Idee 405.                                    


Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door 'n zot sprookje.

Maar als ik, die van-tyd tot-tyd de werelddeelen doorjaag als 'n nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van 'n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z'n geheel bestaan.

De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met twee woorden spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, ‘oogjes toe’ voor en na 'n boteram, slapen met opgetrokken knieën, zonde doen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter! [1]

Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen opwekt tot de klacht: arme wouters!

En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te ruim of te nauw voor 'n ander, en Wouter's ziel was van ongewone leest. [2]

Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien 'n goed kind. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal 't hoogste te grypen, het verste te bereiken, de eerste te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke fantazie hem had ingeleid. [3]

Roover... goed! Maar dan ook 'n flinke roover, 'n roover boven alles, 'n roover zonder genade, 'n roover voor pleizier!

Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om 't rym, en wyl-i uit 'n paar zinsneden van z'n boek had opgemaakt dat het zoo'n byzonder aangename uitspanning was.

Als-i voor z'n veertien stuivers toevallig 'n Karel Grandisson - vervelender gedachtenisse! - had te lezen gekregen, zou z'n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog 'n paar griften toegegeven, met volkomen vergiffenis voor 't onjuist verhuizen van dezen of genen graaf.

Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen 't eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval - d.i. deze of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die we toeval noemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis - wanneer niet zoo'n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden in 'n kring waar ze niet worden begrepen... en dus mishandeld. [4]

Want ook dit is een van onze eigenaardigheden, dat we gaarne iemand mishandelen wiens ziel anders is bewerktuigd dan de onze. [5] ‘Hoe beweegt toch dat horloge?’ vraagt 'n kind, en rust niet voor-i het door hem niet begrepen raderwerk heeft stukgedraaid. Dan ligt de boêl in elkaar, en de kleine misdadiger verontschuldigt zich met de betuiging ‘dat-i weten wilde hoe 't gemaakt was.’

Zoo ook willen volwassen kinderen van de soort die we kortheidshalve menschen noemen, als het toeval hun 'n kostbaar werk in handen speelt - een werk althans dat anders is samengesteld dan hun gewone Neurenberger eieren - gedurig onderzoeken hoe 't gemaakt is? En ze rusten meestal niet voor ze hun gebrek aan werktuigkunde hebben gewroken op 't ongelukkig voorwerp dat zich verstoutte ietwat te verschillen van die eieren.

De pointe van 't achtste courantenbericht uit de vyftigste eeuw is niet nieuw. Ik beweer niet ooit iets nieuws te schryven,  wat dan ook zelden de moeite waard wezen zou, want de waarheid is oud. Lang voor brandstapels en katechizeermeesters was er 'n man die zich vermaakte met het ‘terechtbrengen’ van de voorbygangers, door ze in zyn bedstee te leggen en uitterekken tot zyn maat als ze te kort waren, of door afteknippen wat uitstak als ze zich verstoutten zyn model in lengte te overtreffen. [6]

Dien man heeft Theseus doodgeslagen, en daaraan deed Theseus wèl. Maar hy heeft de bedstee laten bestaan, en dat is niet goed, want de erfgenamen van dien juiste-maatstelselaar zetten op hun gemak 't handwerk voort.

Maar omdat nu m'n venster openstaat, wil ik voor ditmaal den lezer hierover niet verder lastig vallen. Ook zou 't den schyn hebben alsof ik anderen wou pasmaken in myn bedstee. Dat wil ik niet, en daarom vertel ik nu weer wat anders.


[1] "De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met twee woorden spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, ‘oogjes toe’ voor en na 'n boteram, slapen met opgetrokken knieën, zonde doen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!"

Multatuli overkwam ongetwijfeld grotendeels hetzelfde, als vrijwel iedereen van zijn generatie. Ik vermoed dat de gevolgen van een en ander, en van de voeding en overige omstandigheden, althans enigermate helder traceerbaar zijn in medische statistieken. "Het Nederlandse Volk" van 1860 moet vergeleken het idem van 2000 een nogal opvallend armzaliger, ongezonder en lelijker volk zijn geweest.

