Dichtoefeningen,
pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.
[1]
De school was
ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun
verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer
op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen
*)
die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven
op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang
wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke
breukensom in al haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school
was geen school meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk.
Ja, de
geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote
hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra
blyken.
Wy weten
reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de
dichterlyke voortbrengselen van 't genie zyner leerlingen keuren zou.
Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem
bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om
over z'n schouders te zien, om op onze
beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.
[2]
Pruik:
recht, en in rust.
- ‘Tryntje
Fop, op haar muts.
-
- Ik heet Tryntje
Fop,
- En heb een muts
op myn kop.’
- Niet kwaad...
maar... laat zien - ja, zóó is 't beter - die beide laatste woorden
verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid.
**)
Meester
haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel
eenvoudig 'n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.
Pruik:
iets of wat links.
- ‘Lukas
de Bryer, op het Vaderland.
-
- Vaderland, koek
en amandelen,
- Ik ga in de
maneschyn wandelen,
- Koek, vaderland
en brandewyn,
- Ik ga wandelen
in de maneschyn,
- Vyf vingers heb
ik aan myn hand
- Ter eer van 't
lieve vaderland.’
- Zangerig, zei
meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek met brandewyn, en 't
vaderland daartusschen. [3]
Pruik:
rechts.
- ‘Lysje
Webbelaar, op het beroep van haar vader.
-
- De kat viel van
de trappe,
- Myn vader
verkoopt aardappe-
- Len en uyen.’
- Oorspronkelykheid...
maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.
Pruik:
links.
- ‘Jannetje
Rast, op een windwijzer.
-
- Hy staat op een
schoorsteen van binnen vol roet,
- En wyst aan den
wind hoe hy waaien moet.’
- Dit is niet geheel
juist... want, wèl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er
door.
Pruik:
vooruit.
- ‘Grietje
Wanzer, op een rups.
-
- Het rupsje
zonder schromen,
- Springt rond op
alle boomen.’
- Beschryvende
dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd
rondspringende rups.
Pruik:
in rust.
- ‘Leendert
Snelleman, op de lente.
-
- In de lente is
het heel aardig,
- In Mei is myn
broertje jarig,
- Maar nu heeft hy
wintervoeten,
- Zoodat wy de
lente pryzen moeten.
- Dan gaan wy
samen kuieren,
- En op paasch,
vacantie met eieren.’
- 't Is jammer dat hy
het rym zoo verwaarloost. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en
goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.
Pruik:
in den nek.
- ‘Slachterskeesje,
lofdicht op den meester.
-
- Myn vader heeft
menigen os den doodsteek gegeven,
- Maar meester
Pennewip is nog in leven.
- Soms waren
zy mager, en somtyds vet,
- En hy heeft
zyn pruik op zy gezet.’
De pruik ging inderdaad
op-zy, en nogal héél ver. [4]
- Hm...
't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?
De pruik ging over-stag
naar de uiterste rechterzyde.
- Wat
heb ik met die ossen te maken?
De pruik
protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle
verwantschap met die ossen.
- Hm...
zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers humor noemen?
De
pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.
***)
Ik zal
dien jongen eens onderhanden nemen...
De pruik
kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over
meesters voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te
nemen.
- ‘Lukas
de Wilde, op de godsdienst.
-
- De godsdienst is
een goede zaak,
- En geeft het
menschdom veel vermaak.’
- Het gronddenkbeeld is
juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt
behooren te worden. [5]
De pruik
wipte duidelyk dat ze dit ook vond.
- ‘Truitje
Gier, op juffrouw Pennewip.
-
- Het pad der
deugd wyst zy ons aan,
- Wie zou niet
gaarne medegaan?
- En in verloren
oogenblikken
- Leert zy ons
naaien, stoppen en stikken.’
De pruik maakte een
vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten
z'n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Gier's ontboezeming,
die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van
zangster en bezongene.
By 't
volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar onbewogen, maar
de oplettende beschouwer had 'n hysterische geestvervoering kunnen
waarnemen, in de trilling van haar krullen.
- ‘Klaasje
van der Gracht, op God.
-
- Grootmachtig
Opperheer, verbazing, hoogverheven,
- Met stof,
en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal!
- Verbeelding,
tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,
- Wie zegt
ons waar 't gewoel, een einde nemen zal?
- Tot weêrklank
van Genaê, met Eng'len op de transen,
- Gevaar van
't smalle pad, uit onbekend genot...
- Een vader weegt
zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen,
- Zich
spieg'lend in, en door, en op, en onder God.
- Laat vry de
zondenval, op onwaardeerbre wyzen,
- Het
zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht,
- Nooit zal het
sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen,
- Dit vers is
saamgedicht door Klaasje van der Gracht van den
katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud
dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de
vliegende theeketel uithangt.’
