[1]
Voorbereiding tot 'n avendje. Rolverdeeling. Stryd
tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering (daguerreotiep).
Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eenden-oorlog en
molen-vertellingen, eindigende met 'n luchtreis.
't Was woensdag. Er zou
'n ‘avendje’ wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook
de juffrouw boven den melkkelder, wier man ‘aan de beurs’ was. Voorts
vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had ‘maar altyd heel in 't
fatsoenlyke.’ Dan de weduwe Zipperman, ‘die 'n ‘dochter getrouwd had met
iemand van de assurantie, of 't kadaster, of zoo-iets.’ Voorts de
juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was ‘zoo
opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar
meetevragen.’ Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou,
dacht men ‘maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over 't
gebroken glas.’ En kwam ze nù niet, dan was 't ook uit, zei
juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de juffrouw van
achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en
dat het dus met die juffrouw uit was. [2]
De
kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n kop koude
saliemelk aan 't ontbyt ‘als men ze den heelen avend niet hoorde.’ 't Is
ook lastig de kinderen te ‘hooren’ als men 'n avendje heeft. Wat voor
hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de
Hallemannetjes, d.z.b.f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur,
werd er gezegd, maar op 'n toon die hem deed voelen dat-i niet zou
bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die
natuurlyk op 't letterzetten was [3], en gewoonlyk 's
avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te
wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't tweede
kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf - ze hadden de
belydenis en den merklap achter den rug - en Stoffel zat voor. Hy zou de
heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen
halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de
bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.
Leentje
zou blyven tot de ‘menschen’ er waren, wyl 't anders voor de
jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon
ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder dat
onafscheidelyk is van 'n avendje. ‘Maar ze moest wat vlugger wezen, of
anders deed men 't waarlyk liever zelf.’
Het
oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen.
Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, ‘maar
ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren.’
't Zou
allerprettigst wezen ‘als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste
woord voerde, want dat was nogal haar zwak.’ Ook was het te hopen dat de
weduw Zipperman ‘wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets
toch vervelend wordt op 't laatst.’ En de juffrouw boven den melkkelder
‘mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in 'n
toehuis gewoond, en 'n winkel was geen schande, en
op-kamers-wonen ook niet... heere, neen!’ Ook kon niemand weten
waar-i toe komen zou. [4]
Niemand
begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche
woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, ‘en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt.
Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy
óók weten hoe 't hoort.’ - En ‘dat de juffrouw van onder-achter niet
komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt
niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw
zitten, dan moet-i z'n beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n
stoel... ja, zóó... 't is heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol
geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns
even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes
wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen
den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de
juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de
juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw,
en snuit je neus.’
Juffrouw
Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was zoo
onbeleefd, vond ze.
[1] Boekhoudkundige
noot: Ik heb dit idee maar 381b genoemd omdat er in 't origineel 2 Ideen
met het nummer 381 zijn, namelijk dit en het vorige.
[2] "'t
Was woensdag. Er zou 'n ‘avendje’ wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps
was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man ‘aan de
beurs’ was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had ‘maar altyd
heel in 't fatsoenlyke.’ Dan de weduwe Zipperman, ‘die 'n ‘dochter
getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster, of zoo-iets.’
Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was
‘zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar
meetevragen.’ "
Merk op dat allen
geplaatst worden volgens de methode Pp in 381
wat weer neerkomt op: Verdeeld volgens inkomen en beroep.
[3]
Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was
Laurens was "natuurlyk
op 't letterzetten" omdat hij ten
huize Pieterse geboortig was en dus volgens de methode Pp op
letterzetten hoorde, en omdat hij "Laurens" heette, naar Laurens Jansz
Coster, aan wie in de 19e eeuw in Nederland de uitvinding van de
boekdrukkunst werd toegekend, gehéél vrij van chauvinisme natuurlijk,
net zoals de Duitsers beweren dat Gutenberg de eerste was. (Zoals vaak
blijken de Chinezen een eeuw of vijf sneller te zijn
geweest.)
[4] "'t Zou
allerprettigst wezen ‘als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste
woord voerde, want dat was nogal haar zwak.’ Ook was het te hopen dat de
weduw Zipperman ‘wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets
toch vervelend wordt op 't laatst.’ En de juffrouw boven den melkkelder
‘mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in 'n
toehuis gewoond, en 'n winkel was geen schande, en
op-kamers-wonen ook niet... heere, neen!’ Ook kon niemand weten
waar-i toe komen zou. "
Eenieder wordt op
z'n bescheiden plaats gehouden door eenieder, en behoort zijn plaats te
weten, en bescheiden respect te tonen aan eenieder, en maar gewoon te
doen want dan doe je al gek genoeg. Zó zijn onze Neerlandse zeden, in
verleden én heden. (Zie 107,
447.)