Idee 449                                                 

 

Helaas!

Ik ben erg bedroefd, mevrouw! Ik heb, sedert ik den brief schreef dien ge zoo-even gelezen hebt, uwe Memorie van Verdediging ingezien...

Och, waarom schreeft gyzelf die niet met uw hart, in plaats van ze te laten ‘maken’ door 'n rechtsgeleerde die geen moeder is! Hy zegt dat ge niet onecht zyt bevallen - hoe weet hy dat? - en dus niet van ‘slecht levensgedrag.’ Ach, mevrouw, nu ge dus ‘braaf’ zyt, voel ik met verdriet hoe wyd de klove is tusschen u en my. [1] En ook zit ge niet in de gevangenis, naar ik verneem, maar 'n ander zit daar in uwe plaats. En dat kindjen in den vreemde heeft een n voor 'n d in den naam. En, zegt uw advokaat, er zyn rechtsfouten begaan in de dagvaarding... er is schending van wet en recht in den u gestelden termyn van verdediging...

Ik wil 't wel gelooven, mevrouw. Uw advokaat zal wel de waarheid zeggen, zoo-als advokaten wel-eens doen. O, ik geloof het zoo gaarne dat gy ‘braaf’ zyt, mevrouw, en ik verzoek u myn brief aan onbraafheid gericht, te beschouwen als niet geschreven... maar 't spyt my zoo innig dat de braafheid u thans belet een voorbeeld te geven, hoe veel milder, goediger, ryker, de lieve natuur is, dan uitgevonden opgedrongen zeden! [2]

Misschien zelfs voelt ge u thans zoo braaf, dat myn groet u niet welgevallig is. Misschien stuit het u, dat ik 'n oogenblik u hield voor diep genoeg gebogen om de hand te kunnen vatten van de vele ‘slechten’ die steun behoeven, en te laag vielen om die met vertrouwen uittestrekken naar 't hooge voetstuk waarop ge thans plaats neemt...

Vergeef het my, mevrouw. Ik bedoelde geen kwaad. Ik dacht, ik meende...

Och, het spyt me zoo. Komt het uzelf niet jammer voor, dat ge u niets te verwyten hebt? Is uw deugd u niet tot last, by 't bedenken welken lieven zegepraal ge 't hart zoudt verschaft hebben over vooroordeel? Berouwt het u niet; rechtsgeleerde finesses en geleerde exceptiën te moeten aanvoeren, waar ge, met minder bravigheid, 'n edelen stryd hadt kunnen stryden voor uw tweesoortig kroost? [3]

Is 't geen teleurstelling u te moeten bezig-houden met spitsvondige bewysvoering over onschuld, waar ge, met wat schuld, u had kunnen verheffen tot eerbiedwaardig martelaarschap? Voelt ge niet leêgte in de onechte zyde van 't hart, en een arm te veel aan den linkerkant, nu dat hart en die arm geen onwettig kindje hebben te beschermen tegen de wereld, omdat het - zoo-als uw advokaat zegt - niet bestaat? Of ook misschien, omdat de tweede sylbe van z'n naam - o, diepte der letterzedekunde! - aanvangt met 'n verkeerde dentaal? Of omdat er 'n andere moeder is... ook 'n weduwe, zegt uw advokaat...

Een andere moeder... och!

Zou ook die andere strydvoeren tegen de familieraden? Zou men ook háár echte kinderen afstelen? En zou ook zy, hart stellend boven vrees, in dat geval zoo'n kind durven terug rooven van de Wet? O, waar is ze? Ik wou haar, háár, de schuldige, de gevallene, zoo gaarne een brief schryven, zoo-als ik deed aan u mevrouw, toen ik meende - vergeef my - dat gy gevallen en schuldig waart.

Maar - dìt hebt ge dan toch gedaan, niet waar? - gy hebt, in weêrwil uwer vlekkeloosheid, uw dochtertje beschermd tegen de ongeroepen voogdyschap van vreemden, dìt hebt ge dan toch gedaan, niet waar?