- Verheven! Als z'n
vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het verbazend! Dit is nu al
des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe
denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is
verbazend! [6]
Ook de
pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.
- ‘Louwtje
de Wilde, op de vriendschap.
-
- De vriendschap
is een schoone zaak,
- En geeft het
menschdom groot vermaak.’
De pruik scheen niet
tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd voor den dag gehaald, en
ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes vriendschap.
- Hm...
zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één denkbeeld geboren
wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of zyn.
- ‘Wimpje
de Wilde, op het hengelen.
-
- Het heng'len
is...
- Hoe... wat is dat?
Ja
waarachtig, 't stond er:
- ‘Het heng'len is
een schoone zaak,
- En geeft het
menschdom veel vermaak.’
De pruik was in
voortdurende beweging. 't Scheen wel dat ze meehengelde.
Meester
bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de voortbrengselen van
de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje de Wilde, Kees de
Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat
godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen
schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan 't menschdom! 't Was 'n
stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden. [7]
Wat zou
de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden 't beste was, en
meer kan men niet verlangen. [8] Na 't inzien der vruchteloosheid harer
bemoejingen om onderscheid te vinden tusschen hengelen en vriendschap,
goochelen en droomen, godsdienst en kool, hield ze zich alsof de zaak
haar niet aanging, en bleef in 't juiste midden, met 'n uitdrukking in
haar krullen, of ze met verlangen uitzag naar 't vervolg, als de lezer.
- ‘Leentje
de Haas, op admiraal de Ruyter.
-
- “Hy is op een
toren geklommen,
- En heeft
daar touw gedraaid,
- Toen is hy op
zee gekommen,
- En werd met
roem bezaaid.
-
- Hy wou 't er
niet by laten,
- En heeft
Saleh geveld.
- Toen hebben
heeren Staten
- Hem
aangesteld als held.
-
- Toen is hy
aangekomen
- In 't
roofziek Engeland.
- Dat heeft hy
zonder schromen
- Belegerd en
verbrand.
-
- Hy heeft veel
christenslaven
- Met vryheid
overstrooid.
- Toen hebben
Neêrlands braven
- Zyn glazen
ingegooid.
-
- Tot afschrik van
verraders
- Toen hy de
zee bevoer,
- Was zyn naam
bestevader,
- Zyn vrouw
was bestemoêr.”
- Hy gaf de eer
den Heere,
- En was als
Christen groot.
- Toen kreeg hy
door zyn kleeren
- Een kogel,
en was dood.’
De pruik klapte
toejuichend in de krullen. [9] Ze scheen verheugd. Helaas... de vreugde van zoo'n pruik duurt niet lang! Ook de hare zou weldra... maar wy willen de
gebeurtenissen niet vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar
zien...
- ‘Wouter
Pieterse, Rooverslied...
- Hè... wat is dàt? En
de deugd... waar is de deugd?
Meester
vertrouwde z'n oogen niet. Hy keerde 't blad om en bekeek de achterzyde,
of misschien de deugd zich daar verscholen had...
Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouters
blaadje! [10]
Arme
pruik!
Ja, arme
pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit 'n pruik onderging, na te
zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op 'n wyze die zelfs de
verbeeldingskracht zou te-boven gaan van de familie de Wilde, rukte
meester Pennewip haar af, kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen
handen, stamelde een kort:
heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven, hoe
komt-i er aan!... plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n schedel...
dekte haar toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als
'n bezetene.
Hy ging
den weg op naar Wouter's woning, waar we hem weldra zullen zien
aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld als
geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.
*)
Boutjes heetten de ganzepennen van de
soort die op de scholen gebruikt werd. De betere soort noemde men,
naar ik meen, schachten. Stalen pennen kwamen veel later, en werden
niet vriendelyk ontvangen. Men kon er geen krullen mee trekken, een
kunstje dat in Pennewip's dagen in hooge achting stond. [11] Toen, en
vooral ruim honderd jaren vroeger nog, schynt de schryfkunst 'n veel
hoogeren rang bekleed te hebben, dan tegenwoordig. In den ‘Belachelyke
Jonker’ van Bernagie wordt het
mooie schrift van een der mededingers naar de hand van 'n meisjen,
in allen ernst opgenoemd onder de verdiensten die hem den voorrang
waardig maken.
**)
Op Pennewip's recensentenwysheid is 'n
aanmerking te maken van gelyke soort als die welke voorkomt in de
Noot op
183. Over 't
geheel is de goede man hier gechargeerd. Zeer ten-onrechte belast ik
hèm met het geeselen onzer verzensmeden, daar dit niet tot de klasse
der werkzaamheden behoort, waartoe hy by-voorkeur zou geschikt zyn.
Ironie past niet in z'n rol. Een andermaal beter!
