Idee 391.                                       


Maar alle zelfopoffering heeft zyn grenzen. (41) Wanneer ik al m'n gangen naar de noordermarkt kon aaneenknoopen in n rigting, ware ik reeds lang aan de pool geweest.

Stoffel dreunde z'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken geweest was, en dat zy 't wezen zouden. Daarop werd de buurt over den hekel gehaald, en de juffrouw van onder-achter kreeg haar deel. Dat spreekt vanzelf want ze was er niet.

De godsdienst en 't geloof speelden 'n groote rol, en juffrouw Laps gaf te kennen dat ze van plan was 'n oefening optezetten, omdat de tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet goed in de hoeken veegden.

- Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is, riep ze, en dr kom ik maar op.  Men moet 't niet beter willen weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door 't geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje [1]... en daarom wou 'k zoo graag 'n eigen oefeningetje houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om 'n zakduitje op kermis en nieuwejaar. Denk 'r 'ns over juffrouw Mabbel.

Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag 's avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: 't kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat 'n werkelyk beroep was.

- Uw dan, juffrouw Zipperman, vindt uw ook niet dat 't wel gaan zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, gut n! We zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet uw... oefening, weet u? [2]

Juffrouw Zipperman wist 't wel, doch haar schoonzoon van de assurantie - of van 't kadaster - had gezegd dat de dominees voor die zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten wezen zou.

Die heeren van 't kadaster - of van de assurantie - zyn zoo gek niet.

- Wat denkt uwe d'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat zoo'n oefeningetje...

Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke aanbiedingen te doen aan 'n vrouw. 

- Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik heb altyd heel in 't fatsoenlyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met 'n hooge stoep, en in den gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie vrouw, zeit-i, en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i, maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je 't niet hoort - dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is omgekeerd, dat zie je wel - en daarom zeg ik maar altyd: ieder moet weten wat-i doet. [3]  

- Maar zoo'n oefeningetje... vrouw Stotter.

- 't Is mogelyk, juffrouw Laps, 't is wel mogelyk... maar ik heb al zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m'n eigen gang ga, en dat 's dan ook maar 't beste. Want ik ben in 'n kraam geweest by m'nheer De Witte die 'n oom heeft aan 't stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in 't fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei altyd: baker, baker, zeit-i, je bent m'n 'n baker! Zoodat ik maar zeggen wil dat 'k heel goed weet wat 'k doe, want ik heb 'r al wat ingespeld van m'n leven. Daar heb je nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de prinsengracht... neen, op de kalkmarkt... och, hoe heet-i... [4]

De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van 't punt in kwestie. Maar dat doen er wel meer.

- En uw, juffrouw Pieterse, hoe denkt uw over 'n oefeningetje?

- Och mensch, ik heb al zoo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet wat 't is, mensch, om 'r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar m'n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee 'r wat voor, ik hoor 'r weer.

Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer ging om kleine Kee er wat vr te geven. Men kon 't haar aanzien dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.

- Waar was ik ook weer? Ja, dat is m'n godsdienst, zeg ik maar. 't Is 'n getob met die kinderen, mensch, je wt 't niet! En ik vind, als ik ze goed opbreng... ga jy nu 'ns, Pietje, en breng Simon terecht, die knypt zeker z'n zussie weer, dat doet-i altyd als 'r volk is.

Simon werd terechtgebracht.

- Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik daar weer? Myntje, ga 'ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.

Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat ze wat hadden omgegooid.

Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van achter-onder. 't Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, achter. Vreeselyke opschudding.

Eindelyk:

De kinderen waren terechtgebracht. Juffrouw Zipperman zat weer in den hoek waar 't zoo tochtte waaruit men ziet hoe alle aardsche grootheid 'n keerzy heeft, en dat 'n schoonzoon by 't kadaster - of de assurantie - regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. 't Was juist als in de Schrift stond zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar 't staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het rgens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral van slaan. [5]

- Kom, Stoffel, vertel jy nou 'reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, die toonen wilde dat haar kinderen mr konden dan knypen en omgooien.

