Idee 385.                                     


Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop. [1]

De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen  *)   die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school was geen school meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk.

Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra blyken.

Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de dichterlyke voortbrengselen van 't genie zyner leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om over z'n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot. [2]

Pruik: recht, en in rust.

 Tryntje Fop, op haar muts.
 
 Ik heet Tryntje Fop,
 En heb een muts op myn kop.

- Niet kwaad... maar... laat zien - ja, z is 't beter - die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid. **)  

Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel eenvoudig 'n muts p, zonder kp. Ik mag dien styl wel.

Pruik: iets of wat links.

 Lukas de Bryer, op het Vaderland.
 
 Vaderland, koek en amandelen,
 Ik ga in de maneschyn wandelen,
 Koek, vaderland en brandewyn,
 Ik ga wandelen in de maneschyn,
 Vyf vingers heb ik aan myn hand
 Ter eer van 't lieve vaderland.

- Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek met brandewyn, en 't vaderland daartusschen. [3]

Pruik: rechts.

 Lysje Webbelaar, op het beroep van haar vader.
 
 De kat viel van de trappe,
 Myn vader verkoopt aardappe-
 Len en uyen.

- Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.

Pruik: links.

 Jannetje Rast, op een windwijzer.
 
 Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet,
 En wyst aan den wind hoe hy waaien moet.

- Dit is niet geheel juist... want, wl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er door.

Pruik: vooruit.

 Grietje Wanzer, op een rups.
 
 Het rupsje zonder schromen,
 Springt rond op alle boomen.

- Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.

Pruik: in rust.

 Leendert Snelleman, op de lente.
 
 In de lente is het heel aardig,
 In Mei is myn broertje jarig,
 Maar nu heeft hy wintervoeten,
 Zoodat wy de lente pryzen moeten.
 Dan gaan wy samen kuieren,
 En op paasch, vacantie met eieren.

- 't Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloost. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.

Pruik: in den nek.

 Slachterskeesje, lofdicht op den meester.
 
 Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,
 Maar meester Pennewip is nog in leven.
      Soms waren zy mager, en somtyds vet,
      En hy heeft zyn pruik op zy gezet.

De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal hl ver. [4]

- Hm... 't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?

De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.

- Wat heb ik met die ossen te maken?

De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle verwantschap met die ossen.

- Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers humor noemen?

De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt. ***)

Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...

De pruik kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over meesters voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te nemen.

 Lukas de Wilde, op de godsdienst.
 
 De godsdienst is een goede zaak,
 En geeft het menschdom veel vermaak.

- Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden. [5]

De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.

 Truitje Gier, op juffrouw Pennewip.
 
 Het pad der deugd wyst zy ons aan,
 Wie zou niet gaarne medegaan?
 En in verloren oogenblikken
 Leert zy ons naaien, stoppen en stikken.

De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten z'n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Gier's ontboezeming, die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.

By 't volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar onbewogen, maar de oplettende beschouwer had 'n hysterische geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.

 Klaasje van der Gracht, op God.
 
 Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven,
      Met stof, en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal!
 Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,
      Wie zegt ons waar 't gewoel, een einde nemen zal?
 Tot werklank van Gena, met Eng'len op de transen,
      Gevaar van 't smalle pad, uit onbekend genot...
 Een vader weegt zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen,
      Zich spieg'lend in, en door, en op, en onder God.
 Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen,
      Het zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht,
 Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen,
 Dit vers is saamgedicht door Klaasje van der Gracht van den katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de vliegende theeketel uithangt.

- Verheven! Als z'n vader hem draan niet geholpen heeft, is het verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is verbazend! [6]

Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.

 Louwtje de Wilde, op de vriendschap.
 
 De vriendschap is een schoone zaak,
 En geeft het menschdom groot vermaak.

De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes vriendschap.

- Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat n denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of zyn.

 Wimpje de Wilde, op het hengelen.
 
 Het heng'len is...

- Hoe... wat is dat?

Ja waarachtig, 't stond er:

 Het heng'len is een schoone zaak,
 En geeft het menschdom veel vermaak.

