiest.

Welk individu zou zich zoo'n behandeling laten welgevallen? Niemand!

Nu, 't ‘Publiek’ wèl. De Rynspoor-directie, steunende op die onmacht van 't Publiek, op de zwakte der algemeenheid, durft te doen, wat niemand zich zou veroorloven omtrent 'n persoon, en waar ieder persoonlyk zich beklagen zou over den voerman die misbruik maakte van z'n koetsiersgezag, gaat de weêrzin van 't publiek krachteloos verloren in onnutten wrevel.

En als nu die onmacht blykt, zelfs dan wanneer al de leden eener verzameling gelaedeerde individuën samenstemmen in ontevredenheid - niemand zal beweren dat de bedoelde handeling van de Rynspoor-directie hem behaagt - hoeveel te-meer is dit dan het geval, waar de algemeenheid der goedkeuring van nieuwe denkbeelden, tegenstand uitlokt. Tegenstand uit eigenbelang, uit onkunde, uit vooroordeel, uit de verwaande begeerte tot het voeren van 'n eigen vlag. O, zal men misschien zeggen, de waarheid zal zegevieren, en wie anders wil overwinnen dan door haar, verdient die zegepraal niet. Dit is zoo. [5] De waarheid zal zegevieren, nadat de leugen tyd in overvloed heeft gehad, zich te verzadigen aan misbruik. Zeker zal er 'n tyd komen dat men met minachting neêrziet op den tegenwoordigen toestand, maar zy die daarvan voordeel trekken ten nadeele van 't algemeen, zullen niet meer citabel zyn voor de rechtbank die dàn uitspraak doen zal. Het baat den Javaan weinig, of men eenmaal de Nederlandsche overheersching zal afschetsen als 'n droogstoppelig Jezuïtisme. De weinigen die zich vetmestten ten-koste van de algemeene nationale eer, en met voorbyzien van de algemeene welvaart, hebben daardoor geen grein verloren van 't gewicht dat hun oneerlyke winst in de schaal legt van hun oneerlyk gezag. Het baat der Natie weinig, of reeds nu deze en gene inziet hoe ze wordt opgeofferd aan de goochelary van een zeer kleine clique zoogenaamde Staatsmannen. Die ‘staatsmannen’ plukken intusschen de vruchten van wat zy zaaiden, en de Natie levert daartoe geduldig bodem en bemesting.

Ja, zeker zal de waarheid zegevieren, zeker! Dat zeide ook gewis 'n enkele denker by 't zien verbranden van eene heks. Maar... 't arme oude vrouwtjen is verbrand.

En de ‘heeren van den gerichte’ dier dagen zyn rustig gestorven op hun bed.

I. Er ontbreekt veel aan het welzyn des Volks

Deze stelling laat zich gevoegelyk beschouwen uit drie gezichtspunten:

a.) Er ontbreekt veel aan den zedelyken toestand des Volks.
b
.) Er ontbreekt veel aan den verstandelyken toestand des Volks.
c.) Er ontbreekt veel aan den stoffelyken toestand des Volks.

a.) Moreel. Hoe is de toestand van publieke eerlykheid? De statistiek der rechtbanken toont aan, dat zoogenaamd-kleine gluipende lafhartige vergrypen toenemen. De misdaden waartoe energie, moed, vaste wil, vereischt worden, nemen af. Kindermoord is frequent, en men yst by 't denken aan het cyfer der vermoorde kinderen, als men 't onbekende afleidt uit het aantal der dagelyks blykende gevallen. Het vinden van kinderlykjes levert een welkom vulsel aan de couranten. En tevens bieden die kranten zelf, in hare annonces, 'n goede gelegenheid tot waarneming van 't peil der publieke zedelykheid. ‘Geen gryze haren meer.’ ‘Dit middel geneest nog iets meer dan alle kwalen.Wie dàt boek niet gelezen heeft, heeft niets gelezen.’ Enz. [6]

Men lette voorts op den toon van polemiek op staatkundig gebied, van controverse in 't godsdienstige. Niemand acht den tegenstander, en al zeer spoedig bemerkt men dat die wederzydsche minachting, of verachting, gegrond is.

Er behoort vervolgens ter schatting van de publieke zedelykheid te worden acht-gegeven op de wyze hoe 't meerendeel des Volks zich vermaakt. Arbeid is noodzaak, uitspanning keuze. Die keus geeft dus middelen aan-de-hand ter beoordeeling van zedelyke ontwikkeling of bekrompenheid. Dis-moi comment tu t'amuses, je te dirai qui tu es, zeg ik met wat verandering 't bekende spreekwoord na. [7] Het Volk spreekt niet, het wawelt of twist. Het zingt niet, het lolt. - 't Is me om 't even of ik grof schyn in de keus myner woorden, myn hoofddoel is waar te zyn, onverschillig of die waarheid ruw of liefelyk klinke. De zaken die ik behandel, zyn ook niet fyn. - Het Volk wandelt niet, het slendert. Het Volk vermaakt zich niet, het zoekt in luidruchtigheid, met of zonder opwinding door drank, een middel ter verdooving. Want de doorgaande, de normale toestand is:zorg. Ik zeg met voordacht: zorg, en niet: smart, omdat er tot het gevoelen van smart, zekere vatbaarheid voor fyner indrukken noodig wezen zou, die voor 'n groot deel verloren is gegaan, zelfs in die mate dat het oogenblikkelyk vergeten van de dagelyksche ellende, in de schatting der lyders rang heeft genomen van vermaak. [8]

Zeg my hoe ge u vermaakt, ik zal daaruit opmaken wie ge zyt.  *  

Ik weet dat het een fout is, uit op zichzelf staande feiten al te stoutmoedig te besluiten tot algemeene conclusien. Maar ook zou 't een fout wezen, niet te letten op schynbaar nietige voorvallen, waar we zoo dikwyls zien dat belangryke waarheden door onbeduidende verschynsels worden aan 't licht gebracht. [9] Ik herinner me by de behandeling van het thema: ‘de keus van vermaak, een kenteeken van den stand der beschaving’ eene opmerking die ik maakte by gelegenheid eener kermis te Amsterdam.

Men joelde, verdrong zich, en... maakte veel geluid. Dat geluidmaken bestond in 't vry vervelend herhalen van twee of drie maten zang. Om exact te zyn, mag ik niet zeggen dat men ‘liedjes’ zong. Het eentoonig geschreeuw bestond in ééne uitboezeming: de diepzinnige beschouwing der crinoline. Velen noemen het een ‘onzedelyk lied.’ Dit is myns inziens onjuist gezegd, in dien zin namelyk, dat de onzedelykheid niet zoozeer is gelegen in zekere zeer laffe toespeling op de geslachtsdeelen, als wel in de verwaarloozing van 't schoonheidsgevoel. Niemand is slecht omdat hy blyk geeft te weten hoe de mensch gevormd is, vrouw of man om 't even, maar wèl is 't een bewys van zedelyke verlaging, uitspanning te zoeken in 't onophoudelyk uitschreeuwen van dezelfde waarheid waarnaar niemand vraagt, en welker herhaling dus - op z'n zachtst gezegd - overbodig is.

Over 't algemeen bestaat er een groote afdwaling van de waarheid, in 't schatten der zedelykheid. De nauwte van ons landje en onzer woningen, de duurte der voedingsmiddelen, de moeite om ‘aan den kost te komen’... dit alles heeft veroorzaakt dat men by die schatting, te veel de geslachtsdrift wil te-pas brengen. (366) Als 't kleeding, brood en vleesch regende, zou dat gauw veranderen, en ons arm gemeen zou zeer spoedig uit zichzelf 't gros sel, van z'n liedjes flauw vinden.  *  [10]

Dat het gemeen, in afwachting van wat ruimte in spys en woning, nu grof en smakeloos is, stem ik toe. En misschien worden weinige ooren daardoor zoo onaangenaam aangedaan als de myne. Ik houd niet van grofheid, en voel dikwyls myn smaak gekwetst in heel andere gezelschappen, dan er zingend loopen op straat.

Maar ik maak verschil tusschen 't beleedigen van den smaak, en krenking van het hart. De straatliedjes noem ik vies en walgelyk. Het byblad van de Staatscourant noem ik slecht.

Naar myn gevoel - en ook naar myn gevoelen - is een minister of ander staatsdienaar, die rang, inkomen en macht aanneemt, zonder daarvoor terugtegeven eene evenredige hoeveelheid yver, kunde en goede trouw, oneindig dieper te verachten, dan personen die, uit armoed van ziel, zich schuldig-maken aan grove toespeling op 't geslachtsleven. 't Een is laf, plat, smakeloos. Het ander noem ik misdadig. [11]

Het klein gemeen vraagt en verdient genezing. Het groot gemeen moet gestraft worden, en zonder genade. Want het is geen geringe zaak een heel Volk te bederven. Dat 's wat erger dan 't zingen van domme liedjes. [12]

Nu, de kermistroep dacht niet aan byblad of ministers, en zong zulke liedjes. Men vermaakte zich, en ik wilde dat vermaak schatten, meten, wegen, beoordeelen. Ik werd in m'n studie geholpen door 'n schreeuwende bende die eensklaps ophield met het uitgalmen der natuurlyke historie van de crinoline, en bleef stilstaan voor 'n koffihuis.

Welk vreemd voorval was belangwekkend genoeg om 't vermaak aftebreken?

Voor het koffihuis stonden stoelen. Een heer zat daar, zeker als aanschouwer van de kermispret. Misschien waardeerde ook hy 't gehalte der vermaken, en zie: die heer had z'n hoed afgezet. Dit was alles.

‘Ei kyk, 'n heer zonder hoed! M'nheer, je zal koû vatten! M'nheer, kom hier, ik zal je toedekken!’ enz.

Het schandaal van iemand die 't waagde 'n oogenblik daar te zitten zonder hoed, was belangryk genoeg om het vermaak te vergeten, of liever dat grootere vermaak verdrong gedurende 'n paar minuten het kleinere. Wat moet men nu denken van de uitspanning der feestvierders over 't geheel, als er zoo weinig noodig was om de heele uitspanning te vergeten? En men meene niet dat deze opmerking op zichzelf staat. Noch dat ze niet thuishoort in de rubriek: toestand der zedelykheid. Ik herhaal dat men te veel gewoon is, by dat woord alleen te denken aan zaken die in betrekking staan tot het geslachtsleven. Ik heb daarover geheel andere begrippen dan de gewone, en trachtte myn meening kort en forsch te formuleeren door de uitdrukking: de eer van den mensch woont boven den navel. Doch al is men dit niet met my eens, al beweren sommigen - zeer ten-rechte misschien! - dat ik hunne eer een te hooge plaats aanwys, dit toch zal ieder moeten toestemmen, dat er geen grooter onzedelykheid kan bestaan, dan eene zoo ellendige armoede van ziel als men alöm by 't Volk kan waarnemen. Is onzedelykheid niet te vergelyken by ziekte? En is niet hy ziek, die uitgeput is, en zwak, en hongerend, en verslapt? Ligt er dus niet onzedelykheid in die totale absentie van wil, geest, gevoel, smaak? Is die leegte niet onzedelyk? O zeker, men zou den man niet gezond noemen, die leed aan eene gelyksoortige versterving van 't lichaam! Bloedarmoede, gebrek aan veerkracht in de spieren, uittering  *  , verval van lichaamskrachten, dit alles valt lichter waartenemen. Maar de ziel, die zedelyke werking van 't lichaam, zou verwaarloosd kunnen worden zonder gevaar? Dit is ongerymd. En ik noem de dwaling onzedelyk, die de zedelykheid alleen zoekt in dingen van meestal conventioneelen aard. Kracht van geest, energie, het scheppingsvermogen der gedachten, dat is niet conventioneel, dat behoort tot de dagelyksche gymnastie van den mensch. [13] Waar wy die gymnastie zoo in 't oogloopend zien verwaarloozen, zou 't misdadig wezen daarvan geen melding te maken, daarop niet te wyzen als een verontrustend verschynsel.

Ieder is by-machte het eenvoudig voorbeeld dat ik aanhaalde, te toetsen aan eigen ervaring. Het nietigst voorval op de straten geeft welkome aanleiding om de gedachten aftetrekken van de schrale werkelykheid. Een kip te-water is 'n schouwspel. Een eenigszins vreemd kleedingstuk levert stof tot gejoel. Een dronkeman geeft ware feestvreugde.

Wanneer nu sommigen mochten beweren, dat ik de laagte der zedelykheid ten-onrechte noteer op de peilschaal van 't vermaak, vraag ik of m'n opmerking niet ten-volle wordt bewaarheid, wanneer men 't oog slaat op schynbaar ernstiger zaken dan vermaak. Schynbaar... want: alles is in alles. Genot en vermaak zyn evenzeer integreerende deelen van 't mensch-zyn, als arbeid en inspanning. [14]

Wie kan ontkennen dat ons Volk laag is gezonken, als men let op den lammen toon die er heerscht in 't zieleleven, toegepast op zaken? Waar is ondernemingsgeest? Welke groote flinke dingen worden tot-stand gebracht? [15]

Zoo-even over vermaak sprekende, doelde ik voornamelyk op de zoogenaamd lagere klasse, schoon ook de hoogere stof genoeg zou leveren tot gelyksoortige opmerkingen. Waar van zaken kwestie is, mag men de veerkrachteloosheid van den groothandelaar niet afscheiden van de lamme mismoedigheid die den werkman kenschetst. Ik laat nu in 't midden, of handel alleen in-staat is eene natie te onderhouden, met wat zekerheid voor de toekomst, doch dit nu voorbygaande, welke handel dryft Nederland? De beide hoofdartikelen van den zoogenaamden Nederlandschen handel bestaan in koffi en suiker, en die handel zal ophouden, zoodra wy de tuinen missen, waarin wy die artikelen doen voortbrengen op zeer onzedelyke wys. [16] En, de onzedelykheid der manier van voortbrengen daargelaten, kan het handel heeten, dat kunstmatig makelaarschap tusschen 't consumeerend Europa, en den tot slaaf gemaakten Javaan? Er is inderdaad aan handel, aan wezenlyken handel, een zeer geniale zyde. Een der kenmerken van zulken handel, is het opwegen, in zekere mate, der kansen van winst door verlies. [17]  De verhouding tusschen die kansen - ik zeg niet de gelykheid, want dan zou 't dobbelen zyn - veroorzaakt zekere spanning, die moed, kracht, inzicht, kennis en energie vordert. Welke energie of kennis is er noodig tot het verschacheren van waren die men verkreeg tegen pryzen welke de kooper zelf vaststelde naar willekeur? Ben ik handelaar als ik me heer maak over 'n werkman, en hem dwing z'n werk aan my te leveren tegen een prys beneden de markt? Sluit dit niet alles buiten, wat handel zou maken tot iets geestverheffends? Moet niet hy die daarmeê zich hoofdzakelyk bezighoudt, vanzelf terugvallen in een zeer onzedelyke apathie?

Wees niet bevreesd voor de tegenwerping dat de materieele zyde alles domineert, dat men niet ver komt met sentimenteele politiek, want straks by 't behandelen van den stoffelyken toestand des Volks, zullen wy zien dat hier, gelyk veelal, zedelykheid - de ware - hand-aan-hand gaat met welvaart [18], en dat het voordeel van de weinige exploiteurs die zich handelaars noemen, in-geenendeele het voordeel is van de Natie. 't Zou dan ook wel heel ongelukkig wezen, als een Volk ontzenuwende handelingen noodig had om te blyven bestaan. Zoo'n volk mag uitsterven als de roodhuiden. [19]

Handel? Is de geestdoodende vrachtvaart van producten - zóó voortgebracht! - handel? De overgroote meerderheid onzer reederyen staat in ondernemingsgeest beneden de aandeelhouders in een binnen-trekschuitveer. Deze toch zyn afhankelyk van kansen, welker berekening eenige inspanning gekost heeft, terwyl de zoogenaamde groote vaart, met volkomen zekerheid hare inkomsten vooruit kan vaststellen, of waar zy dit niet kan - zoo-als byv. onlangs by de vrachtvermindering - geheel afhangt van de willekeur eener party, en niet van den natuurlyken loop der zaken. De mogelykheid bestaat dat 'n ministerie, met zeer gemakkelyken pennestreek, de vrachten terugbrengt tot vorig bedrag, en daartoe ware slechts zekere invloed noodig, dien we herhaaldelyk op zeer onzedelyke wyshebben zien influenceeren op de publieke zaak. Alzoo is die dusgenaamde handel geheel-en-al afhankelyk van luim of eigenbelang der regeering, of juister: van de weinige personen die tydelyk regeeren, en niet van eenen in de natuur der dingen liggenden toestand. Welk zeer onzedelyk dryven en pogen hieruit voortvloeit, behoeft geen betoog. Men verbeelde zich 'n speeltafel, waar sommige personen de macht bezitten, de kaarten te verdeelen naar goeddunken, en van die faculteit misbruik maken ten-behoeve van vrienden, of ten nadeele van tegenstanders. Maar de onzedelykheid der regeering hoort thuis onder de fouten der staatsinrichting. Dus daarover straks.

Handel, nog-eens? Wanneer men het daartoe noodig kapitaal - in economisch-juisten zin nu - verdeeld heeft in: kennis, ligging en opbrengst van het land, hulpbronnen van verkeer, behoeften van eigen volk en van anderen, kortöm in al de factoren die 't dryven van handel mogelyk maken, wie zal dan ontkennen dat kapitaal - in dagelykschen zin: geld - een hoofdingrediënt uitmaakt van 't geheel? [20]

Welnu, waar zyn de kapitalen des Volks? Waartoe worden ze gebruikt? De bezitting der kapitalisten steekt in papier, in schuldbrieven. En de voornaamste handel bepaalt zich tot ‘weddingschap op hausse of baisse.’ Wie roode, geele of blauwe Grieken koopt, wedt dat die papieren zullen stygen. Wie ze verkoopt - tenzy gedrongen door nood, en dit maakt de zaak niet schooner - wedt dat Griekenland zal achteruit-gaan. En waarop bazeert zich dat wedden? Op 't bestudeeren der omstandigheden van dat land? Op kennis van zaken? Volstrekt niet. Een gril, een luim, een niets, beweegt den effectenspeler tot koop of verkoop, en evenmin als de dwazen te Homburg of te Spa, weet hy reden te geven van z'n zet. Doch aan zoo'n speelbank is iets openhartigs by de zaak. De speculant op rouge of noir zegt, na voordeelig spel: ik heb gewonnen. Onze effectenluî zeggen, zeer onzedelyk liegende: ‘ik heb verdiend!’ [21]

Is 't handel eindelijk, de oproepingen die we dagelyks vinden van ‘voorname’ huizen aan 't publiek, om geld te schieten tot ondernemingen, waartoe men hoogstwaarschynlyk Publiek's geld niet behoeven zou, wanneer ze zoo voordeelig waren als die ‘voorname’ huizen dat afschetsen? Daarby behooren dan: namen. De kommissaris is kommandeur van de een of andere kroon. Een der directeuren is staatsraad in zekere - of onzekere - dienst. De raad van toezicht schittert van sterren en titels. Maar als later de geloovige geldschieter zich aanmeldt by een van die heeren, om dividend, om rente, om inwisseling a pari zelfs, van het verstrekte, dan blykt er dat de heeren die de oproeping teekenden, de onderneming wel patrocineerden, maar volstrekt niet garandeerden. Het antwoord ligt voor-de-hand, al spreekt men 't dan liever niet uit:

- ‘Myn goeie man... dit begrypt ge toch... als de zaak zoo goed ware geweest als we zeiden... zou ik niet uw geld, maar m'n eigen geld daartoe gebruikt hebben!’  *

Onlangs las ik een dusdanige oproeping in de nieuwsbladen. Eenige heeren met velerlei titels - de vrome ex-burgemeester van Amsterdam stond boven aan - raadden de lezers aan, geld te schieten in eene internationale logement-opzettery. - NB. de vermoedelyke kapitaalskracht der onderteekenaars reikte waarschynlyk ruim toe, om de benoodigde som, zonder Publiek, byeentebrengen, doch daarin bleken zy geen lust te hebben. - Dezelfde bladen behelsden op 'n andere bladzy, een entrefilet: ‘men verneemt dat de aandeelen in de internationale hôtel-vereeniging, op de beurs te Londen met eene premie van 7/8 à 11/4% worden verhandeld!’ De heeren dreven dus de edelmoedigheid zóó ver, dat zy die winst welke te Londen terstond te behalen was, niet voor zichzelf namen, maar die geheel belangeloos ter beschikking stelden van ieder die in-staat was zich 'n aandeel aanteschaffen van 25 pond sterling.

Zyn zulke kwakzalveryen zedelyk?

Is er moraliteit in 't speculeeren op de onkunde van de menigte die voortgaat aan zekere namen en titels eenige waarde te hechten? [22]

Hoe 't overigens gaat met zoodanige ondernemingen! Ik ben in de gelegenheid geweest, eene daarvan nategaan in wording en voortgang. Een bankierskantoor stelt de negotiatie open, en begint met 'n speculatie op de dubbele beteekenis van het woord: goed. Een goed huis, dat is zoodanig huis welks handteekening discomptabel is by de bank, heeft meermalen die renommée van goed, dat is: solide ter verplichte betaling, solvent, te danken aan 'n reeks van handelingen die volstrekt niet goed zyn. Het bankiershuis waarvan ik sprak, was zeer solide. Of 't goed was in moreelen zin, zal straks blyken. Op aanpryzing van het ‘goede’ huis, waren de veertien of zestien ton die er tot de bedoelde onderneming noodig waren, spoedig by-elkaêr. Het goede huis vergat niet, de behoorlyke administratiekosten aftetrekken. Indien het dit verzuimd had by deze en vorige gelegenheden, zou immers het huis onmogelyk zoo ‘goed’ geweest zyn?

Na 't verwerken van de hoofdsom, bleek er - of altans men gaf voor - dat er fouten waren ontdekt in de raming. De aandeelhouders werden genoodigd tot suppletie. Het mes werd op de keel gezet: ‘om niet alles te verliezen, moest er 50% by.’ Velen deden het. Anderen, onmachtig, verkochten de aandeelen in het hoofdkapitaal, voor 12 à 15%. Van die aldus verkochte aandeelen, kwam 't grootste gedeelte in-handen van het ‘goede’ huis. Na eenige jaren arbeids, deed zich een force majeure voor, die volgens de circulaire van het ‘goede huis’ de zaak zeer belemmerde, en alle vooruitzicht den bodem insloeg, tenzy men voorzag in eene nieuwe suppletie van fondsen. Wederom daalden de aandeelen. Het huis had geen concurrent in 't opkoopen, en maakte daarvan een ruim gebruik, met het gevolg dat eindelyk een bedrag van circa drie miljoenen gestorte fondsen, of wel de voor dat bedrag verkregen rentable arbeid, in het bezit is geraakt van het ‘huis’ dat daarvoor niet meer dan 9 à 12%, of circa drie tonnen heeft uitgegeven. Het verschil drukt het verlies uit, dat geleden werd door vele armen. Ik weet van zeer naby dat 'n oude keukenmeid, dienende by de familie van het ‘goede huis’ haar spaarpenningen by die speculatie heeft ingeschoten.

Is dit zedelyk? [23]

Ik sprak van couranten en hare betaalde entrefilets. Is 't zedelyk, dat ze 'n verraderlyk: ‘men verneemt’ laten drukken voor een kwakzalversbetoog, en aldus op hare beurt misbruik maken van de lichtgeloovigheid der naïve lezers? Hoe overigens de nieuwsbladen in elkaêr worden gezet, heb ik gekarakteriseerd in m'n eerste brochure over Vryen-arbeid.

En als er nog bewys noodig ware voor de verregaande onzedelykheid der voorlichters van de publieke opinie  *  hebben wy niet nog onlangs gezien  †   hoe een zoogenaamd liberaal blad zich aan een tegenstander verkocht? Is dat zedelyk? Wat moet men zeggen en denken van lieden die jaren lang voorgaven zekere opinie te zyn toegedaan, en eindelyk na veel groote woorden van: principes, overtuiging, vaderlandsliefde, gehechtheid aan het ware en goede, die - nà dat alles - hun invloed, hun talent, hun orgaan, weggeven voor 't bod des tegenstanders, opdat-i zyn invloed, zyn talent, zyn orgaan daarvoor kunne in de plaats stellen, om later - wie weet! - dat alles weêr te verkoopen by een convenabel bod?

Is dit zedelyk?

Is 't zedelyk dat 'n predikant - onder toejuiching nog-al! -zyn gemeente verwyt dat ze dom en lichtgeloovig was in 't aannemen van de leugens die hy vroeger verkondigde voor loon, en dat hy nu onbeschaamd voortgaat dat loon te ontvangen, schoon-i betaald wordt voor 't bepreeken van het tegendeel? Dat-i nu 't volk bedriegt op tweërlei wys, de geloovers door een walgelyk-laffe klanknabootsing van de oude taal Kanaäns, de halfdenkers door 't noemen van 'n waarheid hier-en-daar? Dat-i voorts zich aanstelt als hadde hy die waarheden ontdekt, hy, en niet de velen die lang vóór hem ze luide hebben verkondigd, en daarvoor scheldwoorden en laster inoogstten van hem en z'n geestverwanten? Ik spreek hier uit persoonlyke ondervinding. [24]

Is dat zedelyk?

Gy begrypt dat ik in dit vluchtig schryven minder betoog, dan aanstip. Het is my minder te doen om volledig te zyn, dan waar. Ik zou nog veel te zeggen hebben over de scholen, over de kroegen, over de schouwburgen, over de kerken. Over al de schandelykheid welke er gedoceerd wordt in die inrichtingen. En over veel meer dat ik nu oversla, om 't bestek van dezen brief niet te-buiten te gaan. Ook zal ik op veel punten terugkomen by 't behandelen van den intellectueelen en stoffelyken toestand, daar alles zoo nauw in-elkaar grypt dat splitsing moeielyk is. Voor ik evenwel afstap van de vluchtige opsomming der feiten die over 't algemeen den staat van onzedelykheid der natie staven, wil ik nog even terugkomen op den zoogenaamd geringen stand. By den werkman bestaat niet de minste gedachte dat er door yver en inspanning, mogelykheid is tot ‘vooruitkomen.’ Het blyft de vraag of die gedachte, àls ze bestond, hem gelukkiger maken zou, en of niet de vruchteloosheid zyner begeerte hem meer zou grieven, dan thans zyn slaperige, onbewuste apathie, schoon 't aan den anderen kant zeker is, dat alle moreele en materiëele vooruitgang onmogelyk blyft, zoolang hy daartoe geen begeerte voelt.

Onze vrachtvloot is voor 'n zeer groot gedeelte, ja uitsluitend byna, bemand met Denen, Noren, Zweden, Jutten en Oostzeeduitschers. Het Nederlandsche Volk, zoo by-uitnemendheid zeevarend naar men zegt, vaart volstrekt niet ter-zee. Er staan veel schepen geboekt op naam van Nederlandsche kantoren, dit is alles. De noodige energie - toch zoo byzonder groot niet - om dienst te nemen aan boord van 'n koopvaardyschip, schynt te ontbreken, en dit is te-meer in 't oog vallend, wanneer men let op 't verschil tusschen de voeding van den matroos en van den ambachtsman, een verschil dat menigeen naar zee moest lokken, naar 't schynen zou aan ieder die geen achtslaat op het treurig, zeer onzedelyk verschynsel, dat zelfs honger niet in-staat is het volk wakker te schudden.