(1879) De meeste verzen van volwassen personen geven in zotterny aan
die van Pennewip's leerlingen weinig of niets toe. Het byna eenig
onderscheid ligt slechts hierin dat het gerymel van ‘groote menschen’
meestal minder vermakelyk is. [12] Wanneer toch zal die kinderachtige spelery 'n eind nemen? Men moest zich schamen!
[13]
***)
Ten-onrechte! Want al is 't geen humor,
wèl worden soortgelyke grappen daarvoor uitgegeven, en slechts daarop
kan meester Pennewip's vraag gedoeld hebben. Het twyfelen van de pruik
is dus ongegrond, en ik raad haar de aandachtige lezing aan van Prof.
Oosterzee's verhandeling: de scepticismo caute vitando.
[1] "Dichtoefeningen,
pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop.
"
We zijn aangeland
bij één van de bekendste stukken uit de Nederlandse literatuur, dat zeer
vaak herdrukt is in bloemlezingen.
[2] Toch is het "onwaardeerbaar
kunstgenot" dat we gaan genieten
vrijwel zeker Neerlands meest bekende poëzie - en met recht, want er is
bijna niet beter gedicht.
[3] "Zangerig,
zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek met brandewyn, en
't vaderland daartusschen."
Hier vat M. de
essentie van het menselijk bestaan in Neerland: "Er
is diepte in die koek met brandewyn, en 't vaderland daartusschen."
Er werd en wordt in Nederland namelijk veel gezopen en de enige reden
dat dit niet meer opvalt is dat het zo gebruikelijk is.
[4] "De pruik ging inderdaad
op-zy, en nogal héél ver."
Zoals we eerder
zagen was Slachterskeesje Woutertje's concurrent waar het gaat om het
eerste van de klas zijn. En met enig recht zien we, want M. kent 'm
psychologisch heel slim enige geest en ironie toe en enig begrip van
Meester Pennewip's zieleroerselen - dat de aanmerkelijk naïever Wouter
miste.
[5] "Het
gronddenkbeeld" is niet alleen "juist
en schoon" maar ook zedelijk en
wijsgerig diep: Voor "het menschdom"
- gemiddeld en gewoonlijk - is de goedheid van een zaak evenredig met deszelfs vermaak.
[6] "Dit
is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe
denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is
verbazend!"
Wie de moeite neemt
het na te zoeken zal vinden dat er in de 18e en 19e eeuw in Nederland
talloos veel gelijkwaardige en tennaastebij gelijkluidende proeven van
dichtersschap gepubliceerd zijn. En sindsdien is 't Neerlands poëtisch
peil gelijk gebleven al zijn inhoud en stijl veranderd.
[7] "Mietje
de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met
eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool
en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan 't
menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden."
Of de familienaam
"De Wilde", die door M. in ieder geval gebruikt wordt om een zekere
primitieve kinderlijkheid aan te duiden ook verwijst naar Rousseau - die
leven en karakter van "de edele wilde" graag als voorbeeldig op mocht
voeren - weet ik niet. M. was in z'n jeugd nogal een bewonderaar van
Rousseau, maar later niet. Ik was 't nooit.
[8] "Ze
deed wat in de gegeven omstandigheden 't beste was, en meer kan men niet
verlangen."
En zo is het. Wie er meer van wil weten leze
423 en de daargegeven links.
[9] "De pruik klapte
toejuichend in de krullen." En
terecht want het is zowel een fraaie kinderlijke samenvatting van de
Vaderlandse Geschiedenis zoals deze onderwezen werd als een mooie opmaat
tot Wouter's gedicht.
[10] "Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouters
blaadje!"
Terwijl dat toch Wouter's opdracht was: Dichten
over de Deugd als zondaartje die z'n Nieuwe Testament verkwanseld had om
"Glorioso" te kunnen lezen.
[11] "Stalen
pennen kwamen veel later, en werden niet vriendelyk ontvangen. Men kon er
geen krullen mee trekken, een kunstje dat in Pennewip's dagen in hooge
achting stond."
Het is waar dat
met ganzepennen fraaier krullen getrokken kunnen worden dan met stalen
pennen.
[12] "De
meeste verzen van volwassen personen geven in zotterny aan
die van Pennewip's leerlingen weinig of niets toe. Het byna eenig
onderscheid ligt slechts hierin dat het gerymel van ‘groote menschen’
meestal minder vermakelyk is.
"
"Precies mijn idee!"
[13] Nu ja: Wanneer
wordt de mensheid volwassen - of in staat redelijk na te denken en te
doen, en ook nog eens aardig amusant en zinnig te dichten? In dit
verband:
Ach waren
alle mensen wijs
En deden daarbij wel!
Dan was de aarde een paradijs
Nu is zij vaak een hel.
Dirck Jansz. Coster - A.D. 1618