De pruik was in voortdurende beweging. 't Scheen wel dat ze meehengelde.

Meester bladerde de nog onngeziene proeven door, zocht de voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan 't menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden. [7]

Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden 't beste was, en meer kan men niet verlangen. [8] Na 't inzien der vruchteloosheid harer bemoejingen om onderscheid te vinden tusschen hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool, hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging, en bleef in 't juiste midden, met 'n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag naar 't vervolg, als de lezer.

 Leentje de Haas, op admiraal de Ruyter.
 
 Hy is op een toren geklommen,
      En heeft daar touw gedraaid,
 Toen is hy op zee gekommen,
      En werd met roem bezaaid.
  
 Hy wou 't er niet by laten,
      En heeft Saleh geveld.
 Toen hebben heeren Staten
      Hem aangesteld als held.
  
 Toen is hy aangekomen
      In 't roofziek Engeland.
 Dat heeft hy zonder schromen
      Belegerd en verbrand.
  
 Hy heeft veel christenslaven
      Met vryheid overstrooid.
 Toen hebben Nerlands braven
      Zyn glazen ingegooid.
  
 Tot afschrik van verraders
      Toen hy de zee bevoer,
 Was zyn naam bestevader,
      Zyn vrouw was bestemor.
 Hy gaf de eer den Heere,
      En was als Christen groot.
 Toen kreeg hy door zyn kleeren
      Een kogel, en was dood.

De pruik klapte toejuichend in de krullen. [9] Ze scheen verheugd. Helaas... de vreugde van zoo'n pruik duurt niet lang! Ook de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Spoedig, l te spoedig zullen we haar zien...

 Wouter Pieterse, Rooverslied...   

- H... wat is dt? En de deugd... waar is de deugd?

Meester vertrouwde z'n oogen niet. Hy keerde 't blad om en bekeek de achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...

Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouters blaadje! [10]

Arme pruik!

Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit 'n pruik onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op 'n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te-boven gaan van de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort: heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven, hoe komt-i er aan!... plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n schedel... dekte haar toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als 'n bezetene. 

Hy ging den weg op naar Wouter's woning, waar we hem weldra zullen zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.

*)  Boutjes heetten de ganzepennen van de soort die op de scholen gebruikt werd. De betere soort noemde men, naar ik meen, schachten. Stalen pennen kwamen veel later, en werden niet vriendelyk ontvangen. Men kon er geen krullen mee trekken, een kunstje dat in Pennewip's dagen in hooge achting stond. [11] Toen, en vooral ruim honderd jaren vroeger nog, schynt de schryfkunst 'n veel hoogeren rang bekleed te hebben, dan tegenwoordig. In den Belachelyke Jonker van Bernagie wordt het mooie schrift van een der mededingers naar de hand van 'n meisjen, in allen ernst opgenoemd onder de verdiensten die hem den voorrang waardig maken.

**)  Op Pennewip's recensentenwysheid is 'n aanmerking te maken van gelyke soort als die welke voorkomt in de Noot op 183. Over 't geheel is de goede man hier gechargeerd. Zeer ten-onrechte belast ik hm met het geeselen onzer verzensmeden, daar dit niet tot de klasse der werkzaamheden behoort, waartoe hy by-voorkeur zou geschikt zyn. Ironie past niet in z'n rol. Een andermaal beter!

(1879) De meeste verzen van volwassen personen geven in zotterny aan die van Pennewip's leerlingen weinig of niets toe. Het byna eenig onderscheid ligt slechts hierin dat het gerymel van groote menschen meestal minder vermakelyk is. [12] Wanneer toch zal die kinderachtige spelery 'n eind nemen? Men moest zich schamen! [13]

***)  Ten-onrechte! Want al is 't geen humor, wl worden soortgelyke grappen daarvoor uitgegeven, en slechts daarop kan meester Pennewip's vraag gedoeld hebben. Het twyfelen van de pruik is dus ongegrond, en ik raad haar de aandachtige lezing aan van Prof. Oosterzee's verhandeling: de scepticismo caute vitando.