Is die toestand zedelyk?

Weêr moet ik aandringen op 't besef der onzedelykheid van de dwaling, die zedeloosheid by uitsluiting zoekt in 't geslachtsleven. [25] Dat hebben de heeren moralisten gemakshalve ingevoerd, om door 't prediken van ‘onthouding’ zich den schyn te geven van boetprofeten. Het is zeker lichter de heel passieve deugd van onthouding te preeken, dan voorschriften te geven hoe men behoort te handelen. De ware zedelykheid is werkend, niet lydend. Deugd is: geluk geven, en geven is 'n handeling. [26]

Hoe is 't, uit dit oogpunt beschouwd, gesteld met de zedelykheid van 't Volk? Wat is, om nu by de dusgenoemd lagere klasse te blyven, de vader voor den zoon? De man voor de vrouw? Wat zyn de kinderen voor de ouders? Hoe volbrengen die individuën, van weêrszyde, in 't algemeen de verplichtingen die wy zoo treffend vinden... in een boek, maar zoo zelden aantreffen in de wereld? Klinkt het niet byna als 'n ongerymde vordering dat menschen inderdaad menschen zyn? Geldt niet in 't spraakgebruik de uitdrukking: ‘hy drinkt niet’ als 'n lofspraak? Zyn wy niet reeds tevreden, als er van een werkman wordt gezegd: ‘hy is oppassend’ alsof dit genoeg ware? Alsof 't voldoende was, dat hy geen reden geeft om te worden weggejaagd uit winkel of werkplaats, en alsof z'n zedelyke minderheid zóó wordt aangenomen als van algemeene bekendheid, dat zelfs de vordering van iets hoogers ons voorkomt als ongerymd? [27]

Ligt er niet in de laagte der eischen die we gewoon zyn te stellen aan den geringeren stand, een bewys dat er over 't geheel van de zedelykheid in dien stand weinig verwacht wordt? [28]

Van dien stand? Wat wil 't zeggen: van dien stand? Is de scherpe afzondering der standen, zooals die in Nederland wordt gehandhaafd, zedelyk? [29] Ik trek geen party voor den onttroonden adel der middeleeuwen, maar zyn we zooveel verder met onze kruieniershoogheid? Met onzen boerentrots? Met de morgue van onze parvenu's? Met de insolentie onzer vry-arbeiders, contractanten, concessionarissen, effectenprinsen, en hoe al 't volk heeten moge, dat 'n onëvenredig deel inslokte van de algemeene welvaart?  *  

Welk nut heeft 't Volk getrokken van de fransche revolutie, als de plaats der ci-devants overal wordt ingenomen door ander canaille? Drukte de belasting die men in ontzag, goederen en bloed moest opbrengen aan gemeene ridders, zooveel zwaarder, dan die 'r nu wordt opgebracht aan 't fatsoenlyk gemeen? Is 't zoo'n voordeel, dat wy de wolven hebben verruild voor vampiren? Wonden en snellen dood, voor tering en langzaam sterven?

Wat beduidt overigens die gelykheid in kerk of loge, de broederschap die we hooren preeken binnen'skamers, maar die terstond schynt te vervallen, zoodra de broeders zyn teruggekeerd in de maatschappy? Wat helpt het, of men een God heeft die als algemeene vader heet te fungeeren, als-i z'n gezin zoo ongelyk behandelt, voedt, kleedt en huisvest? Of als de beter bedeelde broeders op de anderen neêrzien met minachting? Zou 't ook hier zyn: un frère est un ennemi donné par la nature?

Is die afscheiding van standen zedelyk?

Meen niet dat ik gelykheid predik. Volstrekt niet. [30] Zoowel als de maat van myn kleeding verschilt van de maat die 'r past aan m'n kleinen jongen (50) zoowel ook is er groot verschil in zedelyke waarde, in verstandelyke ontwikkeling, in gepresteerde dienst, en dus in aanspraak. Volstrekte gelykheid is ongelykheid, en daarom onbillyk. [31] Maar 't verschil van stand wordt niet aangewezen door verschil in bezitting. [32] Hoe? M'nheer die of die wist miljoenen by elkaêr te zuigen uit de bron die allen moest laven... anderen hebben te weinig, wat hy te veel genoot... en men zou hem by 't onwettig leeuwendeel dat-i wist te zamelen, nog eerbied en onderdanigheid bewyzen bovendien?

Is dit stellen van een premie op 't byeenschrapen van fortuin, niet laag en laf in wie ze aanbiedt, oneerlyk en laag in wie ze vordert of ontvangt?

Is die toestand zedelyk?

Ik erken dat de lamzalige onderdanigheid van middelstand en armen my meer stuit dan de trots der anderen.  *   Als ik kiezen moet tusschen een kalf en wie er voor knielt, kies ik 't kalf. Het beest is stom, en kan niet zeggen: besteed je tyd en je kniën beter.

Gelykheid? O neen! Geen twee bladen aan een boom zyn gelyk.

Geen twee bladen zelfs in de heele natuur. Geen twee stofjes. Neen, geen gelykheid! [33]

Er is verschil, en groot verschil, tusschen een mensch en een mensch. De waarlyk brave man die 't goede wil, die 't betrachtte, die daaraan z'n leven wydt, daarvoor zich opoffert als 't noodig is... o, hy staat niet gelyk met den ellendeling die onder schyn van nederige vergetenheid, zich alleen bezighield met het mesten van zyn ik, met rusten zonder ooit te hebben gearbeid. [34] Curtius, die in den kuil sprong om Rome te redden, staat niet gelyk met 'n verrader die z'n medeburgers in den kuil gooit om zichzelf te bevoordeelen. Ik sta niet gelyk met Duymaer van Twist. En zùlk verschil van stand wil en zal ik handhaven met alle macht. In dàt verschil ligt ook de natuurlyke adel die nooit kan worden weggecyferd, al heeft men ten-rechte den maatschappelyken onnatuurlyken perkament-adel beroofd van alle prerogatief. [35] 

De ware adel zit in 't hart, en plant zich voort in de harten. Ten-allen-tyde zal 't een kind aangenaam zyn te hooren, en een spoorslag wezen ten-goede, dat men hem zegt: uw vader dacht - en handelde - goed. Die adel blyft bestaan. Gevolg van feiten, is hyzelf een feit.

En er bestaan ook andere verschillen. Verschil in ontwikkeling van denkvermogen, toon, beschaving, ondervinding, smaak. O zeker, dit alles scheidt de menschen in soorten en klassen. En ikzelf erken, zeer aristocratisch gesteld te zyn op 't handhaven van dat onderscheid, en daarom dan ook afkeerig van veel omgang.  *   [36] Maar dit alles wettigt de afscheiding van standen niet, zoo-als we die waarnemen in onze maatschappy, en die belachelyk wezen zou, als de gevolgen niet zoo treurig waren. De groothandelaar acht zich verheven boven den tweedehands-koopman. Deze boven den makelaar of winkelier. De winkelier in die straat, boven z'n collega in een andere straat. Deze weêr boven den uit-venter op den publieken weg. Het getal afscheidingen is eindeloos, en er hoort een microscopischen blik toe, om al de verschillen waartenemen. Ik ben er dan ook dikwyls meê in de war, en verwys u, als gy gesteld zyt op juistheid in de classificatie, tot meester Pennewip. [37]

't Is treurig, zeide ik. Ja. Want de zoogenaamd-hoogere klasse leert de lagere niet kennen. De broederschap openbaart zich alleen in tyden van gevaar. [38] Dan is de arme of minder welvarende broeder goed genoeg voor schutter, conscrit, pypgast, of nummer zooveel op de lyst van choleralyders. Dan zakt de hoogheid een beetje, en verwaardigt zich tot kennisname van 't bestaan der lager geplaatste broeders. Overigens blyft ze, zelfs waar menschenliefde 't pakjen aantrok van uithangbordige philanthropie, op 'n afstand, grootsch, styf, vormelyk, en... wreed. Zonder in 't minst party te trekken voor verjaarde toestanden, beweer ik dat de verhouding tusschen adel en gemeenen, tusschen slavenhouders en slaven, over 't geheel, meer lichtpunten aanbood, meer liefelyks bevatte, dan er in onze maatschappy wordt gevonden in de relatien van armen, burgerluî en ryken. [38] En dit nog: de ryken zyn 't ergst niet. De middelstand, de ‘heele fatsoenlyke’ middelstand drukt veelal met z'n halfbakken fatsoen nog zwaarder op den armen werkman, dan de ryke wiens hoogheid niet betwist wordt en die dus, eenmaal 't gouden kalf vertoonende, altans in z'n rol is door kalverigheid. [39]

Ook de verhouding tusschen patronen en cliënten te Rome was schooner, dan wat daarvoor in de plaats zou moeten zyn by ons. En zoo geheel anders was de opvatting van den band tusschen meester en slaaf by de oude Romeinen, dat we in onze moderne talen het woord ‘familie’ hebben overgenomen ter aanduiding van bloedverwantschap, terwyl dat woord toch oorspronkelyk het huisgezin beteekende: met inbegrip van lyfeigenen. [40] Dat men oudtyds z'n slaven mishandelde, is waar. 't Is even waar, als dat er tegenwoordig zooveel kinderen mishandeld worden door de ouders. Maar uit alle geschriften blykt dat de verhouding tusschen meester en knecht, tusschen aanzienlyk en gering, in vroeger tyd inniger was dan by ons, en misschien ware 't niet onjuist het woord familiaar te vertalen met: zoo-als een dienaar (famulus) tot z'n heer spreekt. Zoo kan er verwyt liggen in spraakgebruik, en soms moet men de taal verkrachten om leugenachtige zeden te verschoonen. [41] Van ons woord: slecht, dat in maatschappelyken zin beduidde: onaanzienlyk, niet voornaam, heeft de meisjesachtige preutsheid van die zeden een neusöptrekkend méchant gemaakt. Kerel = 'n manbaar persoon, een volwassen, sterk, dapper man - misschien, even als 't woord kracht, van den sanskritwortel kr = werken, maleisch: kerdda - is vastgegroeid aan: gemeen. [42] Ja, 't adjectief hoeft er niet eens by. De beteekenis daarvan is opgenomen in 't hoofdwoord. Wie werken kon, wie sterk was, flink, dapper en bekwaam om z'n handen uittesteken, moest 'n gemeen persoon wezen. 't Was ‘onfatsoenlyk’ dachten de meisjes van de kostschool die 't menschdom bezoekt sedert 'n eeuw of vier. 't Woord gemeen zelfs hoort geheel by deze opmerkingen. Commun, communis, ke- of gemein, common... overal heeft die klank nu de beteekenis van zekeren degradatie, terwyl toch de oorspronkelyke zin alleen doelt op ontstentenis van rang. 't Woord dief - Saksisch theof - beduidt niet: iemand die steelt. 't Is een dienstknecht, een volgeling, een lyfeigene, iemand van lagen rang altoos, maar geen misdadiger daarom. Het denkbeeld: misdaad, oneerlykheid, schande enz. is, in al die woorden, een uitvindsel van 't ploertig fatsoen der eeuwen.  *

Maar genoeg van taal. Is 't in onze maatschappy zedelyk, dat de armen en gemeenen op zoo verren afstand worden gehouden?

De ryken en aanzienlyken zyn òf beschaafder, verstandiger, beter dan de geringen, en in dat geval zyn ze wat meêdeeling schuldig van den zedelyken schat dien ze bezitten. Of ze zyn dat alles niet, en dan vervalt hun aanspraak op onderscheiding. [43]

Maak evenwel uit dit alles niet op, dat ik de geringen zedelyk hoog stel. Integendeel, ik vind het gemeen meestal zeer gemeen. [44]

Alleen beweer ik dat de ongemeenen verantwoordelyk zyn voor de laagte waarop hun gemeene broeders staan. Als ik 't straatgezang hoor, dat me zoo walgt, ben ik verontwaardigd, ja. Maar in dit gevoel is beklag van de zangers, aanklacht tegen de voorgangers. Tegen de voorgangers in de raadzaal en wettenfabrieken, op kansels of katheder. Op hùn hoofd komt de liederlyke smakeloosheid van 't Volk. 't Is de witharige wysheid van 't fatsoenlyk canaille, dat aangetast moet worden over den toestand der armen. En dat voor dien toestand boeten zal, als ik nog wat leef, en gelegenheid heb om te werken. De maskers van gehuichelde deftigheid moeten afgelicht worden. Het Volk moet weten: eerst hoe laag 't zonk, daarna hoe 't door geloof, staatkunst en fatsoen, met grondwetten, kiezerybluf en dagbladen, met witte dassen en keizersgrachtery, met bybels, tractaatjes en een ‘Heer’ tot die laagte gebracht is.

Een Heer? Zeker. Ik mag myn hoofdstuk over de zedeloosheid des Volks niet sluiten, zonder melding te maken van den godsdienst die zoo'n ellendige hoofdrol speelt in onze maatschappy. (428, 429, 436, 437) In gods naam stuurt men z'n kinderen naar katechisatie of biechtstoel. In gods naam laat men ze biologeeren door 'n geestelyke.  *   In gods naam verwaarloost men verstand, hart, karakter, wilskracht, eergevoel...

In gods naam maakt men den Javaan tot slaaf, en idioten van de Hollanders... [45]

Och, de aarde zou zoo leelyk niet wezen, als men zich minder liet bedriegen door al 't ontuig dat z'n zes schellingen vraagt voor 'n boodschap uit den hemel. (443) [46]

Voor ik overga tot de beschouwing van den intellectueelen toestand van 't Volk, moet ik u nogmaals herinneren hoe deze brief door myzelf wordt gehouden voor zeer onvolledig. Meermalen zag ik kans, één regel daaruit te maken tot tekst van 'n heele preek. Gy weet dat ik maar aanstip, en staat-maak op den rykdom uwer eigen opmerkingen, en die van andere lezers, om aantevullen of uittebreiden wat ik voorbyging of vluchtig noemde. Voor ik verder ga, heb ik evenwel 'n andere opmerking. Straks in de tweede en derde afdeeling van dit hoofdstuk, zal 't u wellicht toeschynen, dat ik ten-onrechte sommige punten behandel als verstandelyke fouten, wyl ze thuishooren op stoffelyk gebied. Misschien ook zal ik aan andere zaken plaatsgeven onder de afdeeling materieele toestand, die ten-rechte zouden behooren by de beschouwing der zedelykheid. Welnu, 't is me om 't even. 't Moge u een bewys te-meer zyn, dat ik ditmaal vluchtig schryf, meer doelende op wakker-maken dan op overtuigen, meer op alarm roepen, dan op wegwyzen of aanvoeren. 't Ontwaken moet elke verbetering van richting voorafgegaan. Gelukt het my, een eind te maken aan den loggen slaap waarin Nederland verzonken is, dan scheelt het me weinig of deze en gene opmerking in dit schryven op de rechte bladzy staat. Bovendien, gy weet het, ik ben zeer tuchteloos. En dit wil ik blyven, vooral ook omdat ik zoo weinig goeds zie doen door de luî die tucht hebben... naar hun zeggen. [47]

En, eilieve, is 't wel waar dat deze of gene opmerking niet op de juiste plaats gesteld is? Bestaat er wel een juiste plaats voor opmerkingen, die allen in-elkaêr grypen? Had ik ook wellicht beter gedaan, elke verdeeling wegtelaten? Zou 't ook misschien ordelyker wezen alles dooréén te plaatsen, juist om aantetoonen hoe alles in-verband staat? Misschien wel. [48]

Nu, zoodra ik weer zoo'n brief schryf, zal ik de kiezery laten volgen op de voeding, de straatliedjes op de preeken, de veerkrachteloosheid van den werkman op 't plichtverzuim van regeerders, en dat alles onder dit eene hoofd: verrotting.

Maar nu ik eenmaal begonnen ben met in driën te preeken als 'n domine, zal ik zoo voortgaan. Ik ben genaderd tot:

b.) Intellectueel. Het onderwys is slecht. De kinderen en jongeluî leeren over 't algemeen juist genoeg om te geraken tot 'n broodwinning. [49] En zelfs dat ter-nauwernood. Professer De Gelder klaagde dat men hem zooveel studenten op z'n collegies zond, die niet bedreven waren in... de vier hoofdregels der lagere rekenkunde! [50] En spreek eens met jongeluî die schoolgaan, of de scholen reeds verlieten. Merk eens op, hoe weinig ze weten, en hoe nog dat weinige verward dooreen ligt. Hoe oppervlakkig meestal de kennis is, die ze hebben van de meest gewone zaken, van zaken die ze toch noodig hebben te weten. Op hooger en lager scholen wordt een-en-ander onderwezen, dat meestal later blykt eigenlyk meer te zyn opgenomen onder de vakken van onderricht, om zeker soort van leeraars aan den kost te helpen, dan om die leerlingen tot practisch-bekwame menschen te vormen. [51] (340, 341) Dit geldt voor den werkman zoo goed als voor den zoogenaamd geleerde. Het lezen en schryven van den eerste, baat hèm even weinig, als de klassieke schoolgeleerdheid den ander. Oefening in het denken - beter buiten dan in de school - wordt meermalen eer onderdrukt dan aangemoedigd, en de blyken daarvan zyn menigvuldig. [52] Het zeer gemakkelyk autoriteitsgeloof neemt de plaats in van zelfoordeelen, en de oogst zou zeer schraal wezen, als men de oorspronkelyke denkbeelden byeensprokkelde, die er sedert langen tyd gegroeid zyn op Nederlandschen grond.  *   In requisitoren en vonnissen beroept men zich brutaal-dom op jurisprudentiën van 't een of ander hof, dat is: op de meening van 'n paar onbekende ouwe heeren die lang genoeg leefden om raadsheer te worden. [53] Het heeft er veel van, als-of men zeide: zoo was 't gevoelen van apostel die of profeet die. En aldus worden er vonnissen gegrond op opiniën van personen die aan spoken geloofden, en niet wisten dat de aarde draait. Dat noem ik de theologie van het recht.

Ik herinner me, in Indië eenmaal eene kwestie te hebben gehad over de vraag, of zeker meisje dat ten-huwelyk aangeteekend was, en trouwen wilde zonder den by de - toen nieuwe - wet, bepaalden ouderdom te hebben bereikt, al of niet mocht huwen? De heeren van de rechten brachten er Justinianus en Hugo de Groot by te-pas... of te on-pas. Ik liet het kind by me komen, zag duidelyk, zonder De Groot of Justinianus te raadplegen, dat ze onder de oude wet voorschot had genomen op de nieuwe, en trouwde haar.

Schryvers wedyveren in onbeduidendheid, en zouden nog onopgemerkter voorbygaan dan het geval is, wanneer zy niet onderling à titre de revanche elkander verhieven door lof, of - wat byna op 'tzelfde neerkomt - deden in 't oog vallen door tegenspraak.

In het algemeen is de niveau van hen die 't Volk voorgaan in kennis, geleerdheid en oordeel, zeer laag, en er ware een heel dagblad te vullen met de dagelyksche vermelding alleen, der anecdotische nietigheid van de Schriftgeleerden. [54] Zie als 'n staaltje, in m'n Ideen, de aanhaling van Professor Muurling die in z'n formulier ter inzegening van 't huwelyk, den predikanten uitdrukkelyk voorschryft, het huwend paar geen opstaan te bevelen wanneer dat paar niet geknield ligt, noch de gemeente toetespreken als de gemeente niet tegenwoordig is, enz. enz

't Verzamelen van dergelyke staaltjes moge den lachlust der lezers opwekken, het is een treurige arbeid, en wie 't in den grond wèl meent met het Volk, geeft daarover zyn sarkasmen niet zonder smart.

Wat is er te denken van den intellectueelen toestand der minderen, als we byvoorbeeld in 'n krant-artikel lezen, dat het publiek ministerie in een ‘sierlyke’ rede... den dood eischte, gelyk onlangs in de Rotterdammer. Welk denkbeeld heeft zoo'n schryver van sierlykheid, van ‘den dood eischen’ en van misdaad?

Wat moet men gelooven van de verstandelyke ontwikkeling eens Volks, waar 'n minister van finantiën niet weet wat 'n bankier is? Zoo-als onlangs bleek.

Kort na de koncessie voor 't doorgraven van Holland op z'n smalst namelyk, zei de Heer Betz dat die zaak toch zeker goed was ‘want hy wist van-goeder-hand dat er londensche bankiers waren, die hunne bureaux wilden openstellen voor de inschryving.’ Dat is: er waren in Londen wel menschen die zonder eenige risico, 5% van 18 miljoen wilden verdienen. En er was niemand in de Kamer, die opstond om den minister te vragen, welke bewyskracht ten voordeele der verleende concessie er in zyne mededeeling gelegen was?

Ik denk dat de londensche bankiers ook wel genegen zyn - tegen 5% altoos - gelden te ontvangen om 'n spoorweg naar de maan te maken, als ze maar niet gehouden zyn hun geld daarin te steken, of meetereizen.

Wat heeft men te denken van de intelligentie eens Volks, dat na zoo moeielyken barensnood by 't kiezen, voorgelicht en geholpen door zoovele kieskollegien en dagbladen, niets anders weet byeentebrengen dan de zeventig heeren die 't vertegenwoordigen, die 't zóó vertegenwoordigen als we dat dagelyks lezen kunnen in 't byblad?  Van zoogenaamd-staatkundige partyen spreek ik nu niet. Ik spreek van bekwaamheid, van talent, van kunde. Dat alles toch ware te vorderen in menschen die verondersteld worden de élite der natie te zyn. [55] Misschien zelfs zou er spraak behooren te wezen van genie, in mannen de geroepen zyn kennis te hebben van... alles. Doch zonder de eischen zóó hoog optevoeren, welke uitstekende mannen heeft ons parlement opgeleverd sedert 1816? En vooral sedert 1848?  *    [56]

Een aandachtige beschouwing van de Nederlandsche parlementaire geschiedenis, geeft aanleiding tot zeer bedroevende opmerkingen. [57] (Vergelyk wat ik daarover zeg in myne eerste brochure over Vryen-Arbeid, alsmede myn uitval in dat boekje tegen de dagbladschryvers.)

En de ministers, de Regeering! Afwisselend behoudend en liberaal, blyft zy zich standvastig gelyk in onbekwaamheid. De stukken die de ministeriëele bureaux verlaten, munten uit door gebrek aan styl, door slechte redactie. [58] Nog niet zeer lang geleden, werd dit in de kamer erkend door partyloopers van 't betrokken ministerie zelf, en ook zonder die erkenning zou 't heel moeielyk wezen het tegendeel voltehouden. Wat dan ook nooit beproefd wordt.

Ik hecht aan welsprekendheid, en aan 't kunstje van schryven, niet de waarde die daaraan wordt toegekend door het algemeen. [59] Maar zy die wèl hechten aan de wyze van uiting, op welke schitterende voorbeelden hebben zy te wyzen? Waar blykt het dat die kunsten welke volgens my leiden tot parlage en verbiage, maar die door anderen worden toegejuicht, ik zeg niet op hoogen, maar zelfs op middelmatigen trap staan in ons land? Waar is in ons parlement, Guizot, Thiers, Jules Favre, Berryer? Of om terugtegaan, welken Danton hebben wy? welken Robespierre? welken Barnave? En vooral, welken Mirabeau? Ik spreek nu niet van staatkundige richting, ik spreek alleen van talent. [60]

En onze rechtbanken en balie! Telkens als er 'n lid sterft van rechtbank of hof, zegt de president by 't installeeren van z'n opvolger: dat die overledene nu juist zoo byzonder knap was. Zolang de man leefde, wist niemand iets van die knapheid. [61]

Altans men bemerkte er niets van in de rechtspraak. 't Is 'n gewetenstillende regel geworden, dat de uitspraak der justitie niet zoozeer ten-doel heeft het recht te handhaven, als wel: op wettelyke wyze een eind te maken aan kwestien.  *  

Ach... die opmerking behoorde in m'n afdeeling: zedeloosheid.

En als de couranten verslag geven - welk verslag, lieve hemel! - van 'n terechtzitting, heeft de advokaat die of die altyd zoo byzonder mooi gesproken. Eilieve, waar is onze Dufaure, Crémieus, Chaix d'Est-Ange, Lachaux, Jules Favre alweêr, en Berryer alweder, en vooral waar is onze Paillet?

Ja, zegt men... welsprekend zyn ze niet ten onzent, maar... 't zyn zulke ‘knappe juristen.’ Och! Dat zei men ook van den procureur Duymaer van Twist!  *  

Onlangs las ik 'n memorie van verdediging, gesteld door zoo'n knappen jurist. 't Ding was geredigeerd op 'n wyze die 't maakte tot een memorie van zelfbeschuldiging. De ‘knappe jurist’ liet eerst z'n cliënte een paar punten ontkennen, en daarna ‘god almachtig’ aanroepen by 'n volgend punt, alsof ze zoo'n prachtig woord by de vorige ontkenningen niet durfde gebruiken, en die alzoo introk. De heele verdediging gaf daardoor den indruk van schuldbekentenis, vooral wyl de zinsnede waarin god voorkwam als geciteerde getuige à dècharge - of-i gecompareerd is, weet ik niet - zoo kronkelig gesteld was, dat meer de plaats waar, dan 't feit zelf scheen bedoeld te worden, waarom 't dan toch om de schuld te beoordeelen, te doen was.

En intelligentie op ander terrein. De voorbeelden heb ik voor 't grypen. Is niet Van der Palm de prins der kanselredenaars, bybeluitleggers, enz.? lees eens die bybeluitlegging, en als ge niet verbaasd zyt over de diepte zyner opmerkingen, over deze, byv.: ‘dat onder 't woord beddekens - als kind las ik altyd dekens - moet verstaan worden groote bedden en kleine bedden’ dan zoudt ge verdienen ten-eeuwigen-dage te slapen op zoo'n klein bed. [62]

Wilt ge iets van later tyd? Onlangs kocht ik postpapier, en las 't gedrukt blaadje waarin 't gewikkeld was. Ik vernam daaruit, dat de wyn die Jezus wonderde te Kana ‘van zoo byzonder goede hoedanigheid was.’ Premier crû zeker. En hoe wist de schryver dit? Wel, heel eenvoudig: ‘de hofmeester van den huize had het verklaard, en die was een deskundige.’ Gy begrypt dat ik den naam wilde weten van den voorganger des Volks, die zooveel - en zulk! - licht verspreidt. Ik vraagde er naar: de man heet Nonhebel, van beroep: schriftgeleerde.

Wilt ge meer staaltjes? Voor eenigen tyd had Domine Koetsveld ontdekt dat er in den bybel zooveel vieze dingen staan. Met het bekende slendertje: ‘het woord gods is in den bybel, maar de bybel is gods woord niet’ beloofde hy een nieuwe en verbeterde editie te bezorgen van dat boek. ‘En, stond er in 't program zyner onderneming: ik zal de paarlen zuiveren van zand en slyk.’ Groot rumoer in de gemeente. [63]

Protesten, demonstratiën, deftig bezoek van een kommissie by domine Koetsveld, om te reclameeren tegen zyn ‘slyk en zand.’ De man scheepte de klagers af met de verzekering dat hy ze zou tevreden stellen. Maar het program was nu eenmaal in de wereld. De inteekenaars hadden recht op gezuiverde ‘paarlen.’ En aan de vromen had de man toegestemd dat er geen zuivering noodig was. De toestand was moeielyk, maar niet te moeielyk voor 'n intelligenten voorganger der gemeente. De bybel naar de beschryvinghe van Domine K. verscheen, en in 't voorbericht kan jong en oud deze tevredenstellende woorden lezen: ‘Met het slyk heb ik bedoeld: het slyk der zonde. Het zand is de zandlooper des tyds.’ Vrage: hoe zand een zandlooper wezen kan? Vrage: wat zoo'n uitlegging te-pas komt by 't in z'n program verkondigd voornemen de vuiligheden der hoogheilige schrift te supprimeeren? Vrage... o allerlei vragen! Maar is niet alleen deze genoeg: Wat heeft men te denken van de intelligentie eens Volks dat gediend is met zùlke voorgangers?