Fysiek is er veel verbeterd; intellectueel en moreel is er veel hetzelfde gebleven. De meeste vooruitgang in menselijk opzicht is kennelijk te danken aan technologische vooruitgang
.
 


[2] Dat "Wouter's ziel was van ongewone leest" was is de reden dat M. zijn verhaal doet - en er zit behoorlijk veel Multatuli of Eduard Douwes Dekker in Woutertje al is het verhaal niet autobiografisch en is het niet meer uit te maken wat feit en fictie was, afgezien van enkele episodes, als van de Hallemannetjes, die autobiografisch is.
 


[3] "Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien 'n goed kind. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal 't hoogste te grypen, het verste te bereiken, de eerste te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke fantazie hem had ingeleid."

Nee, het Rooverslied is te ironisch en gelaagd om door een kind geschreven te zijn, hoe geniaal ook. Hier is 't zonder tussenwerpingen:

                   Rooverslied.
 
                Met myn zwaard,
                Op m'n paard,
      En myn helm op het hoofd,
 Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,
                En vooruit!
                Op den weg,
                Langs de heg,
      Met een houw en een stoot
De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...
                Om den buit!
                En die buit
                Is myn bruid,
      My gekocht met m'n staal,
 En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal,
                Naar de grot...
                Als de wind
                Zoo gezwind,
      Jaag ik voort met myn vracht,
 En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,
                Wat genot!
                En dan weer
                Op-en-neer,
      Rechts en links door het land,
 Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,
                Tot vermaak!
                En dan voort
                Weer gespoord
      Naar een nieuw aventuur,
 En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,
                Om de wraak...
                Want de wraak.
                Is de taak
      Van den koning van 't woud...
 Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt...
                En banier!
 
                Op, hoezee...
                Wie gaat mee?
      Nu geen schepsel verschoond,
 Nu de mannen gehangen, de vrouwen gehoond...
               Voor pleizier!

Dit gedicht loopt te goed, rijmt te fraai, en pariodeert te prachtig om door 'n ca. 12-jarige jongen geschreven te kunnen zijn, zelfs niet als z'n naam "Eduard Douwes Dekker" was geweest.
 


[4] "het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn"

Dit gold ook voor Multatuli, en komt zeer zelden voor. Ik leg de reden uit in mijn commentaar bij 74: De meeste mensen zijn zo weinig zelfstandig en intelligent dat ze zich in een wereld van poseurs, leugenaars en bedriegers alleen overeind menen te kunnen houden door zich tot poseur, leugenaar en bedrieger te maken.


[5] "Want ook dit is een van onze eigenaardigheden, dat we gaarne iemand mishandelen wiens ziel anders is bewerktuigd dan de onze."

Of preciezer: Wie afwijkt in uiterlijk of gedrag van Ons en geen evident voorbeeld van gesundes Volksempfinden is loopt groot gevaar mishandeld te worden door de doorsnee, wherever, whenever, want zo zijn mensen.


[6] "De pointe van 't achtste courantenbericht uit de vyftigste eeuw is niet nieuw. Ik beweer niet ooit iets nieuws te schryven,  wat dan ook zelden de moeite waard wezen zou, want de waarheid is oud. Lang voor brandstapels en katechizeermeesters was er 'n man die zich vermaakte met het ‘terechtbrengen’ van de voorbygangers, door ze in zyn bedstee te leggen en uitterekken tot zyn maat als ze te kort waren, of door afteknippen wat uitstak als ze zich verstoutten zyn model in lengte te overtreffen."

In deze alinea verwijst M. naar 394 en wel de passage die aldus begint:

‘Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename tyding dat onze stad dezer dagen 'n waar feestgenot heeft gesmaakt, en wel 'n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.
Er is namelyk 'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn dan onze burgemeester.
De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.

Voor de misleide zielen die menen dat dit soort dingen niet in werkelijkheid gebeuren: Hoe dit in de werkelijke praktijk gaat staat goed beschreven in Jung Chang's "Wild Swans".
 

Idee 405.