- 'k Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische hovaardy. [6]

- Och toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... och toe - zoo is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, anders gaat 't niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwe zien - toe, Stoffel! - hy zal moe wezen van z'n school, weet u... 't is 'n gedoe met zoo'n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is 'n heele boel aan vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk zyn. Is 't niet waar, Stoffel?

- N, moeder.

- Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je - 't is maar, weet uwe, juffrouw Zipperman, om 'm aan 't praten te krygen, maar dat kan zoo in-eens niet, weet uw, omdat-i moe is van z'n school - en verleden zei je, dat alles...

- N, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.

- Nou hoort uw 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Begryp 'ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook - je korrenet, weetje - en jy ook...

- N, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en baker ook.

Baker keek heel vreemd. Zy mannelyk... dat had ze nooit geweten. 

- Baker is mannelyk, ging Stoffel voort - nou begint-i! riep z'n moeder - alle woorden op k.e.r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker, baker.

- Is 't mogelyk! riepen de gasten uit n mond. [7]

- Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd staan als je 't hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?

- Ik... ik? Wat ik bn?

- Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?

- Wl... ik ben juffrouw Krummel, zei 't mensch, maar ze zei 't met wat twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in 't eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.

De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van 'n byzondere zaak 'n algemeene makende, vroeg Stoffel's moeder, kringsgewys rondgaande met haar blik:

- En uw ook, juffrouw Mabbel, en uw, juffrouw Laps, en uw, juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent? [8]

Ze wisten 't geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar z meende de hoogschalke Stoffel 't niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:

- Ik ben juffrouw Laps!

- Mis... mis... glad mis!

- Wel heerem'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?

- J... a... a... a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet gevraagd wie je bent, maar wat je bent... daar zit 'm 't fyne!

- Wt ik ben? Wel... griffermeerd!

- J... a... a... a... dat ben je wel, m... a... a... r... n, dt is 't nu niet. De vraag is... wat je bnt? Stoffel, help m-n-eens...

Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal mogelyk:

- Juffrouw Laps, ik wensCHte te weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.

- Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op 't punt staat zich beleedigd te voelen.

- Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.

- En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.

- Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...

- Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.

- Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier. [9]

- Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek - Stoffel, zeg 't maar - je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen - toe, Stoffel, zeg 't maar!

- Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig - en er was 'n gewichtig oogenblik aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse - juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier. [10]


[1] "- Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is, riep ze, en dr kom ik maar op.  Men moet 't niet beter willen weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door 't geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje "

Toch behoort het de scherpzinnige lezer op te vallen dat in deze alinea nogal wat Multatuli verstopt zit, in karikatuur: De roeping van de mens is mens te zijn; de noodzaak als god; het uitverkoren genie zijn; en het gronden van wat zeker is op 2 maal 2 is 4.


[2] "We zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet uw... oefening, weet u?"

Het woordje "Uw" kwam van de afkorting "U.E." dat "Uwe Edele" betekent (die ook Multatuli in z'n eigen correspondentie bij gelegenheid nog gebruikte als geheel normaal beleefd, tegen onbekenden van hoge stand) en was kennelijk weer een populaire burgermans-manier om de adel na te doen en zichzelf te verheffen.


[3] "- Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik heb altyd heel in 't fatsoenlyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met 'n hooge stoep, en in den gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie vrouw, zeit-i, en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i, maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je 't niet hoort - dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is omgekeerd, dat zie je wel - en daarom zeg ik maar altyd: ieder moet weten wat-i doet."

"m'nheer Luttelmans van de Prinsengracht" bevat weer een Multatuliaanse "Seitenhieb" tegen protserige rijkworders - maar dit soort opmerkingen behrt de lezer door overmaat aan eigen scherpzinnigheid makkelijk op eigen kracht te maken.