Intelligentie? Welke uitvindingen zyn er gedaan in Nederland, op 't gebied van techniek, van industrie, van natuurkunde? Wat hebben we den laatsten tyd opgeleverd in sterrekunde, geologie, botanie, chemie, landbouw, zeevaart, natuurkunde. [64]

O, men werpe my geen renommées de clocher tegen. Wat of wie inderdaad iets beduidt, breekt baan over de grenzen, en zeker is de eenige persoon in ons land die, sedert Erasmus, Huygens, Boerhave, en De Ruyter, bogen kan op Europesche bekendheid, Dr. P.Bleeker die ongelukkigerwyze als 'n echte Hollander z'n roem heeft gezocht beneden de oppervlakte van de zee, door zich te maken tot den Linnaeus van de visschen.  *  [65]

Wat men hier-en-daar vermeld vindt over europesche vermaardheid van dezen of genen Nederlander onzer dagen, is veelal - ja, ik geloof byna altyd - broederschap en camaraderie à titre de revanche. Zie 't Jerusalem, waarvan domine Ten Kate verlost is in 't hollandsch. Men heeft weten te bewerken dat er 'n stuk in de couranten geplaatst werd, vol italiaansche verrukking over nederduitsche welluidendheid. Domine Ten Kate is tot ridder geslagen, alsof-i Tancred of Godfried zelf was, en zeker zal de italiaansche verrukking ook beloond worden. En dit zal billyk wezen. Want ik vind het makkelyker 'n paar-duizend verzen saemtelymen in 't hollandsch, dan daarover verrukking te voelen in 't italiaansch. Dit moet veel inspanning gekost hebben, en in Holland zelf heeft men 't dan ook zoo ver niet kunnen brengen.

Als men my mocht tegenwerpen dat Moleschot te Turyn, en Kern die te Oxford beroepen werd, Nederlanders zyn, antwoord ik dat die beide heeren in Nederland geen plaats vonden naar verdienste, en dat dus hunne beroeping naar den vreemde, pleit tegen de intelligentie der natie. Toch zal men later Moleschot en Kern opnemen onder beroemde Nederlanders  *   zoo-als men nu doet met Ary Scheffer, tot wiens ontwikkeling, roem en welvaart, Nederland niets heeft bygedragen. Hier had men den man belet verf en paneel te koopen, en hy zou gestikt zyn uit ergernis. (360) By 't eerste schoone stuk van zyn hand, had men hem uitgemaakt voor 'n onverlaat. Van domine Ten Kate heb ik nooit iets kwaads gehoord.

De eenige man die er ooit in slaagde, recht populair te worden en te blyven in Nederland, is de laffe vuile platte vader Cats die nota bene zes geslachten lang voor 'n dichter is aangezien. Holland heeft twee eeuwen noodig gehad, om Huet voorttebrengen, die den algemeenen vader - en 't kroost er by, dat hem 't vaderschap opdroeg - ontkroostte en ontvaderde met 'n flinken oorveeg. Ik ben er waarlyk grootsch op, dat ik als kind reeds dien lammen liederlyken godzaligen rymelaar heb veracht. Maar toen durfde ik 't niet zeggen.

Die Cats was ook een voorganger in z'n tyd, een heel fatsoenlyk persoon met ringkraag, pruik, deftige relatien, buitenplaats, geloof, en verder toebehooren van fatsoen. Als hy nu leefde, werd-i zeker lid van de Kamer. Zulk soort van voorgangers hadden en hebben wy velen, al maken ze geen verzen. Maar wat is er te zeggen van 't eigenlyke Volk? Van de ongeleerde laffe aristocratie, van den ploertigen middelstand, van den werkman, van den arme? O, ik weet dat de statistiek in Nederland een hooger cyfer dan elders aangeeft, voor 't getal lotelingen of bruidsparen die hun naam kunnen teekenen. Is dit intelligentie? Maar dan is de Chinesche natie de intelligentste van de wereld, want elk Chinees kan lezen en schryven. [66] Ik heb meermalen opgemerkt dat het onderwys dáárin de ontwikkeling van 't denkvermogen eer belemmert dan bevordert. [67] Lezen, als hulpmiddel om gedachten van anderen in zich optenemen, die te verwerken, te beoordeelen, en daardoor te geraken tot het vormen van eigen denkbeelden, werkt zeker beschavend. Maar dient het lezen den werkman ten-onzent dáártoe? Wat leest hy? Verstaat hy wàt-i leest? Blykt het uit de ontwikkeling zyner denkbeelden, dat het lezen waarlyk vruchten draagt? Ik geloof het niet. [68]

Hoor een Nederlandschen werkman iets verhalen, en oordeel of hy een zoo geregelden gedachtenloop heeft, als byv. de Franschman die niet leerde lezen? Naar myne ervaring is dit zoo niet, en zeker heeft nooit 'n vreemdeling, by 't waarnemen van de geestontwikkeling onzer landgenooten, de opmerking gemaakt: er blykt me dat ik my in een land bevind, waar de statistiek van lezen en schryven gunstiger is dan by ons.’

En zy die lezen kunnen, lezen zy inderdaad? Zoo neen, waartoe dient het? Zoo ja, wàt lezen zy? Wat werkt het uit? Ik ontdek er niets van, en weet dat het boeken-debiet hier-te-lande - met uitzondering van de godzalighedens, maar die worden mindergelezen dan gekocht - in zeer ongunstige verhouding staat tot het bevolkingcyfer. De vraag moet zyn: hoeveel wordt er gelezen, wàt wordt er gelezen, en met welk resultaat? Begrypt men 't gelezene? Meestal neen. En dit gaat niet den geringen man alleen aan. (95) Ik weet er zoo iets van! Na de meeste moeite om my duidelyk uittedrukken, bemerk ik gewoonlyk niet geslaagd te zyn. [69] Myn stryd tegen hysterie byv., is gelezen als-of ik party-trok vóór dat monster. Als-of ik ontucht predikte, en zelfbederf! Een schryver heeft zelden bekwaamheid genoeg, om zich te verplaatsen op de laagte zyner lezers. En in-plaats van natedenken over de kwestie: wat is waarheid? moet hy zich gedurig tot afmattens toe, inspannen tot het beantwoorden der vraag: hoe zal ik de waarheid uitdrukken, dat ze geen leugen schyne door verkeerde opvatting? [70]

Dit is zeker dat in weinig landen, de lagere klasse niet alleen, maar ook de zoogenaamde middelstand, en zelfs de hoogere klasse des Volks, zoo weinig weten van de Staatsinrichting, van algemeene belangen, van volkswelstand, enz. als by ons. Menig paryzer concierge zou daarin, wat zyn land betreft, een beschamend voorbeeld kunnen geven aan veel Nederlanders die zich in ontwikkeling ver boven hem verheven wanen.

Ik acht het geenszins wenschelyk, het ras der politieke tinnegieters uittebereiden. Maar volslagen onkunde baart onverschilligheid [71], en 't is die onverschilligheid welke aan de weinige raddraaiers die ons rechtstreeks of indirect regeeren, de gelegenheid geeft, ten algemeenen nadeele, heer te spelen over de natie.

Op 't platteland, in de provinciesteden althans, is de middelstand iets meer ontwikkeld dan in de hoofdplaatsen, maar hier is 't dan toch ook zéér erg. Als onderwerp van studie is 't belangryk de gesprekken aantehooren, zoo-als die gewoonlyk worden gevoerd in de koffihuizen, en men staat meestal verbaasd over de verrassende onwetendheid en de nietigheid van die heeren.  *   Gewoonlyk komt by my 't denkbeeld op: dat zyn de luî die den Javaan willen beschaven, verlichten, tot mensch maken, enz., en onwillekeurig doen we de vraag, of 't niet tyd wezen zou eene aziatische zendingzaak in 't leven te roepen, tot beschaving en verlichting van den Nederlander. Daartoe ware by den oosterling slechts noodig zekere geest van proselytisme, die 't angelsaksisch ras schynt te kenmerken, en die meermalen zucht tot verovering bedekt met 'n voorgewende blyde boodschap. Wy weten overigens dat in de overzeesche bezittingen de inlanders 't minst beschaafd en 't diepst verdorven zyn op de plaatsen waar ze 't meest in aanraking kwamen met Nederlanders. De intelligentie onzer natie schynt zich dus 't best te openbaren in het meedeelen van bederf, of misschien wel daarin alleen.  †  

c.) Materieel. Alles is in alles. Alles hangt samen, in-verhouding van oorzaak of gevolg. Of wel, er bestaat 'n soort van zusterschap tusschen alle omstandigheden, door geboorte uit dezelfde oorzaak. De toestand van 't Nederlandsche Volk in materiëelen zin, is zeer nauw verwant met den lagen trap waarop intelligentie en moraliteit staan. [72] We kunnen nu in 't midden laten of gebrek aan genot - in wysgeerigen zin gelykstaande met gebrek aan deugd - oorzaak of gevolg is van onvoldoende voeding, slechte woning en verdere gebreken of schraalte in den materiëelen toestand. Ik denk dat èn 't een èn 't ander wel waar zal wezen. [73]

Een volledige schets van de ellende des volks op stoffelyk terrein, zou 'n zeer groot werk vullen, en by strikt-nauwkeurige behandeling jaren arbeids vereischen. Ook zou daartoe noodig wezen wat ruimte van geldelyke middelen, want het Volk is beschroomd en achterdochtig. Het geeft namelyk z'n openhartigheid niet gaarne om-niet. Er wordt tot het volbrengen van zulk werk nog meer gevorderd, dat ik niet bezit, maar nu voorbyga, wyl ik in dit schryven geen aanspraak maak op volledigheid. Het zal voldoende wezen straks eenige hoofdpunten aantestippen.

Vooraf 'n paar aanhalingen uit het schoone werk van Le Play, les Ouvriers Européens, aanhalingen die zeker menigen hollandschen werkman zullen doen watertanden, en niet alleen den werkman. Men zal er uit zien dat zelfs de Nederlandsche middelklasse, in reëel welzyn, staat beneden den half-nomadischen Oural-bewoner in Oost-Rusland. [74]

Ik verzoek u, uit den toon en verdere byzonderheden van Le Play's werk, te beoordeelen met welke nauwgezetheid de schryvers die daaraan meêwerkten, hun onderwerp hebben behandeld. Het is, na oplettende inzage, onmogelyk te twyfelen aan de juistheid der opgaven die overal het eigenaardig kenmerk dragen van de conscientie der wetenschap. Bovendien, by elke opgaaf staat de naam vermeld van 't huisgezin dat tot type gekozen is. Men zou kunnen tegenwerpen dat het navragen niet gemakkelyk is, wyl vele opgaven den toestand betreffen van gezinnen die ver-af wonen, en niemand er licht toe komt, zich naar Rusland of Noorwegen te verplaatsen, om 't werk van Le Play te controleeren. Ik heb hierop veel te antwoorden:

Vooreerst. Hy levert insgelyks vele opgaven over den toestand van gezinnen die niet ver-af wonen, en omtrent welke 't onderzoek dus gemakkelyk is. [75]

Ten tweede. Wat vèr wezen zoude voor 'n particulier, ligt onder 't bereik van de Staatsbesturen en der diplomatie. Het schoone werk van Le Play is gedrukt op de keizerlyke drukkery. In Frankryk namelyk, dat zoo vreeselyk despotisch geregeerd wordt, bemoeit zich de slechte keizer met den toestand van 't Volk, en de pogingen om daarin verbetering te erlangen, worden ondersteund. Dat is nu wel zeer tyranniek, onvry, onhollandsch en infaam, maar 't is zoo, en de arme Franschen moeten zich schikken. Ten-gevolge van zulke schandelyke ondersteuning, is dan ook dat werk tot stand gekomen, waaraan misschien wel 'n millioen franken zal ten-koste gelegd zyn. Dit alles brengt mede dat Le Play's arbeid de waarde heeft gekregen van een staatkundig feit, dat niet mag geïgnoreerd worden door de europesche diplomatie, of door de officiëele economisten onder de ministers van alle landen, waar 't bestuur tyranniek genoeg is om te willen weten: wat het Volk eet, hoe 't zich vermaakt, hoe het leeft. Daar men nu van de juistheid der opgaven uit eene russische of deensche provincie, zich te Petersburg en te Kopenhagen even goed kan vergewissen, als te Parys van de accuratesse der données uit 'n Fransch departement, is 't niet te onderstellen dat Le Play zich zou hebben durven blootstellen aan démenti

Ten derde. De medearbeiders aan 't werk van Le Play hadden geen thesis te verdedigen. Zy pleiten niet. Wanneer ik, die begon met den toestand des Nederlandschen Volks ellendig te noemen, straks of later een paar budjetten geef van Nederlandsche gezinnen, kan men denken dat ik de truffels die de Nederlandsche werkman gebruikt, uit m'n opgaaf weglaat uit rechthaberei, dat ik de pâtés de foie gras verzwyg uit rancune, omdat ik my te beklagen heb over de Natie. En men zal dus wèl doen myn opgaven naterekenen, waartoe ik my aanbeveel. [76] Maar Le Play en z'n medearbeiders werden, zoover ik weet, in hun vaderland nooit mishandeld, en hebben dus geen aanleiding tot dubbelzien by 't kyken naar de ménage van een Rus. Ook beweren zy niet dat de toestand elders beter of slechter is dan ten-hunnent. Zy noemen 't goede en 't kwade, zoo-als ze dat vinden, en laten de conclusien over aan lezers en... regeeringen. Dat zy voorts den Keizer niet trachten te vleien met verzonnen welvaart, blykt uit de schets der ellende in de Soissonnais en elders, in Frankryk zelf.

In-weêrwil van dit alles erken ik dat sommige cyfers my te hoog voorkomen. Maar ik schryf daarover aan Le Play, en zal de justificatie meedeelen zoodra ik kan. [77]

En ik voorzie nog 'n opmerking, want men is vindingryk in 't aanvoeren van bedenkingen, als er beweerd wordt dat Nederland geen modelstaat is. Men vraagt: is dan alles in 't buitenland beter dan by ons? Op die nuchtere vraag antwoord ik even nuchter, dat ik dit niet beweerd heb, maar alleen dit beweer, dat er ten-onzent veel leelyks is. Ik denk dat men hier-en-daar in 't buitenland regeeringen zal vinden, schuldig aan nog onverantwoordelyker plichtverzuim, werkluî en armen, nòg ellendiger gevoed en gehuisvest dan by ons. Maar deze ontdekking verschoont òns bestuur niet, voedt ònzen arbeider niet, en maakt het krot dat hy bewoont, niet tot 'n menschelyk verblyf. Het gedurig beroep op den ellendigen toestand elders, bewyst juist de gegrondheid der klachte, en doet denken aan Slymering's theorie, die vond dat Havelaar ongelyk had zich zoo te bekommeren over Lebak:

- Wyl. Dat. Alles. Te. Tjiringien. Nog. Erger. Was. [78]

Nu volgen eenige aanhalingen uit Le Play's werk: 

Herder-Baschkirs in Oost-Rusland.

‘Dans tous le cas, l'abondance des moyens de subsistance rend facile le soulagement de ceux qui tombent momentanément dans la détresse... [79]

Er staat uitdrukkelyk by, dat in die streken geen inrichtingen zyn van liefdadigheid. Ze zyn er niet noodig. In 't voorbygaan zy gezegd, dat niets meer den lagen trap aanduidt van algemeene welvaart en zedelykheid, dan 't groot getal inrichtingen van dien aard.  *   [80] Ons woord ‘godshuizen’ is karakteristiek. Waar liefde ontbreekt, komt terstond in daad en woord een god voor den dag. En als men de herkomst van die godshuizen opspoort, zal er blyken dat ze een bydrage leveren tot de opmerking, hoe verkeerd de kapitalen verdeeld zyn. Honderd welvarende gezinnen zouden geen gestichten van dien aard noodig hebben. Waar zoo'n ding is opgericht, kan men aannemen dat de welvaart van negen-en-negentig is opgeslokt door één. Er zouden weinig ouwe vrouwtjes of weeskinderen onder dak komen, als de geloovers het aardsche slyk konden meênemen naar hun hemel. Als ze sterven moeten, koopen ze hun lievenheer om, door hem 'n deel te bieden van den buit, om daarmeê de joyeuse entrée in de zaligheid te betalen. Er zou geen voordeeliger betrekking wezen, dan die van god in een Staat waar veel armen zyn, als-i maar wat meer kon rekenen op z'n administrateurs. Godsdienst en menschenliefde staan lynrecht tegenover elkander. [81]

Een Javaansch hoofd vraagde my eens, hoe 't kwam dat er in Nederland zooveel weeshuizen waren? ‘Zou men anders 'n ouderloos kind laten omkomen?’ vraagde hy...

Nu weêr naar Rusland:

‘Chaque habitant peut couper tout le bois de feu, nécessaire à sa consommation...

‘les droits de chasse, de pêche et de cueillette sont à la disposition de tous...

‘les jours de fête on mange de la viande, rôtie dans de la graisse, ou dans le beurre de vâche. On prépare quelquefois un mets nommé bichbarack, composé de viande hâchée, d'orge, d'oignon et de légumes assaisonnées de sel et de divers aromates...

‘les jeunes gens s'amusent une fois par semaine au jeu de balle, à la lutte, à la course, et se disputent les prix institués à cet effet par les notables. Ils se livrent aussi au chant...

‘Un repas copieux termine toujours certaines journées de travail...

Voeding van een Baschkir-huisgezin, uit den laagsten stand, gedurende een jaar. Twee mannen, twee vrouwen en vier kinderen. [82]

Tarwe, rogge, gerst, haver. . . . . . . . . . . . . . . 1443 kilo
Boter en room. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63 kilo
Melk, kaas, eieren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3866 kilo
Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 226 kilo
Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274 kilo
voorts zout, peper, kaneel, koek, thee, suiker en honig.    

Dit alles wordt genoten door een arm gezin in het barbaarsche Rusland! En in datzelfde land verbruikte: 

Een gezin van karrevrachtryders (tien personen, waaronder twee kinderen beneden de vier jaar) in de steppen van Oremburg:

Tarwe, rogge, enz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7,177 kilo
Boter, vet en olie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123 kilo
Melk, eieren enz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1,060 kilo
Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 642 kilo
Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1,724 kilo
Zout, honig, peper, enz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135 kilo
Diverse gegiste dranken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10,060 kilo

Aanhalingen uit Le Play's werk:

‘dans ces occasions - op feestdagen - on mange une grande quantité de mets, six à huit par repas: des soupes de viande aux navets, au vermicelli, des viandes froides à la gélée, ou des pâtés farcis; des rôtis de boeuf, de mouton, de cochon de lait, de poules, de canards, d'oies, et de dindons; des boudins au gruau; beaucoup de gruaux diversément assaisonnés de lait, de crême, de beurre, d'oeufs, de miel; des galettes, des bouillies frites; des flans, diversément assaisonnés de beurre, d'oeufs, de crême, de miel...

En zulke feesten komen gewoonlyk negen-en-twintig malen in 't jaar voor! [83]

Dat barbaarsche Rusland! Nu weet ik wel, dat de menschen daar toch niet recht gelukkig kunnen zyn, omdat ze 't ware Geloof niet hebben, en geen Kieswet als wy, maar toch betwyfel ik of ze zouden willen ruilen. Ik denk dat ze verblind zyn door indigestie van welvaren.

Ons strafwetboek is altyd in de maak. - Toch straffen de rechtbanken maar altyd voort. Hoe durven zy dit te doen, als zyzelf erkennen dat de bepalingen op 't straffen niet deugen? - Nu, hoe zou 't wezen als we in de nieuwe wet vaststelden, dat hoofdmisdaden zullen gestraft worden met verbanning naar de steppen van Oremburg? Of zou misschien die strafbepaling den Nederlandschen hongerlyder verlokken tot misdaad? 't Is mogelyk, en zelfs waarschynlyk. 

Lastdragers-schuitevoerders in Centraal Rusland. Twee mannen, vier vrouwen en één kind van negen jaren, gedurende een jaar. Één man gedurende een halfjaar, en één man in tachtig dagen, gebruikten te zamen:

Haver en gerst. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6,502 kilo
Boter, room, vet en olie. . . . . . . . . . . . . . 95 kilo
Melk en eieren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1,286 kilo
Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 328 kilo
Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1,087 kilo
Specery en toespys. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153 kilo
Gegiste dranken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7,300 kilo

Aanhalingen uit Le Play's werk:

‘les membres de cette famille appartiennent à la classe la plus modeste...

‘les jeunes filles se réunissent assez souvent dans la belle saison, pour se livrer à la danse...

‘les récréations principales sont les fêtes de mariage, les réunions de travailleurs, et surtout les repas copieux pris dans ces occasions, et dans une multitude de fêtes et de réunions... [84]

Smid en kolebrander in Noord-Rusland. Sterkte: man en vrouw met vyf kinderen, oud 19, 11, 9, 7, en 1 jaar.

Tarwe, gerst, haver, enz. . . . . . . . . . . . . . 2,027 kilo
Boter en olie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22 kilo
Melk en eieren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2,243 kilo
Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285 kilo
Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 763 kilo
Toespys en specery. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55 kilo
Gegiste dranken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16 kilo

Het maken van dergelyke specifieke uittreksels uit het boek van Le Play zou my verder leiden dan in dit schryven past. Wel ware dit belangryk, maar 't zou te huis behooren in een uitvoerig werk dat geschreven werd om de oogen van 't Nederlandsche Volk te openen, en ik stel my voor dit te doen, zoodra ik in staat zal wezen geregeld te arbeiden. Nog eenige korte aanduidingen zullen voldoende zyn voor m'n tegenwoordig doel. [85]

Opgave van het gebruikte aan vleesch of visch in één jaar, door de gezinnen van een:

Smidsgezel te Danemora (Zweden). . . . . . . . . . . . . . . . . . 420 kilo
Werkman by de kobaltmynen, te Buskerud
(Zuid-Noorwegen). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
489 kilo
Smid te Samakowa (Turkye). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172 kilo
Landman in Middel-Hongarye. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 443 kilo
Gieter by de zilverwerken te Schemnitz (Hongarye). . . . 191 kilo
Schrynwerker te Weenen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72 kilo
Kolebrander in Carinthie (één persoon.). . . . . . . . . . . . . . 44 kilo
Arbeider in de kwikmynen te Carniola (Oostenryk). . . . 31 kilo
Mynwerker in den Opper-Hartz (Hanover). . . . . . . . . . . 85 kilo
Werkman by een yzergietery in Pruissen. . . . . . . . . . . . . 77 kilo
Arbeider in een wapenfabriek te Solingen . . . . . . . . . . . . 314 kilo
Wever in Pruisen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73 kilo
Horlogiemaker te Geneve . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153 kilo
Horlogiemaker te Geneve (een ander gezin) . . . . . . . . . . . 148 kilo
Boerenarbeiders familie in Castilië . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62 kilo
Mynwerker in Galicië (Een persoon gedurende 210 dagen)    
Dit is alleen visch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 kilo
Werkman in een messenfabriek te Londen . . . . . . . . . . . . 297 kilo
Werkman te Sheffield . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217 kilo
Schrynwerker te Sheffield . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 208 kilo
Werkman in een yzergietery (Derbyshire). . . . . . . . . . . . 240 kilo
Daglooner in de wynbergen te Armagnac . . . . . . . . . . . . . 171 kilo
Idem te Morvan (Deze klasse van menschen gebruikt slechts eenmaal 's jaars vleesch. Hun toestand wordt dan ook beschreven als zeer ellendig.) . . . . . . . . . . . . . . 4 kilo
Daglooner in de Maine. (Opmerking als boven) . . . . . . . 4 kilo
Daglooner in Neder-Bretagne. (Opmerking nagenoeg als boven) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 kilo
Maaier in de Soissonnais. (Opmerking als boven) . . . . . . . 5 kilo

Zonder nu te willen beweren, dat alleen het gebruik van vleesch de krachten der bevolking voortbrengt en regelt, verdient het toch aandacht dat er zooveel huwelyken in de laatstgemelde provincie onvruchtbaar zyn. Ik vind in zeker dorp van de Soissonnais, op 73 huisgezinnen, slechts 98 kinderen opgegeven.

Het oordeel van Malthus over de verhouding tusschen bevolking en voedingsmiddelen, is bekend. Maar minder bekend is de opmerking die ik geloof te moeten maken, dat men by die verhouding niet alleen behoort te letten op 't cyfer der bevolking, maar tevens wel degelyk op 't gehalte. 't Ware te wenschen dat het gebrek aan voedingsmiddelen in Nederland, zich openbaarde in minder geboorten, maar dan van een ander soort.  *   Onze bevolking neemt normaal toe, maar... 't is er ook na, of naar! [86]

Gietersgezel in de Nivernais. . . . . . . . . . . 106 kilo
Mynwerker in Auvergne. . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 kilo
Wever te Mamers (Sarthe). . . . . . . . . . . . . . . 17 kilo
Hoefsmid in de Maine. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35 kilo
Waschman blanchisseur te Parys. . . . . . . . . 341 kilo
Vodderaper te Parys. (Het gezin van dezen man bestaat
slechts uit man, vrouw en een dochtertje van
13 jaren.). . .. . .
33 kilo

Ik geloof de aanspraken van den Nederlandschen werkman niet te hoog te stellen, als ik voor hem vorder: minstens gelykheid met een voddekrabber. Ik zal daarom hier eenige aanhalingen laten volgen uit het werk van Le Play, die den toestand van zulk een industrieel voldoende blootleggen, om dien te kunnen vergelyken met het bien-être van den smid, den timmerman, den schrynwerker, den fabriekarbeider ten-onzent, lieden die in hun bedryf toch allen een zeker kapitaal meebrengen van kennis, van handigheid, bekwaamheid en kracht, terwyl de voddekrabber geen andere bezitting inlegt, dan oogen, beenen, een haakstokje, en wat relatie met 'n opkooper van z'n straatoogst.

La famille fait régulièrement deux repas par jour. La petite fille emporte en outre à l'école un troisième repas...

Het déjeuner bestaat uit koffi met melk en suiker, en brood. De koffi is vermengd met 25% chicorei. Het diner uit: soupe a la graisse et au pain, een schotel linzen of witte boonen, ryst of vermicelli. Eens in de week vleesch - dit wordt toebereid gekocht op de markt St. Honoré - met aardappelen of uien. Eenmaal 's weeks: fromage de Brie...

‘Quelquefois en outre on ajoute à chacun des mets ci-dessus indiqués, du fromage de Brie, des pommes de terre, ou des oignons frits...
‘Pendant trois mois de l'été, une fois par semaine, on achète de la viande de boeuf ou de vâche, chez le boucher. On en mange le premier jour une partie bouillie et chaude, puis, le deuxième jour, le reste froid avec de l'huile ou du vinaigre; on mange deux autres jours de la soupe au pain, et de la salade; pendant les trois autres jours, diverses sortes de légumes, achetés ordinairement dans le temps où ils abondent, parfois aussi en temps de primeur...