Nu, dan groet ik u tòch... en hartelyk, al twyfel ik nu of ge myn groet aanneemt. Want ‘ik ben zeer slecht’ mevrouw. Slecht, ja... en bitter bedroefd over uwe schuldeloosheid.

Maar, mevrouw... als men uw verheeld kind mocht vinden... als men 't u afnam... als ge 't weêr wilt stelen en verbergen...

Als ik dat dan voor u kan doen, of u daarin behulpzaam zyn...

Dan ben ik gaarne, gaarne, tot uwen dienst, met al m'n energie, met geheel myn moed, en met al den haat die 'r in my gloeit tegen valsche deugd. [4]

Want uw kind mag men u niet afnemen, al zyt ge ‘braaf.’


[1] "Och, waarom schreeft gyzelf die niet met uw hart, in plaats van ze te laten ‘maken’ door 'n rechtsgeleerde die geen moeder is! Hy zegt dat ge niet onecht zyt bevallen - hoe weet hy dat? - en dus niet van ‘slecht levensgedrag.’ Ach, mevrouw, nu ge dus ‘braaf’ zyt, voel ik met verdriet hoe wyd de klove is tusschen u en my. "

Deceptie! Multatuli had het voorgaande idee snel geschreven en laten drukken om ten strijde te trekken tegen de discriminatie van ongehuwde moeders, maar was vals voorgelicht. In dit idee probeert hij z'n reeds uitgegeven vurige betuigingen in het voorgaande idee enigermate te corrigeren.

Wat betreft "Ach, mevrouw, nu ge dus ‘braaf’ zyt, voel ik met verdriet hoe wyd de klove is tusschen u en my.": Voor M. betekent "‘braaf’" huichelend conformistisch.


[2] "maar 't spyt my zoo innig dat de braafheid u thans belet een voorbeeld te geven, hoe veel milder, goediger, ryker, de lieve natuur is, dan uitgevonden opgedrongen zeden!"

Uiteraard berust dit op een redeneerfout, die M. zich wellicht hier maar niet altijd bewust was: Ook het huichelend conformisme en het sadisme en 't leedvermaak vermomd als fessoendelijke deugdzaamheid komen uit "de lieve natuur".


[3] "Och, het spyt me zoo. Komt het uzelf niet jammer voor, dat ge u niets te verwyten hebt? Is uw deugd u niet tot last, by 't bedenken welken lieven zegepraal ge 't hart zoudt verschaft hebben over vooroordeel? Berouwt het u niet; rechtsgeleerde finesses en geleerde exceptiën te moeten aanvoeren, waar ge, met minder bravigheid, 'n edelen stryd hadt kunnen stryden voor uw tweesoortig kroost? "

De meeste mensen zijn nu eenmaal geen geboren martelaars, deugdhelden, Don Quichots, of wonderen van moed of denkvermogen. En de zedelijkheid van de grote meerderheid is gebaseerd op angst vervolgd te worden vanwege afwijkendheid en niet of nauwelijks op zelfstandig gehandhaafde deugd, moraal of "normen en waarden": "If in Rome, do as the Romans do" (and if amongst cannibals do as cannibals do) is het solide menschlich-allzumenschliche fundament van de alledaagse morele praktijk.

Het onder Nederlanders publiek aandringen op "normen en waarden" - als anno 2002 bijzonder populair is - is alleen laf publiek gehuichel, des te smakelozer omdat de huichelaars niet eens specificeren welke "normen en waarden" en waarom deze en geen andere. Trouwens, ook de "normen en waarden" van huichelaars, lafbekken, oplichters, bedriegers, volksmenners en leugenaars zijn "normen en waarden". Zie ook 100.


[4] "met al den haat die 'r in my gloeit tegen valsche deugd."

Dit was zowel gemeend als ongebruikelijk. Wat hij minder goed zag - verblind door eigen moed, onafhankelijkheid en helderheid van denkvermogen - is hoe totaal vervalst de meeste mensen zijn, uit angst, gebrek aan individualiteit, en domheid. Zie 74.
 

Idee 449