Idee 381b.                                       


[1]

Voorbereiding tot 'n avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering (daguerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eenden-oorlog en molen-vertellingen, eindigende met 'n luchtreis.

't Was woensdag. Er zou 'n ‘avendje’ wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man ‘aan de beurs’ was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had ‘maar altyd heel in 't fatsoenlyke.’ Dan de weduwe Zipperman, ‘die 'n ‘dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster, of zoo-iets.’ Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was ‘zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen.’ Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht men ‘maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over 't gebroken glas.’ En kwam ze nù niet, dan was 't ook uit, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en dat het dus met die juffrouw uit was. [2]

De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n kop koude saliemelk aan 't ontbyt ‘als men ze den heelen avend niet hoorde.’ 't Is ook lastig de kinderen te ‘hooren’ als men 'n avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d.z.b.f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op 'n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was [3], en gewoonlyk 's avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf - ze hadden de belydenis en den merklap achter den rug - en Stoffel zat voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.

Leentje zou blyven tot de ‘menschen’ er waren, wyl 't anders voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder dat onafscheidelyk is van 'n avendje. ‘Maar ze moest wat vlugger wezen, of anders deed men 't waarlyk liever zelf.’

Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, ‘maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren.’

't Zou allerprettigst wezen ‘als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak.’ Ook was het te hopen dat de weduw Zipperman ‘wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst.’ En de juffrouw boven den melkkelder ‘mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in 'n toehuis gewoond, en 'n winkel was geen schande, en op-kamers-wonen ook niet... heere, neen!’ Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou. [4]

Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, ‘en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe 't hoort.’ - En ‘dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z'n beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n stoel... ja, zóó... 't is heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus.’

Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was zoo onbeleefd, vond ze.


[1] Boekhoudkundige noot: Ik heb dit idee maar 381b genoemd omdat er in 't origineel 2 Ideen met het nummer 381 zijn, namelijk dit en het vorige.


[2] "'t Was woensdag. Er zou 'n ‘avendje’ wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man ‘aan de beurs’ was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had ‘maar altyd heel in 't fatsoenlyke.’ Dan de weduwe Zipperman, ‘die 'n ‘dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster, of zoo-iets.’ Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was ‘zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen.’ "

Merk op dat allen geplaatst worden volgens de methode Pp in 381 wat weer neerkomt op: Verdeeld volgens inkomen en beroep.


[3] Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was

Laurens was "natuurlyk op 't letterzetten" omdat hij ten huize Pieterse geboortig was en dus volgens de methode Pp op letterzetten hoorde, en omdat hij "Laurens" heette, naar Laurens Jansz Coster, aan wie in de 19e eeuw in Nederland de uitvinding van de boekdrukkunst werd toegekend, gehéél vrij van chauvinisme natuurlijk, net zoals de Duitsers beweren dat Gutenberg de eerste was. (Zoals vaak blijken de Chinezen een eeuw of vijf sneller te zijn geweest.)


[4] "'t Zou allerprettigst wezen ‘als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak.’ Ook was het te hopen dat de weduw Zipperman ‘wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst.’ En de juffrouw boven den melkkelder ‘mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in 'n toehuis gewoond, en 'n winkel was geen schande, en op-kamers-wonen ook niet... heere, neen!’ Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou. "

Eenieder wordt op z'n bescheiden plaats gehouden door eenieder, en behoort zijn plaats te weten, en bescheiden respect te tonen aan eenieder, en maar gewoon te doen want dan doe je al gek genoeg. Zó zijn onze Neerlandse zeden, in verleden én heden. (Zie 107, 447.)

Idee 381b.