En temps de primeur... verbeeld u... jonge dopërten! En onze Nederlandsche werkman?

Maar ik spreek hier niet van een werkman, ik spreek van een vodderaper. Le Play noemt hem, uit beleefdheid of ter-bekorting: ouvrier, en dit moge juist wezen in wetenschappelyk-économischen zin, op den maatschappelyken eertitel van werkman heeft de voddekrabber geen aanspraak.

‘l'ouvrier prend quelquefois en rentrant le soir, un morceau de pain...
‘l'enfant emporte chaque matin en s'en allant à l'école, deux tartines faites de pain tendre...

Pain tendre... fyn witbrood... een voddekrabberskind!

Ik gun het aan 't meisjen, o ja! Maar... wat krygen de kinderen van onze werkluî mede naar school? Ik herinner me hoe eens te Brussel, een dienstmeisje weigerde roggebrood te eten, dat ik als zeldzaamheid had meêgebracht uit Holland. Ze zei: c'était pour les chiens et les chevaux. Ik beweer niet dat dit meisje daarin gelyk had. Ik haal 't maar aan om te doen zien welke pretentiën er in 't buitenland gemaakt worden door personen uit den geringen stand. Al keurt men nu die aanspraken af, er blykt uit: aan welke pretentiën ze gewoon zyn, welke aanspraken hun toestand blykt te veroorloven. 't Is er ver af, dat wy den werkman ten-onzent zouden hoeven te berispen over te groote keurigheid. Maar ik erken dat diensboden vaak lastig zyn. Ze zyn bedorven door te nauwe aanraking met halve fatsoenlykheid, of fatsoenlyk onfatsoen.

Wit brood dus, en:

‘du pain tendre, et une compôte de fruits...

Compôte de fruits... een voddekrabberskind! Zeer goed. Ik gun het dat meisje nog-eens, en hartelyk, maar... de kinderen van onze werkluî, wat krygen zy meê naar school?

‘la famille mange une grande quantité de fruits, et elle fait comme réjouissance, quatre repas copieux chaque année...
‘l'habitation située à un deuxième étage, consiste en une grande chambre (six mètres sur trois) ayant vue sur un jardin...
‘le mobilier est proprement entretenu; il est simple, sans indiquer le denûment; quelques objets, tels qu'un fauteuil, une montre, une bibliothèque, indiquent une tendance au luxe bourgeois. Les vêtements des deux époux sont propres. Ceux de la petite fille ont même un certain dégré d'élégance...

Een bibliotheek... élégance in de kleeding van het kind! En onze werklieden?

Nu volgt het hoofd: récréation: uitspanning van 't gezin des voddekrabbers.

De schryver erkent dat dit door hem gekozen voorbeeld geen type is van 't geheel. Dit zou ook ongerymd wezen. Het voorbeeld heeft niet ten-doel te bewyzen: hoe de vodderapers te Parys leven. Het toont aan: hoe 't leven te Parys voor een vodderaper mogelyk is.

‘les principales qualités de l'ouvrier, le développement de l'esprit réligieux, l'habitude de la réflexion, et l'amour de la famille, se révèlent dans le choix de ses récréations. Toutefois celles-ci se ressentent aussi de la pénurie du ménage... [87]

Een pénurie die den Nederlandschen werkman zou voorkomen als weelde.

‘sa distraction habituelle est de s'entretenir avec sa fille, et de lire à haute voix la bible, ou un autre livre réligieux... [88]

De man, hoewel van geboorte Italiaan en katholiek, heeft neiging tot het protestantisme.

‘en accompagnant cette lecture de réflexions et de commentaires, souvent empreints d'une profonde connaissance de la vie, et du coeur humain... [89]

Men vindt dit veel by menschen die 'n zwervend leven leiden. Herders, bedelaars, Chaldeën, woestynbewoners, Zigeuners, nomaden, volkeren of individuen zonder vaste woonplaats, schynen uit hun omdwalen iets eigenaardigs optedoen. (378) De man van wien hier sprake is, had veel gezworven. Onder anderen was hy in z'n jeugd te Harderwyk geweest, en werd daar aangenomen als Nederlandsch held. Het schynt dat die betrekking hem niet aanstond. Altans hy liep weg, en is dus aan den Nederlandschen Staat z'n handgeld schuldig. Maar ik vind beter dit niet terug te vorderen, schoon 't een prachtig onderwerp wezen zou voor Kamerspeeches en geleerde diplomatieke verwikkelingen. Ik beweer dat de man z'n handgeld ruim vergoedt door de gelegenheid die hy ons geeft, om den toestand van 't Nederlandsch Volk te vergelyken met den toestand elders. Mocht ons braaf ministerie hem lastig vallen om die schuld, dan stel ik m'n lezers voor, dat gezamenlyk voor hem te betalen. Het zou m'n geweten bezwaren, als ik 'm door myn schryven in ongelegenheid bracht.

Wat overigens dat lezen aangaat van bybel en godsdienstige boeken, niet dáárdoor is de man goed van gedrag, niet dáárdoor weet hy zich in z'n lage maatschappelyke betrekking te verheffen tot een denker. Juist andersöm. De man is een denker, hy houdt van onderzoek, dat en zóó is hy geworden door loopbaan en neiging. Z'n lezen is gevolg, geen oorzaak van zyn zedelyke hoogte. Hy zoekt waarheid, en als-i ten-slotte bemerkt dat die niet te vinden is in z'n lectuur, zal hy z'n bybel wegwerpen en de verloren inspanning betreuren, tenzy deze hem den weg wees naar betere bronnen van kennis, of de behoefte daaraan opwekte.

Wie de juistheid van myn oordeel over bybelsche lectuur betwyfelt, lette op de liederlykheid, neen... op de smakeloosheid van onzen geringen stand, die zooveel tractaatjes leest. Al die crinolienzangers hebben bybels in huis.

‘les plus grands plaisirs de la famille sont les quatre repas des jours de Noël, du Mardi-gras, de Pâques, et de Pentecôte. Le mets composant ce repas est un macaroni au beurre et au fromage. On y ajoute un litre de vin.
L'ouvrier ne fréquente point les autres familles des chiffonniers; il ne boit jamais avec eux. Huit fois par an, il va faire un petit repas à la barriére, avec sa femme et sa fille. Il mâche les bouts de cigare qu'il ramasse dans la rue. La femme achete du tabac à priser. L'un des plus grands plaisirs des parents est de faire de temps en temps un petit cadeau à leur enfant...

Ik stap voor ditmaal af van het werk van Le Play, dat een gezette studie overwaard is. Het geeft stof tot vergelyking en diep nadenken. Ook tot op- en aanmerkingen. Die allen te voorzien en te beantwoorden, zou mij te-ver leiden. Bovendien, veel aanmerkingen maak ikzelf. Wat een Franschman soupe noemt, is dikwyls slechts een lauw zout watertje met wat broodkruimels. Hy geeft vaak mooie namen aan onbeteekenende dingen. 't Woord bibliothèque moet waarschynlyk vertaald worden met boekerekje. Compôte aux fruits zal wel beduiden gekneusde appelen, meer niet, enz. [90]

Doch... laat ons zien wat hier-te-land wordt gebruikt. In Nederland is volgens officiëele opgaven - die ditmaal juist zullen wezen, wyl de cyfers moeten overeenstemmen met de ontvangen accyns - in één jaar aan rundvleesch gebruikt voor veertien miljoen gulden.  *  

Dat is dus gemiddeld ruim vier gulden per hoofd. [91]

Dit cyfer is welsprekend. Hier is geen sprake van weelde, van overdaad. Hier helpt geen godsdienstige afkeer van alles wat lykt naar vroolykheid, pret, wereldschen zin. Hier wordt gesproken van 't noodige.

Wy beklagen hier den werkman, niet omdat-i verstoken is van Oostersche pracht, van parysche verfyning... 't is hier om vleesch te doen, om vleesch dat in zyn weiden groeit. Vleesch van de runderen die hy ziet grazen, die hy loeien hoort in 't veld. Vleesch, dat-i ziet te-koop hangen in de winkels der slachters. Vleesch, dat-i ziet wegvoeren naar Engeland...

Vleesch, dat hy overal ziet of waarneemt... behalve op zyn tafel, behalve op zyn schotel, behalve inzyn maag.

Vleesch, dat-i noodig heeft om gezond te zyn naar ziel en lichaam. Om 't werk te verrichten dat van hem geëischt wordt. Vleesch, dat zich in hem zou behooren omtezetten in spieren en bloed, met evenredige levenslust, wilskracht en energie.

Is 't niet treurig? [92]

Men heeft op dit cyfer van vier gulden 's jaars per hoofd deze beide aanmerkingen gemaakt:

De opgave van 14 millioen gulden aan geslacht rundvleesch, berust op de geboekte accyns. Er kan gesloken zyn.

Ja, zéker is er gesloken. De hatelyke accyns wordt zooveel mogelyk ontdoken. Wie durft het wraken? Maar aannemende dat het geslokene 10 pct. bedraagt van 't aangegeven cyfer - méér zal men toch niet durven stellen - dan verhoogt dit de waarde van 't door één persoon 's jaars genoten rundvleesch, tot op nog geen ƒ 4½. Verandert dit iets aan de zaak? Bovendien, de vraag is niet, of de arme, de werkman - jazelfs de middelstand voor een groot deel - of hy voor vier gulden per hoofd aan vleesch gebruikt, dan wel voor vier en een half?... de treurige waarheid is: dat al die personen geen vleesch gebruiken. Dit immers volgt uit de opmerking, hoevelen er in die veertien-millioen deelnemen voor vyftig gulden, voor honderd, tweehonderd gulden 's jaars, en meer.

Een tweede aanmerking was deze:

De geringe man gebruikt by voorkeur varkensvleesch of spek.

Varkensvleesch eet hy weinig. Het is te duur. Spek gebruikt hy wanneer-i dat betalen kan - straks zullen we zien of en in hoeverre dit het geval is - maar hy gebruikt het niet by-voorkeur. Volstrekt niet. Althans niet by-voorkeur van smaak. Evenmin omdat hy zich bemoeit met berekeningen over voedingsvermogen of verwarmingskracht van 't vet. Dit laatste zou bovendien 's zomers geen reden zyn om spek te eten.

Het gebruik van spek by den arme, heeft 'n andere reden. Hy heeft vet noodig om aardappelen te slikken. Wat het vet in de maag uitwerkt, gaat hem niet aan, hy gebruikt het voor de keel. Scheikundigen die in filanthropie doen - ik bedoel dezulken die by hun wetenschap gezond verstand kunnen gebruiken, en niet uit boekerigheid afkeerig zyn van de onomstootelyke waarheid der feiten - worden uitgenoodigd eens de voedingskracht te ontleden van 't maal dat byv. de amsterdamsche werkman gebruikt. Daarby is van vleesch geen spraak. En zelfs meestal niet van vet. Het surrogaat daarvan is ‘kattenburger doop’ namelyk: water en azyn.

Men zou 't den soldaat niet durven voorzetten. Jazelfs den gevangene niet. En men bedenke dat de werkman arbeiden moet, dus meer behoefte heeft aan goed voedsel, dan gevangenen of militairen.

Wie officiëel in den kost is by den Nederlandschen Staat - door misdryf of conscriptie dan - heeft aanspraken. Hy kan reclameeren. Dit kan de werkman niet, naar 't schynt. En daarom doe ik 't voor hem, by dezen. Men schynt te meenen dat de arbeider geboren is tot onthouding, verdriet, geloof, vermoeienis, zweet, hongerlyden en berusten. Ik geloof aan vooruitgang. Tot alle vooruitgang is beweging noodig. Die beweging ontbreekt in Holland. De arme teert zwygend weg. Hy heeft de geestkracht niet om verbetering van z'n lot te vorderen, en juist datzelfde lot belet hem om te geraken tot geestkracht. Dit alles loopt rond in 'n fatalen kring die verbroken moet worden. En dit kan wel. Ik zal 't beproeven. [93]

Ik wil hier 'n opmerking tusschenvoegen, die geheel thuishoort op economisch terrein, en die ik dringend aanbeveel in de attentie van heeren filanthropen. Hoe komt het, dat een slaaf in Oost of West - vóór de afschaffing  *  - geldswaarde had, en dat het Nederlandsch individu geen geldswaarde heeft? [94]

Een slaaf kon door matig werk, de kosten opbrengen van z'n onderhoud. Men was door eigenbelang genoopt - en waar dit zweeg, door de wet gedwongen - hem te onderhonden. De meester verschafte hem deksel en voedsel, beiden in overeenstemming met z'n behoeften. Jazelfs was 'n eigenaar den slaaf ondersteuning schuldig, in-geval van ziekte of verwonding. Al deze uitgaven konden bestreden worden uit de winsten die de arbeid van den slaaf afwierp. En bovendien werd uit die winst gedekt: de rente en risico van 't voor inkoop van den slaaf betaalde kapitaal.

Eilieve, welk kapitaal zou men durven uitgeven voor een werkman ten-onzent? - Wie zou hem - onder verplichting van behoorlyk onderhoud - durven koopen, wanneer hy mocht te-koop gesteld worden? Niemand.

Een afrikaansch dier van 't genus: homo, had geldswaarde. De eigenaar eener negerin die verloste, deed winst.

Een Nederlandsch dier van dat genus, heeft geen waarde. Elk kind dat hier ter-wereld komt, is 'n lastpost.

Ginds brachten de geboorten rykdom aan. Hier vermeerderen zy de armoede. Daar stal men kinderen en menschen. Hier legt men ze te-vondeling. Gemeenten of armbesturen kibbelen en procedeeren om 't eigendomsrecht van zich afteschuiven.

Hoe is dit, filanthropen, christenen, wereldbeschavers? Hebben al uw bemoeienissen niets voortgebracht dan dit? Niets dan dat gy op uw eigen pryscourant den mensch hebt gebracht beneden de waarde van een rund?

Hoe, die zwarte slaverny was zoo afschuwelyk, hebt gy gezegd... dat verkoopen en koopen van menschen streed tegen uw gevoel, wyl de koopwaar werdt gelykgesteld met paarden, kalveren of ander vee... en gy ziet het koelbloedig aan, dat in ons land, in 't land der witte slaverny, uw eigen landgenooten ver beneden dat vee staan? Het stuitte u nooit, dat de eigenaar van een kalf waarde ontvangt voor z'n beest, en dat in uw land niemand eigenaar zou willen wezen van een mensch, dan onder schadeloosstelling voor den last van 't bezit? Het hindert u niet dat een neger of koebeest bate was of is, en uw arme landgenoot schade? Het kalf plus, de mensch minus?

Hoe is dit, filanthropen?

Het afschuwelyk menschenslachten in Dahomey strydt niet tegen myn beweren dat de waarde van 't neger-individu, in économischen zin, boven die van den blanke staat. Dat slachten zou ophouden, als men dien koning - koning! - geld bood voor z'n offers. Maar geldbieden voor een mensch... foei! Slachten, en toelaten dat-i geslacht wordt, is veel menschelyker, niet waar? [95]

Wat overigens die afschaffery van 't slavenstelsel aangaat, herinner ik my een voorval dat de hartelyke innigheid kenschetst van de uithangmannen by zulke bewegingen.

Voor tien, twaalf, jaar woonde ik, in een maçonnieke loge, de receptie by, van iemand die naar Berbice of Demerary zou vertrekken. By 't gezellig onderhoud dat er volgde op de ceremoniëele behandeling der zaak, vraagde en kreeg een oud advokaat het woord. Hy ‘broederde’ vreeselyk, en had tot tekst zyner toespraak gekozen: de slaverny. Nu weet ik niet recht, of 't wel te-pas kwam - want ik meen dat de slaverny al lang was afgeschaft in de kolonie waarheen de nieuwe ‘broeder’ vertrekken zou - maar hoe dit zy, al had dan de jonge metselaar de toespraak niet noodig, de spreker had de slaverny noodig om z'n toespraak te houden. 't Duurde lang. Het was een pelotonsvuur van woorden als: vertrapt menschenrecht, allemaal gods kinderen, rechten der natuur, beschaving, zedelykheid, broederschap, en wat er verder by zoo-iets hoort. Hy waarschuwde den broeder, hy onderrichtte den broeder, hy vermaande den broeder, hy smeekte den broeder, en hy dreigde den broeder. Alles in 't belang van de arme negers. De wyn verschaalde er van, en ik denk dat de nieuwe broeder - als ten-minste z'n hart goed was - zich voornam zyn slaven nooit te straffen met zulke lange toespraken.

Na den toast - of de preek - zei ik, niet als speech, maar zoo-als men spreekt in gezelligen kring, dat ook ik de slaverny afkeurde, maar dat er dikwyls iets liefs werd gevonden in de verhouding tusschen slaaf en eigenaar. Ik vertelde, hoe 'k eens een klein slavejongentje had hooren zeggen tot 'n vryen loonbediende: houdje stil, zwyg... jy moogt niet meespreken... ik hóór by m'nheer, ik ben z'n eigen kind (saya toewan poenja anakh sendiri, loe tjoema orang-sewah) jy bent maar 'n huurmensch. En ik haalde eenige feiten aan waaruit bleek dat er - by al die gruwelen die er door slaverny ontstaan - toch nu-en-dan iets goeds kan voortvloeien uit het stelsel, al deugt dan ook dat stelsel zelf niet. Ik meende onpartijdig te oordeelen daar ikzelf nooit slaven bezeten had, nooit langer altans dan na 't koopen noodig was tot vrygeven.

Maar zie, de advokaat werd boos. Nu onderging ik een speech die hierop neerkwam, dat alle menschen die 'n groot deel van hun leven hadden doorgebracht in landen waar de slaverny bestond, verdorven waren van hart, verstompt van gevoel, enz.

Ik droeg myn lot geduldig. En toen 't uit was, vraagde ik het woord, ditmaal vormelyk.

Ik zeide: ‘dat ik geroerd was door de toespraak van den broeder. Dat ik inzag geen behoorlyk Nederlandsch hart te hebben. Dat dit my zeer speet. Dat ik verging van wroeging over de smetten in m'n bloed. Dat ik alles toestemde wat de broeder dáárover, en over de slaverny, had georeerd, of oreeren zou. Dat ik berouw voelde...

Hier haalde 'k m'n portefeuille uit, en vraagde een blaadje of bord.

‘dat ik m'n berouw toonen wilde...

Ik nam wat bankpapier, en legde dat op het blaadje.

‘dat ik naar myn vermogen wou meêwerken tot het vrykoopen van slaven...

Ik bood den broeder 't bord aan. De man was ryk.

‘en dat ik niet twyfelde of de broeder die zoo schoon gesproken had...

De ‘broeder’ was opgestaan, en zocht z'n hoed...

Ik heb 'm nooit weêrgezien. [96]

Nog-ëens, filanthropen, hoe is dit? Waarom toch hebt gyzelf de slaven niet vrygekocht? Waarom laat ge uw menschenliefde betalen door den arme die meê bydraagt tot het budjet, waarop de afkoop geaffecteerd is?

De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel, maar... ze was openlyk, oprecht, frank. En: de slaaf werd beschermd door de wet.

Wie beschermt den witten slaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dàt is een gruwel, filanthropen, en een gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid.

De invoering eener gereglementeerde slaverny, met verplichting aan den kant des meesters, om z'n eigendom behoorlyk te onderhouden, zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor 'n blanke, en daarom is 't onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven de begrippen die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid van 't patronaat, met 'n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht. [97]

De christelyke beschaving is fyn en slim in haar berekeningen.

Zy zegt: gy moogt niet verkocht worden... ze meent: ik wil u niet koopen. Zy zegt: ik wil niet dat gy slaaf zyt... ze meent: ik wil uw eigenaar niet wezen. Zy zegt: behoud uwe waarde als mensch... ze meent: ik wil myn kapitaalswaarde niet verliezen. Zy zegt: geen vernedering voor u... ze meent, geen schade voor my.

Want, de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z'n maag levert hem gebonden over, aan ieder die hem 'n maal aardappelen met azyn betaalt. Hy is slaaf, minus 't recht op onderstand, minus registratiekosten, minus gezegelden koopbrief, minus rente en risico. [98]

Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf die werken kan, en betaalt hem als 'n voorganger, met 'n maal aardappelen daags...

Moeten dan de fabrikanten hun betaling verhoogen, de werkbazen hun loon? Volstrekt niet. Dit kunnen zy niet. Die betaling is geregeld door de verhouding van vraag en behoefte. [99] Er kunnen evenwel maatregelen genomen worden om die verhouding gunstiger te maken. Altans men kan zich die vraag voorleggen. Maar dit behoort in de volgende afdeeling, of liever, ik zal later de kwestiën over tarief en vryhandel - want op dit terrein hoort deze zaak voor 'n groot deel thuis - afzonderlyk behandelen. 't Is heel eenvoudig gelyk alles, wanneer men maar in oprechtheid zich voorstelt: wat de vraag is, en niet met infame bruggemanstaktiek byten hakt, om wat te verdienen aan onnoodige plankjes. (340)

Weinig vraagstukken zyn onöplosbaar, en 't zou wel heel ongelukkig wezen, als 't zoeken naar voldoend levensonderhoud onder die weinige kwestiën behoorde. Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volk schandelyk. Zeven-achtste deel der gehuwde mannen moeten de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, met minachting neêrzien op 't verwaand menschdom, als ze wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom 't aanzit.

Ik zeide dat er in Nederland dooréén slechts voor vier gulden 's jaars aan rundvleesch wordt genoten door elk individu. Of liever, dat zoo velen in 't geheel geen vleesch eten. En ik heb reeds eenige opmerkingen beantwoord, die ik op deze meêdeeling verwachtte. Nu zal ik dezelfde treurige waarheid eens betoogen langs anderen weg. Stel dat de opgaven der accynsen onjuist zyn. Dat er veel wordt gesloken, zooveel zelfs dat er in Nederland, niet voor veertien millioen gulden 's jaars, maar voor tien of twintig malen méér aan runderen wordt geslacht. Waar blyft dan dat meerdere vleesch? Wie koopt het? Wie gebruikt het?

De werkman? Immers neen, want al berekende men dat er honderdmaal meer vleesch ter-sluik werd ingevoerd en geslacht dan aangegeven is, dan blyft het toch altyd waar, dat de betaling daarvan de middelen van den werkman te-bovengaat.

Stel verder - maar 't is zoo niet! - dat hy liever schapenvleesch gebruikt, of spek. Neem zelfs aan dat die spyzen gezonder zyn, voedzamer, meer warmte ontwikkelend.

Dit belet dan toch niet, dat ook dat schapenvleesch moet worden betaald met 25 à 30 centen, en varkensvleesch met 35 à 40 centen het pond.

Vanwaar bekomt de werkman die centen, die stuivers? Vanwaar vooral bekomt hy de guldens, waartoe ze aangroeien als men rekent by week of maand?

Ik geef u hier de begrooting van een hollandsch huisgezin. Later hoop ik er meer te publiceeren, en ik zal ze den Koning voorleggen, opdat hy wete hoe de arme drommels gevoed worden, die zoo schreeuwen en geestdriften, als hy Amsterdam bezoekt. Kan de Koning 't helpen... vraagt ge? Dit beweer ik niet. Maar wel beweer ik, dat een Koning zulke dingen weten moet, en dat de ministers behooren weggejaagd te worden, die hem onkundig laten van den toestand des Volks

Budjet van een huisgezin te Amsterdam. Inkomen: Zes gulden in de week, vrye woning en vry brandstof. Sterkte: man, vrouw, drie kinderen van 7 tot 10 jaren. [100]

De man was vroeger by de kavallerie, en heeft z'n paspoort bekomen wegens expiratie van verplichte dienst. Hy heeft daarop z'n vorig beroep hervat, en dient nu sedert veertien jaren als knecht op 'n houtzaagmolen. Z'n patroon legt loffelyke getuigenis af over z'n gedrag. ‘Hy drinkt niet’ en doet goed z'n werk.

 

UITGAVEN: Centen daags. In de week.
Aan brood. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . 22½ ƒ 1,57½
Aan hoofdspys voor 't middagmaal. . . . . . . . . . . . . . . 20 ƒ 1,40
Dit bestaat uit 5 kop aardappelen, of 2 kop erwten, of 2 pond meel.    
Aan zout. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - ƒ -,7½
Aan boter, ½ ons daags. . . . . . . . . 5 ƒ -,35
Aan vet, ½ ons daags. . . . . . . . . . . 5 ƒ -,35
Aan peper, azyn, mostert, meel voor saus. . . . . . . . . . - ƒ -,15
Aan koffi, 2 ons in de week. . . . . . . - ƒ -,26
Aan gebrande stroop id. . . . . . . . . .  - ƒ -,03
Aan melk, ½ kan daags. . . . . . . . . .  3 ƒ -,21
Aan karnemelk, eens in de week,
     4 kan. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
     3 ons meel. . . . . . . . . . . . . . . .      1½ ons stroop. . . . . . . . . . . . . .
- ƒ -,20½
ƒ 0,10
ƒ -,06
ƒ -,04½
Aan olie voor licht, in de week. . . . . - ƒ -,09
Aan zeep, styfsel, blauwsel, droogwater, in de week - ƒ -,20
Aan garen, band, sajet . . . . . . . id. - ƒ -,20
Aan contributie aan 't begrafenisfonds id. - ƒ -,18
Aan schoolgeld voor een kind. . . . . . id. - ƒ -,10
Aan tabak, scheren, en soms een glas Jenever. - ƒ -,40
Totaal. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .   ƒ 5,77½

Uit de overschietende 22½ cent in de week, moet betaald worden: kleeding, schoeisel, onderhoud van de meubelen, geneeskundige hulp...

Het spreekt vanzelf dat die 22½ cts daartoe niet voldoende zyn. Mocht echter de welvarende lezer die geneeskundige hulp onnoodig achten, en tevens de post: onderhoud van meubels (!) willen schrappen, dan blyft toch altyd de behoefte aan kleeding bestaan. Het schoeisel vooral is zeer duur.

Ik heb my geinformeerd waaruit dit gevonden wordt, en daarop 't volgend antwoord bekomen:

Als er byv. een hemd noodig is, wordt dat gekocht op Zaterdagavend. Dan moeten de daarvoor uitgegeven 90 cts. worden bezuinigd op de voeding van de volgende week. In plaats van 5 kop aardappelen, worden er 3 kop daags gebruikt. In plaats van 2 kop erwten, 1½ kop, in plaats van 2 ponden meel, 1½ pond. Dit moet zoolang worden volgehouden tot het tekort aangezuiverd is. [101]

Gevraagd: Gebeurt het dikwyls dat op die wyze de dagelyksche begrooting moet verminderd worden om 'n uitgaaf van Zaterdagavend te verevenen?

Antwoord: Ja, er is altyd iets noodig. Als ik, of een der mynen een jas, broek of ander kleedingstuk moeten hebben, gebeurt het wel dat ik ƒ 10 of ƒ 12 voorschot vraag van den patroon. Dit moet dan worden aangezuiverd door inhouding van 50 centen 's weeks. Deze inhouding, gevoegd by de wekelyksche uitgaaf voor kleêren en schoenen, maakt dat wy, zoolang die aanzuivering niet afgeloopen is, moeten hongerlyden. In zulke dagen eten wy droog brood, en 's middags aardappelen of erwten met zout, zonder boter of vet. [102]

Gevraagd: Gy hebt op uw begrooting 40 centen 's weeks gebracht voor sigaren, scheren, borrels en tabak...

