Idee 413.                                    


Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, 't huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!

Daar de lezer veel ondervinding heeft - ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar [1] - zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte. [2]

Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven 't hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.

De man was eigenlyk maar beunhaas in 't vak. Hy behoorde namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot 'n wezenlyken dominee, als 'n likdoornsnyder tot 'n geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7, b1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.

Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw Pieterse had 'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er was 'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party te wezen: ‘om de stichting’ zei ze. [3] De meisjes waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.

- Jonchelinch... sprak de man, en er scheen al terstond indruk noodig te wezen, jonchelinch... 

Het is zeer opmerkelyk hoe 't geloof en de genade invloed hebben op de uitspraak van de meest, gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet gezegd hebben, lanche pyp of jonche doperwten, maar de heiligheid verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door 't geloof. [4] Ik ben niet ongenegen dit aantenemen als 'n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen, en denk ernstig aan 'n verhandeling: ‘over den invloed der genade op de hollandsche taal.’ Ja, 'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier, zonder zalving of gebrouw, my 'n opmerking meedeelt over 't weêr, of tyding vraagt van m'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet de genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander? [5]

- Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...

Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan z'n pyp, met 'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw Pieterse hield 'n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te wezen als ze huilen moest.

- Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...

't Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n lapsus linguae. [6] Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets. [7]

- Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als hoochepriester in den Heere... want ieder die 't Evangelium verkondigt, is 'n hoochepriester in den Heere... in den Heere...

De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.

- In den Heere...

Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z'n buitengewoon lang toeven by dien ‘Heere.’

Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.

- Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde...

Niemand myner lezers mag de neus optrekken voor 't juist weergeven van huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel. [8]

Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf dat zy nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. [9] Neen, de verbazing van 't gezelschap had 'n heel anderen grond.

Men moet erkennen dat meester Pennewip by 't oplezen van Wouter's zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en zie, daar komt huisdominee die 't brandstichten overslaat, het rooven vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel onverwacht beschuldigt van ‘hoerery met de koningen der aarde.’ Dit was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak, juffrouw Pieterse vond het wat sterk. Zy waagde dus 'n bescheiden: friskuus! het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier was 't geval ernstig genoeg om 't gebruik van wat vreemds te wettigen.

- Friskuus, dominee! Wouter heeft...

Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:

- Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho's, gy die 'n huis van ontucht bewoont op de wallen der stad...

- Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...

- Ja, en m'n vader was...

- Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik zeg u... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...

- Maar dominee, Wouter is 'n jongen!

- Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is weggezonken in 'n poel van ongerechtigheid...

- Maar dominee...

- Laat 'm begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy zal op Wouter neerkomen met 'n omweg... dat doen ze wel meer. 

Hierin had juffrouw Laps gelyk.

- Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's welsprekendheid, dit meisjen is... 'n meisje! [10]

- In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.

Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker te gelooven dan 'n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet, maken 'n onderscheid.

- In-godsnaam dan..

- Ja... dit meisjen is 'n meisjen... en wat meer zegt, ze is eene vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...

- Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!

- Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp 't heel goed.

- Ja, slang... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan. [11]

Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als 'n hulde aan haar diepere geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen in 't midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:

- Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen... allen zonder onderscheid, maar...

- Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...

- Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd. [12]

Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk. Juist als met de bochels in 403. [13]

- Hé... hoe meent u dat, dominee?

- Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit Josua twee... er hangen roode koorden uit je venster... en je hebt gehoereerd met de koningen der aarde...

Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets deftigs, en schaadt niet. Maar:

...met de koningen der aarde, en met den brief besteller die zulke dikke bakkebaarden heeft.

Dit was èrger dan ‘zoogdier.’

Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door 't verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:

- De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken... hy heeft gebitterd op den hoek... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens loopen 'm na... kyk hier!

En ze wees door 't raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens met veel gejuich 'n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen... houd je staart recht!

Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand, de pyniging van Wouter te bekorten. [14] In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen door huisdominee zelf, die in 't wynhuis had hooren spreken over die geschiedenis van den briefbesteller, en by z'n aankomst in de woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i behandelen moest.

- En, voegde Leentjen er by, 't is niet nu alleen... 't is niet altyd even erg, maar laatst met Habakuk...

- Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee bearbeidde.

My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen eind gemaakt had.

Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van juffrouw Laps. Stoffel hielp den man den trap af, zoo goed-i kon, en leverde hem over aan de straatjongens die terstond 'n liedjen op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat uittegeven als echten codex, strydt tegen m'n principes.

Zoodra juffrouw Laps zich 'n beetje hersteld had, koos zy de verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.

- O... o... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is, om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren Jeruzalem's. Dàt heeft-i bedoeld met z'n briefbesteller. M'n vader was in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening... aan oefening, weetje?

- Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...

- Zoo zegt Leentje, maar...

- En al dat volk op de straat! Hoor eens...

- Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen op de straat, en toen kwamen er beeren...

‘Hei, hei... pas op je verzenen!’ klonk het buiten.

- Waarom zendt de Heer z'n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller, bestond in 't verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had ze alweer gelyk. Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is 'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie, drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal. [15]

- Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze hierin 'n reden vond om huisdominee's taal niet zóó ver wegtewerpen als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.

- En al waar-i voor 'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?

Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.

Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. [16] Als men 'n gebouw wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar 'n pyler omhalen of 'n hoeksteen wegbreken. Sit ut est, aut non sit. Huisdominee was dus geheel in z'n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid, wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.

- Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep juffrouw Pieterse in 't eind.

Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn tot de preek van den dag. Hy behandelde Ezechiel en de afscheiding van de tien stammen, en deed er wat by uit Mattheus. Daarna ging-i over op de Makkabeen, en sloot met Daniel, Paulus, 'n Onze Vader en den H. Geest.

- Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?

Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn. [17]

- Water en brood... stelde de moeder voor, of... wat zou je denken van de Openbaring?

- Ja... zoo... ik mag de psalmen nogal, of... de geslachtsregisters... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...

- Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.

- Als we hem eens 'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren, van-achteren-af?

Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor den dag gekomen waarin slot en zin stak.

- Als ik hem eens by my nam, juffrouw Pieterse? Om 't geld is 't me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...

Wouter rilde.

- Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven, en ik zou hem oefenen... want om 't geld is 't me volstrekt niet te doen. Oefenen, weetje?

Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook - alles in aanmerking genomen - maar het beste. [18]


[1] "Daar de lezer veel ondervinding heeft - ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar "

Een bekende zegswijze, als ik het wel heb van La Rochefoucauld.
 


[2] "dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte."

Ook al een van anderen bekende zegswijze, maar daarom nog niet waar. Het komt nogal vaak voor dat "genoegens" of "rampen" groter uitvallen dan vooraf begroot.

Indien mensen - bijvoorbeeld - beter in staat waren de rampen die samenhangen met oorlogen te voorzien dan zouden ze zich er veel minder vaak aan bezondigen.
 


[3] "‘om de stichting’ zei ze."

En zal bedoeld hebben: om het genot een kastijding te zien.
 


[4] En nog steeds zijn er veel ggrristen-mensen: "En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord- en zinvorming verandert door 't geloof."

Zie ook 394.


[5] "Let maar eens op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander? "

Uiteraard snuit een dominé z'n neus op een speciale manier in 't publiek: Hij is een voorganger, en acteert en poseert - en wordt voortdurend door z'n schare bekeken. Zie verder 618.
 


[6] "'t Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n lapsus linguae."

Hier hebben een verwijzing naar de reden voor de naam van juffrouw Laps. Ze is een menselijke fout - zie 136 en 276 - en bovendien een gebruikelijke.
 


[7] "Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets. "

Voor priesterlijk-theologisch-dichterlijke illustraties opgetrokken uit opzettelijke taalfouten zie mijn commentaartje op de Grote Moderne Neerlandse Denker-Dichter-Priester Oosterhuis: 394.

In dit verband: Wat ik opmerk is natuurlijk in het geheel niet nieuw en ik lees in R. Crawshay-Williams's "Russell Remembered" het recept van Crawshay-Williams's vrouw:

"Elizabeth's recipe was for producing profound and purple writing: it consists of pairing off words whose meanings are contradictory - pride/humility, doubting/faith etc. This will be found to give an instant purple tinge to statements, while the profundity is supplied by the fact that it can mean all things to all men." (p. 70)

De enige reden om dit citaat te geven is te onderstrepen dat iemand als Oosterhuis een geheel welbewuste en opzettelijke leugenaar is: "Heer vergeef hen want ze weten niet wat ze doen" is hier geheel niet van toepassing.
 


[8] "- Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met de koningen der aarde...

Niemand myner lezers mag de neus optrekken voor 't juist weergeven van huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel. "

Ik vermoed dat de spelling "Babilon" verwijst naar 44.


[9] "Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen gaf dat zy nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht geweest zyn. "

De eerste regel die ik ooit in de bijbel las - rond m'n 10e, bij m'n moeder's ouders - waren "En Samson ging tot eenen hoer".
 


[10] "- Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's welsprekendheid, dit meisjen is... 'n meisje!"

Meer Oosterhuis:  394
 


[11] "- Ja, slang... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die er stroomen van de lippen des mans Gods... en je verdorvenheid doet je de verzenen tegen de prikkels slaan."

De dronken dienaar van de heer zag dieper en waarachtiger in het karakter van juffrouw Laps dan tot nu blijkt.
 


[12] "- Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons... en vertrek uit je huis op de muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...
- Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.
"

Terwijl de zich "ietwat beleedigd" voelende juffrouw Laps zou moeten weten dat de mensen - volgens het "griffermeerd" geloof, altijd - gewoonlijk "verdoemd" zijn.
 


[13] "Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk. Juist als met de bochels in 403. "

En als 221 - 223.
 


[14] "Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand, de pyniging van Wouter te bekorten."

Merk op dat Leentje hier optreedt als ridder voor Wouter, terwijl ze toch niet meer dan "7 stuivers in de week en 'n boteram" betaald kreeg.
 


[15] "Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is 'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie, drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal. "

Zie [7].
 


[16] "Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade, en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. "

Tja. Of genade en val noodzakelijk bij elkaar horen als slot en sleutel mag betwijfeld worden (want de klassieke God er Joden en Christenen is nogal ongenadig en jaloers) maar het uiteindelijk verweer van de gelovige zal ongetwijfeld zijn dat god's wegen ondoorgrondelijk zijn (waarmee hij in feite toegeeft niets te weten van wat ie beweert te weten).
 


[17] "- Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?
Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt, waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.
"

Want er wordt nogal wat afgestraft in de bijbel.
 


[18] "Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen heeft, en dit vind ik dan ook - alles in aanmerking genomen - maar het beste. "

Kennelijk op basis van de overweging dat geestelijke schade groter is dan wat lichamelijke pijn.

Idee 413.