Dit merk ik hier alleen op om te tonen dat ook ik niet geheel achterlijk ben, en ik wilde eigenlijk iets opmerken over het "zeit-i".

Ik ben namelijk opgegroeid in de Amsterdamse Kinkerbuurt, en ook mij was dit als kind een plaag:

Hordes volwassen vrouwen die overal van hun ervaringen verhaalden met een eindeloos "en toen segt suh en toen seg ik, seg ik ... nauw seg ik, ik seg maor so seg ik dattume allamoal kenne segge wattumuh willuh seg ik maor, want seg ik, asdat je foor un duppie chubooruh bin seg ik dan wor-je dus fan se nit nie un kwarretje, wou ik maor segge dus, maor toen segt sij, seg ik ..." Ectetera ad nauseam.

De oorzaak is verregaande stompzinnigheid, alleen gexcuseerd door de onvrijwilligheid ervan, en zegt - indirect - iets over het nut van het algemeen kiesrecht, "met name dus" voor politici.


[4] "Daar heb je nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de prinsengracht... neen, op de kalkmarkt... och, hoe heet-i... "

Wie niet goed op de hoogte is van Amsterdamse omstandigheden moet weten dat de Prinsengracht en de Kalkmarkt nog steeds tot de plaatsen horen waar de lokale lite huist. Plus a change, plus c'est la mme chose.


[5] "Juffrouw Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. 't Was juist als in de Schrift stond zei ze, en ze haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar 't staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het rgens staat. Want in die Schrift staat alles. Vooral van slaan."

"Wie zijn kinderen liefheeft kastijdt ze" werd ook in mijn kindertijd nog vaak door vele ouders met een zeker grimmig genoegen of in wanhoop aangehaald.


[6] "- 'k Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische hovaardy."

Voor 't geval dat de lezer 't niet weet: Socrates maakte zich z onbemind onder z'n mede-Atheners door veelvuldig te verkondigen dat hij tenminste wist dat hij niets wist, anders dan de rest der Atheners (en meer dergelijke zaken) dat ze hem tenslotte tot de gifbeker veroordeelden.


[7] "- Baker is mannelyk, ging Stoffel voort - nou begint-i! riep z'n moeder - alle woorden op k.e.r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker, baker.
- Is 't mogelyk! riepen de gasten uit n mond.
"

Daarmee indirect aantonend dat de geslachten van Nederlandse woorden een krankzinnige schoolmeesters-uitvinding zijn. Immers: Geen verzameling Fransen, hoe dom ook, zou een dergelijke verbazing op kunnen brengen met hun taal vol "la" en "le".


[8] "- En uw ook, juffrouw Mabbel, en uw, juffrouw Laps, en uw, juffrouw Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent? "

Merk juffrouw Pieterse's subtiele onderscheid in aanspreekvormen op. Dergelijke subtiele onderscheidingen bestaan nog steeds in 't Nederlands. Zo ben ik in vrijwel alle winkels gedreven door Amsterdamse middenstanders ca. 2000 een "u" voordat ik betaald heb een "je" na betaling. Dit gaat kennelijk als automatisme, en toen ik er eenmaal op lette gold dit in mijn geval in minstens 90% van mijn aankopen bij middenstanders.


[9] "- Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.
- Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.
"

Toch is DE grote aantrekkingskracht van alle onfatsoen dat 't bestaat omdat het - zus of zo - lekker is. ("Video meliora proboque; deteriora sequor." - het goede zien en toestemmen en het slechte doen is immers gewoonlijk de makkelijkste, veiligste, populairste en best betaalde weg.)


[10] "- Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig - en er was 'n gewichtig oogenblik aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse - juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier."

Ik vermoed (en hoop) dat dit - "juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier." de bekendste zin uit de Nederlandse literatuur is.

Idee 391.