Antwoord: Ja. Maar zeer dikwyls doe ik deze uitgaaf niet. Ik gebruik zeer zelden, en dan nog weinig, jenever. Veel zou ik ook niet kunnen betalen. Maar ik beken dat ik soms voel een opwekking noodig te hebben om niet moedeloos te worden.  *  [103]

Gevraagd: Kan uwe vrouw niets verdienen?

Antwoord: Als zy kan, gaat ze uit schoonmaken  †   en verdient dan acht stuivers. Maar daarop kan niet worden gerekend, omdat er niet altyd ‘huizen’ zyn, en ook omdat zy zich overwerkt heeft, en bovendien geplaagd is met rhumatiek.

Gevraagd: Wie zorgt voor uw eten als uw vrouw uit schoonmaken gaat?

Antwoord: Dat maakt ze den vorigen avend gereed, en ik zet het op 't vuur, als ik van den molen kom.

Gevraagd: Wie zorgt voor uw kinderen, als uwe vrouw uit is?

Antwoord: De kinderen zyn op school, en krygen een boteram meê.

Vraag: Hoe is over 't algemeen de gezondheidstoestand van uw gezin?

Antwoord: Slecht. M'n kind'ren zyn zwak. Myn dochtertje van elf jaar lydt, uit zwakte, aan witten vloed. De dokter zei dat ze versterkende middelen moest gebruiken...

Bouillon, biefstuk? Zeker, dat zou goed zyn... maar:

... hy zei 'r niet by, in welke apteek die te verkrygen zyn.

Gevraagd: Doet gy wel eens uitgaven om uzelf, uwe vrouw, of kinderen eenig genoegen te verschaffen?

Antwoord: Ik weet niet waarvan ik 't betalen zou

En ik deed nog meer vragen welker meedeeling 't bestek van dezen brief te-buiten gaat, doch waarop ik zal terugkomen by latere behandeling van dergelyke toestanden.

Wie nu aanmerkingen mocht te maken hebben op de begrooting van dien werkman, wordt verzocht optegeven: hoe die begrooting dan zou behooren ingericht te zyn? [104]

Het is daarmeê als met de 1000 millioen die er in Indië verloren gaan onder 't bestuur van één Gouverneur-generaal die z'n plicht niet doet. Velen vinden dat cyfer overdreven, omdat ze, zoo-als vaak gebeurt, de kracht der vermenigvuldiging niet kennen. Welnu, men rekene uit, hoeveel er dàn in vyf- jaren tyds op onwettige manier wordt afgenomen van de veertig-millioen onderdanen daarginder, en neme daarby tot maatstaf de feiten in den ‘Havelaar’ en de opgaven in de ‘Minnebrieven.’ Die opgaven zyn nooit weêrsproken, wat ook niet doenlyk is. Wil men nu door verandering in de multiplicatie (Minnebr. pag. 145, volgg.) tot 'n ander resultaat komen, tot 800, tot 500 millioen? Tot 200, of zelfs tot 100 millioen? My is 't voorloopig wel, schoon ik de juistheid myner cyfers staande-houd. 't Komt waarlyk niet aan op 'n paar millioen meer of min, als slechts het feit geconstateerd is. Debat over nauwkeurigheid in slotsommen volgt later. En ik ben nieuwsgierig naar 't resultaat van hen die my beschuldigen van overdryving. 't Zou waarlyk komiek wezen dien Van Twist te hooren beweren:

- Multatuli heeft overdreven. Ik kan narekenen en bewyzen dat er onder myn bestuur maar 500 miljoenen zyn verwaarloosd of geroofd... jazelfs, heel stipt genomen, is 't nog 'n driegulden minder, en dus...

Zoo gaat het veelal. Voorgewend wantrouwen in een cyfer wordt gebruikt om de waarheid aantetasten, die door zulk cyfer bewezen wordt, en die waarheid blyven zou, al kòn men iets afdingen op de volkomen juistheid der opgave. Hier nu, byv. de begrooting van den werkman. Ik noemde 't woord hongerlyden. Nu is niets gemakkelyker dan met Van Twist of anderen die zoo goedkoop tot rust komen, uitteroepen: overdryving! Maar ik vraag hoe men dàn die begrooting zou inrichten, zoodat de man géén gebrek lydt met z'n gezin?

Kom-aan, filanthropen, en gy vooral die uw eigen welvaart neemt tot maatstaf om 't geheel te beoordeelen, gy die vindt que tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes possible [105], schryft eens voor, hoe een werkman, die zes gulden in de week verdient - en al waren het twaalf! - z'n uitgaven behoort te regelen, om niet z'n bestaan voorttesleepen in ellende, zoo-als nu 't geval is. [106]

Zes gulden in de week voor een huisgezin! Eilieve, ik zie in 't verslag van het Fonds ter aanmoediging van gewapende dienst, dat er gedurende 1863, voor 84 verminkte en infirme militairen in 't invaliden-gesticht te Leiden, is uitgegeven ƒ 21,950. Dit bedraagt vyf gulden per hoofd in de week. Hoe kan dan een werkman, die kracht noodig heeft, die arbeiden moet, met zyn gezin bestaan van zes gulden? Bovendien, er worden voor zulke gestichten veel zaken in 't groot en dus goedkooper ingekocht, terwyl de werkman alles ten duurste betaalt.

Hoe woont overigens de arme, de minvermogende, ten-onzent? Jazelfs, hoe woont 'n groot gedeelte der burgerklasse? Meermalen heb ik daarop gedoeld (401, 429) en zal nu geen beschryving geven van de woningen der armen. Ik ben realistisch genoeg geweest in de laatste bladzyden en naar myn smaak zelfs te veel. Myne pen is moê van walg.

Maar over dat woonen, toch eene vraag, en 'n mededeeling.

De vraag is deze: zouden de heeren, die onlangs fondsen van anderen trachtten by-elkaêr te krygen, om hôtels op-te-zetten voor reizigers, niet beter doen hun eigen geld te gebruiken tot het bouwen van woningen voor armen? Maar... geen kazernes. Dit bereikt het doel niet. [107]

Ik begryp dat burgemeesters-filanthropen, als ze gereisd hebben, veel aanmerkingen maken op de europesche logementen, en vooral op die in Nederland. Maar als ze een tydje hadden doorgebracht in 'n kelderwoning te Amsterdam, geloof ik dat ze die logementen bovenal de moeite van 't hervormen zouden waardig keuren.

En nu de mededeeling. Ik geloof dat ze treffend is! Er bestaat in Nederland eene maatschappy tot Nut van 't Algemeen. Die Maatschappy houdt jaarlyks algemeene vergaderingen. De afgevaardigden der departementen hebben 't recht voorstellen te doen... natuurlyk moetende strekken: tot nut van 't algemeen.

In de laatste vergadering werd door het departement Franekeradeel voorgesteld:

den departementen aantebevelen, elk in zyn kring zooveel mogelyk onderzoek te doen naar de gesteldheid der woningen voor den geringen stand, armen of behoeftigen; of zy schadelyk zyn voor de gezondheid en den welstand, en daardoor nadeeligen invloed uitoefenen op het huiselyk geluk, en oorzaken zyn van kwyning, achteruitgang, zedeloosheid, onverschilligbeid, verdierlyking...

Ge ziet dat ik niet alleen sta in m'n oordeel over den invloed van het wonen op de zedelykheid.

en plaatselyke maatregelen te beproeven ter verbetering ten deze.

Zoover 't voorstel van Franekeradeel. Nu de behandeling in de zitting, volgens de gepubliceerde verslagen:

Het voorstellend lid licht zyn voorstel nader toe, en wil zelfs by de regeering, policie- of andere maatregelen hebben uitgelokt, om het voorgestelde doel te bereiken...

Dat domme departement Franekeradeel! 't Verdiende waarlyk geschrapt te worden van de ledenlyst der maatschappy: tot nut van 't algemeen.

Het lid Arum acht het een onbereikbaar ideaal...

Spoedig een eikenkroon voor dat lid Arum. Ik zei ten-onrechte dat er geen uitvindingen worden gedaan door ons Volk... zie Arum eens! Het heeft idealen weten te ontdekken - en onbereikbare nog-al! - in dingen waarin ikzelf ze niet zou gevonden hebben, ik, de droomer by uitnemendheid. En Arum vindt nog meer uit. Dat dichterlyke lid beweert:

dat het onderwerp in kwestie niet ligt op den weg der maatschappy tot nut van 't algemeen...

Ik vraag: wat ligt er dàn op dien weg? Tractaatjes? Bybels? Histories van brave hendrikken? Ik zou 't een schoone weg vinden, die tot nut van 't algemeen leidde naar behoorlyke woningen, al struikelde men dan niet op die wandeling over bundels preeken en verhandelingen. Maar ik schyn dit mis te hebben. Altans naar 't oordeel der afgevaardigden van onze maatschappy - tot nut van 't algemeen, vergeet dit niet! - had het dichterlyke Arum gelyk, en 't praktisch-domme Franekeradeel ongelyk:

Het voorstel werd by acclamatie verworpen... [108]

Is 't niet bedroevend? Gy begrypt dat er onder die acclameerende afgevaardigden, veel dominees zyn. Moesten ze niet in natte kelders worden gestopt, om daar door nauwte en vuil, door vocht en stank wat menschelykheid te leeren by hun godsdienst, of liever in-plaats daarvan?
 

II. Veel van 't verkeerde is te wyten aan onze Staats-instellingen. [109]

Algemeenheid van grieven lokt uit tot het bedenken van specieuse antwoorden. Een byzondere klacht eischt 'n verklaring die op de zaak past, maar zoodra een grief herhaaldelyk en van alle zyden wordt ingebracht, componeeren de betrokkenen een adagio dat de verantwoordelykheid schynt te dekken. Als gy of ik een brief verliezen, die ons werd toevertrouwd ter bezorging, zouden we verdriet voelen over dat geval. We zouden ons moeite geven om den klager tevreden te stellen door 't opgeven der redenen van het verlies, en door de meest mogelyke inspanning om 't verlorene terug te vinden. Maar by de postkantoren, waar herhaaldelyk brieven zoek-raken, heeft men 't makkelyker geoordeeld eens-vooral 'n paar frazen te bedenken, waarmeê alle klagers worden afgescheept:

- M'nheer, als de brief waarnaar ge vraagt, hier is aangekomen, is hy bezorgd. Klager exit.

- M'nheer, als uw brief hier op de post is gedaan, is hy verzonden. Klager exit.

- M'nheer, kunt gy verzekeren dat het opschrift luidde zoo-als ge zegt? Men kan zich vergissen in 't schryven van 'n adres... Dat is waar: klager exit.

Zulk een algemeen geldend antwoord - ik zeg dat zulke antwoorden als regel, niet gelden - zoo'n deun is er ook uitgevonden, om alle klachten over den toestand des volks te smoren, wanneer men die in verband brengt met onze Staatsinrichting. Dat antwoord luidt:

Dit is de zaak niet van de Regeering.

Het volk is zedeloos en onzedelyk... dit is de zaak niet van de Regeering.

Het Volk is dom... dit is geen Regeeringszaak.

Het Volk lydt honger, 't Volk woont ellendig, 't is uitgeput, malingre, moedeloos...geen zaak van de Regeering. [110]

Al die dingen liggen niet op den weg der Regeering, om te spreken met Arum en met de heele nuts-maatschappy, behalve 't nobele Franekeradeel.

Eilieve, wat ligt er dan toch wèl op dien weg? Wat, in 's hemelsnaam, gaat dan der Regeering wèl aan? Of gaat haar niets aan, ligt er niets op haar weg, dan 't kibbelen over 'n plaatsje voor dezen of genen staatsman?

Waarlyk, de heele Regeering lykt op 'n spoorweg-maatschappy die vergeten zou de treinen te doen loopen, om zich alleen bezig te houden met het benoemen van conducteurs. Ik kom daarop terug. 

Wat men in Nederland vryheid noemt, is niets dan een lafhartig en wantrouwend verdeelen van verantwoordelykheid. [111] Zie daarover m'n Ideen 5, 6, 7, 8, 9, 119, 120, 121, 135, 326, 329, 330, 332, 333, 334, 335.

Uit vrees voor tyrannie heeft men alles zoo ingericht, dat het lydende Volk zich op niemand beroepen kan. Een grondwetkoning is zoogenaamd onschendbaar, dus: niet aansprakelyk. Hy is verantwoord, wanneer-i zich stipt houdt binnen de beperkingen van zoo'n instrument, en wel genoodzaakt, om niet meineedig te worden, verstand, oordeel, bekwaamheid, goeden wil, hoogere inzichten, alles wat in hem is, voor 'n groot deel te besteden aan 't bestudeeren van militaire modes. Dit is zoo erkend, dat reeds by de opvoeding en opleiding van aspirant-koningen, alles wordt geregeld op 'n wyze die ze vatbaar maakt voor latere onbeduidendheid. (117)

Dat koningen soms gaarne wat meer en wat anders doen, is onlangs gebleken by den hollandschen watersnood. En men ziet die aandrift om toch óók eens iets te mogen wezen of te doen zonder verlof van den minister, overal by brand en dergelyke ongelukken. Altyd is daar 'n koning of prins by. Wel loopen ze dikwyls in den weg, maar mag dit worden kwalyk genomen, als men nagaat dat zoo'n voorval een der weinige gelegenheden aanbiedt, die hun den moed geven tot école buissonnière? Laat ons billyk zyn, en zacht oordeelen over personen die - alleen onder al hun medeburgers - verstoken zyn van 't recht zichzelf te wezen.

Een koningszoon moet, om eenmaal zyn beroep goed waartenemen, z'n karakter dooden, z'n geest uitblusschen, z'n wil onderdrukken. Om wat te wezen, moet-i niets zyn. [112] De grondwet leert dat-i eenmaal zal te teekenen hebben wat men hem voorlegt, en dat z'n hoogste verdienste of bekwaamheid wezen zal, geen bekwaamheid of verdienste te bezitten.

Waar individueele verdienste bestaat - en men ziet dit meestal by vorsten die niet werden opgevoed als troonopvolgers - is hun hoofdstreven, te verbergen dat ze minder onbeduidend zyn dan de grondwet voorschryft. Ze moeten dan hun bekwaamheid verstoppen, als 'n schuchter meisje haar gevoel.

Niets zou dus onbillyker wezen, dan een grondwet-koning aansprakelyk te houden voor de ellende des Volks. Hy mag zich zelfs niet bemoeien met de publieke zaak, en staat dus beneden ieder ander. Wanneer byv. een koning de zaken inzag als ik, zou hy 't recht niet hebben, daarover openlyk te klagen als ik. Zyn plicht zou bestaan in 't nalaten van wat myn plicht me voorschryft te doen. De ministers en liberale bladen zouden terstond hem terechtwyzen:

- Met uw verlof, Sire... wees zoo goed te zwygen. Gy zyt gedoemd tot onbeduidendheid. Volgens de grondwet zullen wy terstond ophouden met roepen: leve de Koning, zoodra gy bewyzen geeft niet dood te wezen. Uwe taak is, niets te doen. Uwe roeping is: geen roeping te hebben. Uwe zorg is: alle zorg overtelaten aan anderen.

Aan anderen?

Aan wien? Aan wie?

Dit moeten wy vragen. Natuurlyk. Want, als dan de koning volgens z'n grondwet-instructie zich niet mag bemoeien met de zaken, spreekt het vanzelf, dat hy geheel-en-al buiten verantwoordelykheid moet gesteld worden, zoo-als dan ook bedoeld wordt door 't woord: onschendbaar.

Wanneer dus anderen belast zyn met beslissen en handelen dan moet ook de verantwoordelykheid by die anderen gezocht worden.

Er moet, toch een domicilium citandi wezen, waar 't Volk zich kunne aanmelden om recht te vragen, als 't verdrukt wordt, of - zoo-als by ons - verwaarloosd. Neem eens aan, dat samenscholing, oproerig geschreeuw, brandstichten en plunderen, wettige en zedelyke dingen waren...voor wiens huis moet het Volk samenscholen, wiens naam moet bezongen worden in oproerliedjes, wiens glazen moeten worden ingegooid, wiens huisgeplunderd?

Dit weet ik waarlyk niet. En dat weet niemand. Deze onwetendheid is de triumf van 't parlementair stelsel, en 'n gemakkelyk bedkussen voor gewetenlooze regeerders. Als er klacht is, heeft niemand het alleen gedaan. (326)

De ministeriëele verantwoordelykheid is 'n leugen. Die heeren zyn zedelyk verantwoordelyk, ja - zoowel als ieder individu - maar overigens zyn ze inderdaad onschendbaar. [113]

Een koning staat te-recht voor de geschiedenis. En al beleeft hy z'n vonnis niet, de mogelykheid bestaat dat hy er aan denkt met belangstelling. En zelfs de benoeming zyner ministers - naar den uitslag van 'n Kamerstemming! - is in-zooverre onderworpen aan eenige pudeur, dat hy, wat dan ook die Kamer bestemd hebbe, toch z'n paard niet zou mogen benoemen tot consul, zoo-als men vertelt van Caracalla. Ook heeft een koning soms de eer optehouden van z'n geslacht. Of hy heeft achtteslaan op populariteit. Hoe ontmand ook door de grondwet, het kòn zyn dat 'n vorst zich den loop der zaken aantrok. 't Is zeldzaam, maar er zyn voorbeelden van. Zie Hendrik den Vierden, die z'n koninkschap beschouwde als 'n roeping om te zorgen dat z'n onderdanen goed gevoed werden, en elke week een hoentje in den pot konden steken. [114] Ook zyn er voorbeelden in de Geschiedenis, dat een Volk dol wordt, alles vergeet, z'n koning doodslaat of hem wegjaagt met z'n familie, en die voorbeelden zouden misschien dezen of genen koning kunnen opwekken tot belangstelling in de publieke zaak.

Maar... de ministers? Eilieve, wat hebben zy te vreezen! Hoe bereikt hèn de afkeuring der Geschiedenis, de vloek van den tydgenoot? Geslachts-eer hebben ze niet optehouden... het Volk kent hen ter-nauwer-nood, en de geschiedenis heeft wel wat anders te boeken, dan de namen der onbeduidendheden die elkaêr opvolgden aan de groene tafel. Wy hebben sedert twaalf of veertien jaar, byna honderd van die heeren versleten. 't Is in Nederland een distinctie geworden, geen minister te zyn geweest.

Ministeriëele verantwoordelykheid? Onzin. Heeft Van Maanen de kosten betaald van den tiendaagschen veldtocht? Zullen de ontelbare ministers die oorzaak zyn van 't toekomstig verlies onzer bezittingen in Indië, een nieuw Insulinde weergeven aan Nederland? Zullen zy voorzien in 't equivalent van een nieuw batig saldo? In een nieuwe koffi- en suikervrachtvaart? Waar zyn nu al de ministers die jaar-in jaar-uit gelden aanvraagden voor de marine, en daarmeê niets tot-stand brachten dan de algemeene erkenning dat die marine in slechten staat is? Zyn de gelden welke dan toch de Natie gedurig opbracht, zoo slecht besteed geworden? Wie of wat waarborgt dat de fondsen die nu worden toegestaan, beter resultaat zullen opleveren?  *   Als over tien jaar het tegendeel blykt, zal de tegenwoordige minister ver te zoeken wezen, zoo-als nu z'n voorgangers.

Welke minister zal de ellende boeten, of herstellen, waaraan 't Volk ten prooi is? Wie zal het genezen van 't bederf der vochten, dat natuurlyk gevolg van slechte voeding? Welke minister is aansprakelyk gesteld voor den schandelyken watersnood van 1862? Tot welke civiele of crimineele actie geeft het plichtverzuim eens ministers, wettelyk aanleiding? Hoe moet die actie geïnstitueerd worden? Waar beteekend? Door wien? [115]

Enquête in de Tweede-Kamer? Eilieve, de leden dier Kamer zyn immers juist de personen met wier hulp de minister staande blyft. Zoodra hy in die Kamer de meerderheid verliest, treedt hy af, trekt zich terug, en is vergeten. Het zou een curieus ding wezen, die Kamer te hooren vonnissen over de daden van 't laatst-afgetreden ministerie. Maar daartoe komt het nooit, want de lieden du jour hebben 't zoo druk met vasthouden aan 't gezag van heden, dat ze meestal geen tyd hebben om de fouten en misdaden van gister te behandelen. Bovendien, de mannen die op 't kussen zyn, hebben een eigenaardige goedwilligheid voor de verkeerdheden hunner voorgangers. Het tegendeel mocht eens gewoonte worden, en hoe dan, als ook hùn opvolgers lastig werden? 't Is daarmeê als met advokaten die elkander sparen... ten koste van de respectieve cliënten. Die cliënten zyn in dit geval: het Nederlandsche Volk.

De heele inrichting van ons bestuur berust op leugen. [116] Die geheel onverantwoordelyke, onaantastbare ministers zyn 't product van de stemmingen eener Kamer die zelf 'n leugen is. Die Kamer is niet gekozen door 't Volk. Ze is het voortbrengsel van krantengeschryf. Wie dat voortbrengsel wil leeren kennen, ga naar den Haag, of leze 't byblad. En als men 't een te vèr vindt, en 't ander te vervelend, dan verwys ik naar 336, waar ik een kort levensbericht heb meegedeeld van ons parlement, dat met-een kan gelden als portret. [117]

Onder de dagbladen hebben die kranten 't hoogste woord en den meesten invloed [118], welke in den aanvang gesteund door kapitaal, den tyd hadden, door Hoff-advertentiën en Holloway-annonces, zich te maken tot ‘'n veel gelezen blad.’ Een gezelschap raddraaiers dat 'n paar ton wil ten-koste leggen aan de verspreiding van een goedkoope courant, kan zeker wezen, na weinig jaren het uitgeschoten kapitaal met woeker terug te ontvangen... en den Staat te regeeren. Naast en tusschen de annonces over revalenta of haargroeimiddelen, geven ze den lezer hun politiek brouwsel in. [119] Wie niet geneest door 't middel van dokter die, zal baatvinden by 't stemmen voor m'nheer die. Als dat lid in de Kamer komt, verdwynen de sproeten. Honderd certificaten uit vreemde landen, dat m'nheer die 'n ware liberaal is, en dat z'n staatkundige loopbaan alle kinderen geneest van engelsche ziekte. Likdorens zyn onmogelyk voortaan, als m'nheer die een plaatsje krygt op 't binnenhof, en 't stamelen zal mythe worden, zoodra m'nheer die aan 't woord komt in den Haag. Longtering en opcenten...

O genoeg, arm rachitisch Volk met uw pillen en kranten, en poeiers en kiescollegiën!

Moet er niet een algemeene oorzaak zyn, die Nederland gebracht heeft tot den staat waarin het verkeert? Byzondere gevallen hebben, sedert de zoogenaamde restauratie, geen plaats gevonden. Doch als wy teruggaan tot de 17e eeuw, toen de ‘compagniën van verre’ winst begonnen aftewerpen, waardoor van-lieverlede alles wat niet ‘verre’ was, werd verwaarloosd en bedorven, vinden wy misschien een der hoofdoorzaken van 't later verval. De Geschiedenis van 'n volk biedt meermalen punten van vergelyking aan met de lotgevallen van een individu, en 't zou niet ongepast wezen, den nadeeligen invloed van den kunstmatigen compagnie's-handel te vergelyken by loterywinst, waarop geen zegen is, zooals 't Volk zegt, en ten-rechte misschien. Want zulke winst maakt lui, onachtzaam, onbekwaam om na 't verliezen van dien rykdom, op nieuw aan 't werk te gaan.

Maar, om nu alleen te spreken van lateren tyd, welke reden is er, dat onze natie achteruit gaat? Sedert 1816 zyn er geen algemeen werkende catastrofen gebeurd. De treurige twist met België is onbeduidend, als men die van een geschiedkundig standpunt beschouwt.  *   De uitgaven voor wapening - jaren lang, en te lang - na den tiendaagschen veldtocht, hadden ruim kunnen gedekt worden uit de baten van Indië, als 't goed bestuurd was geworden. - In 't voorbygaan zeg ik u, dat Indië oneindig meer kon opbrengen. Het zoogenaamd batig saldo bedraagt geen tiende gedeelte van wat daar wordt verwaarloosd. [120] Aan koffi alleen wordt, naar raming der ambtenaren van 't binnenlandsch bestuur, evenveel weggeworpen als ingeleverd. -

Watersnood was in de laatste vyftig jaren niet frequenter, noch belangryker, dan overeenstemt met den doorslag-norm van zulke onverantwoordelyke gebeurtenissen. Ook vroeger bouwde men dyken - dat verkeerd is - en ook vroeger maakte men die van zand, dat slecht is. De onbekwaamheid en 't gebrek aan doorzicht onzer dagen, bestonden vroeger evenzeer op dat punt.

Cholera of andere ziekten heerschten in de laatste jaren niet meer noch heviger dan andere kwalen van dien aard in vroeger tyd. Oorlog hadden we niet. De eeuwigdurende vechtpartyen op de indische buitenposten raken niet aan 't hart van de natie, dat is: niet aan de koffi. Ik zwyg van bloed nu, ik spreek van zaken...

Welke zaken kunnen te-weeg brengen dat alles is, zoo-als 't is?

Dit is hoofdzakelyk te wyten aan slecht bestuur. [121]

De ministers die zich terugtrekken op hun buitenplaatsen, als de boêl verkeerd loopt, regelen, beschikken, benoemen, bevorderen of ontslaan naar 't hun lust.  †   Après eux le déluge, dat is: watersnood... of andere nood. Wy hebben dááraan, in medeplichtigheid met de kiezery, een stel regeerders en bestuurders van land en stad te wyten, dat treuren doet of lachen, al naar men gestemd is, maar in ieder geval minachting en verontwaardiging opwekt. Vandaar dan ook dat men nergens den minsten eerbied bespeurt voor de ‘Overheid.’ Meestal zelfs is er iets vyandigs in den toon, waarop men hoort spreken over regeeringsdaden of bestuurders. Van innig verband tusschen Regeering en volk is geen spoor. Zooveel de wet maar eenigszins toelaat, onttrekt ieder zich aan 't vervullen van burgerplicht. Belangstelling in de res publica is 'n onbekende zaak geworden. [122] Kan het anders? Wáár men 't oog vestigt op de handelingen van bestuur, stuiten we overal op onkunde, op inertie, op gebrek aan bekwaamheid. De kunst van regeeren en besturen moet geleerd worden. Daartoe is aanleg, yver en studie noodig, en waar 't Volk dit alles ziet ontbreken op-den-duur, kàn er geen ontzag bestaan voor bestuur of regeering. [123]

Let eens op de straatpolicie in onze groote steden. Het wyzen daarop zal voor ons tegenwoordig doel genoeg zyn, schoon 't niet onaardig ware, eene reeks van zaken aantevoeren, die myne bewering staven. Ik zou van de anecdotische onbekwaamheid der ministers kunnen afdalen tot schynbare nietigheden toe. Ja, tot het plankje van 't frankeer-raampjen in een postkantoor, dat door 'n schrenier-gleuf in tweën is gedeeld, om toch vooral den spoed te verhinderen, die bevorderd worden zou door 't eenvoudig wegstryken van terugbetaalde pasmunt. Men is nu genoodzaakt stuk voor stuk optenemen. Er wordt vaak geklaagd over de postbeambten, en deze klagen op hun beurt over de lompheid en de exigentie van Publiek. Publiek is lomp, maar in z'n eischen op vlugge dienst heeft het recht. Als echter de dienst slordig - en met tydverlies - wordt verricht, is dit meestal niet zoozeer de schuld der beambten, als van de ellendige domme organisatie van 't postwezen. Nog-eens wil ik wyzen op iets zeer eenvoudigs, opdat ieder kunne mee-oordeelen. Zou men niet meenen, dat de ambtenaar die belast is met de frankatuur, met aanteekenen, met debiet van postzegels, z'n zitplaats moest hebben by de guichet?

