Idee 439.                                    


Het schynt dat ook onze Wouter teveel hoefyzers had binnen gekregen [1], want hy was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon wys worden uit haar beschermeling.

In 't mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes - dat toch alles is wat men van heen-en-weertjes verlangen kan - doch haar bevattingsvermogen schoot te-kort by Wouter's vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met 'n medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z'n verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten... helaas, Wouter's ziel was haar pepernoten ontwassen, en de ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.

- Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe 't schepsel heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.

- Neen, neen, neen, Leentje... alles is de waarheid! Ik weet zeker dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.

- Maar Wouter... die historie met je zusje... dat had je dan toch vroeger moeten weten, dunkt me.

- Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide, wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam 't my weer duidelyk voor den geest.

- Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje. [2]

En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken, den modder, de eenden, het kroos... alles was er, tot de aschlucht toe, alles... behalve Fancy en haar vertellingen.

En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis ‘van den vloer’ wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning van z'n brugje, en luisterde naar 't geklepper van de molens. Ze vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.

- Ze zal te veel bezigheid hebben aan 't hof myner moeder, zuchtte Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.

Maar als-i door 't venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen ‘naar huis’, en met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend: 

- Omikron, Omikron! [3]


[1] "Het schynt dat ook onze Wouter teveel hoefyzers had binnen gekregen "

De "hoefyzers " komen voor in het vorige idee, waar ze tot "'t ontbyt der kazuarissen" worden gerekend en de kasuarissenfamilie van Wouter een winterkoninkje heeft gebaard.
 


[2] "- Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje. "

Ik merkte al op dat Leentje zich ridderlijk gedraagt jegens Wouter. Hier treedt ze in zijn voetsporen, als Don Quichot.
 


[3] "- Omikron, Omikron! "

Merk op dat de naam "Omikron" zowel het zeer grote of al omvat ("Om", van omega en het al der Hindoes) als het zeer kleine ("mikron"). Ook zal Wouter later in z'n geschiedenis iets als een zusje van stand vinden.

Idee 439.