Idee 393.                                       


Nasleep van den ŕllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag van
Hanniballaps door Scipio-Pennewip. Politiek baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt dat nog gebeuren moet.

Ja, daar werd gescheld... nogeens: 't was ‘f'r ons.’

Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wčl, vind ik, schoon 't altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men 'n ander was dan men is. (3) 't Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen kan dat ze 't in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. [1] En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw Pieterse op dit punt wel 'n mensch zal geweest zyn als 'n ander. 

- Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de heeren wezen.

De ‘dames’ beweerden dat de ‘heeren’ nog niet konden dáár zyn, wyl 't nog te vroeg was, en juist deze twyfel ňf 't de heeren waren, gaf 'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.

Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was. [2]

Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar 't ging niet, want haar: ‘'n zoogdier...hebje van z'n leven, 'n zoogdier!’ werd overstemd door: ‘hedenm'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen.’ Juffrouw Pieterse maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou ‘opentrekken’. Truitje werd belast met het ‘terechtbrengen’ van de kinderen - die er heel slecht by voeren - en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met 'n nieuwe zoölogische verhandeling die 'n ongehuichelde vrede zou herstellen onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester Pennewip zich vertoonde aan 't nog ontstemd gezelschap. Ook hy was ontstemd, de lezer weet het.

De homoeopathen zullen hier denken aan hun similia similibus, want de verrassing van z'n komst werkte gunstig op de aangevangen vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend 'n wapenstilstand gesloten tusschen de krygvoerende partyen niet zonder voorbehoud aan den Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid naar de oorzaak van Pennewip's komst zou voldaan zyn - en ze ging hiertoe te gemakkelyker over, wyl men 't den man kon aanzien dat-i wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.

- Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik zie, ge hebt gezelschap, maar...

- Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.

't Gezelschap was niets, en: ‘ga maar zitten.’ Daar heerscht 'n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, b1. (Pp)

- Wil uwe-n-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk?

- Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen om saliemelk te drinken!

- Maar ga toch zitten, meester...

Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en 't kwam er toe.

Pennewip kuchte met ernst. Hy zag 't gezelschap rond, haalde een rol papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:

- Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw man... verkocht schoenen...

Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met 'n zegevierenden blik.

- Ja meester, dat deet-i!

- Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?

- Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip's toon, jawel, dat is waar, meester.

- En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school, klachten hebt - ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse - over de wyze waarop ik - met behulp myner echtgenoote - aan uwe menigvuldige kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en de godsdienst? Dŕt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?

Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot tevredenheid.

- Dŕt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl hy 'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen, doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen jaren later.

- Maar, meester...

- Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u - want het is volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel achterwege te laten - ik vraag u of gy klachten hebt - ik bedoel natuurlykerwyze: gegronde klachten - over myn onderwys in lezen, schryven, rekenen...

- Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...

- Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw zoon Wouter?

- Wouter? - 't Is waar ook - is-i niet tuisgekomen, Trui? -Wouter is uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke kinderen, meester, en ze wonen...

- Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes, dat men die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7, a1... misschien a... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn - want dat is hetzelfde, juffrouw Pieterse - het kan niet anders... zedeloosheid, verderf... op de fransche school... [3]

Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg u dat uw zoon...

- Hč?

- Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...

De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die 'n gevolg was van z'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte zich den zegepralenden blik van zooeven. met woeker terugtegeven aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar eau-de-la-reine-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren zou over Wouter ‘dien jongen’ die haar altyd zooveel verdriet had gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van 'n beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen stryd. Dit geschiedde dan ook.

- Hčb ik 't niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men begint met 'n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik verwonder me niet over de zaak... in 't geheel niet! Ik heb 't lang voorzien. Wat kan men ook verwachten in 'n familie, waar...

Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich 'n gelegenheid opdeed om 't voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had gezegd: het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester weten [4]; en dus:

- Meester, riep ze, is 't waar of niet, dat juffrouw Laps 'n zoogdier is?

Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z'n onvoltooide beschuldiging tegen Wouter. Hy keek over z'n bril heen, en beschreef langzaam 'n kring met z'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide: antwoord of sterf, ben ik 'n zoogdier?

- Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl 't nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen en beroep.

- Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.

- Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.

Er slaakte zich in 't gezelschap 'n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is 'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.

De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:

- Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen....

- Juffrouw Laps, antwoord my...

- Gut ja, meester, maar...

- Antwoord my, juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gy?

- Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrye opgang... kwart in den regenbak beneden...

- Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps. Derzelver bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?

- Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!

En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.

Juffrouw Laps zag in dat ze dan 'n verloren mensch was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in 'n oesterschelp.

Dit was 'n illuzie van 't schepsel.

Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrek niet stoorde aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon en pruik, voortging:

- Kunt gy leven in 't water? Hebt gy kieuwen?

- In 't water? Maar, meester...

Pruik links. Dat beduidde: geen maren.

- Of half in 't water, half op het land?

- Meester hoe zou ik...

Pruik rechts: geen uitvluchten!

- Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende jongen ter wereld?

- 't Is zonde, meester!

De pruik had iets van 'n stormram, en te-recht. Want daar volgde de stormrammige vraag:

- Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gy eieren leggen... hč?

Dŕt kon ze niet.

- Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.

En de pruik kwam weer in 't midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps uit het veld geslagen.

Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen. [5]


[1] "Voorts, omdat ik weet hoe men in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en verandering van elke kleinigheid. "

Inderdaad had Multatuli zeer veel ervaring hiermee, zoals blijkt uit de VW dl 8 - 25.
 


[2] "Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt weertevinden waar men gebleven was."

Beide observaties zijn geheel korrekt.
 


[3] We lazen in Idee 362  "van den schoolmakker die hem had aangestoken met de romanziekte", zodat Pennewip's gissing zo gek niet is.
 


[4] Dit - "het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester weten " - is nog steeds de opstelling van mensen zonder hoger onderwijs.
 


[5] "Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen."

Feit is dan ook dat Juffrouw Laps' zoogdierschap geheel paste in Pennewip's classificatie-manie en dat hij deze in de voorgaande regels toepast volgens de regels.

Idee 393.