Me dunkt dit zou nog-al in de rede liggen. Zoo-als 't nu geregeld is, doet de man z'n dienst loopende en legt geheel onnoodig alle dagen eenige uren gaans af. Reken maar na. Hy is langer op de been dan de briefbestellers zelf, die toch op loopen gehuurd zyn. Wie dus voor zoo'n venstertje z'n tyd staat te verstampvoeten, duide het niet euvel aan de schraal-betaalde ambtenaren. Deze kunnen er niet aan doen, of altans niet veel. De fout ligt in de verregaande onbekwaamheid hooger-op.  *   [124]

Maar, evenzeer willende vermyden te wyzen op voorbeelden die zoogenaamd hoog liggen, als op veel wat nietig schynt, zoek ik iets dat geen vat geeft op niet-ontvankelykheid, noch door schynbare verhevenheid, noch door even schynbare laagte van terrein. Ik wil niet dat men zich incompetent verklare door 'n lamzalig: dat is my te hoog, of door 'n onjuist: dat is my te nietig. Daarom gryp ik iets uit het midden, en kom terug op de straatpolicie. De schoone studie der petite voirie blykt by elken voetstap 'n onbekende zaak te wezen. Ieder schreeuwt, timmert, handelt op den publieken weg, alsof 't z'n winkel of werkplaats ware. Behoorlyke markten, zoo-als in andere groote steden van Europa, zyn er niet. Alignement van huizen of stadswal is 'n onbekende zaak. De reinheid - behalve op de hoofdgrachten - schynt niet te behooren onder de punten van bestuur. Regels op 't wonen, in dien zin dat er zóóveel kubiek ruimte zy voor zóóveel individuen, bestaan er niet. In de achterbuurten hoopt zich alles op-elkaêr, en deelt elkander meê wat er zoo-al meêtedeelen valt in die buurten. [125] De mannen van de Regeering ignoreeren dedaigneuselyk alle kennisname van die vuiligheid, en zeker zouden de bewoners eener groote stad er veel by winnen, als men friesche of noordhollandsche boeren met het bestuur belastte, mits ze zich verbonden hun geadministreerden te behandelen als vroeger hunne koeien. Ik geloof niet dat een rechtgeaarde koe er in berusten zou, te logeeren als nu drie-vierde deel van de bevolking te Amsterdam. [126]

Maar dit gaat het bestuur niet aan. Dit alles ligt niet op den weg van 't bestuur.

En by 't klagen daarover, stuit men alweder en altyd op dat voorheerschend kenmerk van 't parlementarisme: op gebrek aan verantwoordelykheid. [127]

Als een pikant staaltje van de wyze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun roeping begrypen, wys ik u op 't volgende.

Wy weten nu eenmaal dat het Volk geen vleesch eet. Voor 'n oogenblik aannemende dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal 't toch waar blyven, dat zoo'n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen in 't verslag van die provincie over 1861:

Wij moeten nog wijzen op 't verblijdend verschijnsel dat de invoer van Smeer...

de ‘Nederlandseke Industrieel’ voegt hier zeer gepast by: ‘dat is: de afval van ons naar Engeland verzonden vee.’ [128]

... ‘smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis aan vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende was.’

Het is moeielyk by zulke mededeeling niet bitter te worden. Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid? [129]

Of zou er ironie liggen in dat verblyden over 't verruilen van versch vleesch tegen oud smeer? Zou 't een geestigheid wezen?

Laat ons 't zachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven - niet als verblydend verschynsel, helaas! - dat 'n vlucht uilen ‘zoo by-uitnemendheid geschikt wezen zou... om H.H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen.

Als ik wilde toegeven in den lust om zeer veel voorbeelden van dien aard aantehalen, was er geen eind aan. Beter zou 't gezegd zyn: als ik den walg kon overwinnen, die my dat aanhalen veroorzaakt. In 't groote en kleine, in stads-, provincie- en landsbestuur, overal dezelfde onbekwaamheid, dezelfde inertie. Datzelfde berusten in de straffeloosheid van een onverantwoordelyk: niet-alleen gedaan. [130] Partant... overal 't zelfde gebrek aan geweten.

In Januari 1862 haalde ik in m'n Vry-arbeid Shakespeare's woorden aan: er is verrotting in den Staat. Weinig tyds daarna herhaalden vele dagbladen van verschillende richting dat woord, en niemand sprak het tegen. Kort daarop erkende de minister Thorbecke - let wel, toen hy optrad, en dus al 't gewicht van de beschuldiging kon werpen op z'n voorgangers - ‘dat er een contagium heerschte in den Staat.’ [131]

Besmetting dus. Het ware nu, na twee jaren thorbeckery, voor 'n afgevaardigde de moeite waard dien minister de vraag voorteleggen: wat hy gedurende zyn bestuur verricht heeft, om die besmetting tegentegaan? En 't ware te wenschen, dat er een aannemelyk antwoord kon worden gegeven op die vraag. Maar 't schynt dat de ‘besmetting’ terstond is geweken by 't optreden van den heer Thorbecke zelf, en dat er niets noodig was dan 't vertoonen van zyn ziektewerend gelaat aan de ministeriëele tafel, om gezond te maken wat ziek was, om armoede te verkeeren in rykdom, en ellende in zaligheid.

We zullen zoo vry zyn niet te gelooven aan dien omkeer, zoo lang het volk blyft lyden zoo-als het lydt.

Weer moet ik hier terugkomen op de leugen der Vertegenwoordiging. Al was er niet zooveel geknoei in 't kiezen door de weinigen die 't recht hebben zich daarmeê te bemoeien, of die van dat recht gebruik maken, dan nog zou die heele zaak leugen zyn want... het hongerlydend gedeelte der Natie spreekt niet mede. De niet-etende werkman heeft evenmin stem by de behandeling zyner zaken, als de koeien zelf, die hy ziet wegvoeren naar Engeland. Het is niet waar dat deze of gene vertegenwoordiger is gekozen door 't Nederlandsche Volk. [132] Kleine stedelyke of provinciale cliques vaardigen in hun belang dezen of genen af naar den Haag. Een paar overigens onbeduidende couranten, òf in soldy van 't bewind, òf in hoop op soldy van 't volgend bewind - want oppositie is meestal hofmakery aan de toekomst - zoo 'n paar kranten verheffen deze of gene nulliteit tot 'n orakel. Een man van wien vroeger niemand iets wist, wordt op eenmaal voorgesteld als 't non plus ultra van welsprekendheid, kennis, onbaatzuchtigheid, vaderlandsliefde...

Neen, vaderlandsliefde niet. Dit moet men die kranten als certificaat van bêtise nageven, dat ze meestal by-voorkeur de districts-liefde pryzen van hun candidaat, als om een belachelyk zegel te zetten - huns ondanks natuurlyk, en uit domheid - op de treurige waarheid dat m'nheer die of die van plan is, z'n stadje en omliggende dorpen te vertegenwoordigen, en niet het Volk van Nederland. Aldus blykt de leugen onzer verkiezingen uit de naïve bekentenis zelve, dergenen die den mond vol hebben van onze onschatbare grondwet, van constitutioneele ontwikkeling, en dusdanige woorden meer.

Eens was ik in Friesland, buiten myn weten, candidaat gesteld voor de Kamer. Ik las in de Provinciale Friesche Courant, dat men my onder anderen ook dáárom aanbeval ‘wyl ik een Fries was.’ Ik haastte my die dwaling te releveeren, en werd niet gekozen, natuurlyk. Nu, dit zou misschien toch niet geschied zyn, maar de aanbevelingen in de friesche couranten hielden terstond op.

De oorzaken die tot verkiezing leiden, zyn allerzonderlingst, en - met het oog op de gevolgen - meer dan zonderling. Het grenst aan misdaad. Ja 't is misdaad. Onlangs in Deventer, waren er personen die aan Duymaer van Twist de kandidatuur wilden opdragen. De man bedankte met wysheid, zelfkennis en rustliefde. Als-i de onbeschaamdheid had gehad het aantenemen, zou ik my vernederd hebben tot concurrentie, om eens te weten hoe ver die onbeschaamdheid gaan zou. [133] Te-gelykertyd hadden de winkeliers en leveranciers eener andere stad, een districtslievend persoon ontdekt in een gewezen bataviaschen tokohouder, die waarlyk niet in-staat is een redelyken brief te schryven. De man had met thee-laten-maken en rystleveren, - och die ryst wordt den kinderlyken Javaan afgekocht voor weinig geld, meestal op 't veld nog... drie maanden later is er hongersnood! - op die wys had de man rykdom verzameld en hy wist dien rykdom te doen aanzien voor bekwaamheid, voor kennis van Indie! ‘Die man was zoo byzonder knap in indische zaken’ zeiden de eenige kiezers welke hem aanprezen op 'n manier die Hoff beschaamd maakt. Men zeide dat hyzelf die ronflante artikelen schreef. Dit was laster. De man is er niet toe in-staat. Toch scheelde 't weinig of hy was Lid van den Kamer geworden.  *  

Over 't geheel openbaart zich de ‘besmetting’ 't duidelykst in de schatting van personen. Ten-allen-tyde was rykdom een middel tot bedervenden invloed. Maar ik geloof dat zelden die invloed zich zoo onbeschaamd deed gelden als tegenwoordig. Welke aanspraken had de heer Fransen van de Putte, om gekozen te worden tot volksvertegenwoordiger, tot minister? Wat had hy verricht? Waaruit was gebleken dat hy bekwaamheden bezat, groot genoeg om die verheffing te billyken? [134] Als de heer Fransen van de Putte, bekwaam was voor z'n betrekking - eene onmogelykheid, die wel door hemzelf zal erkend worden - zou 't een bloot toeval wezen. Noch zyne opleiding, noch z'n levensloop leidden daartoe. En al hadde hy zich geoefend in kennis, wetenschap, studie der publieke zaak, dan nog is zyne verheffing onverantwoordelyk, wyl in dat geval die oefening zoo in 't geheim zou geschied zyn, dat niemand daarvan ooit iets gewaar werd. Het Nederlandsche Volk wist van den heer Van de Putte dit alleen, dat hy in Indië nog spoediger was ryk geworden dan vele anderen, en ik zou juist hierin een reden vinden om byvoorkeur hèm uittesluiten van allen invloed. Ook op den Javaan maakt het een slechten indruk, dat er in Nederland premiën worden gesteld op snellen geldöogst. Ik weet wel dat men hier-te-lande rykdom verwart met verdienste, maar 't zou goed wezen dit niet zoo duidelyk te toonen, want de Javaan zal daardoor allen moed verliezen tot openbaring zyner krachten. Immers, hy moet nu gaan denken, dat het minste verzet tegen heeredienst of levering van koelies, de minste weifeling in 't zoo bitter-nadeelig discompteeren van z'n oogst, hem later zal worden betaald gezet, wanneer de persoon waarmeê hy dacht te-doen te hebben als speculant, aan 't hoofd van het bestuur komt te-staan! Wanneer de handelaar, contractant of vry-arbeider, juist dóór 't aldus gewonnen geld, zal zyn opgeklommen tot gezag! We zyn immoreel, laag en gemeen, maar eilieve, laat ons dit niet yken als maatstaf. 't Zou goed zyn den Javaan in de meening te laten dat uitzuigen en afpersen en snel ryk-worden private liefhebberyen zyn, en geen officiëele deugden.

Ik geloof dat de heer Van de Putte bekwamer is dan over 't algemeen kan verwacht worden van lieden die zoo byzonder bedreven zyn in geldverdienen. Of liever, ik houd hem voor vlug en handig genoeg, om onze Tweede Kamer bezigtehouden met ‘duitenplatery.’ Ce n'est pas jurer gros. Zie de grappige uitweiding over 't kadaster op Java, waarvoor alle wezenlyke belangen die aan de orde van den dag behoorden te zyn, worden ter-zy gesteld. Doch al ware de heer Van de Putte inderdaad bekwaam, al had hy kennis van indische zaken, dan immers nog is 't een ongerymdheid, in tyden van kwestie over Vry-Arbeid en kultuurcontracten, iemand aan 't hoofd van Koloniën te plaatsen, die juist met en door die dingen fortuin heeft gemaakt, en hoogstwaarschynlyk nog altyd belang heeft by de wyze van exploitatie der Javanen.

Hoewel ik me persoonlyk heb te beklagen over den heer Van de Putte, die van z'n zonderling verblyf op den ministerzetel gebruik heeft willen maken, om my voor gek te houden, en onedelen spot te dryven met myn eervollen armoed - zoo-als troetelkinderen van stom geluk gewoon zyn - gaat toch deze uitval niet hèm aan. Myn opmerkingen betreffen de inrichting van den Staat, die zulke zotte benoemingen mogelyk maakt, en zelfs frequent, of - erger nog - die ze onmisbaar tengevolge hebben moet.

In-verband met de Kamerknoeiery, had de heer Thorbecke - na 't aftreden van den inderdaad bekwamen, zeer intègren, zeer met de indische huishouding bekenden minister Uhlenbeck - iemand noodig die paste in 't lystje dat onze regeeringskarikatuur omvat. De vraag schynt niet geweest te zyn: Wie is bekwaam? Wie toonde op de hoogte der zaken te zyn? Van wien kan men yver, kunde en goede trouw met grond verwachten? [135]

De vraag was deze: welke persoon kan geacht worden, kameraden genoeg te hebben onder de septuaginta, om z'n begrootingen te doen doorgaan?

Daar nu de heer Van de Putte een joviaal mensch is, aangenaam in den omgang - och, dat is zoo makkelyk als men niet wordt neergedrukt door zorg. Ik kan ook zoo vroolyk wezen, als m'n kinderen schoenen hebben! - daar hy zich ‘goed voordoet’ en de gaaf heeft om onkunde te verbergen onder woorden - juist anders-om als Uhlenbeck, die uit gebrek aan woorden, z'n kunde niet kon toonen - zie, dáárom moest de heer Van de Putte minister zyn. Hy is dit, niet in 't belang der zaken alzoo, maar opdat Thorbecke minister blyven zou.

Dit zyn de eischen van ons Regeeringsstelsel. Ik tast geen personen aan. Ik tast het stelsel aan, dat zùlke personen noodig heeft, om zich overeind te houden. [136]

Ik vraag niet of 't billyk is dat Van de Putte minister is, terwyl ik moeite heb 't papier te betalen, waarop ik m'n Ideen schryf! [137] Ik vraag niet of 't billyk is, dat we ternauwernood de kans ontliepen een gewezen rystopkooper-tokohouder-theelatenmaker in de Kamer te zien - een man die niet behoorlyk schryven kan, en 't in de rekenkunde nooit verder bracht, dan nu reeds m'n kleine Max - terwyl ik myn gezin niet kan onderhouden, omdat men my 't arbeiden onmogelyk maakt? Ik vraag niet: of 't billyk is, dat Havelaar wordt bespat door den modder van Slymeringen en Droogstoppels? Ik vraag: of 't Stelsel goed wezen kan, dat zùlke toestanden gedoogt en zelfs teweegbrengt? [138]

Ik vraag wat er moet gedacht worden van de wyze waarop andere belangen worden behandeld, als zùlke voorbeelden van schandelyk onrecht mogelyk zyn?

Ik vraag, hoe zich de arme, de werkman, recht zal verschaffen, als 't my niet gelukte tot-nog-toe, my, dien men toch altyd eenigszins ontziet ‘omdat ik zoo mooi schryf.’ Want zie, eenmaal toch zal ik 't zoo ver brengen dat ik een plaatsje vind om rustig te werken, en dan begrypt men toch dat ik de macht hebben zal rekenschap te vragen op andere wys, dan door ‘mooi schryven’ alleen.

Hoe zal de mishandelde arme zich doen hooren?

Dáárvoor zal ik optreden. En dit schryven is een begin.  *

De arme wordt niet vertegenwoordigd? Welnu, van heden af, ben ik de vertegenwoordiger van dien arme. De Regeering draagt geen kennis van de behoeften des Volks? Ik zal haar die behoeften doen kennen.

En als de tyd dáár is, zal ik haar bericht doen van de eischen des Volks.

De arme die stom was, zal voortaan spreken. De hongerlydende bevolking van Nederland zal niet langer zwygend hongerlyden. [139]

- Wy willen eten, waarlyk leven, genieten. Wy willen gelukkig zyn.

Ziedaar de eerste, zeer onparlementaire, redevoering, die ik namens den arme, den werkman en de grootste helft der burgerklasse, richt tot de Regeering van Nederland.

Wat aangaat de andere redevoeringen, gehouden door de officiëele vertegenwoordigers, ze zyn leugen. Leugen tegen de meening dat die sprekers bekwaam zouden zyn om goed te spreken. Leugen tegen het standpunt waarop ze zich lieten plaatsen als mannen van talent, van studie, van belangstelling in 't lot des Volks. Leugen tegen hun mandaat.

Die heeren waren niet afgezonden naar den Haag, om te redekavelen over stelsels, meeningen en parlementaire spitsvondigheden. Het Volk eischt welvaart, bien-être, genot, geluk, en 't is de plicht van wie een mandaat aannam, dien eisch te doen hooren, dáárover te spreken, en de Regeering te noopen - des-noods te dwingen - zich dáármede te bemoeien.

De leugens moeten ophouden. Het Volk eet z'n droog brood en z'n aardappelen, met of zonder vet dan, in waarheid. Het heeft dus ook recht op waarheid in 't noemen van die zaken.

De verslagen van gemeenten en provinciën zyn leugenachtig. De rapporten der beambten moeten kloppen met den geest van de clique die op 't kussen zit. De mededeelingen uit Indië zyn leugenachtig. Ter-zelfder-tyd als men publiceert dat daarginder alles rustig en tevreden is, moet men ter beteugeling van opstand en oproer, z'n verdedigers zoeken tot in Altona en Afrika toe. De troonrede die de ministers laten uitspreken, is een jaarlyks terugkeerende leugen. En 't antwoord daarop insgelyks. Nooit laat men den Koning zeggen: ‘Heeren, 't Volk lydt gebrek.’ Nooit antwoordt men: ‘Sire, 't Volk heeft honger.’ En zoo toch zou er moeten gesproken worden, als er naar waarheid gestreefd werd.

Hoe kan men haar ook verwachten, die waarheid, van personen die 't recht van spreken alleen te danken hebben aan een zoo leugenachtige fictie als onze Kieswet? Zou niet byna ieder lid van de tegenwoordige vergadering, als-i aandrong op waarheid, in zekeren zin een zelfmoord begaan? Zou hy niet vóór alles de bekentenis moeten afleggen: geen vertegenwoordiger van 't Volk te wezen?

Het belang dat de vertegenwoordiging schynt te stellen in de ‘kleur’ van 't kabinet is, met het oog op haar mandaat, al weêr een leugen. De principaal - het Volk - droeg zynen gemachtigde niet op, strydtevoeren tegen dezen of genen minister. Het Volk verlangt welvaart, loon voor geleverd werk, levensgenot, voedsel.

En nu zegge men niet, dat de ‘kleur’ van 't kabinet in-verband staat met deze wenschen des Volks. Geenszins. O, 't ware inderdaad de moeite waard, een staatsdienaar te verwyderen, die 't volk deed hongeren, om hem te doen vervangen door 'n ander, onder wien 't behoorlyk zou worden gevoed. Maar dit geschiedt niet. Het Volk lydt gebrek, èn onder zoogenaamde behouders, èn onder zoogenaamde liberalen, en zóó ver gaat de gewoonte van 't wegdringen der waarheid, dat men zich zelfs de moeite niet geeft, de eenige wezenlyk ernstige partyleus: 's Volks welvaart, te gebruiken tot uithangbord. Hierin staan onze regeerders nog beneden een ouwerwetschen kroeghouder die door 'n gekroond ‘Landswelvaren’ tracht z'n jenever in en aan den man te brengen. De welstand van 't Volk ‘ligt niet op den weg der Regeering.’

Vry-arbeid, nog liever Kadaster - ik denk dat de minister jufvrouw Zipperman gesproken heeft, of 'r schoonzoon... ‘waar 't so tochtte’ - vry-arbeid in Indië, staatsspoorwegen, doorgravingen, afschaffing van tiendrecht, tariefsherziening, alle deze meer of min belangryke onderwerpen worden met half of kwart talent gebruikt als banier om iets te schynen, om te poseeren als man van ‘principe,’ van ‘opinie,’ van ‘kleur,’ maar voor de heel eenvoudige zaak van voeding komt niemand op. 't Ware te wenschen - zonder scherts, ik spreek in treurigen ernst - dat er in de Kamer een vleesch-party opstond. Hierin lag misschien een behoedmiddel tegen ‘opstaan’ op andere wyze, ‘opstaan’ eener andere party, en buiten de Kamer ditmaal, eener party die - god-bewaar-ons! - later in de Geschiedenis den naam zal dragen van kaas- en broodvolk. Zoo-als we dat meer zagen gebeuren, en zullen zien gebeuren, omdat het ligt in den almachtigen aard der dingen.

Een vleeschparty in de Kamer! O, zeker zou die party wèl zoo belangryk wezen als nu de côteriën van liberalen, van behouders, van juste milieu richting, van kakelaars over christelyk-historische standpunten, of der halfwyze vereerders van een goddelyk recht...

Er is een goddelyk recht. Dat is 't recht des Volks om brood te eischen voor arbeid. Het recht om niet te sterven van honger, of in leven te blyven met moeite, in een land dat ruimschoots 't noodige opbrengt, maar welks voedende kracht door wanbestuur ten deele wordt weggeleid naar 't buitenland, ten deele misbruikt om eenige weinigen te overladen met gunst. [140]

De spitsvondige, schynbaar diepzinnige redeneeringen over tarieven en vryhandel worden niet gevoerd met het plan om te geraken tot waarheid. Deze is - het kan niet te dikwyls gezegd worden - eenvoudig, als altoos.

Vryhandel? Zeker! Vrye Handel, geen belemmering van uitvoer, geen bescherming, die traag maakt, en vadsig en onbekwaam, maar... ook geen bescherming van den vreemdeling.

Ik zal die zeer makkelyke kwestie afzonderlyk behandelen in m'n Ideen, en spreek daarover nu alleen om ze optenemen onder de dingen waarmeê men in den Haag zich bezighoudt, als 't Volk gelooft dat er gesproken wordt over wezenlyke vraagstukken. De zaak is belangryk, maar 't gekibbel daarover hoort thuis in den malade imaginaire van Molière, waar twee geleerden zich in vuur zetten over de vraag, of men zeggen moet: la figure of la forme d'un chapeau.

De hoofdoorzaak van de ellende des Volks ligt in zulke ‘duitenplatery.’ Als men 't byblad leest en na elke redevoering de vraag doet: ‘geacht lid, heeft uw lastgever u opgedragen aldus, of dáárover, te spreken?’ Of: ‘meent gy te zyn afgevaardigd met de bedoeling dat ge zoo, of dáárover spreken zoudt?’ Zeker, dan zou 't antwoord altyd neen wezen.

Maar er was tot-nog-toe niemand om die vraag te doen, op 'n wyze die dwingen zou tot antwoord en beterschap. Dit zou anders wezen, als de leugen van de verkiezingen had opgehouden, als er in de raadzalen der Regeering mannen zaten, die inderdaad door 't Volk waren daarheen gezonden. Door 't Volk, dat dan letten zou opde handelingen en redevoeringen van z'n lasthebbers. Het Volk, dat eindelyk zou ophouden eerbied te koesteren voor diepzinnigheid, waar ze niet te-pas komt, en leeren zou de dingen die 't aangaan, te begrypen.

Ik ben tegen 't parlementair stelsel. Maar als men dit nu eenmaal houden wil, behoort het in oprechtheid te worden toegepast, en niet met de huichelary van een bespottelyken census. [141]

Vrye en algemeene verkiezingen, dàt is - nu we eenmaal meêvaren in 't schuitje van de eeuw - 't eenige middel om dat vaartuig te doen aanlanden in goede haven, en vooral om te beletten dat reizigers en bemanning àl te erg worden uitgezogen.

De lyders der constitutiekoorts willen dat het Volk meêspreke. Welnu: dàt dan ook 't Volk meêspreke! 't Is valsch en schandelyk, het in den waan te brengen dat er gezorgd wordt voor z'n belangen, als dit inderdaad niet geschiedt.

Vrye en algemeene verkiezingen, ja... maar om die verkiezingen vry te doen zyn, moet de invloed der holloway-dagbladen worden gefnuikt, die juist omdat het eigenlyke Volk niet leest - waar blyft de zegelwet, o ministerie? - dagbladen die juist dáárom, en alléén daarom, invloed hebben zooveel als noodig is om een kieskollegie te doen triumfeeren met 'n onbeduidenden candidaat, tegen de candidatuur van 'n andere onbeduidendheid. [142]

Algemeene verkiezingen, Ja! Men zou wel gedwongen zyn te letten op de publieke zaak, als 't Volk daarin meêsprak. De scherpte van den toon, welken de honger geeft, zou ook anderen wakker maken, die nu hun recht tot kiezen niet waardeeren ‘omdat het toch niet helpt.’

Er zou beweging komen in ons politiek leven, en al ware soms die beweging onördelyk, al raakte ze aan den grens waar roering begint, of zelfs schandaal... welnu, dit alles ware te verkiezen boven den tegenwoordigen doodslaap.

We zouden mannen in de Kamer krygen die, om te voldoen aan de opdracht van den lastgever, zich wel moesten onthouden van voorgewend-ingewikkelde kwestiën, op-straffe van 't verliezen der goede meening hunner principalen, die hen hebbende afgevaardigd om iets te doen, geen genoegen zouden nemen met onbegrepen gepraat. Niet liberale of behoudende beginselen zouden op den voorgrond staan by 't beoordeelen van candidaten, men zou zich afvragen: wat heeft die man verricht? Wat geeft ons de hoop dat hy iets ten algemeenen nutte verrichten zal?

Het Volk is eenvoudig in z'n eischen en begrippen. Het heeft voedsel en levensgeluk noodig, en zou dus verlangen dat het aanschaffen van voedsel en levensgeluk mogelyk werd, tegen pryzen die 't betalen kan. In-allen-geval zou 't vorderen dat men zich de vraag stelde: of er aan den algemeenen toestand niets valt te verbeteren, in-plaats van zoo-als nu, brutaal, insolent, wreed en lui, zich van alles aftemaken, met het praatje: dat is geen Regeeringszaak!