[1] "Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop. "

We zijn aangeland bij n van de bekendste stukken uit de Nederlandse literatuur, dat zeer vaak herdrukt is in bloemlezingen.


[2] Toch is het "onwaardeerbaar kunstgenot" dat we gaan genieten vrijwel zeker Neerlands meest bekende pozie - en met recht, want er is bijna niet beter gedicht.
 


[3] "Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek met brandewyn, en 't vaderland daartusschen."

Hier vat M. de essentie van het menselijk bestaan in Neerland: "Er is diepte in die koek met brandewyn, en 't vaderland daartusschen." Er werd en wordt in Nederland namelijk veel gezopen en de enige reden dat dit niet meer opvalt is dat het zo gebruikelijk is.
 


[4] "De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal hl ver."

Zoals we eerder zagen was Slachterskeesje Woutertje's concurrent waar het gaat om het eerste van de klas zijn. En met enig recht zien we, want M. kent 'm psychologisch heel slim enige geest en ironie toe en enig begrip van Meester Pennewip's zieleroerselen - dat de aanmerkelijk naever Wouter miste.
 


[5] "Het gronddenkbeeld" is niet alleen "juist en schoon" maar ook zedelijk en wijsgerig diep: Voor "het menschdom" - gemiddeld en gewoonlijk - is de goedheid van een zaak evenredig met deszelfs vermaak.
 


[6] "Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my boven het hoofd... het is verbazend!"

Wie de moeite neemt het na te zoeken zal vinden dat er in de 18e en 19e eeuw in Nederland talloos veel gelijkwaardige en tennaastebij gelijkluidende proeven van dichtersschap gepubliceerd zijn. En sindsdien is 't Neerlands potisch peil gelijk gebleven al zijn inhoud en stijl veranderd.
 


[7] "Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen, bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak gaven aan 't menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en vermakelykheden."

Of de familienaam "De Wilde", die door M. in ieder geval gebruikt wordt om een zekere primitieve kinderlijkheid aan te duiden ook verwijst naar Rousseau - die leven en karakter van "de edele wilde" graag als voorbeeldig op mocht voeren - weet ik niet. M. was in z'n jeugd nogal een bewonderaar van Rousseau, maar later niet. Ik was 't nooit.
 


[8] "Ze deed wat in de gegeven omstandigheden 't beste was, en meer kan men niet verlangen."

En zo is het. Wie er meer van wil weten leze 423 en de daargegeven links.
 


[9] "De pruik klapte toejuichend in de krullen." En terecht want het is zowel een fraaie kinderlijke samenvatting van de Vaderlandse Geschiedenis zoals deze onderwezen werd als een mooie opmaat tot Wouter's gedicht.


[10] "Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouters blaadje!"

Terwijl dat toch Wouter's opdracht was: Dichten over de Deugd als zondaartje die z'n Nieuwe Testament verkwanseld had om "Glorioso" te kunnen lezen. 
 


[11] "Stalen pennen kwamen veel later, en werden niet vriendelyk ontvangen. Men kon er geen krullen mee trekken, een kunstje dat in Pennewip's dagen in hooge achting stond."

Het is waar dat met ganzepennen fraaier krullen getrokken kunnen worden dan met stalen pennen.
 


[12] "De meeste verzen van volwassen personen geven in zotterny aan die van Pennewip's leerlingen weinig of niets toe. Het byna eenig onderscheid ligt slechts hierin dat het gerymel van groote menschen meestal minder vermakelyk is. "

"Precies mijn idee!"

 


[13] Nu ja: Wanneer wordt de mensheid volwassen - of in staat redelijk na te denken en te doen, en ook nog eens aardig amusant en zinnig te dichten? In dit verband:

Ach waren alle mensen wijs
En deden daarbij wel!
Dan was de aarde een paradijs
Nu is zij vaak een hel.

Dirck Jansz. Coster - A.D. 1618

Idee 385.