Thans, zoo-als 't nu gaat met de verkiezingen, zyn er van de zeventig heeren in den Haag hoogstens drie of vier bekend by 't Volk. En dit is natuurlyk. [143] De eigenschappen die 'r noodig waren om in 'n provinciaal of stedelyk clubje te worden aangezien voor zoo ‘byzonder achtenswaardig,’ zyn geheel iets anders, dan wat er vereischt wordt om een volksman te vormen, en onze heele kiezery is gelyke dwaasheid als er liggen zou in de benoeming tot admiraal, van iemand dien men zoo aardig bad zien spelevaren in 'n sloot.  *  

Waar zyn de admiralen, vraagt ge? Die zullen verschynen, zoodra er naar admiralen wordt uitgezien, zoodra er by algemeene verkiezingen, algemeene hoedanigheden zullen noodig wezen. Tot zoolang is 't degradeerend en vervelend, te concurreeren met dorpsrenomméen.

De heer Van Hall is bekend. De heer Rochussen is bekend. De heeren Groen, Van Hoëvell, Thorbecke, en nog 'n paar anderen, zyn bekend. Overigens bestaat ons parlement - met ap- en dependentie van ‘ex-leden, rentrée leden in spe, in-lang-niet-vertoond-leden en dergelyken - uit coqs de village.

En al ware er niemand by 't Volk bekend als publiek persoon van eenig belang, les hommes ne manquent jamais aux circonstances. (Zie eerste brochure over Vry-arbeid, blz. 22, uitg. 1866.) Er zullen mannen opstaan, zoodra er vraag naar mannen is. [144] 't Gaat daarmeê als met fosfer, die vroeger duur en zeldzaam was, en later, toen de behoefte aangroeide, goedkoop werd en overvloedig. De huishouding van Staat had tot-nog-toe geen lichtstof noodig, en daarom is de sociale fosfer op dit oogenblik zoo duur. Ze zal te-geef worden, als er vraag naar is.

Algemeene verkiezingen dus. Afschaffing van den census, die bespottelyk is, èn in principe èn in toepassing. [145]

In principe. Zooveel vooronderstelde welvaart geeft recht om invloed uitteoefenen òp de welvaart. Dus de arme drommel die juist zoo hoognoodig had om tot welvaart te geraken, wordt uitgesloten. Hebben schipbreukelingen die aan-boord zyn van 't zinkend wrak, minder recht op hulp-roepen, dan wie half of heel gered zyn? Mag iemand die meer honger heeft dan 'n ander niet meêroepen om voedsel?

In toepassing. Heeft de beschaafde man die zich intellectueel ontwikkelde, maar juist dáárom misschien op geldverdienen zich niet toelegde, minder recht van bemoeienis met de publieke zaak, dan de kastelein van een meisjeswinkel? Staat de eerlyke arme - arm misschien omdat-i-eerlyk was - boven den gelukkigen gauwdief, boven den woekeraar? Moet 'n dokter in de letteren, een wysgeer, de man van studie, lager staan dan de schacheraar? Is 't voorts billyk, dat menig kleinhandelaartje op 't platteland mag meêstemmen, en de met hem gelykstaande winkelier in 'n stad niet, omdat er voor de woonplaats van den laatsten een hooger census is voorgeschreven?

En eindelyk: waarom kiezen de vrouwen niet meê? [146] Als de ministers 't geld van de natie wegsmyten, zoodat de belastingen hoog blyven, lyden zy toch ook onder dien druk. Alswe door slecht bestuur oproer krygen, of oorlog, of watersnood, lyden zy toch ook onder die rampen.

De zotterny der bepalingen op 't kiezen, springt overigens terstond in 't oog, door dit enkel staaltje: dat er minder wordt vereischt om lid van de Kamer te wezen, dan om kiezer te zyn.

Dit alleen is voldoende om de diepte te peilen van de inzichten der heeren - Thorbecke bovenaan - die Nederland zoo grootmoedig met de kieswet doteerden.

By algemeene verkiezingen zou men niet telkens nulliteiten - of erger - zien verheffen op den ministerstoel, want het beter gehalte der Kamer zou andere tegenspraak vereischen, of andere toelichting, dan er nu meestal wordt gegeven van de groene tafel. [147]

Zou een Betz, minister van financien - van financien! - hebben durven terugkomen, na flink te zyn uitgelachen over z'n onkunde? Zou Torbeckekunnen volstaan met z'n ambiguïteiten, als er tegenover hem mannen stonden, die de puntjes wisten te zetten op de i's. Zou 'n Kamer die wat beduidde, zich laten afleiden van de behandeling der toestanden in Indië - die voorziening vereischen! - door langgerekte verhalen over 't kadaster waarnaar niemand vraagde, welke met dien toestand niet in 't minst verband staan, en over 't geheel pure nonsens zyn?

De verkiezingen zoo-als ze thans geschieden, waarborgen byna altyd de zegepraal van middelmatigheid. En middelmatigheid is misdaad in mannen die in rang, geld, aanzien en gezag, betaald worden voor wat anders, en méér. [148] Non omnibus licet... zich aantestellen als 'n Boeotier.

Hoe overigens de verkiezingen zouden moeten geregeld worden, om ze te maken tot waarlyk vry en algemeen, hoort thuis in een nieuwe Kieswet die 'k nu niet schryf. Thans is ze ellendig! En deze opmerking is ten-slotte voldoende voor 't doel van dezen brief.

Onder voorbehoud om later op veel punten terugtekomen, en bepaaldelyk op de middelen ter verbetering, resumeer ik:

I. Het volk verkeert stoffelyk, zedelyk en verstandelyk, in een ellendigen toestand.

II. Dit is voornamelyk te wyten aan de inrichting van den Staat, wyl niemand zich aansprakelyk houdt voor die ellende.
De Koning niet, omdat-i volgens de grondwet, onschendbaar is, en daardoor met den besten wil, onmachtig.
De ministers niet, wyl ze - bon an, mal an - om de twee, drie jaar aftreden, en zich dan niet bekommeren over de latere gevolgen van de wyze waarop zy bestuurden.

III. Die toestanden zyn 't onvermydelyk gevolg:
Voor een deel van 't Parlementair Stelsel in het algemeen.
Voor een ander deel - en voornamelyk! - van de wyze waarop dat stelsel in Nederland is voorgeschreven door de Wet, en wordt toegepast in de daad.

Ik eindig voor ditmaal met den catonischen uitroep: Ik voor my, ik blyf er by, dat de ellende des Volks moet worden uitgeroeid! [149]

Zorg dat ge welvaart, laat uw kleinen jongen zich vooral toeleggen op 't fransch  *   en tot-ziens.

‘Myn volkje thuis is wel, en kleine Max heeft 'n prix d'excellence gekregen. Sakkerloot... als-i een ‘knap kind’ wordt, onterf ik hem. Dat zou 'n plaag wezen. Myn ouders waren heel gezegend op dat punt. [150] Adieu!
 


*) Slechts zeven jaar zyn er sedert deze dagteekening verloopen, en reeds komt my dit stuk verouderd voor. Er had eene groote verandering plaats. De toestand des Volks is geenszins verbeterd, maar 't publiek leven is in zooverre ontwaakt, dat men alom op zulke verbetering begint aantedringen. Wat voor zeven jaar de zwartgallige meening scheen van den pessimist, werd in korten tyd erkende waarheid, en weldra gemeenplaats. Eerlang zal 't, met behulp van allerlei schreeuwertjes en schryvertjes, eene vervelende scie zyn,een afgezaagde deun. Men heeft me in Kamer en kroeg zoo herhaaldelyk nagepraat (51) dat ik by de correctie van m'n eigen werk, gedurig den indruk voel, alsof ik de couranten van gister en eergister gekopieërd had.
Nageslacht, dit is zoo niet! Aan u die 't zult ondervonden hebben dat ik waarheid sprak, aan u verklaar ik dat er in 1864 moed noodig was, om 't eerst en alleen staande, te zeggen wat nu in ieders mond is.
Ik verwys overigens, wat myne beoordeeling van den toestand des Nederlandschen Volks aangaat, naar m'n Een en ander over Pruisen en Nederland, en de beide brochures overVryen-Arbeid, daar ik my overtuigd houde dat myne beschouwingen over dit onderwerp, eenmaal aan geschiedvorschers bronnen zullen leveren, by 't nasporen der oorzaken van Hollands val.
Het is dan ook voornamelyk hierom dat ik de lezing van 't nu volgend stuk - in nauw verband met
452 - nog altyd durf aanbevelen, onder opmerking evenwel dat ik 't nu anders schryven zou. By alle kwalen die bestaan bleven, heeft zich eene nieuwe ramp gevoegd: het gekakel der politiseerende demokraatjes. Arm volk dat gered moet worden door zulke advokaten!
We hadden: liberalismus, Thorbeckery, behoud, halfheid, traagheid, karakterloosheid, vervalschte levensmiddelen, specialiteiten, kiezery, Kamerspeeches, verrotte politieke atmosfeer... dit alles was niet genoeg! De clubziekte ontbrak nog. De heeren democraat-byeenkomers zien niet in, dat ze nu reeds - 't is wat vroeg! - al de fouten overnemen van de nog niet verslagen tegenstanders. (
7) Het aantal Volkstoestandverbeterende vergaderingen is legio, en allen kopiëeren de Tweede-Kamer - 'n ongelukkig model! - met belachelyke nauwkeurigheid. In-plaats van praten, had men moeten begînnen te leeren lezen, en zich te oefenen in denken. Wat er nu voor den dag komt, is onbekookt.
De toekomst is zorgwekkend, of liever - want zorg veronderstelt mogelykheid van redding - de toekomst is veroordeeld.
George Dandin heeft het gewild!
Ook in de Volksvertegenwoordiging begint men my natepraten. Men herhaalt myne opmerkingen, men bezigt myne uitdrukkingen... altyd zonder my te noemen, natuurlyk. Ééne zaak slaat men gewoonlyk over: myn aandringen op recht! Het is dan ook dit gebrek aan eerlykheid, waardoor alle herstel onmogelyk wordt gemaakt. (1872)

*)  Op deze incorrecte uitdrukking kom ik by 't behandelen der kromschryvery van Mr.Thorbecke terug. (1872)
 
 †)  Algemeene toejuiching is zelfs schadelyk in een klein land. Nooit heeft de ellendigste droogstoppelary zich vaster op 't kussen gezet, dan na 't ‘mooi vinden’ van den Havelaar. Wat de behouders deden met schroom en matig, doet een huichelend liberalisme met grenzelooze onbeschaamdheid. Men is immers zoo zeker van de stemmen!
Voor-en-na worden de indische residenten gepensioneerd, en trekken naar Driebergen. De Vry-arbeid regeert in den Haag. Duymaer van Twist rust op z'n buiten. De bloedige oorlog op Borneo rust niet. Groote spoorweg-concessiën hebben de kleine kultuur-kontrakten vervangen. Voor nog geen jaar zyn in 't Buitenzorgsche, dus in de onmiddelyke nabyheid van den gouverneur-generaal, Javanen van honger gestorven, precies als in den Havelaar. Men kan 't nalezen in 't Bataviaasch Handelsblad. De Nederlandsche couranten hebben 't overgenomen zonder commentaar, en even droog alsof 't de verplaatsing gold van een brigadier der marechaussees. In de Kamer worden sans vergogne vervalschte stukken overgelegd in de zaak van den Heer Stieltjes. Niemand klaagde er over. 't Schynt zoo te behooren.
Wat heeft Publiek gedaan om iets te veranderen in dien toestand? Niets! Ja toch, men heeft den man die, niet met een pedant praatje, als Thorbecke, maar met opoffering van zyn duurst belang, aantoonde: ‘dat er verrotting in den staat was’ gehoond, gelasterd, en trachten te smoren door hem 't leven moeielyk te maken.
Een der eerste daden van ons liberaal ministerie was - onder andere dergelyke - den Heer Cornets de Groot, die nooit wat byzonders uitrichtte, Dertien duizend gulden 's jaars te bezorgen! En Havelaar's kinderen lyden gebrek.
Ik zou er niet over spreken, als 't my maar niet belette te werken. Dáárover klaag ik, en men zal begrypen, waarom ik Publiek, met of zonder z'n toejuichen of ‘mooi-vinden’ veracht. Ik doe niets om mooi of leelyk te worden gevonden. Dat is 't werk van publieke vrouwen en van mannen die daarmee gelykstaan. (1864)

 *) Ieder kan uit de voorafgaande en straks volgende regels van den tekst, beoordeelen hoe ik denk over de wyze waarop zeker gedeelte des volks zich op de kermis vermaakt. In-weerwil daarvan of juist daarom, verklaar ik 't afschaffen der kermissen voor wreed en dom. Er bestaat een rationeeler middel om 't misbruiken van de kermis te fnuiken. Men behoeft ze slechts permanent te verklaren. Van zulken maatregel ware goede vruchten te wachten. Van belemmering of afschaffing nooit! Ex-pellas furcâ enz.
Men had behooren intezien dat de uitspatting een gevolg is van pénurie aan vermaak. De arme lieden die 364/365e deel van 't jaar hun kommerlyk leven doorkniezen, zyn dòl zoodra zy zich op dien éénen overigen dag opdringen ‘pleizier’ te moeten hebben. En dit zou dan ook, in zulke omstandigheden, zonder den vervloekten jenever niet gelukken. Zeer kort nadat de niet heel aanlokkelyke kermisvermaken op-den-duur werden toegelaten - waarom niet, als er liefhebbers zijn? - zou de nieuwsgierigheid naar tweekoppige kalveren en dikke dames verstompen, en dan ware de tyd gekomen om zorg te dragen voor uitspanning van beter soort. Dàn ook zou die poging slagen, en wel door den veranderden smaak van 't Volk zelf. En... men voorkwam den wrevel die thans het zeer natuurlyk gevolg is van 't verbod.
Zoo-als men nu deze zaak behandelt, is er geer verbetering denkbaar. Eerst de menschen krankzinnig te maken door onthouding, en dan door nog meer, of zelfs volslagen, onthouding hen te willen terugbrengen tot rede... 't is àl te dwaas!
Zulke maatregelen zouden dan ook in niemands hersenen opkomen, indien niet de geloovery de hand in 't spel had: ‘God’ wil niet dat men zich vermaakt.
Ik bezweer dat er geen vreugdhatende goden of gemeentebesturen noodig zyn, om den arme te behoeden tegen weelderigheid. Men behoeft waarlyk deze aarde niet kunstmatig tot 'n jammerdal te maken, om 't verlangen naar den hemel levendig te houden. Met die taak belast zich voor 99/100e deel onzer natuurgenooten, de nypende zorg voor 't dageyksch brood, de vreeselyke Streit ums Dasein. (1872)

 *) Ik bedoel hiermede niet, dat de inhoud van een lied juist altyd iets als weerklank geven zou van wat er in 't gemoed des zangers omgaat. Dit is eene algemeen verspreide dwaling. Hoogstens kan men daaruit eenigszins - en nog volstrekt niet altyd - besluiten tot z'n smaak, en daarby speelt de melodie, 't wysjen, een hoofdrol. Het invoeren of opdringen van zoogenaamde Volksliederen is onmogelyk. Zoo zyn er ook verzemakers die meenen dat men legenden maken kan. En er worden kindergedichtjes gefabriceerd... altemaal onzin. Die dingen hebben wortels noodig, waaruit zy groeien. Ze moeten ontstaan, en kunnen niet op kommando vervaardigd worden. Ik hoop gelegenheid te vinden, op dit onderwerp terugtekomen. (1872)

 *) Uittering. Zoo schryven de hh. D.V. & T.W. De bedoeling is uitteering. Zóó namelyk behoort 't woord geschreven te worden, en wel niet alleen om redenen van praktyk - iets waarmee die heeren zich liefst niet inlaten - doch ditmaal ook op gronden die in hun eigen schoolmeestery te huis behooren. (1872)

 *) Dat een niet bemiddeld persoon gelden tracht byeentebrengen voor eene zaak die z'n eigen financiëele krachten te-boven gaat, en by zulke gelegenheid buitengewone voordeelen toezegt, kan zeer wel overeen te brengen zyn met goede trouw. Doch het aanpryzen van winstgevende ondernemingen door vermogende personen of ‘soliede huizen’ is altyd zwendelary. Het antwoord dat ik in den tekst geven laat aan een bedrogen geldschieter, wyst dit uit.
Zoodra immers de voorgespiegelde winst hooger is dan de huurprys van 't geld by disconto, wisselprolongatie, beleening of hypotheek, ligt het in de rede, dat het ‘soliede huis’ of de vermogende persoon, de gelegenheid niet zou laten ontsnappen om zelf de winst te behalen, die hy nu - al te grootmoedig waarlyk! - ten-beste geeft aan Publiek. Slechts éénmaal is my eene negotiatie voorgekomen waarop deze bedenking niet van toepassing was. Het was by gelegenheid der pogingen om kapitaal byeen te brengen tot het bergen der lading van een schip - de Lutine- dat voor omstreeks honderd jaren is gezonken, en millioenen schats aan boord had. De oproepers erkenden dat de zaak een dobbelspel was, en dat er mogelykheid bestond de gestorte gelden te verliezen. Tegen-over die kans stond natuurlyk groote winst. De nemers van actiën wisten dus waaraan zy zich blootstelden. Ik herhaal, dat dit de geheel éénige negotiatie van dien aard is, tegen welke ik myne beschuldiging van zwendelary niet staande houd.
In 't voorbygaan noteer ik hier, dat ook de onlangs door 't Fransch Gouvernement gesloten leening, alweder een der infamiën is, die we dagelyks ongestraft zien plegen door de dieven die zich fatsoenshalve financiers noemen. De winst die er door de fransche Regeeringsmannen ten-koste van la chère patrie - het uitgemergeld Frankryk! - op die zedelooze manoeuvre behaald wordt, zou voldoende zyn om 'n termyn der oorlogschatting aan de Pruissen te betalen. Ze bedraagt waarschynlyk een vyfde of een zesde der geheele Leening. De brave Thiers teekende openlyk voor een millioen franken, d.i. hy maakte zich door 't storten van ca vier tonnen gouds tot schuldeischer van den Staat voor byna vijf ton. Van 't gestorte geld trekt hy, tegen vyf procent over 't nominale kapitaal, ruim zes procent rente, en alzoo anderhalf maal de marktwaarde. Hy kan des-verkiezende elk oogenblik zyne actiën met twaalf procent winst van de hand zetten. Toch liet hy in de couranten zyn deelneming aan die schelmery uitkryten als 'n blyk van patriotismus! Te Parys beweert men dat hy deze zonderlinge vaderlandsliefde, in 't geheim nog veel verder gedreven heeft. En de schatryke minister Pouyer! Ook deze heeft zich in zake ‘vaderlandsliefde’ niet onbetuigd gelaten.
Die Pouyer-Quertier wordt voor 'n bekwaam financier gehouden. Hy gaat door voor de fransche Van Bosse. Sans comparaison met dezen - dien ik voor gewoon-onbekwaam houd, als de meeste specialiteiten. Zie z'n becyferingen over de zoekgeraakte honderd-en-vyftien miljoen - beweer ik, dat de Fransche minister crimineel behoorde te worden terecht gesteld. De uitslag der door hem uitgeschreven Leening waarin hy aandeel nam, bewyst dat-i zyn arm vaderland schandelyker plundert, dan... van de onnoozele Communards beweerd wordt. Wie zal Frankryk redden van z'n redders?
Wat overigens de Leeningen aangaat, 't is altyd knoeiwerk. Het leveren van geld aan den Staat, moet uitbesteed worden aan den minstvorderende. Wat daarbuiten gaat, is uit den booze. Ik neem deze gelegenheid waar, om te voorzeggen dat zeer vele leeningen nooit zullen worden afgelost. Het voorwendsel tot afschaffing der staatsschulden zal ter-zyner-tyd gevonden worden in den woeker waarmeê ze werden aangegaan. Daarvoor zyn echter ook redenen, die alle voorwendsels overbodig maken. Een dier redenen heet: force majeure.
Dit alles nu gaat op dit oogenblik Nederland nog niet aan. Het kan evenwel by de behandeling van Nederlandsche toestanden z'n nut hebben, op zulke zaken acht te geven. Ook ten-onzent bearbeiden de Langrand-Dumonceau's een al te vruchtbaar veld. (1872)
Onder de correctie dezer noot verneem ik, dat het manneke Thiers eerlang eene nieuwe leening zal uitschryven. De couranten verhalen - wat al te naïf, vind ik! - dat hy deze aangelegenheid besproken heeft met z'n vriend, den ryken Pouyer. Dus zal 't wel goed zyn, meenen ze. Eilieve, wie 't proces van den prefect Janvier de la Motte gevolgd heeft, en acht sloeg op de zonderlinge rol die de Minister van Financiën Pouyer daarin speelde, zal 't eenigszins vreemd vinden, dat men de ruggespraak met dien man aanvoert als blyk van zorgvuldige behartiging der belangen van het Land.
Na 't proces van Janvier, was dan ook de financier Pouyer een onmogelyk personage geworden als minister. 't Was al te grof.
Doch... als vriend van Thiers, en als bevoegd tot het beoordeelen van particuliere finantie-belangen schynt hy nog altyd bruikbaar te zyn. En dit ontken ik niet. De minister viel, maar de beursspeculant bleef staande, en is, na en door Frankryks ellende, ryker dan ooit. Niet mínder dan vroeger, blyft-i alzoo geschikt tot complice van nieuwe schelmery.
Frankryk kon en wilde de nog aan Duitschland te betalen drie duizend millioenen, door vrywillige giften by-een brengen. De geestdrift was algemeen. Wie heeft dit plan tegengewerkt? Wie heeft die geestdrift gesmoord? Wie heeft zelfs 't beproeven belet, waarmee toch niets gewaagd werd?
Dit deed het presidentje Thiers, die met z'n makker Pouyer op-nieuw wat verdienen wilde aan 't schacheren met 'n leening!
Dat die leening, met de nodige mise en scène van Regeeringswege, terstond zal volgeteekend worden, is buiten twyfel. Maar... afgelost wordt ze Nooit! Thiers, Pouyer en de medeplichtige bankiers - daaronder is ook 'n Banque des Pays-Bas! - zullen wel zorgen, de aanstaande non-valeurs van de hand te zetten, vóór de uitbarsting van de algemeene Europeesche bankbreuk.
Ikzelf heb daar in 'n prullekast, 'n paar honderd duizend franken liggen, in assignaten van een der vorige knoei-republieken. Wie wil, kan ze komen zien. En zelfs ben ik bereid ze op aanvrage ter bezichtiging te zenden. Zal 't volk dan nooit wys worden?
Na achttien eeuwen goddienery, na vier à vyf eeuwen ridderschap en adel, nu ten-laatste in de handen van bankiers te vallen... onze verlichting is van zonderlingen aard! (Juli 1872)

 *) Als er nog bewys noodig ware. Men lette eens op de geheel verschillende wyzen waarop de couranten 't compte-rendu geven van eene Kamerzitting, van eene redevoering, van 't verhandelde by andere gelegenheden. Wordt niet alles op de meest onbeschaamde wyze verwrongen, verknoeid, verdraaid, vervalscht naar den eisch der party waartoe het blad behoort? Is dit niet, als de rest trouwens, in hooge mate onzedelyk? (1872)

 †) In den Haag namelyk, waar het ‘Dagblad’ van den heer Lion z'n tegenstander met huid en haar opslokte. (1872)

 *) Dit is op zichzelf reeds erg genoeg, maar de zaak blykt nog treuriger, als men bedenkt dat de aldus verkregen welstand de sporten levert, waarlangs men de Volkstribune en den ministerzetel beklimt. Vooral met betrekking tot Indische zaken is 't ergerlyk, juist zulke personen 't hoogste woord te hooren voeren, die op 't bankje der beschuldigden behoorden geplaatst te worden. Men zie hierover o.a. de laatste bladzyden van Een-en-ander over Pr. en Ned. en blz. 379, IIe bundel, octavo uitgaaf. (1872)

 *) De middelstand vooral maakt zich ten-onzent schuldig aan eene karakterloosheid die alle begrip te-boven gaat. Ik zou meermalen genoodzaakt zyn de hulp van notaris en getuigen interoepen, om de voorbeelden die ik hiervan kan aanhalen, geloofbaar te maken voor m'n Vlaamsche lezers.
Een paar uit zeer velen. Een gezaghebber van 'n koopvaardyschip wenschte z'n zoontjen op zekere school te doen. Toevallig verneemt hy dat zich onder de leerlingen dier school een zoon bevindt van den boekhouder zyner reedery, die tevens mede-eigenaar was van 't door onzen zeeman gevoerd schip. Dit standpunt kwam dezen - de man was overigens een achtenswaardig persoon, en behoorde zelf door afkomst, familie en relatiën, tot den zoogenaamd deftigen stand - zoo verheven voor, dat hy z'n kind niet naar de school zond, zonder daartoe heel ootmoedig verlof te hebben gevraagd. De aanraking der beide kinderen ‘mocht misschien den heer patroon niet aangenaam zyn!’ De heer patroon stond de zaak genadig toe.
In zekeren restaurant te Amsterdam maakte een beschonken jongmensch spektakel. Na vruchtelooze vermaningen, gaf de eigenaar dier inrichting aan de bedienden last den levenmaker buiten de deur te zetten. Ik heb dien maatregel door eenige gasten hooren afkeuren, niet omdat het gedrag van den beschonkene te verontschuldigen was, maar: ‘de restaurateur W. had toch moeten bedenken dat hy - de verwyderde kwaêjongen - op de Keizersgracht woonde!
Een derde voorbeeld. Zeker makelaar te Amsterdam, verklaarde my eens, in het heetst van den zomer, dat hy zoo gaarne een lichten strooîen hoed zou dragen, doch dat die vrypostigheid hem zeer kwalyk zou worden genomen door heeren patroons. De man durfde het niet doen. Zoo'n verregaande emancipatie zou hem zyn te staan gekomen op 't verlies van z'n broodwinning!
Niet waar, vlaamsche lezers, dit alles komt u als 'n sprookje voor?
Ik heb in al deze voorbeelden, die ik met honderden zou kunnen vermeerderen, de zuivere waarheid gezegd. De velen die dit zouden kunnen getuigen, hebben misschien oorzaak myne geloofwaardigheid te doen betwyfelen. Daarom wensch ik nog 'n paar bewyzen aantevoeren van andere soort, gedrukte, onloochenbare.
Het eerste ontleen ik, voor de hand weggrypende, aan het ‘Nieuws van den dag.’ Het is eene advertentie:

De ondergeteekende in zijne zaken en omgeving last hebbende van eenige lasterlijke geruchten ten zijnen opzigte in omloop, oordeelt, dat hij ter zijner regtvaardiging niet beter kan doen dan deze advertentie te doen plaatsen, verklarende degenen die deze geruchten verspreid hebben, voorgemeene, vuige lasteraars.
Omstreeks de maand Februarij 1872 werd ik lid der Smidsvereeniging Regt voor Allen, op verzoek van den gezel J. Schoenmaker. Ik kwam op eene vergadering, maar kon daarniet blijven zonder lid te zijn. Uit een zekeren trots als zoon van een Smidsbaas, meende ik dan liever Donateur te moeten worden, dan mij als eenvoudig lid onder de gezellen te mengen. Deze hoogmoed kostte mij Drie Gulden per jaar, waarvan ik betaalde Een Gulden, en aldus nog Twee Gulden schuldig bleef.
Daar hoorde ik dingen die mij niet zeer bevielen, en sprak daar niet, zoo als sommige lasteraars mij naar het hoofd werpen. Ik oordeelde dus niet meer ter vergadering te moeten komen, en ben daar niet meer geweest, zooals onderstaande handteekeningen getuigen, beiden van gezellen die echter juist dachten zoo als ik, dat de daar gehoudene speeches tegen de bestaande orde van zaken streden, en ook uit genoemde vereeniging gegaan zijn.
Nu geloof ik, daar de wet meldt dat men binnen drie maanden niet betaald hebbende geroijeerd zal worden, niet Internationaal te zijn, te meer daar juist op de Vergadering waar ik verscheen, de aansluiting aan de Internationale aangenomen werd.
 
JEAN, RICHARD, DE GRAAF.’


De kinderachtige kibbelary die in dit stukje behandeld wordt, hebben wy gelukkig noch te begrypen, noch te beoordeelen. Ik gaf het in z'n geheel, om de meening te voorkomen, dat misschien het weggelatene iets als vergoelyking bevatten kon van de zinsnede die ik aanvul. Wat dunkt u, liberale Vlaminger, van 't manneke dat zich tegenover z'n medewerklieden zoo plomp durft beroepen op z'n ‘trots als zoon van een smids... baas?’
Beeft Montmorency, Egmont, Tremoille, Brederode,Habsburg, Wassenaar en Bourbon... beeft, en borgt wat zotten geslachtswaan van den jonker uit de smedery!
En meent ge, dat de vazallen van onzen blaasbalg-dynast protesteerden tegen dien toon? Neen! Hierin ligt juist de bewyskracht van het door my gekozen voorbeeld. Met verlangen zag ik naar de volgende nummers der courant uit. En zie, twee, drie, dagen later, werd me voor den honderdsten keer 't verwacht blyk geleverd, hoe zot het is in Nederland van liberalismus te spreken. De kameraden van onzen hertog zetten den twist heel kranterig en met de gebruikelyke hevigheid - ‘logen, laster’ enz. - voort. Maar zelfs uit hun wrevel putten die ‘democraten’ het besef niet, aan welke incongruïteit zich die prins van den smidsbloede schuldig maakte, uit 'n democratisch oogpunt. Nog-eens, wat dunkt u hiervan, myne vrienden van 't Grombrugghe's Genootschap?
Democratie in ware beteekenis, bestaat in Holland niet! En hierop doelde, in de noot op blz. 3l, myn uitval tegen al de democratische vereenigingen die sedert 'n paar jaren als paddestoelen uit den grond schieten. In-steê van de zeden te verbeteren, zoekt men alles in verandering van den vorm der Regeering. (
190, 191, 192) Het ware republicanisme heeft met dien vorm niets te maken. Geen land was ooit zoo bespottelyk aristocratisch, als de oude Republiek der vereenigde Nederlanden, en dit verandert niet by 'n Wet.
Als ware het om deze bewering te staven, komt my onder de correctie een N. Rotterdamsche Courant in handen, waarin wy de volgende opmerkelyke mededeeling vinden.

Rotterdam, 30 Juni. In het Handelsblad komt een ingezonden stuk voor, waarin de geest van uitsluiting wordt afgekeurd, die bij de samenstelling der Amsterdamsche Thorbecke-commissie geheerscht heeft. O.a. wordt daar gezegd:
‘In deze negatieve eigenschap, in dit voorbijgaan, was de candidatenlijst, door de meerderheid opgemaakt, onberispelijk. Met onverbiddelijke volharding keurde zij in den voorhof des tempels hen, die in hare schatting het heiligdom niet mochten binnentreden. De teergevoelige goudschaal der maatschappelijke preutschheid werd ter hand genomen en niet ter zijde gelegd, eer het gehalte tot zelfs van den laatste proefhoudend was bevonden. Aan alle eischen, die het begrip van stand in den waan van sommigen stelt, werd goedgunstig voldaan. Het kenmerk der voordracht was: stelselmatige uitsluiting, van den breeden zoom van ingezetenen, wier maatschappelijke stelling, hoe onberispelijk overigens ook, den denkbeeldigen ridderslag van het aanmatigend publiek niet ontvangen zou.
‘Consequent was die opvatting. Bedenkelijk is zij tevens. Aan dit veldteeken heeft Thorbecke voorwaar zijne volgelingen niet gewend. Nu de maarschalksstaf aan zijne handen is ontvallen, worde hij niet tot richtsnoer genomen. De voorbereiding eener zaak, die zijn naam tot middelpunt heeft, mag niet alleen een type vertoonen, achtenswaardig op zich zelve, doch geenszins uitsluitend achtenswaardig. Ook in andere rijen der stedelijke bevolking, ook in den kleinhandel, ook onder des arbeiders kiel leeft het nationaal bewustzijn, klopt het Neêrlandsche hart, stelt menig ontvankelijk gemoed de zegeningen der zelfregeering, uit Thorbecke's hand ontvangen, op prijs.’


Ik noemde deze mededeeling opmerkelyk. Geenszins om den inhoud - dat standverschil, en die uitsluiting van ondeftigheid, is de bekendste zaak der wereld - maar om de moeite dien de inzender zich geeft, dit alles te brandmerken als iets nieuws. Meende hy dan, dat Thorbecke en thorbeckery iets te maken hadden met waar liberalismus? 't Is waarlyk al te onnoozel. Thorbecke was een der minst liberale personen die men ooit op publiek terrein te zien kreeg. Tot liberalismus is voor alles: hart noodig, en hoe 't hiermee by dat afgodje gesteld was, blykt o.a. uit z'n onsmakelyke geschriften. Ditzelfde geldt ten-aanzien zyner vereerders. Wat brachten ze voort?
De Amsterdamsche voorgangers die by deze gelegenheid hunne liefde voor de ‘liberale party’ wilden te luchten hangen, waren door 't buitensluiten van blouses, petten en vereelte handen, volkomen trouw ên aan hun fetisch - zie z'n kieswet! - en aan hun party. Dat Thorbecke z'n ‘volgelingen niet zou gewend hebben aan 't veldteeken’ van zulke bekrompenheid, isonwaar. Z'n heele zoogenaamd-staatkundige bemoeienis - het afschynsel van z'n dorre persoonlykheid - had de strekking om de kleingeestigheid onzer zeden te yken tot 'n stelsel.
Ik betwyfel zeer of armen en geringen zullen uitgesloten worden van 'n byeenkomst ter vereering der nagedachtenis van den ultra-behoudenden, anti-revolutionnairen, orthodoxen heer Groen van Prinsterer. Ook te Rome worden de armen toegelaten by den Paus. Maar 'n paus van 't nederlandsch liberalismus... nu ja, dat is 'n wezen van veel fatsoenlyker gehalte!
Het doet me genoegen, door dat ingezonden stuk de onliberale strekking van de thorbeckery zoo in flagranti te kunnen betrappen. En... pour la bonne bouche de opmerking hoe de zeer thorbeckiaansche schryver zelf, de zwakheid van z'n eigen liberalismus verraadt, door ‘achtenswaardigheid’ te stellen tegenover ‘de andere ryen der bevolking, kleinhandel en arbeiders-kiel.’ Dit is karakteristiek.
Wáár liberalismus bestaat in Nederland niet! En juist hierom zyn de door Thorbecke, uit andere landen, met onoordeelkundige verminking overgenomene stukken en brokken grond- kies- en gemeentewet, prulwerk voor òns Land. Hy stond niet boven z'n tyd niet alleen, wat van iemand op zyn standpunt te vorderen ware - doch zelfs beneden de gewone dagelyksche praktyk, die dan toch voorschryft dat men te-rade ga met terrein en omstandigheden. Zielkunde, kennis van 't Volk, was den uitgedroogden wettenfabrikant een gesloten boek. Waar iets te doen viel, stonden z'n handen verkeerd. Zie o.a. de door hem zoo yverig beschermde veepest, en de nooit praktisch bestreden watersnood. Daarvan stond niets in de boekjes die hy van-buiten kende. (1872)

 *) Wie gelykheid predikt, en tegelykertyd anderen van schelmery en domheid beschuldigt, geeft zichzelf een certificaat van laagheid. Het besef van eigenwaarde behoort optewekken tot aandringen op òngelykheid. Ik ben zoo vry. Naar myne meening behoort de leus van den waren volksvriend niet te zyn: ieder 'tzelfde maar ieder het zyne. En by de beoordeeling der vraag: wàt ieders het zyne is, moet men van hooger standpunt uitgaan dan politiseerende clubmannen gewoon zyn. Het is niet waar, dat 'n huurkoetsier of karrevrachtryder dezelfde aanspraken heeft als byv. een schrynwerker. 't Is niet waar, dat deze zou gelykstaan met 'n teekenaar van modellen... enz.
En ook in een ander opzicht is gelykheid onzin. De straffen die de Wet uitspreekt, werken zeer ongelyk door 't verschil van positie, graad van ontwikkeling en karakter der veroordeelden. Wat de een voorkomt als 'n kleinigheid, zou den ander vervoeren tot wanhoop. (1872)

 *) Reeds Horatius maakte de opmerking hoe de woorden van beteekenis veranderen, en ook ik doelde daarop in 489. Uit 'n oogpunt van taalstudie is dit verschynsel niet onbelangryk, doch 't blyve hoofdzaak te letten op de fysiologische aanleiding daartoe. De vraag kan byv. gedaan worden, waarom de woorden gemeenlyk dalen in rang, en zelden of nooit in aanzien klimmen? De laatste zinsnede in den tekst geeft daarvan eene gedeeltelyke opheldering, doch er is meer. Behalve zekere fatsoenlykheid die telkens iets laags of onteerends meent te vinden in 'tgeen vroeger voor behoorlyk doorging, lydt onze maatschappy aan zekere armoede van geest, die zich achter hooggegrepen woorden tracht te verbergen. 't Gevolg is dat zoo'n klank - want meer dan klank is 't gewoonlyk in dit geval niet - weldra viâ kollegiekamer, krantengeschryf, salon, societeit, kroeg en bordeel, vry gehavend in de keuken en op straat terechtkomt. Ik doelde daarop meermalen, en o.a. in myne Specialiteiten. De professers die 't eerst schermden met ob- en subjectief, met concreet en intens, hebben reden tot verbazing over den weg dien hunne kraftausdrücke in korten tyd aflegden.
Is dit 'n blyk van beschaving? Neen, neen, neen!
Het bewyst alleen dat het praat- en schryfplebs zich aan een academischen klank tracht optehyschen. En dit gelukt niet. Zonder de minste verheffing van eigen peil, halen zy 't opgevangen jargon uit hooger sfeer naar beneden, dat dan ook den consument kleedt als 'n gestolen jas.
De schuld licht grootendeels aan de Voorgangers. Indien zy denkbeelden onder 't Volk brachten (
281) zouden hunne terminologische nouveauté's - lood om oud yzer gewoonlyk! - zooveel aftrek niet vinden. Thans echter moet men zich by mangel aan gedachten, wel vergenoegen met 'n woord - geenszinsin den zin van een mot, een bon mot als bedoeld wordt in 88 - met de eenigszins anders klinkende benaming voor zaken of begrippen die men te voren minstens even goed wist te omschryven, aanteduiden of uittedrukken.
En al ware dit laatste zoo niet, al bestond er in ‘de wetenschap’ inderdaad behoefte aan eene nieuwe uitdrukking, men wane niet dat deze, afdalende onder de gemeente, hare waarde behoudt. Noch ook dat zy ‘de wetenschap’ zelve populariseert. Zoolang vakmannen niet zullen geleerd hebben hunne meerdere kennis op verstaanbare wyze te uiten, kunnen zy verzekerd zyn niet de minste eer inteleggen met hun frazen. Ik heb - om 't voorbeeld by de bewering te voegen - de ‘intieme fictie’ dat menigen professer in Staathuishoudkunde, in de Rechten, in Bespiegelende wysbegeerte, de haren zouden te-berge ryzen, als hy getuige was van de mishandelingen waaraan de troetelkinderen zyner bespiegelende welsprekendheid by zekere gelegenheden zyn blootgesteld. (1872)

 *) Wat de cretiniseerende werking van den godsdienst aangaat, beroep ik my alweder op den kommentaar van 't stuk overVrye-Studie in den IIIn bundel. (1872)

 *) Het gebrek aan oorspronkelykheid (337) is een der gevolgen van 't schoolgaan. De karakters gaan verloren, en: géén karakter, slecht karakter:

Le mauvais caractère est de n'en point avoir.

Maar dit schoolgaan is nu eenmaal een treurige noodzakelykheid. We moeten dus door de richting van 't onderwys deze kwaal zooveel mogelyk neutraliseeren. Gepaste onthouding behoort hierin een voorname rol te spelen. In den kommentaar op Vrye-Studie heb ik gewezen op de gewone hoofdfout: opdringery van een beetje zoogenaamde wetenschap, waardoor 't zelfstandig denken wordt belemmerd, en dat de vatbaarheid tot leeren na 't verlaten van de school, verstompt. (1872)

 *) Ik ontwaar dat de dagbladen tegenwoordig vry wel met my eens zyn, dat de Volksvertegenwoordiging beneden kritiek is. De wyze waarop byv. de N. Rotterdammer verslag geeft van de zittingen, is - met uitzondering natuurlyk van het oordeel over den heer aandeelhouder Fransen van de Putte, wiens redevoeringen altyd uitstekend zyn - geheel in overeenstemming met wat ik sedert jaren over onze Tweede-Kamer schreef. Welnu, ik begryp die overeenstemming niet, in een blad dat tot de liberale party behoort. Die party heeft ons met de Kieswet gedoteerd waarvan de Tweede-Kamer een uitvloeisel is. Hoe kan men dan toestemmen dat het met die vergadering zoo ellendig geschapen staat? Ze moest volgens de Kieswetmannen uitstekend zyn. (1872)

 *) Precies dus als de beslissing by meerderheid van stemmen. (7) Maar zeer aangenaam voor 'n veroordeelde of iemand die een civiel proces verliest, is deze opvatting der plichten van een Rechter niet! (1872)

 *) Men kan als vry zeker stellen dat de benoeming tot zoo'n ‘byzonder knap jurist’ een wanhopende poging is om iemand in de hoogte te steken, van wien niets uitstekends te zeggen valt. (1872)

 *) Later bleek my ook dat Prof. Donders inderdaad beroemd is in 't Buitenland. Ik onderstreep dit ‘inderdaad’ omdat velen er den slag van hebben door opdracht van boeken - die in zoo'n geval niet gelezen worden - of door relatie met het personeel der gezantschappen, reclames te plaatsen. (1872)

 *) In-plaats van beroemd te worden, is Kern op dit oogenblik hoogleeraar te Leiden. De tyd zal leeren of die twee zaken zich verdragen. (1872)

 *) Ik geef daarvan een voorbeeld op blz. 153, III, en breng daar de hebbelykheid om genoegen te nemen met zinledige en dus zinnelooze praat, in-verband met verkeerd lezen en gebrekkig schryven. Ook hier geldt: dis-moi comment tu t'amuses: je te dirai qui tu es. Mag men zoo boos worden over laffe crinolienliedjes, als de zeer fatsoenlyke firma Spoorzager & Zaagspoor zich vermaakt met even zouteloos gebabbel, waaraan nog bovendien de zangdeun ontbreekt? (1872)
 
 †) Zie: Nog-eens Vrye-Arbeid, blz. 54. (1872)

*) Ik houd over 't algemeen liefdadigheid - 't is een uitvloeisel van den godsdienst - voor eene fout. In een goed georganiseerden Staat komt ze niet te-pas. Zonder thans deze stelling toetelichten, wil ik even opmerkzaam maken op de ongerymdheid der internationale liefdadighedens. Chicago brandt af... Holland komt te-hulp. Straks ligt Holland onder water - 't wordt tyd dat de zotte rivierdyken eens weêr doorbreken - Amerika moet bystaan. Eilieve, is dit niet 'n roekeloos wegsmyten van dubbele onkosten der remise? De oproepingen by zulke gelegenheden zyn komiek, en leveren stof...
Neen, genoeg daarvan voor heden. Liefdadigheid verdient een monografietje dat ik H. Ed. by dezen plechtiglyk toezeg. (1872)

 *) Een allerbelangrykst desideratum! Ik hoop het te behandelen naar aanleiding van 't Engelsche werk dat ik vermeldde in de noot op 202. Het gewoon wanbegrip om elke ryzing van 't Bevolkingscyfer voetstoots als gunstig verschynsel te beschouwen, moest nu hebben uitgediend. Dat byna immer betrekkelyke of stellige achteruitgang, een ongunstig kenteeken is, geef ik toe, doch de waarheid van het tegendeel dezer stelling is afhankelyk van zéér veel bykomende omstandigheden die nauwkeurig moeten geanalyseerd worden, voor men 't recht heeft zich zoo te verheugen, als officiëele verslaggevers gewoon zyn. (1872)

 *) Het doet my leed dat ik my niet meer herinner over welk jaar deze opgaaf loopt. 't Zal '62 of '63 geweest zyn. (1872.)

 *) Dat de slaverny in Nederlandsch Oost-Indie geheel-en-al zou afgeschaft zyn, geloof ik niet. Zonder hiervan berichten ontvangen te hebben, kan ik berekenen dat er nog altyd op zeer vele plaatsen - byv. op de eilanden-groepen benoorden Celebes - slaven zyn, onder de benaming van orang beroetang, d.i. schuldpandelingen. Of de afschaffing daarvan wenschelyk, oorbaar, of zelfs mogelyk is, zou ik niet kunnen beslissen.
Maar wel durf ik beweren, dat het loskoopen van Niasser gevangenen, onder verplichting van schuld-inverdienen, eene wenschelyke zaak blyft. Nias namelyk - een eiland even benoorden de linie, ten westen van Sumatra gelegen - is zeer bevolkt. De stammen in 't binnenland, waar wy weinig of geen invloed hebben, zyn voortdurend met elkander in oorlog, en vermoorden hunne gevangenen, wanneer niet de Nederlandsche Gezaghebber op 't kust-etablissement Goenoeng-Setoli die ongelukkigen vrykoopt. In myn tyd zond men de alzoo gelosten - pandelingen heetten ze dan - naar Padang, de hoofdplaats van Sumatra's Westkust, waar zy door eenige jaren arbeids in dienst van particulieren of van de Regeering, hunne schuld aflosten. Gedurende dien tyd werden zy behoorlyk gevoed, gehuisvest en gekleed. Of dit alles nog zoo is, weet ik niet. Ik spreek van dertig jaren geleden.
De ethnologische oorsprong dier Niassers ligt, naar ik meen, nog altyd in het duister. 't Is zelfs de vraag of ze, toch zoo naby 't maleische Sumatra gelegen, van maleisch ras zyn? Zy hebben iets in neus en oogen, dat aan mongoolsche afkomst doet denken, en hunne gelaatskleur is geeler dan van den Sumatraan. De spoed waarmee de lieden, kort te-voren nog in nagenoeg wilden staat in de bosschen levende, betrekkelyk beschaafd worden, grenst aan 't wonderbare. In een ommezien tyds vormen zy zich tot handige ambachtslieden, en zelfs, als de meester dit verkiest, tot... muzikanten. Ook als huisbedienden zyn zy zeer gezocht. (1872)

 *) Ik beveel de lezing aan van het werkje: Is Neerlands moed Jenevermoed, dan vivat de Jenever, voor 20 Centen te bekomen by K. Ris, buiten de Utrechtsche Barrière, Noorder-Zaagpad YY 141, te Amsterdam. Het is een hartig stukjen, en geschreven door een werkman. Zoo'n stem uit het Volk is veel belangryker dan de gemeenplaatsen van de zede-preekende afschaffers. Ikzelf ben zeer tégen sterke drank, maar... ik ben vóór vleesch, vóór welstand. De beste afschaffer is: biefstuk.
Men zal zich die geringe uitgaaf niet beklagen, en door 't boekje in grooten getale te bestellen en te verspreiden, tevens een goed werk doen. (1864)

 †) Voor m'n Vlaamsche lezers hier de opmerking dat dit ‘schoonmaken’ een hollandismus is voor reinigen (kuischen) poetsen, schrobben, schuren, dwylen, boenen, met water morsen. 't Gebruik in dezen zin van 't woord ‘schoon’ is karakteristiek. Ook is 't eigenaardig dat zoo'n vrouw werkster, werkvrouw genoemd wordt, omdat naar burgerlyk-huishoudelyk begrip, het ‘werken’ by-uitnemendheid bestaat in 't plassen met water. En ten derde: zoo'n werkster of schoonmaakster heet in de taal van: Burgerstand, III, 7, a, b1, b2, (Pp) een ‘mensch.’
Ziedaar de beteekenis die door zekeren stand in zeker landje gehecht wordt aan de begrippen:schoon, arbeiden en mensch zyn. Dat verraderlyk spraakgebruik! (1872)

 *) Ditzelfde vraag ik nu weder, en met te meer aandrang, omdat thans ieder wel erkennen moet dat deze vraag in 1864 met grond gedaan werd. Niemand byv. durft party trekken voor den toestand waarin Leger en Vloot zich bevinden. Toch zyn daaraan ook sedert dat jaar alweder groote sommen ten-koste gelegd. Het organismus van ons bestuur is hetzelfde gebleven. De ministers zyn by-voortduring onschendbaar, daar zy zich telkens door 'n eenvoudig verzoek om ontslag aan alle verantwoordelykheid onttrekken. De Tweede-Kamer werkt belemmerend, als altoos. Wat zou er sedert '64 kunnen verbeterd zyn? Zoolang wy het kinderachtig stelseltje van een zóó begrepen parlementarismus niet laten varen, is alle herstel onmogelyk. (1872)

 *) Ja wèl treurig was die twist! Is de in 1830 geslagen wond nog te genezen? Kan de zoo baldadig gespleten Nederlandsche stam weder tot één krachtig geheel worden vereenigd?
Zeer dikwyls heb ik my ernstig met dit vraagstuk bezig gehouden, en ook anderen dachten daaraan. Zelfs werden er - vóór 1866! - pogingen aangewend om te geraken tot 'n begin van uitvoering. Ze stuitten af op... overmaat van gewoonheid in personen welker standpunt andere hoedanigheden vorderde. De geschiedenis der jaren '66 en '70 zou waarschynlyk een anderen loop hebben genomen, indien...
't Kan nòg! Vlamingen, 't kan nòg!
Maar... aan beide zyden moet men een-en-ander leeren, en... afleeren. Als dit geschiedde, zouden we ons om 't Buitenland niet hoeven te bekommeren. - Elke natie - en wy, Nederlanders zyn een natie, wat men van veel politieke agglomeratien niet zeggen kan - elke natie is sterker dan 't grootste leger. (1872)

 †) Deze uitdrukking is in zooverre onjuist, dat de ministers veel te afhankelyk zyn van de eischen hunner halfslachtige positie: en dus in dit opzicht niet willekeurig kunnen te-werk gaan niet alleen, maar zelf veel te weinig onafhankelykheid bezitten. Doch de belemmering in hunne machtsoefening vloeit niet voort uit het besef der verantwoordelykheid, noch voor de rechtbank van 't geweten, noch voor de vierschaar der publieke meening. Zy behoeven slechts hof te maken aan de meerderheid der Kamer. Hierin slagende, achten zy zich van alle verdere aansprakelykheid voor de gevolgen van hun wanbestuur ontheven. En ook wanneer die meerderheid zich tegen hen verklaart, zyn zy oogenblikkelyk door 't aftreden tegen alle veroordeeling gedekt. Dit is inderdaad àl te gemakkelyk! De fout ten deze wordt aagewezen in 334. (1872)

*) Ik neem deze gelegenheid waar om voortestellen, het geheel debiet van frankeerzegels aan de postkantoren, afteschaffen. Het neemt veel tyd weg, en stremt den toegang tot de guichets. De administratie behoorde de zegels in het groot en tegen rabat verkrygbaar te stellen, in welk geval ze weldra inalle kleine winkels zouden gedebiteerd worden. Dit is thans uitzondering, omdat de winkelier beschroomd is opcenten te vorderen, dat dan ook op de zeer kleine zegeltjes niet zou kunnen geschieden. En toch kan men van den kleinhandelaar niet verlangen dat hy zich met deze transactie belast zonder winst. Door den voorgestelden maatregel zoude tevens het bezwaar uit den weg geruimd zyn, dat men des avonds, of op zekere uren van den Zondag een brief niet frankeeren kan, wanneer men verzuimd heeft zich in-tyds van een zegeltje te voorzien.
Wat het te verleenen rabat aangaat, het zou minder bedragen dan de geldswaarde van den tyd die thans verloren gaat aan 't afleveren der stempeltjes, gewoonlyk juist op oogenblikken kort voor 't vertrek der post, en dus zeer ten-nadeele van de andere werkzaamheden die groote nauwkeurigheid vereischen. (1872)

 *) Later werd hij dit inderdaad, en hy is het nog! Dagelyks spreekt hy sans vergogne meê over indische toestanden, bescherming van den Javaan, Nederlandsche en andere plichten, en wat er al zoo verder by die zaken behoort. En de Kamer luistert naar dat gepraat! En de Ministers antwoorden op de vragen van dien man! En de couranten geven verslag van zyn speeches! En... het Volk meent vertegenwoordigd te zyn. 't Is ergerlyk. (1872)

 *) Met terugzicht op de noten onder blzz. 31 en 49, moet ik hier erkennen dat de wyze waarop men zich sedert 'n paar jaren in zekere schryvende en sprekende kringen heeft meester gemaakt van quasi-staathuishoudkundige klanken, my in 't toebrengen der aangevangen taak zeer belemmert. De werkman wil maar niet inzien dat zyn goddelyk recht gegrond is op z'n waarde als arbeider, en dat hy dit recht verliest, zoodra hy zich tot prater verlaagt. Wat zouden wy gewonnen hebben by 't wegjagen of verbeteren onzer ellendige Kamers, als werklieden 't métier van parlementeeren gaan voortzetten? Babbelen en frazenmaken brachten de ellende des Volks voort. Meent men die nu te genezen door frazen en gebabbel?
Zoodra mogelyk hoop ik de ‘sociale kwestie’ monografisch te behandelen. Daartoe echter is meer loisir noodig, dan my gewoonlyk door de omstandigheden gegund wordt. Ook vrees ik dat het uur eener onbloedige oplossing verstreken is. Indien men in 1864 naar mijne woorden had willen luisteren, ware dit - voor Nederland altans - nog mogelyk geweest. Ik heb gedaan wat in myn vermogen was. In de laatste maanden des jaars 1867 - kort voor het aftreden van 't ministerie Heemskerk, van Zuylen, Schimmelpenninck, Wintgens, Hasselman - stond ik op het punt een doel te bereiken, dat waarschynlyk aan den stand der zaken een geheel ander aanzien zou gegeven hebben. Het verhaal der wyze waarop myne pogingen mislukten, zou mij te ver leiden. Ook mag ik daarover niet uitweiden, omdat het openbaren van de meeste daartoe behoorende byzonderheden my niet vrystaat. Indien de zaak myzelf alleen aanging, had ik ze terstond publiek gemaakt. Mocht zich eene gelegenheid ter verandering in den geest die ons regeert, weder voordoen - het is mogelyk! - dan zal ik nog-eens beproeven, al zy dan de kans op goeden uitslag niet verbeterd sedert dien tijd. (1872)

 *) Vgl. de geschiedenis van jonker Frits in de specialiteiten.

 *) Na de gebeurtenissen van '70 schynt de studie in het duitsch de voorkeur te verdienen. (1872)


Noot over de commentaren: Wegens de lengte in het volgende bestand.

 

Idee 451